1. Theodorus Aemilius 1566, was eerst pastoor en is later als predikant naar Utrecht vertrokken.
2. Huig Dirksz 1574—vertrokken naar Gouda in 1575.
3. Johannes Gelasius (Vitriarius genoemd) alhier vermoord in de spaansche troebelen Ao. 1575.
4. Laurentius Copicanus 1578 vertrokken naar Leiden 1579.44
5. Chistianius Sinapius Venlo 1578—hij werd beroepen van Dordrecht en vertrok naar Medenblik in hetzelfde jaar 1578.
6. Abraham Jansz. werd beroepen van Vlaardingen 1583, vertrok naar Montfoort 1586.
7. Simon Johannes Groeninganus beroepen 1586.
8. Andreas Stangerus 1589, heeft zijne dienst alhier geeindigd den 3 Mei A. 1608.
9. Adrianus Wittius werd beroepen als Proponent 1601.
10. Johannes Lydius, is van Arlanderveen den 11 April 1602, in de dienst dezer Kerke getreden, stierf 1643.
11. Levinus De Raad, werd beroepen van Ridderkerk 1608, en vertrok naar Haastrecht 1617.
12. Fredericus Abbema, 1619, is den 5 Aug. 1636 Emeritus verklaard, behoudende den rang en zyne wedde.
13. Gibbo Theodori âb Eerst, is beroepen van Schoonderwout 1636, en Emeritus verklaard 1668.
14. Cornelis Molswyk, kwam als Proponent 1645, en stierf 3 October 1656.
15. Johannes Valkius, voor Derde Predikant beroepen van Cockengen, 1648, vertrok naar Amersfoort 1658.
16. Casparus Velthuysen, werd beroepen van Ouwerkerk aan den Yssel den 27. October 1658 in plaats van Ds. Joh. Valkius, en stierf 1674.
17. Henricus Rynsdyck, beroepen van Pynaker 1657, vertrokken naar Amsterdam, aldaar bevestigd den 9 January 1667, en overleden den 6 Maart 1689.
18. Simon of Samuel Gruterus wierd beroepen van Ysselmonde 1667, los gemaakt, als beroepen te Haarlem, den 22 November 1669, en stierf aldaar Emeritus 1705.
19. Theodorus Gibonis âb Eerst, is beroepen van Meerkerk Loco Patris Emeriti 1668, en zelf Emeritus verklaard 1698.
20. Johannes Vereycken, is beroepen van Wormerveer 1671, en gestorven 1674.
Na eene langdurige Vacature van twee plaatsen, zijn beroepen:
21. Casparus Wagtendorp, uit de Nieuwpoort beroepen den 3 Julij 1675, in de plaats van D. Casparus Velthuysen, alhier overleden, vertrokken naar Breda 1680.
22. Johannes Rulicius, beroepen van Berkel, den 31 July 1675 in de plaats van D. Johannes Vereycken, alhier overleden, vertrokken naar Haarlem 1681, stierf aldaar den 22 Mei 1696.
23. Johannes vander Horst, beroepen van Willige Langerak den 16 December 1680, in de plaats van den vertrokken D. Casparus Wagtendorp, gestorven 1687.
24. Arnoldus Brantius, beroepen van Berg-Ambacht, in de plaats van Ds. Johannes Rulicius, den 22 Maart 1685, gestorven 1712.
25. Otto Brand Swalmius, beroepen van Overschie den 26 Januarij 1689, in de plaats van den overledenen D. van der Horst, vertrokken naar Enkhuyzen 1693.
26. Wilhelmus den Appel, beroepen van op den Bommel den 1 February 1694, in plaats van den vertrokken D. Otto Brand Swalmius, overleed 1713.
27. Isaäk Hazeu, beroepen van Voorhout den 21 Augustus 1698, in de plaats van D. Theodorus Gibboni âb Eerst, Emeritus, insgelijks Emeritius verklaard 1714.
28. Cornelius Houthoff, beroepen van Haastrecht Januarij, 1713, na vijf maanden verblijf vertrokken naar Dordrecht, en van daar naar Amsterdam 1719.
29. Johannes de Wildt, beroepen van Oirschot den 14 September, 1713, in de plaats van den vertrokken Ds. C. Houthoff, gestorven den 24 Sept. 1738.
30. Johannes Voss, beroepen van Claaswaal, den 14 September 1713, in plaats van den overledenen D. Wilhelmus den Appel, stierf den 6 Augustus 1746.
»Bij Resolutie van de Staten van Holland en Westfriesland van den 21 Junij Ao. 1741. werd D. J. Voss, vermits zyn zwakheid en verval van levensgeesten, van de H. Dienst geëxcuseerd, tot ter tijd zijn Eerw. mogte hersteld worden, Salvo honore et Stipendio.”
31. Daniel Bedber, beroepen van Schalkwyk den 27 Maart 1714, in de plaats van Isaäk Hazeu, verklaard Emeritus—Los-gemaakt naar Alkmaar den 10. November 1715.
32. Wilhelmus Mesch, beroepen uit den Hitzert den 24 Maart 1716, in de plaats van den vertrokken D. Daniel Bedber, overleed den 8 Januarij 1721.
33. Albertus Heshusius, beroepen van Vreeland den 19 Maart 1739, in de plaats van den overledenen D. Johannes De Wildt, vertrok naar Haarlem, en heeft zijne afscheids-reden gedaan den 3 April 1741.
34. Johannes Marinus Costart de la Morasiere, beroepen uit den Nieuwpoort den 28. Maart 1741, in plaats van den vertrokken D. Albertus Heshusius; hij heeft zijn intrede predicatie gedaan 7 Mei 1741 † 1768.
35. Johannes Ernestus Jungius, beroepen van Dalfsen den 4 October 1741 tot derden predikant—ter oorzake van zware ongesteldheid van Ds. Johannes Voss.45
36. Adrianus Ploos van Amstel beroepen van Oud-Loosdrecht den 14 Julij 1744, in plaats van den vertrokken Ds. Johannes Ernestus Jungius—bevestigd 15 November 1744 en overleden 1762.
37. Jacob van Kampen beroepen van Kedichen Ao. 1763, in plaats van Ds. Ploos van Amstel, vertrokken naar Rhenen 1774.
38. Ds. van Beuningen Noordbeek beroepen van Polsbroek, is alhier overleden.
39. Hermanus Zwavink, beroepen van Heer Jansdam, is te dezer plaatse overleden, den 7 Maart 1800.
40. Johs. van Nuijs Klinkenberg, beroepen van Overschie Ao. 1775. Anno 1776 vertrokken naar Deventer en van daar naar Amsterdam.
41. Antonie Kuyper, beroepen van de Wormer 1776 vertrokken naar Delft 1779 van daar naar Amsterdam.
42. Corns. Jan van Seist, beroepen van Wilnis 1779, vertrokken naar Delft 1780.
43. Dideribus Hermanus van Rossum van Wilnis beroepen 1780 vertrokken naar Delft 1788.
44. Petrus Theodorus Avink du Prê, beroepen van Zuilen 1788, naar Hoorn vertrokken 1790.
45. Johannes Bekking, beroepen van Schipluiden 1791 en overleden 1809.
46. Jacobus Roeloffs (in plaats van den onder Nr. 39 genoemden en overleden H. Zwavink) is beroepen van Streefkerk in 1801 en overleden in Maart 1825.
47. Matthias Johs. Römer, (in plaats van den overledenen Ds. Bekking), beroepen van Wognum en Wadweide 4 Junij 1809, overleden 15 Julij 1821.
48. Jacobus Hendrik Tol, in plaats van den overleden M. J. Römer; beroepen van de Meern, intrede gepredikt 6 October 1822, vertrokken naar Kampen in Februarij 1825.
49. Michael Adrianus Jentink, in plaats H. J. Tol.—Beroepen van Vinkeveen Anno 1825.—Intrede gepredikt 7 Augustus 1825.—Vertrokken naar Harlingen 24 Julij 1831.
50. Gerardus Steenhoff in plaats van de overleden Jac. Roeloffs—beroepen van Jutphaas 1826.
51. Apollonius Cornelis Lorentz, in plaats van Michiel Adrianus Jentink—proponent in 1832 en overleden alhier in 1845.
52. Hermen de Vries, in plaats van den overleden A. C. Lorentz—beroepen van Heikop en Boekop in 1846, vertrokken naar Leeuwarden 1851.
53. Jan Pieter de Keyser, in plaats van H. de Vries—beroepen van Noordeloos 1851, vertrokken naar Arnhem 1852.
54. George Philip Kits van Heyningen, in plaats van Jan Pieter de Keyser.—Beroepen van Rijsoord en Strevelshoek in 1852, vertrokken naar Deventer 1855.
55. Johannes Marcus Kolff, in plaats van G. P. Kits van Heyningen, beroepen van Odijk in 1856.
Tot hiertoe mijne lezers strekt der predikanten-lijst in dezen tijd, zoodat de bedienaars van de kerk onzer beschrijving nu zijn de Eerw. Heeren Gerardus Steenhoff en Johannes Marcus Kolff.
Nog iets over de kerk zelve.—Is het dus nu niet te betreuren, nu wij eenigsints meer bekend zijn geworden, met deze grijze eerwaardige kerk, dat men bij het herstellen derzelve, (dat nu en dan hoog noodzakelijk was), zoo weinig acht heeft geslagen,—voornamelijk in de voorgaande eeuw—om de oorspronkelijke constructie te behouden. Wanneer zal men het toch beter leeren begrijpen, wat de Gothiek is en hoeveel aestetisch gevoel een schoone gothische kerk bij ieder moet opwekken, die zelfs slechts weinig van deze verheven bouwkunst begrijpt!
Doch niet alleen in Oudewater, in verreweg de meeste plaatsen van Nederland is men met de meeste onverschilligheid met het herstellen der oude kerken te werk gegaan. Is dit voor de pen van een minnaar der gothiek soms wat streng, dan zullen wij een deskundige citeren.
»Het is mij niet bekend” zeide op de algemeene bijeenkomst van de leden der maatschappij »tot bevordering der bouwkunst” op 23 Junij 1854 de ervaren Rotterdamsche architect de Heer W. N. Rose »Het is mij niet bekend, dat er ergens een gebouw uit de middeleeuwen bestaat, dat in een volledige toestand van onderhoud is gebleven; hetgeen men veranderd heeft, is niet verbeterd; de herstellingen zijn of gebrekkig geweest, of zijn geschied geheel tegen den stijl van het gebouw, hetgeen uit het oogpunt van de kunst beschouwd, met eene langzame slooping gelijk staat.—En het is treurig te moeten bekennen, dat dit nog dagelijks plaats grijpt, en wel het meest die groote en merkwaardige voortbrengsels der kunst treft, die onze steden tot sieraad konden verstrekken en waarvan het schoone, het eerwaardige en het verhevene van den gothischen stijl het krachtigst te voorschijn komt.”
Doch mijne lezers, al is nu deze kerk geen kruiskerk meer, al tooit zich niet meer muur noch gewelf—zooals nog de protestantsche kerk in Naarden—met schoone beschilderingen, al maakte men ingangen, waar deze met haar geheel niet harmonieren, al bekalkte men hare eerwaardige muren van buiten met Portlandsche cement en al verplaatste en verhakte de steenhouwer de grafzerken, om daaraan eene meer onderling gelijke gedaante te geven, de zerken, die dus nu niet meer de assche dekken van hen, wier namen er nog op uitgedrukt zijn,46 nog is de kerk schoon, nog heeft men stoffe in overvloed, om zich personen en zaken van het grijs verleden voor den geest te tooveren.
Personen en zaken?—Zeker mijne lezers, of komt het niet bij u op als gij u binnen hare grijze muren bevindt, hoe dikwijls de manhafte poorters daar zich hebben verootmoedigd voor hun Hemelheer, en kracht en moed gesmeekt, zich waardiglijk tegen een even dapperen vijand te verdedigen, hoe dikwijls de verwulven het stemgeluid der Godsdienstleeraars hebben opgevangen en teruggekaatst, van hunne hoogte tot in het soms blijde, doch ook soms bedroefde gemoed mijner medeburgers! Wie somt het op, hoe menigmaal de tranen gevloeid zijn, van grijsaard en kind, van echtgenoot en vader, van bruidegom en verloofde op de kille grafmonumenten, die de asche dekken, van diepbetreurde dooden, wier zerken ons nog zoo dikwijls wij de kerk betreden, zoo somber het memento mori als toeroepen.
Doch wij nopen u met ons het kerkgebouw te verlaten, want wat zoude het ons baten steen voor steen te ondervragen, de sombere en plegtige stilte van het Godshuis wordt niet onderbroken door eenig wederwoord, het statig gebouw zwijgt en blijft zwijgen.
En nu wat dunkt u geachte lezer, was het wel te veel, toen wij om oudheid en schoone bouwtrant het eerst de aandacht voor kerk en toren verzochten? De kerk staat daar zoo plegtig en de toren verheft haren nok nog zoo fier gedurende zoovele eeuwen! Nog bestaat er van buiten eenheid, en beiden—al maakt het een vreemd contrast, de kerk bekalkt en de toren nog ongesmeurd te zien—, beiden immers dragen zij de onmiskenbare sporen der schoone gothiek, beiden nog bezitten zij eene menigte spitsbogen, waardoor genoemde bouworde zich insgelijks onderscheidt, die spitsbogen waarin de vrolijk tjilpende zwaluw lustig haar kunstig nestje van IJsselklei bouwt, vanwaar zij uitvliegt naar omhoog in den blaauwen aether om voedsel op te doen, voor zich en de haren! ach, de mensch vindt bij het zien eener gothische kerk zooveel stoffe tot nadenken!
En weder wie vreemdeling is in deze plaats, en haar eenmaal mogt bezoeken, hij zal zich eenige minuten der beschouwing van kerk en toren gewijd niet beklagen.
Indien wij nu de beschrijving der publieke en merkwaardige gebouwen, die binnen Oudewater staan of gestaan hebben, naar derzelver oudheid vervolgden, dan moesten wij noodzakelijk den draad der kerkelijke gebouwen afbreken en het natuurlijk gevolg daarvan zoude zijn, dat de orde, die wij ons aanvankelijk voorstelden, er door lijden moest. Alzoo zullen wij doorgaan eerst de reeks kerkelijke gebouwen tot den tegenwoordigen tijd te beschrijven, doch om dit met te meer vrucht te doen, is het allernoodzakelijkst, hoewel noode, de aandacht eerst kortelijk te bepalen op