DE UITOEFENING DER R. C. EEREDIENST BINNEN OUDEWATER, NA 1575 TOT 1705–1709, EN DE GEESTELIJKEN DIE HIER LEERAARDEN.

Na de inname der veste door de Spanjaarden in 1575, is het gemakkelijk te begrijpen, dat de uitoefening der roomsche Godsdienst aan geene belemmering zal onderworpen zijn geweest, en de kerk, al was de protestantsche leer daarin reeds voor 1575 gepredikt, zij toch door de Spaansche bezettelingen weder zal gebruikt zijn geworden tot uitoefening hunner eerdienst. Het gelukte echter in het volgende jaar aan den onverschrokken van Zwieten en de zijnen, wederom de stad voor Oranje te overrompelen, en van dien tijd ongeveer, kunnen wij veilig aannemen, dat de parochiekerk in het ongestoord bezit der hervormden zal geweest zijn.


Wat waren helaas de gemoederen verbitterd in het woelige tijdvak onzer beschrijving, ach! zij die steeds vrienden waren, verkeerden aldra niet zelden in openbare vijandschap, de teederste banden, die van minnende echtelingen, van ouders en kroost, van familien en aanverwanten, werden soms wreed vaneen gereten, en eene betreurenswaardige wrake verving eene zoete vriendschap en genegenheid. En van waar de laakbare stemming? Ach mijne lezers! ook Oudewater voedde in zijnen boezem de giftige slang van geloofs- en godsdiensthaat, en wel zoo, dat het de betreurenswaardigste gevolgen met zich sleepte. Hadde men helaas beter begrepen, dat het geloof van protestant en katholijk beide een waren in het Goddelijk gebod van naastenliefde, en toch werd het in dien tijd, door beiden zoo ongelukkig verbroken.

Gelukkig echter na het woeden van den genoemden storm in al zijne woestheid, verminderde zij allengskens, tot er eindelijk een vrij dragelijke ruste aan den horizont lichtte. En het moest alzoo geschieden, want de mensch ging in de ontrolling der drie laatste eeuwen vooruit, met rassche schreden vooruit, op de schoone bane van stoffelijke en geestelijke beschaving. Hierdoor begon hij het ongerijmde, het den christen vernederende der geloofshaat in te zien, en nu …. nu in onze welgeordende maatschappij, onder het bestuur van Nederlands beminden derden Willem, zijn alle burgers van Nederland gelijk voor de wet, onze volks-vertegenwoordigers toonen meest allen te begrijpen, wat de negentiende eeuw van hen vordert, wat de verlichte mensch uit dien tijd wil; en de vruchten dier vooruitgang? Tuigt het mijne lezers, hoe schoon zij zich openbaren op iedere plaats van het gezegende Nederland.

In de eerste tijden dan na den moord door de Spanjaarden, in de kleine veste zoo mededoogenloos uitgevoerd, konden de roomschgezinden hunne Godsdienst naar willekeur nog in het openbaar uitoefenen; in die vrijheid echter konden zij zich niet zeer lang verheugen, daar reeds van den 5 September 1578 een placaat bestaat op de vicarijen en geestelijke bezittingen, alsmede de uitoefening der roomsche eeredienst.

Spoedig mogten zij nu niet meer hunne religie in het openbaar uitoefenen. Wij vinden ook in dien tijd geen pastoor, als hier verblijf houdende en voor het algemeen leerarende, in eenig document aangeduid.

Zoo stonden de zaken, toen in 1614 de roomsche geestelijke Baaks of de later zoo beroemde Johannes Wachtelaar, doch waarschijnlijk meermalen beiden, voor het eerst in stilte, begunstigd door het nachtelijk duister, de mis celebreerden, ten huize van den poorter Jan Willemse Copper.47

Naar wij bijna met zekerheid kunnen vermelden, bleef men het huis van dezen steeds als punt van bijeenkomst houden48, en kwamen er van tijd tot tijd, de weg gebaand zijnde, andere geestelijken, alhier de gemeente bedienen. Zoo weten wij, dat in 1615 en 1616 alhier kwamen prediken de Heer Ægidius, die opgevolgd werd door deszelfs broeder Thomas, doch kort daarna vertrok.

In 1620 was alhier als priester werkzaam zekere pater Jacobus Tyras genaamd, een Antwerpenaar van geboorte. Lector in de theologie te ’s Hertogenbosch, zond zijn overste hem in 1620 naar Holland als missionaris, en Oudewater, ’s Gravenhage, vervolgens de omstreken van Hoorn en Enkhuizen, waren getuigen van zijnen ijver. Eindelijk kwam hij op aandrang der catholijken binnen Hoorn, rigtte daar eene bidplaats op en was de eerste missionaris, die op bepaalde plaats en tijd de roomschen vereenigde en de diensten met plegtigheid verrigten mogt. Zoodanige vorderingen in de uitoefening zijner Godsdienst moesten evenwel duur gekocht worden, daar Tyras bij zijne komst te dezer plaatse, den kerker tot verblijf werd gewezen en dezelve in Hoorn insgelijks drie maanden moest betrekken. Hij stierf te Hoorn, 3 September 1638 en werd in het choor der groote kerk begraven.49

Na dat den weg door Tyras tot het uitoefenen zijns geloofs, al meer en meer bereid was geworden, was het Modestus Stevens Senk, die het eerst het herderschap in het openbaar op zich nam. Harderwijker van geboorte, was hij bij leeraar in de roomsche theologie, tevens kanunnik van Deventer. In zijne geestelijke bediening het opzigt gehad hebbende over de Veluwe, heeft hij daarna de gemeenten van Oudewater en die van IJsselstein bediend, gelijk hij zelf in een brief van de geestelijkheid aan Jacobus Bool getuigt. Bij de gemeente van deze plaats bediende hij tevens nog Linschoten, Weerden, Roozendaal enz.

Nader werd hij in ballingschap verzonden en is te Keulen, alwaar hij tot president van het Hollandsch collegie aangesteld was, overleden, den 5 Julij 1654.50

Op deze is gevolgd in 1626 of 1627, Johannes Bekom, een Utrechtenaar en Lincenciaat in de Godgeleerdheid, deze is echter naar Delft beroepen.

Tijdens Bekom echter nog alhier verbleef, kwam ook hier de eerste pater der Jezuiten, Ludovicus Soutien. Tot dusver was er echter nog geene kerk voor het uitoefenen hunner eerdienst, doch wij kunnen veilig aannemen, dat de in het begin dezer eeuw verbroken kerk aan het Heilig leven gebouwd of ingeruimd is, tusschen 1626 en 1640 tot het publiek uitoefenen dier godsdienst. Eenigen tijd is hier ook geweest als priester Johannes Kuisten, die daarna naar Raanburg vertrok.

Ook de Heer Nicolaas van Hee, moeten wij onder de geestelijken dezer plaats noemen. Hij was geboren te Polsbroek volkomen Bacelier in de Godgeleerdheid en is alhier gestorven of begraven op den 21 April 1673. Als orde-geestelijke was pater Houtman van den genoemden pater Soutien opvolger, zoodat wij van nu aan in Oudewater een reeks wereldlijke priesters en een reeks orde-geestelijken of paters moeten vermelden, hierdoor ontstonden dan ook twee gemeenten en tengevolge van dien, twee kerken, de eerste: de paterskerk zagen wij, reeds op het Heilig leven en de tweede de kerk voor de wereldlijken priesters verrees aan de markt.51

In de beschrijving door H. v. R. bladz. 334 vinden wij nogthans ook vermeld, dat naar luid van een brief van Philippus Rovenius anno 1650, Jacobus Houtman, daar als noodhulp genoemd wordt bij pastoor Van Hee52. Hoe het zij, dit althans weten wij zeker, dat de twee kerken in 1667 en 1668 bestonden. De doopregisters immers dier beide gemeenten zijn nog in aanzijn, die van de kerk aan de markt, dagteekent van 4 Mei 1667 en die van het Heilig leven, van den 12 November 1668.

»Na Van Hee, is gevolgd zeker Heer Gillis, wiens opvolger wederom geweest is Adrianus Overgow53 ten zijnen tijde weder was noodhulp zekere Johannus Duc van Montfoort en successivelijk nog meerdere, doch hunne namen laten wij achterwege. In Overgows plaats is gekomen de Heer Hugo Hoofd, een Montfoortenaar, doch Hoofd werd naar Amsterdam beroepen en Overgow keerde weder naar zijne pastorie binnen Oudewater. Hier had hij eerlang voor de pastorele rechten te kampen, tegen pater Paulus Oosternijk, een Jezuit en zendeling alhier. De pater beweerde, dat de pastoor niet bevoegd was om de katholijken der omliggende dorpen te gaan bedienen. Doch nadat de Heer Hugo van Heussen de stukken onderzocht en de getuigen gehoord had, heeft hij den pater het proces tegengewezen.

Onder de geestelijken die de Roomsche eerdienst alhier hebben waargenomen, moet nog genoemd worden, pater Rollandus Daniels, doch door vertrek van dezen naar elders is er eenige schorsing in de geestelijke dienst op het heilig leven geweest, immers wij kunnen dit opmaken uit de doopregisters, die in 1705 eindigen en in 1709 wederom beginnen.

Omstreeks voornoemde tijd, was pastoor aan de marktkerk de Heer Johannes Chrysostomus Vijfhuizen, een Hagenaar. In de Hervormde Godsdienst opgevoed zijnde en langen tijd geleefd hebbende, omhelsde hij later het Roomsche geloof. Nadat hij hier en daar als noodhulp had gestaan, werd hij door den Bisschop van Sebaste naar deze plaats geschikt, om de ingezetenen en gemeentenaren uit den omtrek te bedienen.

Deze pastoor Vijfhuizen was het, die de beginselen van de eerdienst der bisschoppelijke Clerizie toe gedaan zijnde, ook zoodanig een gemeente alhier stichtte en na vruchtelooze pogingen, tot het aankoopen van een huis waarin hunne Godsdienst uit te oefenen, zijn zij in het bezit gebleven van de kerk aan de markt, tot op dezen tijd.

De naamlijst van Roomsche geestelijken, der twee kerken, die wij tot hiertoe dooreen ter neder schreven, moet dus, nu het kerken zijn, waarin verschillende eerdiensten worden uitgeoefend, onder afzonderlijke rubrieken voorkomen.