AANKOMST EN EERSTE BIJZONDERHEDEN DEZER ZUSTEREN ALHIER. LIGGING VAN HET KLOOSTER.
»Wij hebben” zegt de heer van Kinschot, op bladzijde 58 zijner beschrijving van Oudewater, »met zekerheid ontdekt, dat hier een klooster van de zusteren van Sint Lijsbeth van de derde orde, even als in ’s Gravenhage geweest is; doch, geen het minste overblijfsel daar meer van overig zijnde, kunnen wij alleen ten bewijs aanhalen, den voorrechtsbrief, door Hertog Philips, als Graaf van Holland op het verzoek van eenige geordende geestelijken, op den 17den van Lentemaand des jaars 1452 aan dezelve gegund, waarnaar zij zich voegen, schikken en gedragen moesten.”
Genoemde schrijver is al zeer karig met het mededeelen van bijzonderheden, omtrent dit convent, en het »bewijs” van derzelver bestaan in Oudewater door hem aangevoerd, mogen mijne lezers niet als zoodanig aannemen, aangezien deze zusters in 1452 niet meer in deze plaats aanwezig waren; doch loopen wij onzen tijd niet vooruit, wij zullen deze zaak later van zelf opgelost zien.
In de beschrijving van het naburige Schoonhoven door H. van Berkum, vindt men de aankomst der zusteren alhier, aan het hoofd dezes aangeduid, vermeld. De oorzaak, dat zulks in de beschrijving van Schoonhoven te vinden is, ligt hierin, doordien voornoemde conventualen van Schoonhoven naar Oudewater zijn gekomen. Zien wij dus, wat van Berkum daaromtrent heeft geboekstaafd.
»Van het klooster59 van sinte Lijsbeth, en van de Beggijnen of Sustern, op de oude Haven, moet men geen twee kloosters maken, gelijk ik ergens gevonden hebbe, het was er maar een, onder deze verscheidene namen bekend.
»Het regte jaar van deszelfs stichting is mij onbekend; in het jaar 1375, was er niet, als één klooster te Schoonhoven dat der Carmelieten; het is zeker, dat in het jaar 1399, er al twee woningen voor geestelijke vrouwspersonen waren, die van de susters op de oude Haven, en die van St. Agnes in de koestraat, waaruit in dit voornoemde jaer (1399) susters gestuurd werden naar Oudewater.
Het zal mijne lezers nu welligt duidelijk zijn, waarom wij hiervoren ter neder stelden, dat de geestelijke dochters, òf zusters van St. Lijsbeth, òf van St. Agnes zullen zijn genoemd geweest, eene verwarring hoogst waarschijnlijk ontstaande, doordien haar klooster of beter hare orde naar St. Lijsbeth was, en hare bidkapel aan St. Agnes gewijd geweest zijn zal, of omgekeerd. Deze zelfde verwarring verbeterde reeds hiervoren de Heer van Berkum in Schoonhoven, en daarbij weten wij immers zeker, dat het St. Ursala convent in Oudewater, waarover wij later breedvoerig zullen schrijven, eveneens zijn naam verschuldigd is, aan de patrones van de kapel der conventualen, die naar den derden regel van St. Franciscus leefden.60
Als aanleidende oorzaak nu, waarom deze zusters uit Schoonhoven naar Oudewater weken, vinden wij in de oudheden van Rijnland vermeld, dat zij om de oorlogen, (de Hoeksche en Cabellaauwsche twisten) die het platteland onveilig maakten naar Oudewater trokken.61
En nu mijne lezers zullen wij eenige bijzonderheden vermelden, omtrent het hoe en waar, van deze hare vestiging in Oudewater.
Hiervoor staat ons ten dienste de copij van een handschrift, medegedeeld in de oudheden van Rijnland bladz. 457, 458 en 459, en uit het klooster Marienpoel bij Leijden van oorsprong.
»In ’t jaer ons Heeren 1399 doe sende Heer Vrederik die Biechter der susteren van Scoenhoven op de oude haven, en de Heer Claes, Biechter der susteren van Sint Agnieten te Schoonhoven in die koestraat die eerste zusteren wt horen huse, daer onse susteren voert wt gesproten zijn, ende alre eerst vergaderdese int heilige leven te Oudewater ende daer na vergaderdese bij Pieter Aven zoen over de sluse.62
Daerna int jaer ons Heeren 1412. doe coft suster Clemens Gelis dr. onse eerste mater in die derde oerde, gheboren van eerbaren ouders van Scoonhoven, die Husinghe, die den Heer van Vliet toehoorde, die stont in de capelstraat daer hi ons goedertierenheit in bewijsde om der wil zijnre vrouwen, die hoor suster Ariaen Jans dr. in onse Cloester brocht. In corte jaren daerna scoet Jan Melisz. husinge boven wt, dattet op onse werf vallen woude, dat men met balken onderscoerde, ende dese husinge coften wi, ende van dat voerhuis ande straat wort ons capel ghemaekt63 ende after daeran onse butenhuus. After teghen de stede muer64 langhes onse werf lieten wi een steenen huus timmeren, daer wi inweefden, bacten ende brouden, en de torfden en de verpenscot.65 Daer voer dat huus stont enen sconen put di wi lieten graven, daert water in ende wt vloeide ende ebbede, door een zijl66 wt d ijssel. Bisiden den put hadden wi enen sconen viver laten graven, daer wi visch in hielden. Andie ander zijde van onse werf coften wi Heer Bertelmeus67 husinge, ouse cureit, dat was ons priesters husinge, onse reventer68 ende sieccamer ende koken. Oec coften we Ouwerogs husinghe met enen bergh, daer susteren in woonden die den beesten en de tsuvel bewaerden, die door een poort met een slot in quamen eten, noch coften we 2 husinge, dat voorhuus stont an de Capelstraat, ende dat after huus stont an onse werf, met een berch.”
Uitgenomen de voornoemde bijzonderheden staan in het gemelde stuk nog de volgende giften aan het klooster vermeld:
»In ’t jaer ons Heeren 1413 sterf Peter Ave soen, op Sint Lambrechtsavond, die onse susteren eerst versamende, behalve menigherlei goedicheit die hi ons dee, so gaf hi ons 25 nobel ende 5 pont tsjaers ewighe rente, 15 groot voer een pont.”
Ziet hier mijne lezers, u met onze beste pogingen op de hoogte gebragt omtrent den oorsprong van dit convent in Oudewater. Uit een en ander hebben wij gezien, op wat een aanzienlijke hoogte deze zusteren het in korte jaren gebragt hebben, immers wij zagen het klooster reeds de aanmerkelijke ruimte beslaan, van de westzijde der kapelstraat bij het heilig leven tot aan het tegenwoordig zoogenaamde klooster, bij de oude vestingmuur der stad. Achter al deze huizen was eene aanzienlijke ruimte, zoodat zij te over gelegenheid hadden, die bedrijven uit te oefenen, door ons hiervoren uit het stuk van de oudheden van Rijnland gecopierd.
Zij die in Oudewater bekend zijn, en iets van zijn geschiedenis weten, zullen mij welligt tegen voeren: al deze bijzonderheden daar vermeld, omtrent de ligging van het klooster enz. hebben betrekking op het verblijf van de zusters naar den 3 regel van Sint Franciscus van penitentie, gewoonlijk naar het kapelletje, dat aan Sint Ursula gewijd was, het St. Ursula convent geheeten. Het is zoo mijn lezer, gij hebt gelijk, doch ook mijne mededeelingen zijn juist. Laat ons het duidelijk maken.
Nadat de zusteren van St. Lijsbeth of van Sint Agnes, van het jaar harer komst in Oudewater onder denzelfden naam, en onder dezelfde orde als in Schoonhoven, ten minste hoogst waarschijnlijk, daar heen leefden, was het in Anno 1414, dat Hertog Willem, Graaf van Holland toestond, dat genoemde zusters, uit de kapelstraat, »die leefden in een’ woning en Hofstadt die Heeren Jans van den Vliete plachte wesen, ien besloten Cloester en convent van Sint Franciscus oerden, geheten van penitentien sullen mogen funderen, timmeren, enz.
Het is dus nu duidelijk geworden: de zusters uit Schoonhoven van St. Lijsbeth of St. Agnes, werden ten onzent in 1414 zusters naar den derden regel van Sint Franciscus van penitentie, gewoonlijk zooals wij reeds opmerkten, bekend onder den naam van het St. Ursula Convent.