Het voormalige St. Ursala-Convent, of het klooster der zusters naar den derden regel van St. Franciscus orde van penitentie.

Nadat wij den oorsprong der zusters alhier uit Schoonhoven nagingen, is de geleidelijkste overgang voor het beschrijven van het St. Ursala convent, onzes inziens de mededeeling van de inhoud des briefs, waarbij Hertog Willem het aannemen en de stichting van dit convent naar de orde van St. Franciscus, oorlooft en consenteert, en al dadelijk gaan wij dus hiertoe over:

»Willem by der Genaden Gods Palsgrave op den Rijn Hertoch van Beyeren, van Henegoën, van Holland, van Zeeland ende Heer van Vriesland dan cont allen leuden, dat wy om Godts wille aangesien zelicheit onser en onser ouderen ziele, en om den dienst Godts allerwegen te meerren geoorloft en geconsenteert hebben, verloven en consenteren met desen brief, dat de vrouwe persoenen by de maegeden en weduwen in onser steede van Oudewater in de Capellestraet in een woninge en hofstadt, die heeren Jans van der Vliete placht wesen een besloten cloester en convent van Sint Franciscus Oerden geheten van penitentien sullen mogen funderen, timmeren en volbrengen in der woningen voorsz. en hem daarin laeten besluiten na manieren en de ordonnantien des voorz. oerden, als daartoe behoort, ende nemen dit voorsz. clooster en convent met haren goederen en personen daartoe behoorende in onser hoede en bescherminge, gelikerwijs en in alre manieren als wy anderen cloesteren ende Godtshuisen in onsen lande liggende genomen hebben, en omdat wy dit vaste en gestade gehouden willen hebben, voer ons en voer onse nacomelingen, so hebben wy desen besegelt met onsen segele, gegeven in den Hage op ten eersten dach in Septembre Ao MCCCC en vierthien.”

Dit klooster, stond onder het opzigt van het kapittel en de bisschoppen van Utrecht, terwijl de broeders van het gemeene leven, doorgaans minderbroeders genaamd er het bestuur over hadden.69

Stil en vreedzaam, leefden deze zusters eenigen tijd in het nederige Oudewater voort, en wij mogen vooronderstellen, dat hunne inkomsten in korten tijd aanmerkelijk vermeerderden, zeer gezind als men in die tijden was, giften aan dergelijke gestichten te schenken, ten minste in meergemeld handschrift uit het klooster Marienpoel vinden wij nog vermeld: »Leye Wittender sterf in ’t jaer ons Heeren 1418 op Sint Katrinedach, si gaf ons (het convent van Oudewater) in aelmissen 18 engelsche nobel.”

Niet lang echter mogten zij zich op deze ruste beroemen; donkere wolken van onrust en woeling betrokken den politieken en kerkelijken horizont van Holland en Utrecht en … de zusters van het St. Ursala convent moesten vlugten uit Oudewater. Om dit echter duidelijk te maken, is het noodig, dat ik den vriendelijken lezer verzoek, met mij de aandacht eene wijle te bepalen op zaken en gebeurtenissen, die wel niet in Oudewater voorvielen, doch den grootsten invloed op het convent moesten hebben.

Na den dood70 van den Bisschop Frederik van Utrecht in October 1423,71 werd het kapittel in de daaraanvolgende maand bijeengeroepen tot het verkiezen van een anderen bisschop, waartoe zich dan ook verscheidene mededingers opdeden. Rudolphus van Diephout kanunnik te Keulen en Walravus van Meurs, kwamen onder allen het meest in aanmerking—Rudolph bekwam de meeste stemmen en werd alzoo tot bisschop gekozen.72 Beide zonden echter gezanten naar Rome om de bevestiging van den man hunner keuze van Paus Martinus de V te erlangen. Aan geen der beide partijen mogt dit echter gelukken en dientengevolge droeg kort daarna de paus het bisdom van Utrecht op, aan Raban, Bisschop van Spiers.73 Toen deze echter vernam, dat het Sticht in hevige partijschappen verdeeld was, liet hij zich gemakkelijk bewegen, om zijn regt over te staan, aan Zwederus van Kuilenburg, die hem daarvoor zijn domproostdij opdroeg. Ook de paus nam hierin genoegen en Zwederus werd bevestigd als bisschop van Utrecht. Dan, hierop volgde een openbare scheuring in het Sticht. De geestelijkheid der stad Utrecht onderwierp zich aan ’s pausen besluit en erkende Zwederus voor bisschop.74 Doch het overige gedeelte van het Sticht bleef Rudolf aanhangen.—De paus aldus in zijn bediening gekrenkt, verbood alle kerkelijke diensten, in zulke plaatsen des bisdoms, daar Zweder niet erkend werd, en sommigen eerbiedigden dit bevel uit ontzag voor den paus, terwijl anderen de dienst bleven waarnemen.75

Zweder intusschen, had zich meester gemaakt van het slot ter Horst, en noodzaakte eerlang de steden Amersfoort en Rhenen en ten laatste ook de stad Utrecht hem als Bisschop binnen zijne muren te nemen, zooals hij dan ook in Augustus 1425 zijnen intogt in laatstgenoemde stad deed en er gedurende tien maanden verbleef. Daarna verbond Zwederus zich met de Kabellaauwsche partij in Holland inzonderheid met zijne nabestaanden: Jan en Willem van Egmond en sedert ook met Philips, hertog van Bourgondie, die terstond pogingen aanwendde, om den aanhang van Rudolph en de vrienden der Hoekschen in het Sticht, met geweld aan te tasten. Door een en ander, maakte Zweder zich binnen kort zoo gehaat in Utrecht, dat men een toeleg smeedde, om hem uit de stad te houden, en Rudolphus in den bisschoppelijken zetel te herstellen, dat in den zomer van 1426, door beleid van Jan van Renesse van Rijnouwen gelukte.76 Rudolph werd eerst door de Ridderschap en de stad Utrecht en door de Ridderschap en de steden van Overijssel en nader ook door de geestelijkheid, tot postulaat, Ruwaard en Beschermer van het bisdom aangenomen77 en Zweder alle Regtsgebied ontzegd. De laatste vestigde sedert elders den stoel des bisdoms en werd in het algemeen, door den Kabellaauwschen aanhang, voor wettigen bisschop erkend.78

Rudolph, die nu in het Over en Nedersticht volkomen meester was, verbond zich met vrouwe Jacoba en de Hoekschen79 en haalde zich hierdoor den haat van hertog Philips op den hals.

Tot zoover mijne lezers heb ik u moeten brengen, om het vertrek der zusters in 1428 uit het St. Ursala convent van Oudewater, wel te kunnen begrijpen.

Oudewater toch erkende immers nog een laatstgenoemd jaar vrouwe Jacoba als gravin, doch deze was zooals wij zagen de partij van Rudolph van Diephout toegedaan, en Diephout met zijne aanhangers was door paus Martinus de V tot den geestelijken ban veroordeeld.80

Wat moesten onze conventualen nu doen? Ongehoorzaam zijn aan den paus wilden zij niet, en in Oudewater blijven, en een anderen bisschop erkennen als de gravin die haren scepter nog over Oudewater zwaaide, konden zij niet. Zij werden dus genoodzaakt om te vlugten, doch waarheen? Natuurlijk naar het gebied van Hertog Philips van Bourgondie, die den bisschop aanhing, die zij erkenden, Zwederus van Kuilenburg.81

Nu leefde er in dien tijd in Leiden een zeer vroom en edel man, Boudewijn van Zwieten genaamd, en de mare van zijn weldoen, had zich tot in het nederige Oudewater verspreid. Ook deze was het met den Hertog en Zwederus eens, en het was dus niet te verwonderen, dat de vlugtende zusters uit het convent van Oudewater, naar hem de wijk namen en hem smeekten, medelijden te hebben met haren toestand. De echtgenoot van Heer van Zwieten voegde ook haar verzoek, bij dat der nonnen en van Zwieten besloot hierop de zusters voorloopig huisvesting te geven.82 Hare aankomst te Leiden had plaats op 20 Maart 1428.83

Onze kloosterlingen hebben ons nu reeds zoo veel belang ingeboezemd, dat wij niet kunnen nalaten, haar nog eenigen tijd elders te volgen.

Nadat de nonnen bij Van Zwieten huisvesting hadden bekomen, peinsde hij ernstig na over de toekomst der conventualen, eenmaal onder zijn bescherming staande. Al spoedig was zijn plan een ander klooster voor deze zusters te stichten, tot zoodanigen graad van rijpheid gekomen, dat hij na verlof van den pastoor van Oegstgeest en bevestiging van dit verlof, door den bisschop van Utrecht, in 1431 reeds een zoodanig gebouw onder Oegstgeest had laten bouwen, en deze bouwing was reeds in het volgend jaar harer ontvlugting, in 1429 begonnen.

De eigenlijke plaats waar het klooster gesticht werd heette toen Paddenpoel—Moerassig als de grond was, denkt men in de oudheden van Rijnland, dat deze plaats dus genoemd werd, naar deze amphibien, die doorgaans op zulke moerassige plaatsen in menigte gevonden worden;—hoe het echter zij, stellig weten wij, dat de Heer Van Zwieten na de stichting van het klooster aldaar, deze weinig aestetische naam heeft laten veranderen, in Sinte Marienpoel of onzer Liever Vrouwenpoel en wel op bevel van Zwederus in 1429.

Aan dit klooster werd deze wet voorgeschreven, dat het getal der geprofesside nonnen niet grooter dan veertig zoude zijn, en, dat er niet meer dan tien leeken of buiten zusters zouden aangenomen worden, ten waar, dat het algemeen kapittel, en hij (Van Zwieten) het bij zijn leven ook anders mogten verstaan. Ook moesten de nonnen, die zoo als wij weten in Schoonhoven en Oudewater tot in Ao. 1414 zusters van St. Lijsbeth of Sint Agnes heetten en nader in Oudewater leefden naar den derden regel van St. Franciscus, daar sedert de gelofte doen, te leven als Reguliere kanonnikessen naar den regel en de instelling van St. Augustinus.84

De stichtingbrief was door den Heer Van Zwieten bezegeld, en op dat deze brief te grooter kracht zoude hebben, heeft hij Willem Klinkaert, prior in het klooster den Hem buiten Schoonhoven en Herman Jansz. prior van het klooster te Stein bij Haastrecht die tot bezigtigers van dit klooster aangesteld waren, verzocht, hun zegel ook aan dezen brief te hangen. Dit alles heeft van Zwieten dus gedaan, op het feest van Vrouwen Lichtmis in het jaar 1431.

Uit dezen merkwaardigen brief, die wij om zijne uitgebreidheid niet in zijn geheel mogen overnemen85 ziet men tevens, dat de reden van deze stichting was eene groote Godsdienstzin, dat hij nog »28 merghen lants, luttel min of meer” enz. met het klooster, het convent in eigendom schonk en de voorwaarden waarop dit plaats greep, dat hij in het klooster eenmaal wilde begraven zijn, en wat men voor de ruste zijner ziel en die zijner familie aldaar zoude bidden, doch wij zien er uit een zekere zinsnede ook tevens, hoe groot de nood was toen de conventualen vloden uit Oudewater.

Daarna volgt in meergemelde Rijnlandsche Oudheden een breedvoerige brief van de vermelding der landerijen en inkomsten, die hij aan dit klooster bewezen heeft.86

Voorts bleek het den schrijver uit een ander stuk, dat Boudewijns zonen de stichting van hunnen vader bevestigd hebben.

Ook Philips, Hertog van Bourgondie en Graaf van Holland heeft niet alleen gemelde stichting in 1445 binnen de Haag bevestigd; doch er zelfs nog eenige gunsten aan toegevoegd, waarvan de voornaamsten eveneens aldaar genoemd worden.

In 1516 deed Keizer Karel als Graaf van Holland hetzelfde als Philips in 1445—en zóó steeg dit klooster in luister, dat toen meester Coenraad Pietersz. ’s konings gezworen Landmeter in het jaar 1570 op het verzoek van den pater de grootte der landerijen opnam, hij bevond, dat dezelve 275 morgen 87 roeden was.

Dit convent heeft, zoo als uit een doodboek daaraan behoorende, bleek, onder zijne nonnen mogen hebben, dames uit de edelste geslachten van Holland zoo als uit de Duivenvoorden, Poelgeesten, Alkemaden, Boekhorsten, IJsselsteins, Wassenaars en eene menigte anderen.87

Zie daar mijne lezers, u in breede trekken geschetst, hoe dit convent uit Schoonhoven en Oudewater gesproten, opkwam en in luister steeg, ook nadat de vlugtende nonnen uit Oudewater er het eerst haren intrek namen.

Het wordt echter tijd, dat wij ons spoeden van Marienpoel naar het in 1428 verlaten klooster in Oudewater.


In het zelfde handschrift waarvan de inhoud door ons op bladz. 227–229 hier voren is medegedeeld, en die zooals wij daar zien kunnen, betrekking had omtrent het hoe en waar, van het verblijf der zusteren in Oudewater vóór derzelver vlugt naar Leiden, vinden wij het volgende vermeld:

»Int jaer ons Heeren 1430, coften die susteren van Over Issel al deze voersz. husen metten erfrenten daer wise mede ghecoft hadden en de mitten lijfrenten die wi daer op vercoft hadden.”88

Hieruit ziet men dus, dat ons convent uiterlijk ongeveer 2 jaren tijds zonder kloosterlingen zal geweest zijn, daar de ontruiming in 1428 plaats had, en de verkoop aan de zusters van Over IJssel in 1430 geschiedde: immers, dat die zusters een convent zullen hebben gekocht en het niet, nog in hetzelfde jaar zullen betrokken hebben is slecht te vooronderstellen.—Wij worden te meer genoopt, dit aan te nemen, indien wij de gebeurtenissen nagaan, in ’s lands historie bladen.

Vroeger toch hebben wij reeds opgemerkt, dat toen Jacoba met Rudolph een partij uitmaakten zij zich hierdoor den haat van Hertog Philips op den hals haalde, doch nadat de Cabellaauwschen veeltijds met groot geluk streden, werd volgens sommigen,89 de vrede tusschen Hertog Philips en Rudolph van Diephout90 in den winter van het jaar 1428 getroffen; doch men sloot toen en nader, meermalen slechts een bestand.91 Uit het oorspronkelijk verdrag92 toch, ziet met zekerheid, dat de vrede niet voor Ao. 1430 geteekend werd.—Alzoo hetzelfde jaar, dat de zusteren van Overijssel het klooster van Oudewater kochten.

Neemt men nu echter in aanmerking, dat de strijd tusschen Van Kuilenburg en Van Diephout in voornoemd jaar echter nog niet ten einde was93, en dat Van Diephout reeds vroeger door de Ridderschap en steden van Overijssel en nader ook door de geestelijkheid tot postulaat, Ruwaard en beschermer van het Bisdom aangenomen werd, en Zweder alle regtsgebied ontzegd, dan zou men bijna tot gevolgtrekking mogen komen, dat deze pas aangekomen conventualen, de partij van Rudolphus van Diephout waren toegedaan.

Langzamerhand echter geraakte eenige jaren daarna er een einde aan deze kerkelijke twisten (zie de noot hier beneden) en reeds in 1446 was het klooster ook in Oudewater tot zoodanigen trap van aanzienlijkheid gestegen, dat Philips Hertog van Bourgondie als Graaf van Holland toen de volgende ordonnantie rigtte, tot wering der erfenissen van de geordende personen te Oudewater.

Genoemd stuk, had echter volgens den Heer van Kinschot wel het meest betrekking op de geordende naar St. Franciscus, dus op het St. Ursula convent.

Philips &c. want binnen onse voorschreve Landen binnen corten jaeren gefondeert, gemaeckt, ende begrepen sijn soo veel kloosteren, ende vergaderingen van Regulieren, ende Regulierissen, ende van broederen, ende susteren van Sinte Franciscus Orde, dat veel te veel is nae grootheyt van onze voorschreve Landen, ende noch dagelyx meer van den selven begrepen worden; in welcken cloosteren, huyzen, vergaderingen die persoonen van den selven soo wel Vrouwen, als Mannen, meest alte neringen, ende ambachten doen dat onbehoorlyk is ende hoe wel sy aldus geoirde, ende begeven luyden syn, off wesen souden, sy hebben hem tot deser tyt toe willen bewinden erve te nemen van haeren ouderen, ende dat erfelyk te gehouden, sonder weder uyt te erven, ende indien dat dat alsoo lange staen soude, sonder voersienicheyt daar op te hebben, sy waeren geschepen, mits dat soo veel syn, binnen korten jaeren gemaeckt, alle die landen te getoigen, daer by dat wy, ende onse nacomelingen onse diensten verliesen mochten, ende oock onse arme gemeynte, ende ondersaten neringloos worden souden, soo wel binnen Steden als daer buyten, Ende om hier in te voorsien van behoorlyke remedie, soo waeren bij onsen gemeenen Rade, Ridderschap, ende Steden onser voorschreve Lande, van Hollandt van Zeelandt ende van Vryeslandt geordineert seeckere commissarise, die welcke alle den staet van den voorschreven georden, ende geestelyken personen oversien souden, ende dair nae te ordineren op dat getal, ende grootheyt van den huysen ende vergaderinge van dien, ende oock te oversien haer richeyt, ende renten, ende daer nae te voegen, hoe ryk sy souden wesen om hoeren staet eerlyk, ende redelyk te houden, ende oock goede redelyke ordonnantien met hem te maken ende te overdragen, hoe, ende in wat schyn sy voortaen erven souden, innemen, ende uytgeven ende oock by testamente, op dat in toecomenden tyden tusschen hem, ende onsen waerlycken ondersaeten, niet meerder geschils, noch ongevals gebueren en soude, die welcke commissarissen hadden begonnen voor hem te doen comen, ende ombieden die overste van sommighen van den voorschreven cloosteren, ende vergaderinghen hem op doende die manieren van den voorscreven ordonnantien maer alsoo ’t scheen, soo en hebben sy hem in geenre manieren willen ontdecken den staet van hoeren cloosteren, noch goeden, meynende altoos te blyven in hoeren opsette, om erve te nemen, ende alsoo alle die landen, renten, ende erven van onsen voorschreven landen te rapen ende onder te slaen ende oock met haeren neringen, ende ambachten onse waerlycke ondersaeten neringlois te maecken ende den arbeyt, ende ambachten te ontrecken, ’t welcke ons om der redene wille vooschreven, ende oock om andere waerachtige, ende merckelyke redene daertoe dienende in geenrewys langher te lyden en staet, Ende hebben daerom gheordineert, overdraegen, ende gesloten, dat voortaen geen gheoirde luyden, van wat orde dat sy syn, in onsen Landen van Hollandt, van Zeelandt ende van Vrieslandt erve nemen en sullen van haeren ouderen maeghen noch vryenden in eenigher manieren, noch oock niet meer lande, noch erve en sullen koopen noch vercrygen bij testament, noch anders in onse voorschreve landen binnen Steden, noch daer buyten, tot der tyt toe dat die voorsz. gheoirde luyden, by den Commissarisen daer toe gheordineert geweest, off haeren gemachticht ghesent hebben sullen om met hem een overdrachte, ende ordinantie te helpen ordineeren, hoe, ende in wat schyn zy voortaen erven, ende hem hebben sullen in den punten voor verclaert, Ende op dat dit eenen yegelyken kondich wesen mach, Soo ist, dat wy ombieden, ende beveelen allen onsen Baenridsen, Ridderen, Knapen, Steden, Bailjuwen, Drossaten. Officieren, ende ondersaeten over al in onse voorschreve landen van Hollandt, van zeelandt, ende van Vrieslandt binnen Steden, ende buyten daer desen onsen bryeff gethoont sal worden, dat sy den selven onsen bryeff openbaerlyck doen kondigen, ende ghebieden op dat een yegelyck hem daer nae mach weten te rechten, ende dat sy niet en gehengen dat eenige geoirde luyde voortaen erve nemen, noch eenighe lande, noch erve meer en copen, noch en nemen by testamente off anders, want dat onse eyntlycke meyninge, ende welle is, In Oirconde &c. Gegeven op den acht en twintichsten dach in Octobri, Anno ses en veertich. (1446.)

Op dezen brief, die wij uit van Kinschot overnemen, volgt eene andere ordonnantie van Philips die den 17 Maart 1452 aan de zusters van St. Lysbeth in ’s Gravenhage gerigt werd, waarin verzachtende omstandigheden op den vorigen brief in voorkomen en zij geinstrueerd worden, hoe zich omtrent het uitoefenen harer bedrijven te gedragen en hoeveel bezittingen zij mogen hebben—achter de originele brief stond geschreven:

De zusteren tot Oudewater hebben eenen brief van Woorden tot Woorden als der zusteren brief van Sint Lysbethen zusterhuis in den Haghe ende desen brief van der zusteren tot Oudewater is van der dato veerthien daghe in Maert Anno XIIIJc.—LXVJ. na den loip ’s Hoefs.

En dezen brief nu haalt van Kinschot aan, om te bevestigen, dat in Oudewater zusteren van St. Lysbeth geweest zijn—hij kan er echter volstrekt geen betrekking op hebben, daar wij immers zagen, dat de nonnen van St. Lysbeth of van St. Agnes reeds in 1414 deze orde verlieten, voor die van den derden regel van St. Franciscus.—De oorzaak zijner dwaling is onzes inziens gemakkelijk te begrijpen; hij heeft zich laten verleiden, door dat de zusters van St. Lysbeth uit ’s Gravenhage zoodanigen brief kregen en de zusteren van Oudewater 4 jaren later een zelfden—er wordt daarin echter kortweg van zusteren gesproken, zonder vermelding der orde waartoe zij behoorden; men beschouwe alzoo dezen brief als gerigt, tot de zusters van het Ursula convent, dat wij in dit hoofdstuk beschrijven.

Het aantal conventualen, zal aanmerkelijk toegenomen zijn, immers wij moeten het bijna hieruit opmaken, door dien er in Ao. 1572 een groot gedeelte van dit convent naar Utrecht ging. De stadsrekening van dat jaar toch, vermeldt eenige onkosten voor dezelver onderhoud aldaar betaald; echter belettede deze delogering niet, dat er in het jaar 1575 een aanzienlijk aantal zusters in het klooster waren.

Op het gemeente-archief is aanwezig, een register van boekhouding van, en aanteekeningen omtrent de landerijen en erfpachten en renten van dit convent, over de jaren 1538–1559 en van 1578 tot 1579. De inzage dezer stukken doet ons zien, dat die bezittingen zeer aanzienlijk waren.

Volgens resolutie der Staten van Holland dd. 23 Mei 1577 moesten de goederen van dergelijke gestichten, aan iedere stad daar dezelve gevonden werden, in eigendom komen. Men heeft echter alhier niet zeer spoedig gevolg aan de uitvoering dezer resolutie gegeven, immers eerst den 10 Junij 1582 (dus na een tijdsverloop van ruim 5 jaren) werd door de regering van Oudewater en de conventualen, eene conventie ten deze gesloten, waarbij aan de laatsten, voortaan een bepaald jaarlijksch inkomen zoude worden uitgekeerd, dat tot dezen tijd toe, niet geregeld was geschied. Bij deze overeenkomst werd de ouderdom tot grondslag genomen en tevens bepaald, dat bij overlijden van eene der zusters, dit eene verhooging van inkomsten voor de overblijvenden zouden ten gevolge hebben. (Zie hier achter.)

Eene echter, was er in het convent, die met zeer veel onderscheiding bejegend werd, namelijk de procuraetster Emmetje Goossensdochter,—en geen wonder: toen de Spanjaarden in 1575 de stad belegerden en innamen, was zij het voornamelijk, die troost bood waar troost te bieden was, en smarte lenigde waar smarte te lenigen was, en o wij weten het uit de historiebladen, de nood was er zoo hevig en de angste was er zoo groot!

Deze Emmetje Goossensdr., wordt dan ook inzonderheid in diverse resolutien van den magistraat geroemd, om de getrouwe diensten door haar bij den overval bewezen en haar pensioen is uit dien hoofde meermalen verhoogd geworden, als anderen deze onderscheiding niet te beurt mogt vallen.

De bezittingen van het convent werden »apart” geadministreerd en de pater, mater, procuraatster en leden (hierna te noemen) bleven den 25 Augustus 1584 borg bij de regering, voor hunnen rentmeester Jan Jansen Coppert. Beide originele stukken: het laatste door al de conventialen onderteekend, berusten ter secretarie.

Bij de opheffing dan van dit St. Ursala-convent, vinden wij vermeld, dat er in waren de navolgende conventualen:

Pater. Jan van Alerdinck.
Mater. Marrigje Willemsdochter de Lange, oud 52 jaren.
Procuraetster. Emmigje Goossensdochter, oud» 52 jaren.»
Zusters. Tryntje Thonisdochter, oud» 83 jaren.»
Zusters.» Geertje Jansdochter, oud» 60 jaren.»
Zusters.» Tryntje Simonsdochter, oud» 34 jaren.»
Zusters.» Heiltje Willemsdochter, oud» 48 jaren.»
Zusters.» Anna Pietersdochter, oud» 56 jaren.»
Zusters.» Pietertje Pietersdochter, oud» 31 jaren.»
Zusters.» Marritje Gysbertsdochter, oud» 36 jaren.»
Zusters.» Machteld Gysbertsdochter, oud 31 jaren.»
Zusters.» Marretje Ariensdochter, oud» 52 jaren.»
Zusters.» Jannetje Thonisdochter, oud» 33 jaren.»
Zusters.» Marrichje Cornelisdochter, oud» 60 jaren.»
Zusters.» Urseltje de Caesaris, oud» 73 jaren.»

Was innoncent, en werd voor rekening van het convent, in het gasthuis te Gouda onderhouden.

Zusters.» Marrigje Dirksdochter, oud 72 jaren.
Zusters.» Pyn Jansdochter, oud» 60 jaren.»
Zusters.» Lysbeth Jacobsdochter, oud» 32 jaren.»
Zusters.» Tryntje Hillebrandsdochter, oud» 61 jaren.»
Zusters.» Cornelia Joostensdochter,
Zusters.» Bregje, kort daarna overleden.

De basis des ouderdoms nu, die gevolgd werd omtrent het pensioen der conventualen, ingevolge het besluit van 1582 was als volgt:

Die van 60 jaren en daarboven oud waren ’s jaarlijks ƒ 60,—
Die»van» 50 jaren.» tot beneden de 60 jaren ’s»jaarlijks» ƒ» 50,—
Die»van» 40 jaren.» tot»beneden»de» 50 jaren.» ’s»jaarlijks» ƒ» 42,—
En die beneden de 40 jaren.» ’s»jaarlijks» ƒ» 36,—

In vier driemaandelijksche termijnen moest deze jaarwedde worden betaald. Ook was het conditie, dat, als de jongste der conventualen, met ter tijd kwamen tot een ouderdom van 40, 50 of 60 jaar hun pensioen alsdan zoude worden verhoogd, en zoo het gebeuren mogt, dat zij door hoogen ouderdom, of langdurige ziekte, van hunne jaarwedde niet konden leven, er dan in alle billijkheid in zou worden voorzien, en dat hunne woning voor rekening van de stad in een »ordentelijken” staat zoude worden onderhouden.

Zooals in het verdrag bepaald was, konden zij dus in alle stilte in het klooster haar leven eindigen, en St. Jacob 1582, was voor de conventualen de beslissende dag, dat hare jaarwedde op genoemde conditien begon.

Emmigje Goossensdochter werd, hoezeer slechts 62 jaren oud zijnde, gerekend boven den 60 jaar te zijn, voor haar weldoen voor en na den moord altoos gedaan.

Cornelia Joostensdochter, wier ouderdom niet vermeld is, was gesteld op half geld, haar jaarlijksch pensioen was niet meer dan ƒ 23; mogelijk was zij slechts eene werkzuster.

Dat evenwel de goederen van dit convent, niet dadelijk, maar langzaam onder het bestuur der regering of van den rentmeester gekomen zijn, schijnt ons toe te blijken uit de vermeerdering van inkomsten, aangeduid in eenige nog aanwezig zijnde rekeningen van de bezittingen van dit convent,94 na dien tijd.

Den 14 Januarij 1613 requesteerde de conventspater Jan van Alerdinck, wiens pensioen even als dat der andere conventualen reeds meermalen verhoogd was, om eene vermeerdering zijner jaarlijksche toelage van ƒ 100. Hierop werd echter geapostuleerd, dat, »soo wanneer de supplt. de brieven van ’t incomen van ’t oude convent volgens belofte bevorens gedaan, zal hebben overgelegd, alsdan zijne alimentatie zal worden verhoocht zooals behooren sal” en eenigen tijd daarna werd zijn pensioen op 200 Gulden ook bepaald.

De laatste verhooging der jaarlijksche toelage aan de twee laatst overgeblevene zusters—Marrigje Gijsbdr., en Jannigje Thonisdr., die steeds zijn blijven voortgaan met zieken op te passen enz., is volgens resolutie van den magistraat in 1631 gebragt tot 200 Gulden.

Na het overlijden van allen, is de rekening dier goederen bij die der stad gevoegd, onder den naam van rekening der stad en het St. Ursula convent.

Na de omwenteling van 1795 is het laatste vervallen, en de bezittingen, met uitzondering van eenige kleine renten, voor de helft der 18. eeuw, allen verkocht.


Wij mogen onze schets niet eindigen, zonder aan het kloostergebouw zelve nog kortelijk de aandacht te bepalen. Beziet men het klooster op Stoops schilderij in 1775, dan ontwaart men langs de zuidzijde, of daarnaar haren naam dragende straat het klooster, een vrij aanzienlijk gebouw, waarvan in onzen tijd echter geen spoor meer overig is, daar het reeds lang voor den sloopenden tand des tijds viel; maar toch … wij zijn eenigzints onjuist, immers, wat gewaagt men nog dikwijls bij vergravingen van een onderaardschen gang, die naar de kapel leidde, wat spreekt men nog veel van de menigte kelders, van het groot aantal fondamenten en van de duizendtallen steenen, die men uit den historischen bodem opgraaft, als ook van het ontdekken der put »daar wi visch in hielden in het water in vloeide ende ebbede,” die in 1827 ontdekt werd! en immers ook de convents-kapel, het zoogenaamde »kerkje” doet ons nog dikwijls aan het St. Ursula convent denken. Alzoo van dit gebouwtje, dat nog bestaat, zal men nog wel het een en ander van zijne verschillende bestemmingen enz. kunnen opduiken.

Reeds in 1578 vinden wij gewag gemaakt, dat het klokje, dat in het torentje der kapel hing, publiek verkocht werd voor XIIJ Gulden XVIIJ st., en nog in hetzelfde jaar werd het kapelletje, ten minste zeker een gedeelte daarvan tot eene school ingerigt; men heeft toen tevens den leidekker aanbesteed het dak te repareren.

De beoefenaars der uiterlijke welsprekendheid hielden daar ook oudtijds (schrijft de Heer van Kinschot in 1747) hunne bijeenkomsten en tevens werd het »kerkje”, zooals nog in onze dagen, als locaal gebruikt tot uitdeelingen van verschillenden aart aan de behoeftigen.

Nog in 1747 weten wij stellig, dat het »kerkje” tot stads school gebruikt werd, de laatste is sedert echter meer achterwaarts uitgebouwd en de kapel werd ingerigt tot woonhuis! waarschijnlijk is dit geschied in 1785, daar wij aangeteekend vinden, dat het in laatstgenoemd jaar aanmerkelijke vertimmeringen onderging. Voor eenige jaren vergaderde in het gebouwtje onzer beschrijving het muziekgezelschap Amicitia et Harmonia, en tegenwoordig wordt hetzelve tweemalen ’s weeks gebruikt, tot repetitie-plaats van eene liedertafel, Crescendo genaamd.

In het jaar 1857 werd het reeds vroeger van zijn klokje beroofde torentje, publiek geveild en verkocht voor eene som van ƒ 81—, en wij schrijven het noode ter neder, het griefde ons toen wij den slooper het breekijzer zagen stooten in het torentje, dat zich zoo lief van buiten en binnen de stad voordeed; toch, wij minnen het gebouwtje nog, o, het herinnert ons zooveel; somtijds gebeurt het, dat wij ons alleen daarin bevinden en dan, als wij zonder stoornis van anderen, onze gedachten den vrijen teugel kunnen vieren, dan verdwijnen soms in den geest de weinige kamermeubels, voor de nederige bidstoeltjes der nonnen, het tegenwoordige prosaïsche winkeltje maakt plaats voor het St. Ursula altaar; dan zien wij den geurigen wierrookwalm ronddwarlen om den zwartgedoschten nonnenstoet, en wij hooren de orgeltoonen ruisschen en de nonnen het Ave aanheffen, en het geluid wordt ernstig en plegtig teruggekaatst door het gothische koorgewelf; maar dan, als de verbeelding heeft plaats gemaakt voor de werkelijkheid, dan is de bidkapel weer ledig en de toonklank van het orgel vergaan, en het gezang der zusters wordt niet meer gehoord; toch zoo denken wij dan, schijnt het, dat er iets hemels, iets schoons, het gebouwtje bleef en blijft omzweven: immers onderrigting en beschaving der jeugd, uitoefening der liefdadigheid, beoefening der redekunst en poezij, later de repetitien van de edele toonkunst, niet waar? dit alles regtigt ons met de meeste billijkheid, te zeggen: de kapel van het St. Ursula convent, speelde ook na hare suppressie eene verhevene en aestetische rol in mijne vaderstad!