»In de oudheden van Hugo van Heussen,” zoo vermeldt Kinschot, »wordt ook vermeld van een cellebroers en een cellezusterenhuis, wier laatsten, haar werk maakten om de zieken te bedienen en op te passen, even als de eersten, om de dooden te begraven; doch ons is bij streng onderzoek geen meerdere stof ter beschrijvinge van derzelver gesteltenis, gewoonten enz. voorgekomen.”95
Hier doet zich dus de ernstige vraag op, zijn er wezenlijk in Oudewater de Cellebroers geweest? Niet een document op het gemeente archief pleit voor hun daarzijn in vroeger tijd; niettemin, wij mogen van Heussen niet regtstreeks tegen spreken, hij zal bij het beweeren, dat zij hier gewoond hebben, wel zijn reden gehad hebben. Cellezusters echter, zijn hier zeker geweest. Immers ook de overgeblevene van deze corporatie werden ingelijks, mits voortgaande met hunne Christelijke werkzaamheden, een gelijk pensioen als die van het St. Ursula convent toegelegd.96
Bij resolutie van den magistraat dd. 3 April 1594 werden van Anna Gerritsdr. »de brieven” geeischt, met ontslag van den eed niet meer voor de zieken te gaan. Zuster Anna Dirksdr. de papieren van dit gesticht overgelegd hebbende, is de laatste van wie wij eenig berigt vonden.97
Alleenlijk rest ons dus hiervan nog te vermelden, dat het gebouw, waarin deze geestelijke personen woonden, gehouden wordt voor het tegenwoordig nog zoogenaamde ziekenhuis, waarvan ter gelegener tijd zal worden gesproken.98
Sedert lang zijn ook de cellebroers te Oudewater, indien zij er ooit geweest zijn, den weg van alle vleesch gegaan, zij rusten dan reeds lange ter plaatse, waar zij eertijds hunne natuurgenooten zoo dikwijls heen bragten, in den zwarten schoot der aarde.
Opmerkelijk is echter, met deze cellebroers het navolgende eenigsins in verband te brengen.
De plegtigheid en stille ernst, zoo zeer passende aan eene begrafenis, liet voor eenige jaren te Oudewater, soms nog al iets voor den behoeftigen stand, te wenschen over. Om deze en alligt meerdere redenen, kwam de eerw. pater Rooters op eene gelukkige gedachte.
Hij noodigde namelijk een 26tal jongelingen, allen van den fatsoenlijken burgerstand uit, om de lijken van minvermogenden van beiderlei kunne en zonder onderscheid van ouderdom steeds »de laatste eer” eene plegtige begrafenis te verschaffen en tot veler blijdschap gelukte deze poging naar wensch. Op den 23 Januarij 1857, werd den eerwaarden oprigter van wege het parochiaal armbestuur, in zijne toen gehouden vergadering berigt, dat deze vereeniging de belangstelling der gemeentenaren in hooge mate had opgewekt, en tevens werd door genoemd bestuur den wensch uitgedrukt, dat het nageslacht er nog die vruchten van mogte inoogsten, die men nu reeds van die vereeniging zoo ruimschoots genoot.
En inderdaad, het is plegtig te zien, hoe deftig en ernstig de begrafenis van een behoeftigen medemensch door deze jongelingen geschied.
Behoudens onze vroegere aanmerking, zeggen wij gerustelijk: er bestaat wezenlijk eenige overeenkomst, tusschen de cellebroers van vroeger en de zich noemende parochiale dragers in onzen tijd.99