Deze is de laatste der vier hoofdpoorten, die ons nog ter beschrijving rest. Zij stond aan het zuidoostelijk gedeelte der stad, voerende naar de buurt Snelrewaard en naar de stad Utrecht en hierdoor is ons hare naamreden dus niet twijfelachtig.
Dit gebouw had eene lengte van 11½ bij een breedte van 6½ Ned. el terwijl haar verwulfsel met drie kruisboogen gemetseld was. Ook deze poort kon op fraaiheid aanspraak maken. Aan de binnenzijde zag men in den gevel in het midden, het wapen van Oudewater, aan de regterzijde dat van Delft en ter linker, dat der stede Alkmaar net in Bentheimersteen uitgehouwen met het jaartal 1607, terwijl aan de buitenzijde der poort, de hollandsche leeuw was aangebragt, met het onderschrift Hollandia en insgelijks met voornoemd jaarcijfer, dat het tijdstip der stichting dezer poort aanduidde.
Later zullen wij trachten te ontvouwen, waarom men de wapens dezer drie voornoemde steden, zoowel op de twee reeds genoemde poorten, als op andere openbare gebouwen in Oudewater en in de twee andere steden aantreft; doch mij dunkt die hollandsche Leeuw daar buiten, aan de Waardpoort hij had zoo zeer zijne beteekenis, Oudewater had, zoo dikwijls met het trotsche Sticht in onmin gelegen, en de Stichtschen zij hadden het ook menigmaal met groot verlies ondervonden, als zij met die van Oudewater streden! mij dunkt die Leeuw met zijn opgeheven klaauw, stond daar zoo tergend voor die van Utrecht juist aan die zijde van het gebouw, dat bij andere poorten, dat voor—of tegen—had, dat zij meest uitsluitend naar de provincie Utrecht voerde!114
Nog ten tijde van den Heer Van Kinschot (Ao. 1746) was deze poort ter linkerzijde van uit de stad, voorzien met een spits torentje, deze spits is er van echter reeds ten jare 1784 weggebroken.
In het jaar 1607, dat van den bouw der poort, werd ook de nu sedert lang gedempte brug met 5 boogen, die er eertijds vóór lag gebouwd.115 Ook hiervoor is in de plaats gekomen, eene kleine brug voor de communicatie te water in de stadsgrachten.
Niet onvermeld mogen wij laten, dat deze poort min of meer langen tijd, tot gevangenis voor militairen is gebruikt geweest.
Maar in Augustus 1857, werd ook deze poort in publieke veiling gebragt en verkocht voor ƒ 760,00 en eenigen tijd daarna werd slooping bewerkstelligd116.
Oudewater in anno 1265 tot een stad gemaakt117 was in 1858 veranderd in een soort van vlek!
Deze vier poorten, behoorden, toen de vesting in welstand was118 aan den staat, zoodat dan ook van Landswege in 1815 de IJsselpoort gesloopt werd. Spoedig zou het ook toen reeds, de beurt aan de drie anderen geweest zijn, waren zij niet ten jare 1821 door de stad van de domeinen gekocht, alleenlijk om het amoveren derzelve te voorkomen. Men is later ook van stadswege tot andere gedachten gekomen, want wij hebben het einde van al de poorten gezien!
Het is dikwijls voor ons een strijd, tusschen oudheidgevoel en belang voor onzen tijd, als wij een fraai monument zien verbreken, dat voorheen zijn nut had, doch door de verandering van tijden, tegenwoordig tot niets meer dient. Zoo ook ondervonden wij dat gevoel, toen de drie laatste schilderachtige poortjes onder den moker des sloopers vielen.
Als oudheidminnaar, kon het niet anders, of het moest ons pijnlijk aandoen, deze grijze sleutelen der stad, die de stomme getuigen waren van zoo veel lief en leed der burgers die zij omsloten, door den slooper te zien vallen. Zij worden vermoord, dachten wij, niet door het geschut des vijands maar door hare eigene burgers!
En dan als zoon der 19 eeuw, kwam daar eene stemme tegen, en ik moest zeggen en beamen met onzen tijdgenoot, zoowel voor deze als zoo vele onnut geworden poorten: valt, gij steengevaarten aan onze steden, gij belemmert ons het uitzigt naar Gods vrije natuur. Valt, gij zijt noodeloos in onzen tijd, de burgers van Nederland behoeven niet meer, al is het ook bij nacht, uit de veste gesloten te worden, zij mogen geen schatting meer opgelegd worden, als zij niet aan de uitnoodiging van het luiden der »poortklok” gehoorzamen119. Valt nietige gebouwen, de hechtste vestingen, door de natuur en de kunst te zamen gevormd en volmaakt, zijn niet bestand tegen eene tegenwoordige hardnekkige belegering, ook gij dus niet zwakke monumenten van vroeger tijd! valt, de 19 eeuw, die spoorwegen en telegraphen heeft, die de landen en landen als een maken, en de afstand van werelddeelen en werelddeelen als doen verdwijnen, zij gedoogt niet langer, dat de burgers van een vrije staat, niet ten allen tijde bijeen kunnen komen, waar de communicatie naar den vreemde, ook in ons Nederland op zoo groote schale van toepassing gebragt is.
Valt dus poorten valt, als onnut in onzen tijd, valt overal waar gij u bevindt aan opgeheven vestingen, want door u in stand te houden, bezwaart men de gemeentenaren met noodelooze schattingen voor uw onderhoud benoodigd!
De poorten beschrijvende, hebben wij onwillekeurig gewag moeten maken van den Romeintoren, het slot of kasteel en de hoofdwacht, en aangezien allen in deze rubriek ter beschrijving voegen, willen wij het eerst iets vermelden van