ONDERZOEK
NAAR DE REDENEN WAAROM DE WAPENS DER DRIE STEDEN
DELFT, OUDEWATER EN ALKMAAR
IN EN AAN EENIGE PUBLIEKE GEBOUWEN
ALDAAR GEVONDEN WORDEN.

Bij de beschrijving der publieke en merkwaardige gebouwen binnen Oudewater, heeft men gelegenheid gehad, op te merken, dat de wapens der steden Delft, Oudewater en Alkmaar aanwezig zijn, geweest aan de gevels der geamoveerde IJssel- en Waardpoorten en nog zigtbaar zijn, aan het Raadhuis dezer gemeente; daarenboven, bevatten eenige gebindten in de kerk der hervormden, eertijds insgelijks deze wapenschilden, terwijl uit zeker huis1 gelegen aan de markt dezer plaats ten jare 1856 bij herbouw nog het wapen van Delft werd verwijderd.

In Delft waren de drie voormelde stedenwapens aangebracht, aan den toren van het raadhuis, aan de Kameretten of het oude Lombardhuis en aan den binnengevel van de Waterslootsche of St. Jorispoort.

Terwijl men dezelve te Alkmaar aan de Stadswaag en in het gewelfsel van de Consistorie der groote kerk kon opmerken.

Teregt moeten er dus gewigtige redenen hebben bestaan, waarom dit drietal wapens nevens malkander worden aangetroffen, doch wat de eigenlijke redenen zijn, dit is niet meer met zekerheid te bepalen: zoo hiervoor het echte bescheid bestaan heeft, dan is het zekerlijk verloren geraakt, en niettegenstaande vele aangewende pogingen, hiervan eenig oorspronkelijk document op te duiken, zijn zij vruchteloos gebleven. Het ontbreekt echter niet—zooals het gewoonlijk in dergelijke gevallen gaat, aan een aantal gissingen daaromtrent, en die willen ook wij dan vermelden, daar eenige er van, hoogst waarschijnlijk de voldoende oplossing op deze vraag geven.

Onder de menigte schrijvers, die hunne aandacht op de aanwezigheid en de redenen, waarom deze wapens op voornoemde plaatsen aangebragt zijn, bepaalden, willen wij bij voorkeur raadplegen de heer Bleiswijk in zijne beschrijving van Delft, Eiklenberg in die van Alkmaar en Kinschot over Oudewater en daarbij onze meeningen invoegen.


Alhoewel het in oude tijden vrij gebruikelijk was, dat door de eene stad aan de andere, bij het daarstellen van openbare gebouwen, geschenken gegeven werden, en men ter gedachtenis daarvan, het wapen van die stad, ter herinnering aan zoodanig gunstbewijs, daarin aanbragt, zoo hebben eenigen gemeend, dat men dáárom deze wapens in de vermelde reeks gebouwen, in deze drie steden had aangebragt; doch hier maken wij van Kinschots gevoelen gaarne tot het onze, namelijk, dat zulks niet waarschijnlijk is, aangezien in de Besluit-boeken dier steden hieromtrent niets aangeteekend staat.

Wij voegen hier nog bij de facta, dat er op ons vrij wel geinventariseerd gemeente archief, bestaat, eene missive van de regering der stad Alkmaar, dato den 25 Mei 1588, »ten geleide van ’t conterfeitsel van ’t wapen dier stad, om dit nevens het wapen van Oudewater en Delft voor ’t nieuwe raadhuis alhier te stellen, als een gedenkteeken en onderhouding van het oude verbond onderling gemaakt.”

Hier wordt dus van geen geschenk der stad Alkmaar, doch van een verbond gesproken.

Voorts hebben wij vermeld, dat ten jare 1856 uit zeker huis aan de markt alhier, het wapen van Delft werd gebroken, en dewijl voor zoover ons bekend is, deze woning nooit een openbaar gebouw van Oudewater geweest is, kon Delft hiermede ook in geen betrekking staan en zal laatstgenoemde plaats, dan ook geen geschenk tot daarstelling van dat huis hebben verstrekt. Beneden zullen wij onze meening ook voor de reden, dat voornoemd wapen, dáár aanwezig was aanvoeren; echter is deze eerste gissing, naar ons oordeel behoorlijk ontzenuwd.

Ten 2e, willen anderen de reden van het feit hierin opgelost zien, dat de steden Delft, Alkmaar en Oudewater in oude tijden, en mogelijk wel in den Hoekschen en Kabeljaauwschen oorlog in onderling verbond zouden gestaan hebben, en onder ééne banier ten oorlog uitgetrokken zijn, doch hierop merkt van Kinschot2 weder teregt aan, dat iedere stad hare eigene banier gehad heeft3 en hem dit geheel onwaarschijnlijk voorkomt. Wij verwerpen met van Kinschot eveneens deze meening, immers, dat die van iedere stad, zich onder hare bijzondere banier ten oorlog schaarden, vonden wij ook bij Dr. D. J. Veegens, in zijne »Haarlemsche vertellingen uit den ouden tijd” bevestigd, alwaar wij onder de »vertelling” het ontzet van Haarlem op bladzijden 108–109 de volgende zinsnede aantreffen, die ook deze tweede gissing met grond doet verwerpen:

»Door de stofwolken heen, die de ruiters van Jacobas leger uit het drooge zand deden opgaan, blonken de banieren van hare getrouwe steden Schoonhoven, Gouda en Oudewater in de middagzon.

Laten wij ons echter niet langer ophouden, het aantal gevoelens van zoovelen mede te deelen en te wederleggen, doch trachten wij liever, er de ware oorzaak van op te sporen.

Wij hebben hiervoren op bladz. 321, reeds de zekerheid erlangd, uit de missive der stad Alkmaar van 25 Mei 1588, bij de geleide der afbeelding van het wapen dier stad, om dat nevens het wapen van Oudewater en Delft voor het nieuwe stadhuis alhier te stellen, dat dit tot een gedenkteeken en onderhouding moest dienen, van het oude verbond onderling gemaakt.

Nu komen wij op weg—er was tusschen deze drie plaatsen een verbond gemaakt, dat verbond was ten jare 1588 reeds een oud verbond en dat verbond was in laatstgenoemd jaar nog tot geene verkrachting gekomen, want die van Alkmaar schreven, dat de plaatsing van het wapen hunner stad aan het stadhuis, dienen moest, tot onderhouding van het verbond.

Wat nu de bijzonderheden omtrent dit verbond waren, hiervan ontbreekt het rechte bescheid, doch wij zullen trachten te bewijzen, dat de overeenkomst bestond:

1o. dat de poorters van Delft en Oudewater volgens onderling verdrag, vrij waren het regt van uitgang (exue) te betalen.

2o. dat die van Oudewater en welligt ook van Alkmaar, weleer met hunne vonnissen in zwaarwigtige en twijfelachtige gevallen bij die van Delft mogten te rade gaan.

3o. dat bij jaarmarkten in eene dezer drie steden, eerst de poorters van de stad daar de jaarmarkt gehouden werd, en dan de twee overige plaatsen, het regt van voorrang in standplaatsen op de markt mogten hebben.

4o. dat de drie steden voornoemd, waren overeengekomen, dat hare poorters een gelijk burgerregt, als ieder in zijne stad hare eigen poorters toestond, bij verhuizing zouden genieten, en ten

5o. dat het onderschrift van het wapen van Delft op eene onderlinge overeenkomst van poorteren doelt.

I. Het eerst hebben wij ons voorgenomen te bewijzen, dat de poorters van Delft en Oudewater vrij waren, het regt van uitgang (exue) te betalen. Het zal echter vooraf velen onzer lezers niet onaangenaam zijn te vernemen, wat dit voor een regt was,

Aan vele steden4 in Holland was het eertijds bij Handvest vergund en in andere steden was het reeds lang een oud gebruik, dat alle buiten lieden, die in eene stad, bij uitersten wil of versterfregt kwamen te erven, van deze hunne erfenis, een tienden penning, ten behoeve van die stad moesten betalen, voor en aleer zij hun geërfd goed, uit die gemeente mogten vervoeren.

Dit regt strekte zich ook uit, tot die burgers of poorters, die weigerachtig waren, aan de hen opgelegde stadsdiensten en lasten of anderzins, en zonder bewilliging uit de stad met hunne goederen vertrokken—en zoodanig regt nu, was men gewoon te noemen, het regt van exue, exuwe of Issue.5

Nu gebeurde het dikwijls, dat deze heffing onder steden, die gelijk regt hadden, onderling werd opgelost, zoodat de zoodanige plaatsen, dit regt van malkander niet invorderden. Verscheidene overeenkomsten immers bestonden daarvan—zoo vinden wij vermeld, in de handvesten van Amsterdam (1613 pag. 36) dat men daar met de stad Groningen zoodanig verbond gesloten had, op St. Jans Baptisten avond 1553 en nog vinden wij aangeteekend, dat tusschen de steden Haarlem en Amsterdam een accoord in dezer voege aangegaan was, op den 17 April 1464.

»Een octrooi om exue te heffen was al zeer vroeg mede verleent geweest aan de stad Delft, doch dit is in den brand van den jare 1536 verongelukt, zooals te zien is in het nader octrooi bij keizer Karel den 27 Maart 1545 aan laatstgenoemde stad verleend, waarbij vernieuwing van het oude octrooi werd gegund, als: »voorregt van exuw te mogen heffen, opbeuren en omvangen, de twintigsten penning van alle goederen succedeerende, of andersins gaande buyten de stede van Delf mitsgaders ook so veel te mogen nemen, en omvangen van den Inwoonders, of goeden uit derselver stede gaande in andre plaatsen, als de wethouders aldaar nemen van de inwoonders van Delf hetzij de tienden, twaalfden, of vijftienden penning.”6

Zooals wij nu reeds gemeld hebben, hebben die van Oudewater met de Delftenaars insgelijks een overeenkomst gesloten, dat zij ter wederzijden vrij zouden zijn, van dit exue regt te betalen en wel reeds op den 4 Maart 1427, waarbij die van Oudewater aan Delft beloofden:

»Dat sy tot genen dagen aan erfenissen, nog aan besterfenissen, die hare poorteren en inwoonderen in het regtsgebied van Oudewater mogten aanbesterven, belasten, nog beswaren en sullen, met enig pond geld van hen te eijssen, of te nemen, ten waar dat ter de Burgemeesters van der stede wegen van Delft voor en eerst van haar poorteren van Oudewater eysschede en namen.”

Dit eerste vrienschapsbetoon van Oudewater en Delft is, dunkt ons, hiermede behoorlijk gebleken.

II. Het tweede punt, dat wij te bewijzen hebben is, dat die van Oudewater bij uitspraak van hunne gewigtige en twijfelachtige gevallen in geregtszaken bij die van Delft mogten te rade gaan.

De voor zijne eeuw zeer kundige Mr. Simon van Leeuwen getuigt, dat meerdere steden gewoon waren onderling in dergelijke gevallen te rade te gaan. Zoo raadpleegde de stad Woerden, die7 van Gouda even als de laatste zulks weer deed8 bij die van Leiden, Weesp deed het9 te Amsterdam, terwijl Oudewater bij10 die van Delft te rade ging, en Delft wederom11 advys inwon te ’s Hertogenhosch.

De Heer van Kinschot heeft in zijne beschrijving van Oudewater twee zoodanige advyzen van bladz. 62 tot en met bladz. 66 medegedeeld. Het laatste was een advys van de heeren magistraten der stad Delft, dato den 13 September 1610, en de eerste was van den 2 Februarij 1595 en kortheidswille schrijven wij alleen de laatste over—het luidt aldus:

Eersame Discrete Voersienighen Heeren ende goede Bontghenoten:

»Wy hebben gevisiteert het processie voor uwer l. wtstaande tusschen Baert Jacobsz eyscher, op ende tegens Pieter Harmensz. van Cendenoort gedn., in welcke zaecke wy bevinden het poinct daer inne te bestaen, off Adriaan Goossensz. des verweerders ofte gedaegdes huysfrouse Grootevader zoo wy verstaen in den jare XVc. Liiij. by titule van Coope vercreghen hebbende van Pieter Cornelisz. Burgher tot Dordrecht, de vyertel lants die by den gedn. an den eysscher vercoft is, In deselve Coope mede gehadt heeft de werff alhier in questie, want indien Adriaen Goossensz. in deselve coope van de vyertel lants mede gehadt soude hebben de werff in questie, soo soude ons advys zyn, dat dezelve werff den Eyscher behoort geadiuceert te worden met Condemnatie van Costen, en mette Intreste ofte schade van ’t ontberen van dyen vanden dach vande Coop aff, ontseggen hem zynen vorderen eysch van alle ’t gundt daer op geplantet is, Maer indien beuonde wordt, dat Adriaen Gossensz. Dselve werff vercreeghen heeft nyet wt Crachte van de Coop van de vyertel lants, maardat sy ofte eenighe andere, van des gedes. voorsaeten, ofte de gedn. seluer by andere titule de voorsz. werff vercregen soude hebben, soo soude ons advys zyn, dat men den eyscher zynen Eisch en Conclusie behoort te ontsegghe ook met Condemnatie van Costen.

hier mede

»Eersaeme Wyse Discreten Voorsienighe heeren ende goede bondtgenoten beuelen wy uwer E: in de bescherminge Gods des heeren Al machtich geschreven tot Delft den ij february Ao. XVc. XCV.

(Lager stond:)

Die alle uwer E. goede Vrunden en bondtghenooten Schoudt, Burgemren: Schepenen en: Raeden der Stad Delff en ter Ordonnan. van henluyden geteyckent by my,

(was getekend)
J: GROENHOUT.

(de superscriptie was)

Eersaeme, Wyse Discreten seer voorsienighen heeren ende bondtghenoten

De Bailliu, Schepenen ende Gerechte de Stede van

OUDEWAETER.

Uit dit aangevoerde en de gebezigde woorden »goede bontgenooten,” is ook de waarheid van dit tweede betoog aangetoond.

III. Op de jaarmarkten in de steden Delft, Oudewater en Alkmaar hadden eerst de burgers van de stad daar de jaarmarkt gehouden werd, en dan die der twee andere steden het regt van voorrang bij alle andere buitenlieden, terwijl deze laatsten om hunne standplaatsen moesten loten.12

IV. De oorzaak tot al het onderlinge vriendschapsbetoon in I, II en III aangetoond, had hare aanleidende oorzaak hoogst waarschijnlijk dáárin, dat er in zeer oude tijden volgens veler meening (en wel volgens sage in het jaar 1421) een verdrag tusschen de drie gemelde steden zoude getroffen zijn, waarbij aan de poorters dier steden, een gelijk burgerregt, als ieder in zijne stad genoot, zoude toegestaan en geschonken zijn, immers schrijft de heer van Kinschot in 1746, dat de drie genoemde steden, dat poortersregt nog steeds genieten.13

Nu is het dan ons ook duidelijk geworden, waarom men het Delftsche wapen aantrof in den voorgevel van het huis gemerkt N 371 aan de markt, dat er Anno 1856 werd uit weggebroken—een ingezetene van Delft had zich—wie twijfelt er nog aan?—hier met ter woon gevestigd, en tot gedachtenis aan zijne stad, haar wapen in zijn huis aangebragt—voegen wij aan dit betoog nog de daadzaak, dat er in de lijsten van aangenomen poorters te Delft geene van Oudewater en Alkmaar voorkomen, dan is er aan de waarheid niet meer te twijfelen.14

V. Neemt men nu ten slotte bij al het aangevoerde nog in aanmerking, dat15 het oude wapen der stad Delft in de kamer van Burgemeesteren aldaar berustende, met zeer oude letters het omschrift bevatte:

Sigillum Communitatis Oppidanorum de Delf beteekenende: Het zegel van de gemeenschap der poorteren van Delf, dan moeten ook wij zeggen, dit moet niet zonder bijzondere redenen, maar met diep inzigt en wisse voorbedachtzaamheid alzoo verkregen zijn. Deze zinsnede: gemeenschap der poorteren van Delft moet ongetwijfeld doelen op »het oude verbond” van de steden Delft, Oudewater en Alkmaar.

Het Wapen van Oudewater.

Wij hebben ons in het voorgaande hoofdstuk onder anderen bezig gehouden, met het wapen dezer plaats, zonder dat de goedgunstige lezer nog eenige nadere omschrijving van dat wapen had, het is daarom, dat wij die nu dadelijk gaan maken.

Het stadswapen dan, vertoont een zilver veld, waarop zich een burg bevindt, wiens omloop met schietgaten en wiens poorten met hameijen voorzien zijn, van boven uit dezen burg verheft zich een klimmende leeuw, alles van rood of keel, zooals men dit in de heraldiek noemt, de leeuw echter is getongd en geklaauwd van hemelsblaauw (lazuur). Dit zilver schild nu, is gedekt met een kroon met drie fleurons van goud terwijl het wapenschild wordt vastgehouden door twee klimmende leeuwen, in hunne natuurlijke verwen.

Kinschot denkt, dat het sijmbool van dit wapen is, aldus:

Oudewater ligt op de uiterste grenzen van Holland tegen de grenzen van het Sticht en dus naar die zijden bloot, voor den eersten aanstoot der wapens wanneer het Sticht overweldigd is; vandaar, dat hij Oudewater dan ook noemt »een Burch en Bolwerk voor het gewest van Holland. Deze burg en dit bolwerk zouden dan naar alle waarschijnlijkheid, een van Hollands graven op de gedachte gebragt hebben, deze gelegenheid der stad, in haar wapen te doen vertegenwoordigen door den burg, waarboven de leeuw als staat te waken, tegen iederen onverhoedschen overval van eenen vijand.

In het jaar 1816 werd van wege den koning, o. a. »de hooge raad van adel” gemagtigd eenige of een aantal wapens te wettigen, ingevolge besluit van den 20 Februarij 1816, en het was in laatstgenoemd jaar, dat de gemeente van Oudewater ingevolge het door haar gedaan verzoek door haar bevestigd werd, in het bezit van het hiervoren omschreven wapen, zoo als blijkt uit het onderschrift van het wapen dezer stad, dat op het stadhuis in de raadkamer hangt:

Gedaan in ’s Gravenhage den 24 Julij 1816.

(was geteekent) enz.16

Regeringsvorm en Regeringslieden.

In een privilegie van graaf Willem, Anno 1322, waarbij de poorters van Oudewater niet arrestabel worden verklaard, wordt gewag gemaakt, dat alstoen hier aan der stede regering waren: »seven scepenen, twee Raatsmannen en een Bailju.”17

Voorts bestaat er een bevel van »Willem Grave etc.” aan de magistraat van Oudewater van het jaar 1323 namelijk om de Lombaarden in hare stad te ontvangen en burgerrecht te laten genieten, waarin de regeringslieden aldus werden genoemd.

Wi Willem Grave etc. onsen lieven en getrouwen Schout, Schepenen ende Raed van onser poorteren van Oudewater saluyt enz.18

Terwijl graaf Albrecht de magistraat dezer plaats in 1395 vermeld, onder de woorden »Scout, Borghe Meesters, scepenen en Rade.”19

Tot op 1401 echter, zijn wij niet in het bezit van eenig stuk, hoe de aanstelling van den magistraat geschiedde, als wanneer in laatstgenoemd jaar Hertog Aalbrecht van Beijeren op den St. Matthijs aposteldag, aan de stad Oudewater een handvest20 verleende, waarin onder anderen geregeld werd, het aanstellen van schepenen en achten21 het verkiezen van Burgemeesters enz. en wel in dezer voege:

De Bailluw van Rijnland zou ieder jaar op meiavond zetten of doen zetten, zeven schepenen, die niet te zeer onderling vermaagschapt zouden zijn. Wanneer nu een van deze schepenen gedurende zijn schependom kwam te overlijden, dan zou de Bailluw van Rijnland nadat hem van stadswege daarvan was onderrigt, binnen verloop van veertien dagen een anderen schepen verkiezen.—Voor en aleer de schepenen van het stadhuis zich verwijderden, moesten echter tenzelfden dage, de Achten of acht raadsmannen gekozen worden. Voorts bepaalde hertog Aalbrecht nog, dat de schout, schepenen, klerk en de gezworen Raadsmannen ieder jaar op St. Simon en Judas avond, uit ieder vierendeel der voornoemde stad, staande ten halven schoten, zouden kiezen twee Burgemeesters met deze bepaling, dat zij die binnen de laatste drie jaren Burgemeesters geweest waren, niet verkiesbaar waren, en dat, zoo er een van dezulken in zijne dienst »aflijvig” werd, men alsdan een anderen binnen de drie dagen kiezen zoude, dat de Burgemeesters niet te na in de familie mogten zijn, en vijf en dertig jaren of daarboven moesten oud zijn, enz. enz.

Hertog Aalbrecht, bepaalde in dit zijn handvest, zooals toen veelal gebruikelijk was, dat al de daarin vermelde »poincten” en ieder in het »bijzonder vast ende gestade” gehouden moesten worden, zooals er verder stond, »voor ons en onse nacomelingen ten eeuwigen dagen” waarom hij dan ook dezen brief had laten »besegelen met synen segele.” Deze eeuwigheid duurde echter slechts een tijdsverloop van 184 jaren (van 1401 tot in 1585) als wanneer Holland ziende de gelegenheid en de stand van zaken in deze stad, ten gevolge des moords in 1575, goedvond, eenige verandering in de uitvoering van meergemeld stuk van Graaf Aalbrecht aan te brengen, weshalve de staten voor den tijd van drie jaren bevolen, dat een van de Burgemeesters en sommige van de schepenen, niet op den vroeger bepaalden tijd behoefden af te treden, »wel verstaande, dat daartoe vercoren sullen worden, de bequaamste ende nutste personen uyt het geheele corpus van de gemeente, zonder reguard te nemen op de quartieren, schoten ofte loten, ofte ook dat deselve in voorlede jaren zullen gedient hebben, zullen de verkiezingen en de advysen diesaangeande vrij zijn, als in andere steden van Holland ende dit alleenlijk voor den tijd van drie eerstcomende jaren, als voorseyt is; te eynden, dat de staten voornoemt verhopende, dat de steede wederomme gecomen sal wesen tot haren ouden fleur, hebben belooft ende beloven mits dezen die van Oudewater voornoemd, wederom te laten genieten, het voornoemde privilegie naar zijnen form ende inhouden.22

Het is mij niet gebleken, of na verloop van deze drie jaren, de verkiezing weder op den ouden voet van 1401 plaats had, stellig echter moet het gebleken zijn, dat dit octrooi niet langer haltbaar was, daar wij in het jaar 1591 gewag gemaakt vinden van de volgende nieuwe octrooijen voor Oudewater, rakende de verkiezing van Burgemeesters, schepenen en vroedschappen der stad.

De Ridderschap, Edelen ende Steeden van Holland en Westvriesland, Representeerende de Staten van denselven Lande, doen te weten, Alsoo tot dienste der Steede van Oudewater, ende ten eynde de ingezetenen van dien in goede ordre ende gerustheid mogen gehouden, ende onder het gebied ende Respect van de Magistraaten wederom tot welvaren gebragt werde, ende Regt ende Justitie aldaar gebruyckt ende onderhouden als naar behoren nodig bevonden is te voorsien, aangaande het stellen van de Burgermeesteren, Schepenen ende Vroedschappen aldaar, naar jegenwoordige gelegentheid der selver Steeden, ende sonder de præjudicien van de Privilegien van dien, Zoo is ’t, dat wy hier op gesien hebbende de Privilegien ofte Octrooi van Hartog Albrecht van Beijeren H. Gl. die van Oudewater voornoemd verleend, in den Jaare 1401, uyt onse regte weetenschap den voorn. van Oudewater gegund, geconsenteerd, ende geoctroyeerd hebben, Gunnen, Consenteeren, ende Octroyeeren by deesen, dat aldaar geëligeerd ende gesteld sullen worden by syn Exellentie als Gouverneur van de Lande van Holland, &c. Vier en Twintig Personen tot Vroedschappen der voorsz. Steede van Oudewater, uit alle sulke meerder getal van de bequaamste, rijkste en vreedsaamste derselver Steede als bij de voorsz. Magistraaten syn Exellentie sal worden gepræsenteerd ende dat voor de eerste Reyse, ende soo wanneer eenige derselver Vroedschappen sullen koomen te overlyden, of uyt de voorsz. Steede metter Woone te vertrekken, ofte dezelve om eenige andere oorsaaken, soude mogen verlaaten werden, dat in de plaatse van deselve by de Burgermeesteren in der tyd, ende de andere Vroedschappen aldaar eenen anderen meede van de Rykste, gequalificeerdste, vreedsamigste verkooren en by de Borgermeesteren geëed sal worden. Item dat den Bailliuw, Borgermeesteren, ende Vroedschappen alle Jaars op den 25 April nomineeren sullen Vier Persoonen uyt de Scheepenen in diensten synde, ende Tien Persoonen uyt de voorsz. Vroedschappen ofte andere van de rykste gequalificeerdste Burgerye ende dezelve aan zynen Exellentie by eenen, die de voorsz. Borgermeesteren ende Vroedschappen daartoe sullen Committeeren, ofte in syn absentie aan den President ende Raden Provinciaal van Holland oversenden, omme uyt de vier Twee gecontinueerd ende uyt de Tien vyff Persoonen gekooren te werden, voor een jaar tot Schepenen der voorsz. Steede, die by den Bailliuw van Oudewater van wegen de hoge Overigheid ge-eed in officien gesteld sullen worden; Dat voorts den Bailliuw, Burgermeesteren, Schepenen, Vroedschappen ende Clerq der voorsz. Steede alle Jaars op den 28 Octobris sullen Eligeeren Twee van de Rykste, gequalificeerdste enne vreedsamigste Persoonen derselver Steede het zy uyt de Vroedschap ofte Burgerye tot Borgermeesteren, mits dat zyl. een van de Borgemeesteren van den voorleedene Jaaren sullen mogen Continueeren indien henl. het selve goed dunken zal, Dies en sal men niemand als Borgermeester verkiesen uyt Scheepenen dienende in den tijd van de voorsz. Electie, innegaande deselvde Continuatie den 28 Octobris XVc. twee en negentig, ende die twee Jaaren als Burgermeester gediend sal hebben, en sal na de Expiratie van dien, in de twee eerstkomende Jaaren daar aan volgende niet weder als Borgermeester geeligeerd mogen werden.

Ende en sullen in de voorsz. Vroedschappe niet mogen weesen Vader en Zoon, nogte Schoonzoon, nogte Twee Gebroeders, nogte insgelyks als Burgermren, nogte Schepenen gelyk op eenen tyd niet mogen dienen, die malkanderen in Consanguiniteit en adfiniteit als voren syn bestaande, nogte ook Zusters kinderen, ende dit alles voor den tyd van tien Jaaren eerstcomende, ende onverminderd de Privilegien ende Geregtigheeden der voorsz. Steede ende ten eynde deese onse jegenwoordige Brieven van Octroy mogen worden agtervolgd ende onderhouden; ordonneeren wy dat deselve in de Griffie van de voorn. Hove sullen worden geregistreerd ende dat voorts een ygelyc hem daar na sal hebben te Regaleeren.

Gegeeven in den Hage onder onse Groote Zeegelen hier aan gehangen, den naastlesten Augusty in ’t Jaar onzes Heeren 1591.

ORDONNANTIE van de Heeren Gecommitteerde Raaden van de Staaten van Holland en Westvriesland voor de Regering van Oudewater, omme te Eligeeren twee Persoonen tot Burgemeesteren derselve Steede.

De Gecommitteerde Raaden van de Staaten van Holland ende Westvrieslandt, gesien hebbende ’t inhoude van den Octroye by den Heeren Staaten, die van Oudewater den Naastlesten Augusti lestleden verleend, hebben verklaard, ende geordonneerd, verklaren ende ordonneren by deesen, Dat den Bailliu, Burgemeesteren, Schepenen, Vroedschap, ende Clercq der voorsz. Stede, den XXVIIJen. Octobris toekomende sullen Eligeeren twee van de Rycxste, Gequalificeerdste, ende Vreedsamichste Persoonen derselver stede, ’t zy van de Vroedschap, ofte Burgerye, tot Burgemeesteren sonder dat syl. ouyt den Burgemeesteren ende Schepenen jegenwoirdelick dienende, agtervolgen denzelven Octroye yemand sullen mogen kiezen.

Gedaan in den Hage den XXIIIJen. Octobris XVc. Een en ’t Neegentich.

(Onder stond)

Ter Ordonnantie van Gecommitteerde Raden van Staten voornoemd.

(Was geteekent)
C. DE RECHTERE.

In het jaar 1600 toen de tijd van toepassing van dit octrooi verloopen was, werd op het verzoek van Burgemeesters, Schepenen en Vroedschappen der stad Oudewater, om voortaan te mogen blijven bij het octrooi dato den 29 Augustus 1591, omtrent het stellen van Burgemeesters, Schepenen en Vroedschap aldaar, hen dit niet toegestaan, doch hetzelve werd bij resolutie der Staten van Holland, dato den 13 September 1600 nog met tien jaren dus tot Ao 1611 verlengd.

Toen die tijd echter wederom verstreken was, en de Magistraat van Oudewater zich bij die volmagtiging wel bevond, zoo hebben de Staten, deze stad op den 8 September in het jaar 1611 daarin bevestigd tot wederopzeggings toe.23

In zoodanigen staat bleef de electie van de magistraatspersonen tot den tijd toe, dat de Burgemeesters en Vroedschappen zich genoopt zagen, om door het afsterven van vele der aanzienlijkste, en tot de regering bekwaamste personen, met opzigt tot het getal der Vroedschappen aan de Staten te verzoeken, dat dezelve van vier-en-twintig tot op achttien mogten uitsterven,—dit werd dan ook door de Staten toegestaan op den 10 Februarij 1671, mits de aanstelling van de andere Magistraatspersonen, in gevolge de privilegien en vorige octrooijen in zijn geheel bleef.

Van voornoemd jaar 1671, werd Oudewater nu 101 jaar geregeerd, door een Bailjuw, twee Burgemeesters, zeven Schepenen en achttien Vroedschappen, die ieder een Secretaris hadden.

101 Jaar zeiden wij, immers in het jaar 1772 werd weder bij octrooi bepaald, dat het getal der Vroedschappen nu tot op 12 mogt uitsterven.

Alvorens nu verder te gaan, om eene andere regeringsvorm in Oudewater te gaan beschrijven, vinden wij het niet ongepast, nog iets omtrent de wijze van aanstelling, en de waardigheden dezer betrekkingen te Vermelden.


De Bailluw van Oudewater was tevens Opper-Dijkgraaf der onder de stad behoorende Landen en had ook het Schoutsambt van Hollands Graaflijkheid in pacht. Zijne aanstelling geschiedde door de Staten van Holland om genoemd ambt gedurende zijn leven te bedienen.24

Ingevolge de handvesten, voorregten en later genomen besluiten, werd de Bailluw doorgaans gelast, om ieder jaar de benoeming of het dubbel getal van Schepenen aan de Heeren Staten en bij derzelver afwezigheid aan hunne Gemagtigde Raden25 tot het doen der verkiezingen over te brengen, die dan ook de verkiezing deden, en dezelve per brief aan den Bailluw overzond om den verkozen in hunne betrekking te stellen en te26 beëedigen.

Voorts had de Bailluw een Stedehouder of plaatsbekleeder, die bij afwezigheid of ontstentenis van den eerste, in alles den Bailluw vertegenwoordigde.


De twee burgemeesters, die ieder jaar op den 28 October bij meerderheid van stemmen verkozen werden, moesten, zoowel de aanblijvende als aankomende Burgemeester, of Burgemeesters, in handen van den oudsten aftredenden Burgemeester, den navolgende eed doen en beloven.27

»De Graaflijkheid van Holland mitsgaders deeze stede gehouw ende getrouw te zullen zijn, alle de stads voorrechten, Handvesten en keuren voor te staan en te handhaven, goede politie onder de burgers en gemeente te onderhouden, mitsgaders de Kerk, ’t Gasthuis, den Heiligen Geest, ’t Weeshuis, Weduwen en Weezen, in huerlieden geregtigheid te helpen, beschermen, en voorts alles te doen, ’t geen goede en getrouwe Burgemeesteren schuldig zijn en behooren te doen.”

Een dezer Burgemeesters, en wel doorgaans de oudste in bediening, nam het Thesauriers- of Schatmeesters28 ambt waar, voor den tijd van een jaar, hij hield de kas van de goederen en inkomsten der stad, en moest binnen het jaar, nadat hij van zijne bediening ontslagen was, van zijne administratie en bediening als zoodanig, ten overstaan van de geheele Vroedschap, behoorlijk rekening en bewijs doen.29


De zeven Schepenen, uit eene benoeming of dubbel getal, op den 25 April van ieder jaar gemaakt, werden door de Staten van Holland of bij derzelver afwezigheid, door de Gemagtigde Raden verkozen, en moesten den navolgenden eed in handen van den Bailluw doen en zweren:30

»Dat zy lieden recht ende justitie onpartydelyk tusschen twee mans dingtallen zullen bedienen, en zulks t’ allen tyden ter Vierschaare te verschynen, des by den Heer daartoe verzogt zynde, en voorts alles doen, ’t geene goede en getrouwe Schepenen schuldig zyn en behooren te doen.”30

Tot 1 Januarij 1806 als wanneer het vernietigd werd, had Oudewater ook nog Schepen-Commissarissen ter Judicature van den gemeene lands middelen, niet alleen in zaken over de stad voorvallende of ondernomen wordende, maar ook over Hekendorp, Linschoten, Snelrewaard, Dijkveld, het Land van Vliet en Roozendaal, zijnde alle bijzondere regtsgebieden, en daarom was volgens het 15 art. van Hunner Ed. Groot Mog. Generaal placaat op den ophef van de gemeene middelen gegeven, deze stad de hoofdplaats van het voorschreven District.—Van al de uitspraken en vonnissen mogt echter geappelleerd of gereformeerd worden aan de Ed. Mog. Heeren, Gemagtigde Raden der Ed. Gr. Mog. Heeren, de Staten van Holland en West-Vriesland.


De Burgemeesters en Vroedschappen kiezen bij ’t openstaan van een overledene, met der woon naar elders vertrokken, of zijnen dienst verlaten hebbende Vroedschap, eenen anderen in diens plaats, welke in handen van de in bediening zijnde Burgemeesteren den eed moet afleggen, en volgens het Octroy en de Continuatie van dien31 zweeren:

»Dat hy de Ridderschap, Edelen en Steden van Holland ende West-Vriesland, als verbeeldende de Staten van het zelfde Land, mitgaders de Burgemeesteren en Schepenen deezer Stede gehouw ende getrouw zyn zal, en op ’t verzoek van Burgemeesteren voorsz. t’ alle tyden op ’t Stadhuis der zelver Stede verschijnen, om den zelfde Burgemeesteren en Schepenen te helpen raaden en besluiten tot nut, dienst ende welvaaren der voorsz. Stede, zulks hy in zyn gewisse, en beste Weetenschap zal oordeelen te behooren in gevolge van ’t voorsz. Octroy der Heeren Staten.”

De Secretaris werd ingevolge zeker voorregt van Albrecht, paltsgrave op den Rijn, als Graaf van Holland verleend, op den 18 Mei Ao. 139432 bij de Burgemeesteren gelast en aangesteld.33 Hij deed den gewoonlijken eed tot dat ambt in alle steden ingebruik, en had stem in de jaarlijksche verkiezing van Burgemeesters. Was hij daarbij echter ook Vroedschap, dan mogt hij toch altijd maar eene stem in de verkiezing uitbrengen.34


Naamlijst der respective Bailluwen, Castelleinen
en Dijkgraven van de stad Oudewater met de
daaronder behoorende landen, voor zoo ver
de in de Registers zoo van het land
als de stad te vinden zijn.

1. Bartholomeus van Cattendijk. Aangesteld den 16 Junij 1509.

2. Bertelmeus van Egmonde.

3. Jonkheer Jan van Vliet, Schildknape, Heer van Vliet, Hoenkop en Berge-Ambacht tot Castellein van het slot van Oudewater aangesteld, op den 3 November 1519, »by Kaerle, by der Gracien Godts koninck van Castilien van Leons etc. volgens commissie geregistreerd en te vinden in ’t blaauwe ruyge Register, fol 34.”

4. Jan Jacob Gerritz.

5. Gerrit Jan Jacobsz. voor één jaar aangesteld den 28 Januarij 1554 »bij de Luyden van de Reekeningen des Conincks in den Hage volgens lastbrief, te vinden in ’t vijfde boek van de verpagtinge der offitien, fol. 28 vso.”

6. Jonkheer Pieter van Catz, Maarschalk van Montfoort aangesteld den 30 December 1555 »by de Luyden van Rekeningen des Coninks in den Hage en volgens commissie geregistreerd in ’t vijfde boek der verpagtinge van offitien, fol. 42, ende gecontinueerd by Philips by der Gracien Godts Gonink van Castilien Leon etc. zijnde de connuatie geregistreerd in ’t swarte Ruyge Register fol. 299 vso.

7. Jacob van Alkemade, geheeten van Berry, Ambachts Heer van Comstrije. Aangesteld den 31 Januarij 1560 »by de Luyden van de Rekeningen in den Hage volgens Commissie geregistreerd in ’t zesde boek der verpagtinge van offitien. fol. 7 vso.”

8. Gerrit Jansz. aangesteld den 8 Januarij 1565 bij de »luyden” als voren, en volgens commissie geregistreerd in het voormelde zesde boek, fol. 20 vso.

9. Thijmen van Leeuwen, aangesteld als voren den 15 Maart 1565, volgens commissie geregistreerd in hetzelfde boek fol. 22.

10. Gerrit Gerritz Craijestein. Aangesteld den 20 November 1574 bij de »luyden” van des konings rekening te Delft. Ingevolge resolutie der staten van Holland dato den 23 Maart 1583, is hij ook aangesteld op den 15 April 1583 door de »Luyden” van Rekeningen in Holland tot Bailluw en Dijkgraaf der drie gehuchten Lange Linschoten, Snelrewaard en Heeckendorp paalende aan de stede van Oudewater en werd als zoodanig volgens commissie geregistreerd in het eerste witte Register van de verpachting der offitien, fol. 38 vso.

Deze ambten heeft hij tot in het jaar 1618 bekleed als wanneer hij is overleden.35

11. Jonkheer Gelijn Zegers van Jegen, Ridder, Heer van Wassenhoven. Aangesteld den 5 Julij 1618, bij die van de Rekeningen der Graaflijkheid van Holland te ’s Gravenhage.

12. Mr. Karel van Willigen, aangesteld als voren op den 5 Januarij 1638.

13. Hendrik Schrijver. Aangesteld den 9 Mei 1659.36

14. Gijsbert van Craijestein. Aangesteld de 11 Mei 1665 en gestorven den 21 Januarij 1669.

15. Johan van Leeuwen. Aangesteld den 1 Februarij 1669.

16. Mr. Hendrik Schimmelpenning. Aangesteld den 2 Januarij 1670.

17. Quirijn van Strijen. Aangesteld den 15 Januarij 1674, gestorven den 31 Januarij 1694.

18. Mr. Cornelis Schaap. Aangesteld den 5 Februarij 1694. gestorven den 28 October 1725.

19. Gaspar Rudolf van Kinschot, Heer van Nieuwerkerk. Aangesteld den 9 November 1725. Deszelfs eerste Commissie is geregistreerd in XIX Witte register der verpachting van de offitien fol. 23237 hij stierf in het jaar 1747.

Tot dus ver de lijst des Heeren van Kinschot, gaan wij nu door dezelve te completeren.

20. Mr. Willem Dekker, aangesteld 19 September 1748.

21. Mr. Jan Hugo van Streijen, aangesteld 17 Maart 1753.

22. Mr. Aart van der Goes, aangesteld 16 Julij 1768, gestorven anno 1789.

23. Mr. Engelbert Paauw, aangesteld 13 Maart 1789.

Bij de resolutie van 1795, van deze posten geremoveerd zijnde, is op den 22 Januarij van laatstgenoemd jaar in deszelfs plaats verkozen:

24. De Burger, Johannes Justus Montijn, die op den 1 April 1795 van de provisionele representatie van ’t volk van Holland deszelfs commissie heeft ontvangen, zijnde geregistreerd in het IX register der commissie,—dan de regtbank, onder het bestuur van Keizer Napoleon vernietigd zijnde, zijn deze posten sedert vervallen.—

De breedvoerige omschrijving der Maires en adjunct Maires onder het Fransch bestuur, gaan wij stilzwijgend voorbij, alleen vermelden wij, dat tot in het jaar 1832 het hoofd der Gemeente was, laatstelijk natuurlijk met den titel van Burgemeester, Johannes Justus Montijn voornoemd, die in deze betrekking werd opgevolgd door:

25. Adriaan Maarten Montijn, en wel in hetzelfde jaar 1832. ZEd. Achtb. verzocht echter in 1855 van dit ambt ontheven te worden, weshalve hem in dit jaar eervol ontslag door Z. M. den Koning werd verleend.

26. Rijnardus William Haentjens Dekker, bekleedt thans sedert primo Januarij 1856 het ambt van Burgemeester der Gemeente Oudewater.


De naamlijst der Secretarissen dezer stad, zijn sedert den jare 1547 de navolgende, waarvan men melding gemaakt vindt:

1 Pieter Speyert, was in dienst den laatsten Februarij 1547.

2 Dirk Simonsz., vermeld in de Resolutien van Holland, den 5. Februarij 1575.

3 J. Bonser, was in dienst 1581.

4 D. v. Luytens, vermeld in de Resolutien van Holland, den 15 Julij 1584.

5 S. J. Bonser, was in dienst 1605.

6 Mr. . . . . . Everdingen.

7 H. De Hoy, was in dienste 1634.

8 Dirk Tromper.

9 Gerard Kersseboom, aangesteld den 13 Julij 1673.

10 Mr. Pieter Schrijver van Roodenburgh, aangesteld den 13 Julij 1690.

11 Adriaan Maas, aangesteld den 10 April 1725.

12 François van Hoogstraten, aangesteld den 3 Januarij 1743.

13 Dominicus de Jong, aangesteld Anno 1758.

14 Jan de Keyser, aangesteld anno 1789.

15 Adriaan Maarten Montijn, aangesteld onder het Fransch bestuur der maires A. 1811, werd ook na de omwenteling als zoodanig benoemd, en is in het jaar 1837 in deze betrekking bevestigd. Op Z.Ed. verzoek, is hem als zoodanig door Z. M. eervol ontslag verleend, in te gaan den 1 Januarij 1856.

16. Rijnardus William Haentjens Dekker, door den Gemeente Raad benoemd, den 8 Februarij 1856.


Ziedaar in korte breede trekken iets omtrent de regering en de regeringspersonen alhier. De Gemeente-Raad van Oudewater, bestaat tegenwoordig ingevolge de »Wet tot regeling van de zamenstelling, inrigting en de bevoegdheid der Gemeente besturen” uit 7 leden met eenen Burgemeester, die met 2 Wethouders het collegie van dagelijks bestuur uitmaken, terwijl aan den Gemeente Secretaris en den Gemeente Ontvanger, insgelijks in laatstgenoemde wet hunne verpligtingen worden aangeduid.


De octrooijen van Graaf Aalbrecht, en de resolutien der Staten van Holland, omtrent de benoeming van den Magistraat van Oudewater zijn gelukkig reeds lang krachteloos verklaard, en de aanstelling als zoodanig, geschiedt thans in alle gemeenten van Nederland ingevolge de bepalingen vervat in één en dezelfde wet.

Oudewaters voormalig regt,

VAN RANG EN SESSIE IN DE STAATSVERGADERING VAN HOLLAND.

Hebben wij nu gezien, dat er omtrent het bestuur van iedere gemeente van Nederland en bijzonder met dat van Oudewater groote hervormingen plaats hadden, ook het landsbestuur onderging niet minder groote veranderingen.

Immers de Staten Generaal, verdeeld in Eerste- en Tweede Kamer, alsook de Provinciale Staten—de twee laatste ligchamen uit vrijwillige stemming geformeerd—zijn allen in deze eeuw daargesteld.

Wanneer er eertijds over ’s Lands aangelegenheden moest gesproken worden, dan werd er vergadering belegd van Ridders en Edellieden uit verschillende oorden des lands, en de groote en kleine steden van Holland, werden dan insgelijks beschreven ter Staatsvergadering te verschijnen, en eene deputatie uit den Magistraat eener zoodanige gemeente, woonde dan de bijeenkomst bij en had daarin regt van stem.

Ook Oudewater mogt zich beroemen, de eer te hebben om zijne gemagtigden, zitting te doen nemen in ’s Lands Hooge Vergaderingen en stem te laten uitbrengen, omtrent de gewigtigste aangelegenheden, van het veel tijds zoo benarde Vaderland.

Is de Koninklijke residentie ’s Gravenhage nu alleen de plaats van bijeenkomst voor Nederlands vertegenwoordigers, vroeger werden er ook in eene menigte andere plaatsen van ons Vaderland zoogenaamde dagvaarten gehouden; zoo ook had de beschrijving van de Vergadering der Staten vóór Prins Willem den I geen vasten voet; immers, nu eens werd zulks gedaan, door den Graaf of zijnen Stadhouder, en de Raden van het Hof,38 dan weder door ’s Lands Advocaat, en den Algemeenen Ontvanger.—Genoemde Prins beweerde echter, dat het streed met de achtbaarheid39 des hofs, dat de beschrijving door den griffier geschiedde en dat het regt de Staten ter dagvaart op te roepen, hem alleen toebehoorde; de Prins wist dan ook de bewilliging van Margaretha, Hertogin van Parma als Landvoogdesse te verkrijgen,40 dat alle Staatsvergaderingen streng verboden werden, die zonder zijne aanschrijving en bewilliging geschiedden.

Na den moord van den Prins op den 10 Julij 1584, werd kort daarna de vergadering der Gemagtigde Raden opgerigt, en aan deze liet men sedert dien tijd altijd het beschrijven van ’s Lands Staten over.

Van Kinschot getuigt,41 dat de Vergadering der Staten gedurende een twintigtal jaren, n.l. van 1524 tot 1544 zeer verward is geweest, doch dat men op dezelve veeltijds vermeld vindt de edelen en de zes navolgende plaatsen, die groote steden genoemd werden42 te weten: Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Gouda en Amsterdam, echter werden ook wel nevens deze laatste steden de kleine steden beschreven,—waaronder zoo als wij weten ook Oudewater behoorde, zonder dat er echter een vaste orde of rang in gehouden werd.


a. Op den 16 Mei 1525 verschenen ter Staten Vergadering43 nevens de Edelen, Ridders en groote steden onder de kleine steden, ook de Gemagtigden van Oudewater.

b. Te ’s Gravenhage verschenen op de dagvaarten van 24, 25 en 26 Mei 1525 namens Oudewater Jacobs Gerrits en Gerrit.44

c. Te St. Geertruidenberg op het stadhuis den 17 Junij 1525, verschenen ter vergadering ook wel die van Oudewater, doch van hen en die van Enkhuizen staat geboekt, »dat men dezelve niet en konde met meer andere van de kleine steden.”45

d. Te Breda verschenen op den 25 Junij 1525 namens Oudewater, Jacob Geritsz en Pieter Anthonis met bijvoeging, »dees was er den laatste dagvaart, maar hier niet.

e. Te ’s Gravenhage verschenen voor Oudewater, op 17 November 1527, Jacob Klaas en Daniel Henreksz.

f. Op den 23 Mei 1528, Henrik Geritsz.

g. Den 13 October 1528, Jan Dircx en

h. Te Utrecht den 23 dito, Henrik Geritsz.

i. Te ’s Gravenhage op den 29 Mei 1529, Cornelis Dirksz en Jan Pietersz.

j. Te Brussel den 7 Junij 1529, Jan Pietersz.

Voorts vindt men gewag gemaakt, dat er op de dagvaarten van Haarlem 20 September 1534, en op die te Gouda 8 Augustus 1536, vele van de kleine steden waren, »zonder dezelve of haar Gemagtigden aan te teekenen of te kennen.”46

k. In ’s Gravenhage vertegenwoordigden Oudewater van den 16 tot den 24 September 1538, Jan Robrechts en Mr. Dirk van Crempen.

l. Op den 12 en 13 October 1538,47 Jan Robertsz en Mr. Willem Geritsz.

Op den dagvaart te Haarlem 11 en 12 Augustus 1540, waren daar tegenwoordig meest al de48 kleine steden, even gelijk ook op de Staatsvergaderingen in ’s Gravenhage den 11 en 24 Februarij 1541 en de 11 September 1542, de kleine steden tegenwoordig waren.49

Indien wij de resolutien van Holland ab Anno 1544 ad 1549 en van 21 November 1544 fol. 55 inzien, dan denkt men teregt, dat de edelen en zes groote steden een geruimen tijd de Staatsvergaderingen hebben uitgemaakt, en zij de kleine plaatsen eenigzins begonnen te beschouwen als »het vijfde rad aan een wagen” te meer nog, daar Jacob van den Ende, in zeker getuigschrift zich daar noemende Advocaat van de Staaten van de Graaflijkheid van Holland, onder anderen als in het voorbijgaan zegt »dat de edelen en de zes groote steden van Holland de Staten van het land verbeelden.

Niet te min zullen op de een of andere Vergadering de kleine steden, of eenige derzelve nog wel eens beschreven zijn geweest, want volgens resolutie van Holland, den 22 December 1563 moesten voortaan de kosten voor de verschijning ter vergadering van eenige kleine steden, komen ten laste van iedere stad of zonder bezwaring van ’t gemeene land. Een en ander ging er soms echter zeer verward toe, want:

m. In Mei 1564 werden echter al de kleine steden wederom ter dagvaart beschreven,50 en het is hoogst waarschijnlijk dat dit daarna nog meermalen heeft plaats gehad, want op ons gemeente archief berust een zeer interessant stuk, namelijk eene »Nota, houdende zeer gespecificeerde aanteekeningen van dag voor dag gemaakte verteringen en reiskosten van Burgemeesters van Oudewater, op hunne reizen naar Brussel, den Haag enz., in 1564 en 1565.

Alles strookt hier dus: in 1563 de resolutie dat de reiskosten voor de stad komen, en in 1564 treffen wij de nota aan, hunner verteringen, omdat zij daarvan in Oudewater nu rekening moesten doen.

Wij vinden niet vermeld, dat Oudewater meer ter dagvaart geroepen werd, dan in het jaar 1572, als wanneer Oudewater de eerste plaats in Zuid Holland was, die het voorbeeld van Brielle volgde en zich verklaarde voor den Prins van Oranje Willem de Zwijger.

n. Op eene toen te Dordrecht gehouden vergadering, op den 19 Julij des laatstgenoemden jaars, waren namens Oudewater tegenwoordig, Cornelis Willemsz de Lange Burgemeester, en Jop Pietersz van Hattemer.

o. Den 22 vergaderde men weder te Dordrecht,51 en

p. Den 25 Julij te Rotterdam.

Wat er op deze hoogst gewigtige vergaderingen plaats had, besparen wij om in ons laatste hoofdstuk van de beschrijving te vermelden.

q. Voorts werd Oudewater geconvoceerd ter vergadering op den 22 November 1574,52 om mede besluit te nemen op eenen door Zijn Excellentie Willem van Nassau gedanen voorslag,53 en mede te raadplegen op den voorslag, en het antwoord bij de Staten aan Z. Excellentie, rakende het bestier van den lande te geven.54 Op deze bijeenkomst waren Oudewaters gevolmagtigden, Willem Jacobsz Burgemeester, en Cornelis Jansz. Schepen.

Wel degelijk nam men dus nu ook van de kleine plaatsen notitie, dat blijkt ten duidelijkste immers uit de hoogst zwaarwigtige onderwerpen, voornamelijk over de regering des Lands waarin zij gekend werden om te beraadslagen ja zelfs werd er nog goedgevonden, dat de kleine plaatsen in zaken van contributie, tractaten van pijs, oorlog- of regeringsverordering mede beschreven zouden worden.55

Hieraan werd dan ook gevolg gegeven, want in het jaar 1575 werden op zeer vele vergaderingen,

r. Zoowel te Delft als elders ter beraadslaging daarop aangetroffen, Willem Jansz Burgemeester, en Dirk Simonsz Secretaris van Oudewater, en deze dagvaarten werden niet zelden gehouden in tegenwoordigheid van Zijne Prinselijke Excellentie.

Wij zijn genaderd tot in Oudewaters bloedjaar 1575, en om reden dat de Spanjaarden deze plaats hadden ingenomen was dit de oorzaak, schrijft van Kinschot,56 »dat in Grasmaand van Anno 1576 en eenigen tijd daarna, nog geene Afgezondenen dezer stad in de vergadering konden verschijnen, s. maar in April 1583, vindt men Oudewater wederom onder de steden, die geroepen waren om zeker renversaal aan Z. Ex. over te leveren, met zijn zegel van verbonde of geheimzegel te bezegelen.57 Dit stuk nu, versiert nog Oudewaters archief, even zoo ook de door Prins Willem den I eigenhandig geteekende beschrijvingsbrief, waarop t. hij in Dordrecht en wel op 4 October van laatstgenoemd jaar Oudewater uitnoodigt om Gedeputeerden naar eerstgenoemde stad te zenden, ten einde op den 16 October mede over ’s lands belangen te raadplegen. Weshalve door de Vroedschap als zoodanig gemagtigd werden, de Secretaris der stad en Dirks Cley Burgemeester.

u. den 10 Julij 1584 trof het moorddadig lood op eene verraderlijke wijze prins Willem den I en daags daarna, vergaderden de beide presidenten van de Hoven en eenige steden op het Delftsche stadhuis waarop aldaar ten spoedigste de vergadering der staten beschreven werd om orde te stellen, en in ’s lands regering te voorzien.58 De gemagtigden van Oudewater in deze, waren schepen Jan Claasz. de Ameijde, en de vroedschap Jan Jansz. Coppert.59 Volgens uitdrukkelijk bevel, moesten zij echter behoorlijk bij hunne principalen gemagtigd zijn60 en de heer van Kinschot laat die magtiging dan op bladz. 112–114 van zijn beschrijving volgen.

Die van den raad van zijne excellentie nu, waren gemagtigd, om hunne dienst te blijven waarnemen, totdat er omtrent ’s lands regering anders zoude voorzien zijn.61 Toen nu de edelen en deputatien der steden aangekomen waren, moesten zij in handen van den president Nicolai den eed doen en beloven, niets van de op de vergadering gehouden gesprekken of voorgedragen gevoelens omtrent het stuk der regering kenbaar te zullen maken, enz.

Daarop ging men tot deze zeer gewigtige beraadslaging over en toen ieder zijn gevoelen over deze aangelegenheid had geuit, verklaarden al de kleine steden, waaronder ook Oudewater te willen vertrekken, daar zooals men zich zal herinneren, de verblijfkosten ten laste der gemeente kwamen. Dientengevolge werden allen ontslagen nadat zij alvorens de verzekering gegeven hadden zich nimmer van de vereeniging tusschen Holland en Zeeland te zullen scheiden en zich te gedragen naar al hetgeen door de blijvenden zouden geresolveerd worden.62

Ook kregen zij verlof om niet bij de ter aarde bestelling van zijn prinselijke excellentie tegenwoordig te moeten zijn, zooals in de resolutie van Holland Anno 1584 den 20 Julij vervat was, dat namelijk ook 2 gemagtigden van iedere kleine stad bij die lijkplegtigheid zouden verschijnen.


v. Nadat er voorloopig in ’s Lands bestuur voorzien was, werd Oudewater in 1584 weder aangeschreven ter statenvergadering te verschijnen, ten einde mede te beraadslagen aangaande het aannemen van den Franschen koning tot eenen Heer en Prins van het land. Ook voor dezen keer verschenen er geene gemagtigden van Oudewater doch de stad getuigde per brief van 29 October 1584, dat zij zoude goed keuren en zich wilde gedragen, naar al hetgeen in deze zaak besloten zoude worden.63

w. In de maand September 1586, verschenen ter staatsvergadering twee gedeputeerden uit Oudewater met name Jasper van Dam, Burgemeester, en Pieter Gerritz Paes, Schepen.

x. In 1587 reisden weder derwaarts de Burgemeester Pieter Hz. van Gulick en Jacob Sijbertsz Bonser.

ij. In Meimaand Ao 1588, verschenen daar dezelfden, om zoo mogelijk, den vrede met den koning van Spanje te helpen bevorderen.64

z. Terwijl ten jare 1589 insgelijks die van Oudewater ter dagvaart verschenen.65

aa. Gerrit van Galen en Willem Jaspersz van Nes verschenen nevens die, eeniger kleine steden in het jaar 1608 ter dagvaart te ’s Gravenhage.

Sedert dien tijd, vindt men nergens van gemagtigden uit Oudewater meer melding gemaakt. Dit is dan trouwens ook niet te verwonderen: de groote steden ontwikkelden zich al meer en meer, de kleine integendeel verminderden allengs in aanzien, en dien ten gevolge, waren die gedurige reizen der deputatiën zeer bezwarend. Voeg hierbij het gevolgelijk verzuim van niet verschijning, en het wordt duidelijk, dat men allengs van Oudewater geen notitie meer nam.66


Als vervolg op het betoog, dat Oudewater weleer zijn gemagtigden ter dagvaart mogt zenden, vinden wij niet ongepast te vermelden:

1o. Dat bij resolutie van den 12 October 1795, door de municipaliteit der stad Oudewater de burger Johannes Justus Montijn werd gecommitteerd, om ter vergadering der provisionele representanten van ’t volk van Holland sessie te nemen, die dit dan ook op den 13 October 1795 heeft gedaan,67 en

2o. Dat ten gevolge van de 1848 gewijzigde grondwet, ten jare 1850 door de kiezers in het district Gouda met 587 van de 939 stemmen, tot lid der provinciale staten van Zuid Holland is gekozen, de Heer A. M. Montijn, destijds burgemeester van deze gemeente. ZEd. Achtb. heeft dan ook als zoodanig zitting genomen.