De groote of oude parochie-kerk met toren.

Zij zijn het overwaard, die trotsche gothische gebouwen, dat wij bij den aanvang dezer groote, en voor Oudewater interessante afdeeling, voor hen het eerst de aandacht des vriendelijken lezers verzoeken.—Immers, wat al jaarkringen werden sedert hunne stichting, steeds door anderen vervangen. Wat al eeuwen rolden sedert henen om zich spoorloos, en voor altijd op te lossen in den peilloozen oceaan des tijds!

En de gebouwen onzer beschrijving? Zij weêrstonden den sloopenden tand des tijds, gelijk zoo velen hunner zusteren uit dat tijdvak, als tuigden zij eenpariglijk van den vromen Godsdienstzin onzer vaderen.

En, wanneer nu de oudheidminnende naneef, den drempel van ons statig kerkgebouw overschrijdt, neen, dan blijft de indruk der schoone kerkgothiek bij hem niet achterwege, dan wordt hij gestemd tot hooger, dan ook denkt hij onwillekeurig aan hare stichting, zijn geest ontrukt zich van het tegenwoordige en vliegt over eene klove van eeuwen en eeuwen, en met genoegelijken weemoed en stillen ernst, doolt hij vervolgens rond over de menigte grafzerken, die hem als toefluisteren van ’t grijs verleden en den rappen tijdstroom.

Wanneer wij de kerk uit de vele oogpunten wilden beschouwen, die wij konden en het allezins waardig zijn, zou ons bestek overschreden worden, daarom doen wij het slechts uit eenigen, en bij voorkeur uit die, met hare geschiedenis in betrekking staande. Het geleidelijkst kunnen wij naar onze meening beginnen met:

a. DE STANDPLAATS VAN KERK EN TOREN.

Hieromtrent kunnen wij echter kort zijn, daar zulks in ons mythologisch gedeelte reeds eenigzins beschreven is, alwaar wij aantoonden, dat genoemde plaats reeds ten tijde van het heidendom een sepulchrale bestemming had, begunstigd, door de oude waard waarop zij lag.

Was er echter bij die begraafplaats nog een gedeelte aan eenige andere mythologische vereering gewijd?—wie zegt het—zeker echter is het—zoo als in den loop der vroegere schets reeds werd opgemerkt, dat vele heidensche offerplaatsen bij de christen-prediking, ook tot christelijke vereeringsplaatsen werden ingerigt.1

Deze overgangen—ook dit toonden wij reeds meermalen aan—waren ook in Nederland niet zeldzaam en een tal van voorbeelden pleiten er voor. Genoeg, dat wij de zekere overgang van heidensche op christelijke begraafplaats alhier hebben aangetoond; en weet men nu daarbij, dat die op een deel derzelfde plaats is, waar nu kerk en toren staan, dan wordt dit nog te meer aannemelijk.

Met zekerheid mogen en kunnen wij echter niets hieromtrent ter neder schrijven—de gordijn is gevallen.., en welligt onherroepelijk gevallen.

Opmerkenswaardig is echter

b. DE TUF-, DUIF- OF CEMENTSTEEN AAN DEN TOREN.

Als vrij zekere stelregel kan men aannemen, dat wanneer men aan een oud gebouw, duifsteen aantreft, het dan ook zeer oud is. Alle schrijvers, die de aandacht hunner lezers op den duifsteen aan oude gebouwen vestigden, zijn dit zelfde gevoelen toegedaan—en wel in die mate, dat men er de gevolgtrekking nevens maakt, dat de Romeinen meestal den omtrek van dusdanig gebouw eenmaal ter hunner woonplaatse verkozen hebben.

Zoo was b. v. het Duifhuis bij Rotterdam—naar zijne steenen aldus genoemd—eene Romeinsche sterkte, de heidensche kapel te Nijmegen is van duifsteen gebouwd en was de vroegere heidensche kapel te Utrecht, insgelijks van denzelfden steen opgetrokken.2

De geleerde Berkhei heeft o. a. van den duifsteen nagegaan en geschreven, dat men hem veel op kerkhoven vindt, omdat onze voorzaten gewoonlijk hunne lijken met deze soort van steen dekten en de Gothen er van bouwden.

Ds. Heldring zegt, omtrent zijne beschrevene voorvaderlijke begraafplaatsen, waarin insgelijks duifsteen werd aangetroffen, dat zij deels Bataafsch en deels Romeinsch waren—de blaauwe urne bewees het eerste, de duifsteen enz. het laatste.3


Doch hoe nu duidelijk gemaakt, vraagt zich welligt iemand, dat men juist altijd duifsteen aan dusdanige oude monumenten aantreft.—Luister:

Gebakken metselsteenen waren ten tijde der Romeinsche overheersching nog niet uitgevonden, en al ware dit zoo geweest, dan had men immers in ons land nog geen steen-ovens—de duifsteen echter kwam in onzen bodem in natura voor—en nog een bestanddeel van den grond uitmakende, was hij zacht en kon alzoo gemakkelijk in die gedaante gebragt worden, die men verkoos.

Wordt het dus niet belangwekkend, mijne lezers, dat gij u aan de beneden-westzijde van het torengebouw, van de aanwezigheid eener aanmerkelijke hoeveelheid duifsteen kunt overtuigen, en wij u daarbij kunnen mededeelen, dat voor ruim 50 jaren de geheele kerk in haren beneden omtrek nog uit duifsteen bestond, zoo ook een verbroken portaal aan de zuidzijde van laatstgenoemd gebouw?4

En zoo is het, het aanwezig zijn van den cementsteen aan den toren, doet dit gebouw, eene veel hoogere oudheid erlangen, als men tot hiertoe meende.


In het breede zouden wij ons in eene volgende rubriek kunnen ophouden over de beteekenis der hemelstreken in het heidendom, en waarom men in het christendom bijna immer tot regel had aangenomen, de Godshuizen, oost en westwaarts te bouwen—ook hier zouden wij tot verrassende resultaten komen, doch om meer dan eene reden kunnen wij hier er niet over schrijven.

c. DE HOOGE LIGGING DER KERK.

De kerk-symboliek, die zich zoo treffend door geheel de kerk laat bespeuren, speelt reeds in de verhevene ligging eene groote rol,—Tertulliaan zeide reeds: de kerk moet hoog liggen. Gaat dus opwaarts ter kerke, Sion toch ligt ook op eene hoogte, en klimt dan met Salomon ten offer.5

Nog is de hooge ligging der kerk, voornamelijk aan de oost-en zuidzijde zeer opmerkelijk. Ongetwijfeld echter vertoonde zich dezelve in de eerste tijden na hare stichting nog meer verheven. Allengs toch verhoogde men al meer en meer de straten, zoo zelfs dat het in den tijd waarin wij leven, bij de arbeidslieden volstrekt geen zeldzaamheid heet, een halve Ned. el diepte onder de tegenwoordige straat nog eene geplaveide straat aan te treffen. De standplaats der kerk bleef echter meer dezelfde, en daarom moet de opgang eertijds nog aanmerkelijk hooger geweest zijn.

d. WIEN WAS DE KERK EERTIJDS TOEGEWIJD.

Het is ongetwijfeld ieder onzer lezers bekend, dat het bij de roomschgezinden gebruikelijk is, kapellen en kerken aan zekere heiligen toe te wijden, of, om den gebruikelijken term te gebruiken, een heilige tot patroon der kerk te kiezen. Welnu, natuurlijk is zulks ook met deze kerk het geval geweest en als van zelf doet zich dus de vraag op: wie was de patroon van deze kerk?

»Men zegt”, aldus vinden wij bij van Kinschot6 aangeteekend, »dat, eerst St. Willebrord en daarna de aartsengel Michiel de patronen daarvan zouden geweest zijn.”

Naar onze meening zijn voor het gevoelen van den eersten de volgende redenen aan te voeren:

a. Dat St. Willibrordus eerste patroon der parochiekerk geweest is, schijnt ons hieruit te blijken, dat hij in ons land het evangelie verkondigd heeft, zijn standplaats Utrecht was en hij dikwijls in de environs ging prediken.

b. Oudewater lag digt bij Utrecht. In dit oord woonde heidenen, en het was door zijne waardlanden vooral ligt te genaken.

c. Aangenomen dus eens, en het wordt hoogst waarschijnlijk, dat hij hier gepredikt heeft, dan zal men later, zich zijne prediking herinnerende, na zijnen dood hem alligt tot kerkpatroon gekozen hebben.

d. Zekere torenklok,—die den volke het geheele uur verkondigt, is aan twee zijden versierd met een bisschopsafbeelding, onder iedere waarvan staat

St. Willebrordus.

Ook dit doet aan zijn patronaat denken.

e. Van waar halen Kinschot en zoo velen de meening, dat deze ijverige geloofsheld later de patroon zoude geweest zijn. Deze sage pleit welligt nog het sterkst voor het algemeen gevoelen.

Doch moeten wij omtrent St. Willebrordus’ patronaat nog eenigzins twijfelachtig de schouders ophalen, bepaald weten wij, dat zulks omtrent den aartsengel Michiel niet het geval is; wij gaan het aantoonen.

Het feest eens kerk-patroons wordt bij de roomschgezinden met plegtigheid gevierd en de opkomst naar de kerk van de leden eener zoodanige gemeente, is op dien dag natuurlijk groot. Vreemdelingen kwamen dan, vooral eenige eeuwen geleden, op dien dag hunne waren ten verkoop aanbieden, en hierdoor ontstonden de kermissen.

Voor eenige jaren nu—stadgenooten weten dit—was alhier de kermis-aanvang nog des Maandags na St. Michielsfeest7 en alzoo kan hieruit reeds met zekerheid St. Michiel als voormalige kerkpatroon worden aangemerkt.

e. BOUWORDE EN CONSTRUCTIE VAN KERK EN TOREN.

De bouworde van beiden is, zooals met een oogopslag aan de spitsbogen en versierselen te zien is, der schoone en symbolische gothiek gevolgd.

Wat hare constructie aangaat, zij zou eigenlijk verdeeld moeten worden in drie voornamen klassen en wel:

  • 1. Hare oorspronkelijk constructie.
  • 2. Dezelve na de reformatie en,
  • 3. Na het jaar 1858 of zoo als zij zich nu vertoont.

Indien—en wij nemen aan het vrij exact te doen—indien wij de kerk en haren oorspronkelijken staat in den geest bezochten, dan zouden wij tevens haar beschrijvende, de symbolische beteekenis van het geheel, zoowel als van hare onderdeden niet kunnen voorbij gaan, om dat het gelijk een weefsel is en een geheel uitmaakt; de beperkte ruimte echter waarover wij te beschikken hebben, is eene der redenen, waarom wij het niet doen, te meer daar wij ook hiervoren reeds beloofd hebben, zoo veel mogelijk uitsluitend op een meer geschiedkundig terrein te blijven.


Als zoodanig dan stellen wij ons voor, de leemten eenigzins aan te vullen, die de Heer van Kinschot, de constructie van de kerk beschrijvende heeft gelaten, eenige der veranderingen aan te stippen, die na zijnen dood de kerk onderging en de naamlijst der predikanten, op zijn voetspoor te completeren tot op onzen tijd.


Op bladz. 30 en 318 lezen wij omtrent hare constructie:

»De parochie kerk hier ter stede is al vrij aanzienlijk, en met twee choren voorzien. Het eerste (was) aan het H. Sacrament, het andere aan de H. Maria toegewijd …

»Zij staat kort bij en aan de rivier de IJssel, is van eene groote ruimte, rustende op zestien pilaren in twee reijen verdeeld, en had voorheen drie kruizen wulfsels, die in het jaar 1732 vertimmert zijn.

»In deze kerk hebben reeds vóór het jaar 1329 vier altaren gestaan, zijnde toen door Diderik Kiel en anderen een vijfde daar bij gesticht, waar bij nader mogelijk nog meerdere gekomen zijn, die met eenige vicarijen en inkomsten voorzien werden.”

»Aan den torenmuur is een kas van een groot oud orgel, wier deuren van binnen met bisschoppen en andere roomsche geestelijken, in knielende en biddende gestalte beschildert zijn.—Dit orgel, door deszelfs oudheid onbruikbaar geworden zijnde, heeft men in het jaar 1645 een kleiner naast den toren, ter zijde het oude geplaatst.”


Was de geheele kerk, zoo als wij reeds ter neder schreven aan St. Michiel gewijd, zoo werden echter ook de altaren, »naast den almogenden Godt” aan zekere heiligen toegewijd.

De Heer van Kinschot maakt gewag van vijf altaren,—dit getal is echter later minstens nog met een vermeerderd. Wij kunnen dit met zekerheid bepalen, dewijl wij de verschillende namen dier autaars duidelijk, als in deze kerk aanwezig geweest zijnde, hebben aangetroffen.

Laat ons het aantoonen.

De twee choren, zagen wij aan het H. Sacrament en de H. Maria gewijd.

Oude, in ons bezit zijnde pergamenten9—die wij ieder oudheid minnaar met genoegen willen toonen—maken gewag van een St. Cornelis autaer10 en van een St. Jans autaer11. Zeker stuk12 op het gemeente archief aanwezig, maakt gewag van een St. Jacobs autaer en het ten jaren 1329 door Diederik Kiel enz. gestichte, was ter eere van den almogenden Godt en de H. Catharina.13

Van meerdere altaren dan de zes hier genoemde, vinden wij geen melding gemaakt, en wij zouden die ook bezwaarlijk in onze gedachten in de kerk te regt kunnen brengen.—Voor de zes genoemde wagen wij het.

1. Het hoofd-altaar (aan het H. Sacrament) bevond zich ongetwijfeld, in de oostwaarts uitstekende groote nis of apside.

2. Daar naast stond volgens de sage, ter noordzijde van het H. Sacrament altaar, insgelijks een autaar, dat volgens Kinschot aan de H. Maria gewijd was en trouwens zeer in de geest der kerksymboliek is.

3. Een derde altaar zal hoogstwaarschijnlijk aanwezig zijn geweest in de tegenwoordige catechiseerkamer, ten zuidoosten der kerk, te meer daar wij ook met eenige zekerheid de voormalige sacristy daarin denken.—Nog op dezen dag bezit die »kamer” een fraai gothisch gewelf.

4. Ook de tegenwoordige consistorie, ten noorden der kerk, waarin ons insgelijks de gothische bouwkunst nog frappeert, zal een altaar hebben omsloten.

5. Vroeger was de kerk een kruiskerk, zoo als gemakkelijk in Rademakers kabinet van Nederlandsche en Kleefsche oudheden op het plaatje de kerk en toren voorstellende, te zien is.—Het zuidelijk uitspringende gedeelte is reeds lang verbroken, doch ook daarin denke men zich met gerustheid een altaar—en ten

6. Bevond zich in de kerk, aan de westelijke zijde, nog een doopkapel waarin welligt het St. Jans autaer zal aanwezig geweest zijn.

Laat ons bij het laatstgenoemde nog een weinig toeven.

Waarom nu mijne lezers stond daar aan de westelijke zijde zoo veel mogelijk van het hoofdaltaar verwijderd de doopkapel?—Vele redenen had men hiervoor o. a. deze.—De kerksymboliek gedoogde niet, dat de nog ongedoopte kinderen, tot het eigenlijke kerkgebouw zouden toegang hebben; heidenen als zij waren, werden zij dus westwaarts herwaarts gebragt, om zoo te kunnen over gaan tot de rei der christenen, die in de oude kerken toen meestal baden met het aangezigt naar het mysterieuse oosten.

Zeer opmerkelijk waren de veelhoekige zijden dezer kapel en voornamelijk was dit in haar dak op te merken—hoogst waarschijnlijk was zij achthoekig—toen men dezelve in 1858 verbrak, speet het ons later, dit toen niet te hebben nagegaan,—een steenen duif, het symbool van den H. Geest, aan het gewelf vóór de afbraak aanwezig, doet ons nog meer aan de doopkapel denken14 te meer daar acht stralen van de duive uitgaan.

Twijfelt men nog aan de waarheid, dat daar de doopkapel was, zie dan nog meerdere gronden.

Uitgenomen, dat het nu al meer en meer duidelijk wordt, dat het St. Jans autaar daarin aanwezig zal geweest zijn, te meer als wij aan St. Joannes Baptist denken, die hier door St. Jan moet worden verstaan, vond men bij het amoveren dezer kapel, in hare bevloering, ongeveer drie palmen met zand overdekt, een fraai doopvont, van blaauwe steen; in den omtrek was hetzelve achthoekig, hoewel het eene ronde vochtholte bezat.15

Nadat wij u hebben opmerkzaam gemaakt op het getal acht in onze doopkapel, vermelden wij u ook de symbolische beteekenis er van.

De meeste of liever vele doopvonten, geachte lezer, waren eertijds achthoekig, omdat het getal acht, de acht zaligheden aanduidt en ten tijde van St. Ambrosius was het reeds een symbool van ’s menschen wedergeboorte door het doopsel. Doch genoeg van de doopkapel, laat ons nu nog de muur- en gewelf-schildering kortelijk onze aandacht wijden.

»Reeds ten tijde van Karel de Groote, was het beschilderen der kerkwanden, met leerzame en stichtende beelden, bepaald voorschrift en in de eigenlijke middeneeuwen lezen wij, dat, men in de kerken, bijna geen enkele witte plek kon aantoonen.16

Ook in onze kerk trof men ten vorige jare o. a. in de apsis, sporen van muurschildering aan, zoo ook in de gewelven der doopkapel, doch in beiden is men met zoo veel ruwheid te werk gegaan, dat men niets hiervan heeft kunnen copieren.

Voorts bevonden zich nog voor de reeds meermalen genoemde reconstructie aan de zuidzijde in het verwelf der kerk eenige wapenschilden met een jaartal.

Het geheel had ongeveer de grootte van eene Nederlandsche el breedte en lengte—eigenlijk waren de voornoemde wapens slechts eenvoudige schilden, zonder strengen heraldische eigenschappen: een dezer schildjes toch was beschilderd met metselaars, een andere met timmermans een derde en vierde naar het ons voorkwam—het was door oudheid onduidelijk—met smidsgereedschappen en boogschutterswerktuigen. Het omschrift was in Gothische letters aldus:

I H S

Maria Joseph

terwijl beneden de schilden stond:

ao dni xvc ende 11117

Wat de beteekenis dier schilden aangaat, wij houden het er voor, dat de afbeeldingen der gereedschappen van die verschillende bedrijven zoovele gilden vertegenwoordigen,—en dat die gilden, de kosten der gewelfschildering gezamelijk hebben bekostigd. Trouwens, dat de gilden toch zulks meer deden a. m. D. g. hiervan zou menig voorbeeld zijn aan te brengen. Nu wij dit dan weten, kan het, dunkt ons geen verwondering baren, de gereedschappen huns bedrijfs op een verwulf tot aandenken van hunnen Godsdienstigen ijver te vinden.

Neemt men nu wijders in aanmerking, dat wij in van Kinschots Oudewater bladz. 31 lezen: »aan de toornmuur is een kas van een groot oud orgel, wier deuren van binnen met bisschoppen en andere Roomsche geestelijken in knielende en biddende gestalte beschildert zijn enz., dan kunnen wij bijna veilig bepalen, dat zich ook hier bijna »geen enkele witte plek zal vertoond hebben.”

De kunstkenner en kunstminnaar zal helaas echter bij een bezoek in deze kerk niets meer van deze schilderingen aantreffen, alles wat wij er van beschreven is verdwenen en spoorloos verdwenen.18

Van de oude orgels zelve, waarvan Kinschot gewaagt, is mede niets meer te zien, doch onder eenige aanteekeningen ons van een vriendelijke zijde geworden, vinden wij o. a. »De orgelkas en wapenborden in de prot. kerk, die na de revolutie in 1795 van hun plaats zijn genomen, werden, voor zoo ver zij niet door de eigenaars waren gehaald, den 29 Mei 1800 publiek verkocht!

In 1838 werd echter weder een orgel aan de westelijke zijde der kerk gebouwd, dat in hooge mate sierlijkheid met aangenaam toongeluid vereenigt.

Dit orgel is vervaardigd door onzen bekwamen Rotterdammer de Heer Kam—het is voorzien van twee clavieren en vrij pedaal terwijl zijn geheel niet weinig tot verfraaijing der kerk toebrengt.

De ingangen der kerk ten tijde harer stichting waren de volgende: twee aan den toren en wel aan de noord- en zuidzijde, zoo als nog te bemerken is, hoewel zij niet meer gebruikt worden.

Voorts was er een aanwezig aan de zuidzijde der kerk, het portaal daarvan is verbroken, doch de ingang bestaat nog—terwijl de ingang ten noorden, eveneens nog in aanzijn, waarschijnlijk wel van hare stichting zal dagteekenen.19

De tegenwoordige ingangen ten oosten, mag men volstrekt niet als van hare stichting dagteekenende, beschouwen.

De beschrijving der vroegere en tegenwoordige gedaante onzer schoone kruiskerk, mag ik niet eindigen, zonder aan de grafmonumenten van eenigen de aandacht mijner lezers te hebben bepaald.

Het eerst laten ook wij in aanmerking komen, de grafmonumenten, van wijlen onzen beroemde stadgenoot de Heer Rudolph Snellius van Rooijen.

Op de grafzerk, die eertijds zijne asche drukte, stond volgens Rademaker20 een Latijnsch en Duitsch omschrift, waarvan het laatste aldus luidde:

Hier leit begraven
Rudolphus Snellius van Rooijen
in sijn leven Professor Matheseos
in de Universiteit van Leiden
sterft den 2 Maart Anno 1613.21

Naar wij vermeenen is deze steen thans verlegd en aanwezig in het oostelijk gedeelte der kerk, in plaats van „in de noordzijde der kerk in den 12 regel het 11 graf”—waar hij vroeger aanwezig was, het zou dus later eenige verwondering kunnen baren zijne grafzerk22, in het oostelijk en zijn monument in het noordelijk gedeelte der kerk aan te treffen.

Dit monument is wel der vermelding waardig—het is bevestigd aan een pijlaar, van verschillenden marmersteen daargesteld, en naar de Ionische bouworde vervaardigd, terwijl het geheel door ’s grooten geleerden wapenschild wordt gedekt en door weenende kinderen vastgehouden.—Het volgende omschrift is daarin te lezen:

PIAE MEMORIAE
VIRI CL.
RUDOLPHI SNELLII A ROYEN,
PATRICII VETERAQUINATI;
QUI ANNO M. D. XLVII. V. OCT. NATUS
IUVENTUTIS PARTEM
DOCENDIS MARPURGI IN HASSIA LITERIS
ET ARTIBUS CUM LAUDE EXERCUIT,
AETATEM RELIQUAM
IN ACAD. LEYDENSI.
TUM MATHESEOS TUM HEBRAEAE LINGUAE
PROFESSIONE, CUM CURA, FIDE,
ET BONO PUBLICO EXEGIT:
BIS RECTORATU HONORIFICE FUNCTUS,
ILLmis. DUOBUS MAURICIIS,
PRINCIPI AURIACO
ET LANTGRAVIO HASSIAE,
OB ARTIUM QUAS AMABANT
PRAESTANTIAM CARUS,
TANDEM LEYDAE ANNO AETATIS SUAE
SEXAGESIMO SEXTO II. MART.
DEO ET NATURAE CONCESSIT.
HOC PATRIAE LOCO,
UBI CORPUS HUMARI IPSE VOLUIT,
MONUMENTUM QUOD PATRI DECREVERAT
FIL. WILLEBRORDUS
PATERNAE VIRTUTIS HAERES ATQUE DECUS,
EJUSDEM FILIUS RUDOLPHUS,
AVO PONENDUM CURAVIT.

(Luidende in ’t Nederduitsch aldus:)

Ter Godvruchtiger Gedachtenisse
van den zeer Doorluchtigen Heer
RUDOLPHUS SNELLIUS VAN ROYEN;
die, na geboren uit een adelijk geslacht
te Oudewater in ’t Jaar 1547 den 5 October,
daarna een gedeelte zijner Jeugd
te Marpurg in Hessen aan het onderwijzen der
Talen en Kunsten met Lof besteed hebbende,
en het overige van zijnen Leeftijd
op de hooge School te Leiden,
als Hoogleeraar der Wiskunde, en
Oostersche Talen, met vlijt, trouw
en algemeen nut hebbende doorgebragt,
na dat hij twee malen het Rectoraat met roem bekleed had;
en de achting van twee doorl: Mauritsen:
den Prins van Oranje
en den Landgraaf van Hessen,
om zijne uitmuntende kennis in die kunsten,
die hun vermaak waren, gewonnen had,
eindelijk te Leiden, in den Ouderdom van 66 Jaren,
op den 11 Maart, aan God en de Natuur den tol betaalde;
heeft op deze plaats van zijne Vader-Stad,
alwaar de overledene wilde begraven zijn,
het gedenk- en Eereteken, het welk deszelfs Zoon:
WILLEBRORDUS SNELLIUS,
Volle erfgenaam en Opluisteraar van zijns Vaders
deugden, voor zijnen Vader hadt geschikt,
deszelfs Zoon RUDOLPHUS SNELLIUS
voor zynen Grootvader laten oprigten.

Op het zuider-choor, in den 4 regel, het 6 graf, stond voor ongeveer drie jaren nog het volgende grafschrift.23

MORS JANUA VITAE.
THEODORUS TROMPER GULIELMI CONSULIS FILIUS, VETERAQUINAS,
PATRIAE A SECRETIS, CUM UXORE SUA MARGARITA
ARMINIA, IMMORTALITATIS EXUVIIS SUB HOC
SAXO DEPOSITIS, EXPECTANT RESURRECTIONEM. NATUS
EST AO. M. DC. XXXII. DIE 25. APRILIS. OBIIT ANNO
M. DC. LXXIII. DIE 7. MAII. NATA M. DC. XXXVI. DIE
16 OCTOB. OBIIT ANNO M. DC. LXXVI. DIE 20 MART.

(Dat is:)

DE DOOD IS DE POORTE DES LEVENS.
Dirk Tromper, Zoon van den Burgermeester Wilhelm Tromper, Oudewatenaar, Geheimschryver van zyne Vaderlijke Stad, en deszelfs Huisvrouw Margariet Arminia verwachten hier, onder deeze zark, het Sterfelyke hebbende geeindigd, eene zalige opstanding. Hy werd geboren in ’t Jaar 1632 den 25 April: en stierf in ’t jaar 1673 den 7 Mei. Zy zag het levens licht in ’t Jaar 1636 den 16 October: en sloot voor ’t zelve hare oogen den 20 Maart des Jaars 1676.

Op het hooge- of midden Choor, in den 6 regel, het 6 graf, vondt men op de graf-zark, dit opschrift:

DEO TRINO ET UNI OPT. MAX.
SACRUM
ET AEVITERNAE MEMORIAE
ORNATISSIMI CORNELII JACOBI
VANDER HOEF J. V. L.
QUI POSTQUAM SOSPES EX GALLIIS REDIISSET. PIE IN
COMPLEXU MATRIS ET AMICORUM OBDORMIVIT, IPSIS
KALENDIS MARTII M. DC. III. HIC RESURRECTIONIS DIEM
EXPECTAT: VIXIT (DEMPTIS OCTO DIEBUS) ANNOS XXIV
MARGARETA WILLHELMI, MATER DEFUNCTI. HOC MORTALE
IMMORTALIS OBSERVANTIAE MONUMENTUM, DILECTO
EHEU! FILIO, MAESTA CUM LACHRYMIS POSUIT’ VIXIT
ANNOS XXIV. DIEB-, XIIX. MEN 9.24

(beteekenende in ’t Nederduitsch, als volgt:)

Den Eenen, Drievoudigen, besten en grootsten
God Toegewyd, en
Ter Eeuwige Gedachtenisse van
den zeer voortreffelijken Heer
CORNELIS JACOB VANDER HOEF,
Licentiaat in de beide Rechten,
Die, na dat hy uit Frankryk behouden was te rug gekomen, Godvruchtiglyk in de armen zyner Moeder en Vrienden ontsliep op den 1 Maart van ’t Jaar 1603. en hier den dag der weder-opstandinge verwacht. Hy leefde 24 Jaar min 8 dagen. Margareta Wilhelmsdr., des overledenen Moeder heeft dit verganklyk gedenkteeken van hare onsterfelyke liefde aan haren teeder beminden zoon, met betraande wangen, laten oprigten.
Leefde 24 jaar, 9 maand: 18 dagen.

Op het voorzeide hooge choor, in den 4 regel, het 3 graf, zag men eertijds op eene grafstede uitgehouwen de onderstaande gedenkwoorden:

NOBILI AC STRENUO,
D. JOHANN GIBSON EQUITI,
APUD MAG. MAGNAE BRITANNIAE REGEM
MILITUM VICE TRIBUNO,
ET APUD INLUSTR. BELGII ORDD.
CENTURIONI.
B. M. CONJUX MAESTA M. H. L. M. Q.
J. P. EXCESSIT ANNO AERAE
CHRISTIANAE CIↃ. IↃC. XXXV. AETAT. LV.

(Dat is:)

Den Edelen en Dapperen Heer,
Johann: Gibson, Ridder,
Lieutenant Colonel
onder de legertroepen
Van den grooten Koning van Groot-Britanje,
en Kapitein ten dienste
der Hoogm: Heeren Staten Generaal.
Des zelfs bedrukte Vrouw, heeft
haren Zaligen Gemaal met
innige droefheid, en zoo als ’t betaamde, dit gedenkteeken
Laten oprigten.
hij Stierf in ’t jaar 1635, volgens de Tydrekening der
Christenen, Oud 55 jaaren.
25

Toen men echter in meergenoemde jaren de kerk vermaakte, werden wij door het beitelen op de kalk eener pilaar aan de zuidzijde der kerk, het volgende opschrift in gothische letters en cijfers gewaar.

Int jaer XVc en̄ XXIIIJ op Sint-Jacobs dach, sterf heer Jan Jacobz … Mert? † Int jaer M vierc ende LXXXI op St. Mathijs dach sterf Dirck van Zijl † Int jaer XVc en XXIJ den XIIJe Junij sterf Daniel van Zijl † Int jaer XV en̄ IIII dē XXVe Novembris sterf Jacob Huygz. † Int jaer XVc en̄ XIIII tē XIIJe Novembris sterf Roelof Jacobzoen † Int jaer XV en XXXVI op Sinte Bartholomeus dach sterf Claes Wouters † Aecht Wouter Claeszoens weduwe sterf Ao XVc en̄ IIJ (of IIIJ) den XIX dach in Mei.

Vier wapenschildjes in de vier hoeken van den zachten steen uitgehouwen voltooiden dit geheel.

Terwijl op den muur ten noorden der kerk het volgende zigtbaar werd.

Ao XVc dē XXX tē dach maert sterf Katrijn van Zijl.

Āo XV en̄ XIJ den IJ te dach junij sterf Jan van Zijl.

An XVc en XVIJ den XVIII ten Junius sterf …26

Nog een aantal grafzerken zouden te beschrijven zijn, o. a. van geestelijken, en ambtenaren van der stede Oudewater, doch waar te eindigen, en waarom ons langer te bedroeven, over den vernielende beitel des steenhouwers!

Bij het ten einde spoeden der schets van de constructie der kerk en toren mogen wij onzen lezers niet onbekend laten, dat er in 1707 op verzoek van de magistraat aan de Staten van Holland en Westfriesland octrooi bekomen werd tot een loterij van ƒ 600,000 tot redding en zuivering van de stads- en der Godshuizen-lasten enz. (hieronder moet men vooral ook aan de kerk denken). Terwijl in het jaar 1734 op 16 April van wege de Staten van Holland en Westfriesland octrooi werd bekomen voor »Burgemeester en de Regeerders der stede van Oudewater om tot reparatie van het orlogie Beijerwerk en Dak van hare kerk, alsmede het orgel van dien, te mogen negotieren met vrijdom van alle belastingen, de somme van achtien duizend gulden tegen de interest van drie per cents ’s jaars, en die te vinden bij parate executie, bij een ommeslag van eene stuiver per Gulden van de huur waarop ieder Huis bij het laatste quohier is getaxeerd, in 1½ stuiver van ieder koebeest, onder de parochierende districten.

Dit stuk nog op het archief berustende is voor de reconstructie der kerk zoo belangwekkend, dat wij niet mogen nalaten onzen lezers er copie van te geven.

»De Staaten van Holland en Westvriesland, doen te weeten, Alsoo ons te kennen is gegeven by Borgermeesteren en Regeerders der Steede Oudewater, dat het Orlogie, Beijerwerk en Dak van haare Kerk, als mede het Orgel van dien ten eenemaal door ouderdom was vervallen en ontramponeert, in soo verre dat de Supplianten tot voorkoming van presente gevreesd werdende ongelukken genoodsaekt waren geweest een vak van het te doen afbreken, ende tot maken van ’t selve ontrent Ses duysend Guldens aan kosten waren gevallen, dat de Supplianten gaarne de verdere nodige reparatien soude doen, waartoe soude werden gerequireerd nogh de somme van ontrent Agtien duysend Guldens, dog dat der Kerks nogh der Stads Finantie in Staat was, om soo veel Capitaal te konnen opbrengen, dat vervolgens de Supplianten hadde geprojecteerd die somme te ligten by negotiatie op Lyff Renten, ende de Renten van dien te vinden uyt het inkomen van meergem. Kerk, en ’t geen daar aan te kort soude mogen komen, bij omslag over de Inwoonders van Oudewater voorn. en Parochieerende districten van dien, dog dat sy Supplianten aan de eene syde bedugt waren, dat die somme beswaarlyk soude te bekoomen syn, ingeval de beleggers konde denken dat haar Capitalen met eenige 100e., 200e, minder Penningen in tyd ende wylen soude werden belast; ende aan de andere syde dat de te doene omslag veel oppositie soude vinden, ten ware de Regeering van Oudewater daar toe door ons wierde gequalificeert, waarom de Supplianten te rade waaren geworden sig te keeren tot ons, ootmoediglyk versoekende dat wy aan de Supplianten geliefden te permitteeren op Lyfrenten te negotieeren de somme van Vier en Twintigh Duysend Guldens, ten lasten van de Kerk van Oudewater, ende aan die Capitalen te vergunnen vrydom van alle belastingh, hoe deselve ook soude mogen werden genaamd, dat wy wyders de Regeering van Oudewater in der tyd geliefde te authoriseeren en qualificeeren, om de Renten van ’t meergem. Capitaal, voor soo verre uit de Revenuen van de kerk niet soude konnen werden geconsequeert, te mogen vinden by een Personeele omslag over de Inwoonders van Oudewater en parochieerende districten van dien, Jaarlyks na proportie van derselver middelen te doen, en soo van het een als van het ander te verleenen acte in forma. SOO IS ’T, dat wy de saaken, en het versoek voorsz. overgemerkt hebbende, en genegen weesende ter beede van de Supplianten naar ingenoome Consideratien en advis van onze Gecommitteerde Raden, uyt onse regte Wetenschap, souveraine Magt en Authoriteyt de supplianten hebben geoctroyeerd en gepermitteerd, gelyk wy deselve octroyeeren en permitteeren by desen, omme ten lasten van haare Kerke op Losrenten ten hoogsten tot Drie per Cento Jaarlyks te mogen negotieeren een Capitaal ten belopen van Agtien Duysend Guldens toe, met vrydom van alle belastingen, hoedanig deselve ook souden mogen syn genaamd, Authoriseerende en Qualificeerende verders de Supplianten en derselver successeurs in officio, om voor den tyd van dertigh Jaaren, jaarlyks, soo tot betaling der Intressen en aflossing van het voorsz. te negotieeren Capitaal, als om daar uit ook te konnen vinden de Stads Lasten, dewelke uit het Jaarlyks inkomen voor het geheel niet konnen werden goedgemaakt, te mogen heffen en by parate Executie, ten lasten van den gebreekigen vorderen eene stuyver van de gulden van de huure der huysen, op de voet soo als die huure genomen en gereguleerd syn, by het laast geformeerde Quohier der Huysen van alle de Ingeseetenen van de Stad, mitsgaders van alle de opgeseetenen van het Platte Land, onder de Stad en Parochieerende districten behoorende, geen Koehouders zynde, mitsgaders van alle de Koehouders, ten Platten Landen aldaar, in welkers opzigt de bovengemelde belastingh niet wel soude konnen werden geintroduceert, een en een halve stuyver van yder Koebeest, twee en meer Jaaren oud synde, het welke ten tyde der Jaarlykse opschryving aan de Pagters van de Hoorngelden sal werden opgegeven: alles nogtans onder deeze Expresse Conditie, dat telkens als ’er gelde sullen nodig syn, tot het onderneemen van het een of ander werk aan der Supplianten kerk, en ’t geene daar toe behoord, daarvan alvorens sullen moeten kennis geven, aan onse Gecommitteerde Raaden voornoemd, gelijk ook gem. negotiatie sal moeten geschieden, met derselver kennisse en goedvinden, dat de meergemelde Negotiatie, en omslag met het geene daar toe behoord sal moeten geschieden by de Supplianten de derselver successeurs in officio sonder daar voor eenig salaris te mogen brengen ten lasten van de Stad of van de Kerk, direct of indirect: Dat wyders het voorsz. te negotieeren Capitaal van Agtien Duysend Guldens ten lasten van de kerk sal moeten werden afgelost in twintigh Jaaren, en eyndelyk sullen de Supplianten en derselver Successeurs gehouden syn alle Jaar, wegens dese negotiatie en het geene daar toe behoord te doen behoorlyke Reekening aan Gecommitteerde uyt de Magistraat en Vroedschap, mitsgaders aan Kerkmeesteren in der tyd, en die ’t Jaar voor de Reekeningh in dienst syn geweest, gelyk de Reekeningh van de Kerk altoos werden gedaan; en binnen veerthien dagen na dat deselve sal zyn gedaan, daar van Copye Authentycq over te geven aan onse Gecommitteerde Raaden, op poene van dat de Supplianten of derselver successeurs ontrent het een of het ander in gebreeken blyvende, het effect van dit ons verleende Octroy sullen komen te verliesen.

Lastende een yder die dit aangaan sal, sig hier na te reguleeren.

Gedaan in den Hage onder onze Groote Zeegelen hier aan doen hangen op den 16 April in ’t Jaar onzes Heeren en Zaligmakers Zeeventhien Honderd Vier en Dertigh.

(Was geparaphreert) J. G. V. BOETSELAAR, vt.

(Lager stond) Ter ordonnantie van de Staaten,
en was getekent WILLEM BUYS.

Ingevolge deze magtiging nu, heeft de kerk veel van hare oorspronkelijke constructie moeten afstaan.

Alvorens tot het onderzoek naar de oudheid der kerk,—het beschrijven harer bediening en het opsommen der bedienaars over te gaan, zij het ons vergund een korte schets van