[Inhoud]

Drie pauwen.

(Dan vertoont zich, op een zetel zittend, vol smachtend verlangen, Cârudatta.)

Cârudatta (ten hemel ziende).

Er verheft zich een ontijdig onweer.

Terwijl de pauwen, het bespeurend, de staarten spreiden,

D’ontruste zwanen, tot vertrekken bereid, ’t trotseeren,

Bevangt den hemel in een oogwenk ’t ontijdig onweer,

En tevens ’t harte van den minnaar, naar liefde smachtend.

En ook:

Zwart als de bhṛnga*, of de vochtige buik eens buffels,

In ’t geel gewaad, dat is geweven van bliksemglansen,

Schittert de Wolk, die kranenzwermen gelijk een schelp draagt,*

Gereed den hemel te bestijgen: een tweede Vishnu.

En ook:

Als ’t lichaam donker van den Lang-gelokte,

met kranenrijen, tot een schelp gebogen,

Is in haar zijden kleed van bliksemdraden,

de Wolk verrezen, als de Discusdrager.*

Die drop’len, neergegoten schijnend als vloeibaar zilver,

IJlings ontvallen aan de buiken der regengevers,

Bij ’t licht der bliksemlamp een oogwenk gezien—verdwenen,

Vallen als afgesneden franje van ’t kleed des hemels.

Door al die wolken, die in velerlei gestalten zijn verrezen,

Als nauw-verbonden cakravâka*-paren, opgevlogen zwanen,

Als dwarrelende visschenscholen en dolfijnen, als kasteelen,

Glanst, door den wind vanééngereten, thans de duist’re hemel.

Die hemel is, als Dhṛtarâshtra’s heerschappij,

door wolken in duisternis;

Van vreugd jubelt, al t’ overmoedig op zijn kracht,

de pauw als Duryodhana; [71]

De kokila trok heen, Yudhishthira gelijk,

verwonnen door dobbelspel;

De zwanen zijn nu, als de Pândava’s, van ’t woud

gaan zwerven, elk onbekend.*

(Denkt na.) Het is toch al lang geleden, dat Maitreya tot Vasantasenâ is gegaan en nog steeds komt hij niet terug.

Vidûshaka (opkomend).

Wel, wat is die hetaere hebzuchtig en onvriendelijk, dat ze verder geen woord heeft gesproken en zonder komplimenten, zonder iets te zeggen, zóó maar het paarlensnoer heeft genomen. Heeft zij, te midden van zulk een overvloed, zelfs maar tot mij gezegd: „Edele Maitreya, rust wat uit, drink een glas water”? Moge ik dan van die slavinnendochter van een hetaere het gelaat niet weer aanschouwen! (Moedeloos.) Terecht zegt men toch: „Een lotusplant, niet uit een bol ontstaan, een koopman, die niet bedriegt, een goudsmid, die niet steelt, een dorpsvergadering zonder twist en een hetaere, die niet hebzuchtig is, die worden zelden aangetroffen.” Laat ik dan naar mijn lieven vriend gaan en hem afbrengen van die neiging tot hetaeren. (Gaat het tooneel rond en ziet Cârudatta.) Wel, mijn lieve vriend is in den boomhof gezeten, laat ik hem dan naderen. (Gaat nader.) Heil U; het ga U wèl.

Cârudatta (hem ziende).

Wel kijk,—vriend Maitreya! Vriend, welkom, zet U neder.

Vidûshaka.

Ik ben gezeten.

Cârudatta.

Vriend, vertel eens, hoe het met de zaak staat.

Vidûshaka.

De zaak is verloren.

Cârudatta.

Heeft zij het paarlensnoer niet aangenomen?

Vidûshaka.

Hoe zoude ons zulk een geluk te beurt vallen! Haar hand, teeder als een pas ontloken lotus, op het hoofd leggend, heeft zij het aangenomen.

Cârudatta.

Maar waarom zegt ge dan: „Het is verloren”?

Vidûshaka.

Wel, verloren, daar voor een goudkistje van weinig waarde, dat we niet hebben gegeten, dat we niet hebben gedronken, dat door de dieven is gestolen, ons een paarlensnoer is ontnomen, het puik der vier oceanen.

Cârudatta.

Vriend, spreek niet aldus. Zie:

Daar zij, geloof in ons stellend,

haar sieraad ons heeft toebetrouwd, [72]

Wordt voor dat groote vertrouwen

dit als belooning haar vereerd.

Vidûshaka.

En, vriend, dit is mij een tweede oorzaak van kwelling, dat zij, haar vriendin een wenk gevend en zich het gelaat met een slip van haar kleed bedekkend, mij heeft uitgelachen. Dus val ik, Brahmaan, U thans nederig te voet en smeek U: Wend uw geest af van die rampzalige neiging tot hetaeren. Voorwaar, een hetaere is als een aardkluit, die in den schoen geraakt is: men kan ze moeilijk kwijtraken. En bovendien, vriend, een hetaere, een olifant, een griffier, een bedelmonnik, een bedrieger en een ezel, waar die verwijlen, daar ontstaat zelfs geen onkruid.

Cârudatta.

Vriend, genoeg thans niets dan woorden van verwijt gesproken. Door mijn omstandigheden zelve word ik teruggehouden. Zie:

’t Ros neemt een vaart, om met gezwindheid zich voort te spoeden,

Maar mangelt d’adem hem, dan dragen ’t niet zóó zijn voeten.

Naar alle kanten gaan des menschen beweegb’re zinnen,

Om dan terneergedrukt in ’t harte terug te keeren.

En ook, vriend:

Wie geld heeft, zal ze beminnen,

door geld zulken te winnen zijn.

(Bij zich zelf.) Niet door deugd zulken te winnen zijn. (Luid.)

Heb ik dan haar niet verlaten,

daar rijkdom ons verlaten heeft?

Vidûshaka (omlaag ziende, bij zich zelf).

Daar hij, ten hemel ziende, diep zucht, bemerk ik, dat, terwijl ik hem wilde terughouden, ik zijn verlangen nog heb doen toenemen. Men zegt dan wel terecht: „Dwars van zin, is de Min.” (Luid.) En, vriend, ook heeft zij nog gezegd: „Zeg aan Cârudatta, dat ik vanavond hier zal komen.” Daaruit maak ik op, dat zij, niet geheel bevredigd door het paarlensnoer, iets anders komt vragen.

Cârudatta.

Vriend, laat zij komen, geheel bevredigd zal zij heengaan.

Slaaf (opkomend).

Op zij, menschen!

Hoe meer, hoe meer de wolkenmassa regent,

hoe meer, hoe meer mijn ruggevel doorweekt wordt.

Hoe meer, hoe meer de koude wind mij aanvat,

hoe meer, hoe meer begint mijn hart te beven.

(Lachend.)

’k Blaas de welluidende fluit met haar zevental gaten,

’k speel de weergalmende luit met haar zevental snaren, [73]

’k Zing er een lied, dat wel aan een ezel zou passen,

Nârada, Tumburu,* geen evenaart mij in ’t zingen.

Mij is gelast door Jonkvrouw Vasantasenâ: „Kumbhîlaka, ga, meld mijn komst den edelen Cârudatta.” Laat ik dan naar het huis van den edelen Cârudatta gaan. (Gaat het tooneel rond, en ziet hem, bij het binnengaan.) Daar zit Cârudatta in den boomhof. En daar is ook die ellendige Brahmanenjongen, laat ik dan naderen. Hoe, de deur van den boomhof gesloten. Kom, ik zal dien ellendigen Brahmanenjongen een sein geven. (Werpt een kluitje leem.)

Vidûshaka.

Hé, wie raakt me daar, als een kapittha*, door een wal omgeven, met leemkluiten?

Cârudatta.

De tortelduiven, die op den dakrand van het tuinhuis spelen, zullen ze hebben laten vallen.

Vidûshaka.

O slavinnenzoon, ellendige tortel, wacht, wacht, met dezen stok zal ik je, als een goed-rijpe mango-vrucht, van dat tuinhuis ter aarde doen vallen. (Loopt met opgeheven stok voort.)

Cârudatta (hem bij het offerkoord terugtrekkend).

Vriend, ga zitten, wat wilt ge hem doen, laat die arme tortel toch bij zijn gaaike blijven.

Slaaf.

Hoe, den tortel ziet hij, en mij ziet hij niet. Kom, ik zal hem nog eens met een leemkluitje raken. (Zoo doet hij.)

Vidûshaka (naar alle richtingen ziende).

Hé, daar is Kumbhîlaka, laat ik tot hem gaan. (Nadert hem en opent de deur.) Wel, Kumbhîlaka, kom binnen, wees welkom.

Slaaf (binnentredend).

Edele, ik groet U.

Vidûshaka.

Wel, waarom zijt ge bij zulk weer in de duisternis hier gekomen?

Slaaf.

Wel, zij, zij. (Skr. sâ, sâ.)

Vidûshaka.

Wie, wie? (Skr. kâ, kâ.)

Slaaf.

Zij, zij.

Vidûshaka.

Slavinnenzoon, wat zegt ge toch, als, in tijden van hongersnood, een oude bedelaar, steeds: sâ, sâ.

[74]

Slaaf.

Wel, en gij zegt als een kraai, naar Indra’s feest begeerig, steeds: kâ, kâ.

Vidûshaka.

Vertel dan.

Slaaf (bij zich zelf).

Kom, zoo zal ik spreken. (Luid.) Wel, ik zal je een vraag doen.

Vidûshaka.

En ik zal mijn voet op je kop zetten.

Slaaf.

Wel, ge moet het daardoor te weten komen; in welk jaargetijde botten de mango’s?

Vidûshaka.

Wel, slavinnenzoon, in den Grîshma (zomer).

Slaaf (lachend).

Wel neen, wel neen.

Vidûshaka (bij zich zelf).

Wat zal ik dan zeggen? (Denkt na.) Kom, ik zal het aan Cârudatta gaan vragen. (Luid.) Nu, wacht een oogenblikje. (Gaat tot Cârudatta.) Wel, vriend, ik moet U eens vragen, in welk jaargetijde botten de mango’s?

Cârudatta.

Dwaas, in den Vasanta (lente).

Vidûshaka (tot den slaaf gaande).

Dwaas, in den Vasanta.

Slaaf.

Ik zal U een tweede vraag doen. Wie bewaakt de welvarende dorpen?

Vidûshaka.

Wel, de Rakshâ (stadswacht).

Slaaf (lachend).

Wel neen, wel neen.

Vidûshaka.

Nu, ik ben aan het twijfelen geraakt. (Denkt na.) Kom, ik zal het weer aan Cârudatta vragen. (Keert weer naar Cârudatta terug en zegt het hem.)

Cârudatta.

Vriend, de Senâ (het leger).

Vidûshaka (tot den slaaf gaande).

Wel, slavinnenzoon, de Senâ.

Slaaf.

Voeg nu die twee te zamen, en spreek ze vlug uit.

Vidûshaka.

Senâvasanta.

[75]

Slaaf.

Neen, ge moet ze omgekeerd zeggen.

Vidûshaka (zich omkeerend).

Senâvasanta.

Slaaf.

Wel, domme Brahmanenjongen, ge moet de onderdeelen omkeeren.

Vidûshaka (de voeten omkeerend).

Senâvasanta.

Slaaf.

Ach, domkop, de onderdeelen van het woord moet ge omkeeren.

Vidûshaka (denkt na).

Vasantasenâ.

Slaaf.

Die is hier gekomen.

Vidûshaka.

Dat zal ik aan Cârudatta berichten. (Tot hem gaande.) Zeg, Cârudatta, er is een schuldeischer voor U gekomen.

Cârudatta.

Hoe komt er in ons huis een schuldeischer?

Vidûshaka.

Al is hij niet in huis, hij staat toch aan de deur. Vasantasenâ is hierheen gekomen.

Cârudatta.

Vriend, wat misleidt ge mij?

Vidûshaka.

Indien ge mijn woord niet gelooft, vraag dan dien Kumbhîlaka. Hé, slavinnenzoon, Kumbhîlaka, kom eens hier.

Slaaf (naderkomend).

Edele, ik groet U.

Cârudatta.

Mijn waarde, welkom, zeg de waarheid, is Vasantasenâ aangekomen?

Slaaf.

Zij is hierheen gekomen, Vasantasenâ.

Cârudatta.

Mijn waarde, nooit heb ik een blijde tijding onbeloond gelaten, neem dus dit bewijs van mijn tevredenheid. (Reikt hem zijn overkleed.)

Slaaf (neemt het en maakt een buiging, voldaan).

Wacht, dat wil ik de jonkvrouw berichten. (Af.)

Vidûshaka.

Nu, weet ge ook, waarom ze in zulk een weer hierheen gekomen is?

[76]

Cârudatta.

Vriend, ik begrijp het niet recht.

Vidûshaka.

Nu, ik weet het. Zij denkt: „Van weinig waarde is het paarlensnoer, van veel waarde het goudkistje” en niet geheel bevredigd, is zij hierheen gekomen, om iets anders te vragen.

Cârudatta (bij zich zelf).

Geheel bevredigd zal zij heengaan.

(Dan komt Vasantasenâ op, in het schitterend gewaad eener abhisârikâ*, vol smachtend verlangen, begeleid door een schermdraagster en den hoveling.)

Hoveling (op Vasantasenâ duidend).

Zij, een Lakshmî* zonder lotus, lieflijk wapen van Ananga*,

Smart voor wèlgeboren vrouwen, bloesem aan der liefde Wenschboom,

Met luchten tred, vol teederheid, beschaamd nog in den stond der lust,

In ’t rijk van Rati*, ’t schouwtooneel, van minnaar-scharen vergezeld.

Vasantasenâ, zie, zie!

Rond-nederhangend op de toppen der bergen, grommen

De wolken, ’t harte der gescheiden geliefde volgend,

Bij wier gerommel door de pauwen, zich ras verheffend,

’t Luchtruim bewuifd wordt als met waaiers van edelsteenen.

En ook:

Den mond met slijk bevochtigd, drinkt het water

de vorsch, getroffen door de regenstralen;

Zijn stem verheft de pauw als uitgelaten,

in bloesems schittert als een lamp de nîpa*;

Als ’t pand door die hun stam te schande maken,

is nu de maan verduisterd door de wolken;

Een vrouw gelijk, uit laag geslacht geboren,

zoo kan de bliksem nergens ruste vinden.

Vasantasenâ.

Meester, gij hebt goed gesproken, want:

„Verdwaasd’, indien toch de geliefde zich gaat verblijden

In mij, wier wolkenboezems zwellen, waartoe dan gij hier?”

Aldus met donderwoord mij telkens den weg versperrend,

Weerhoudt de Nacht mij, als een toornige mededingster.

Hoveling.

Welnu, dan is zij te laken.

Vasantasenâ.

Meester, waartoe haar gelaakt, die der vrouwen aard niet kent! Zie, Meester:

Laat de wolken reg’nen, dond’ren, bliksemstralen nederschieten,

Kou noch hitte tellen vrouwen, ’t hart gekeerd naar den geliefde.

[77]

Hoveling.

Vasantasenâ, zie toch! Die andere!

Met een vaart als wind beweeg’lijk, met haar dichte regenpijlen,

Met des donders tromgerommel, met haar felle bliksemvanen,

Rooft die Wolk in ’t ruim des hemels aan de Maan een schat van zilver,

Als aan een lafhartig vijand midden in zijn burcht een vorst.

Vasantasenâ.

Ja, zoo is het. Hoe dan die andere!

Wanneer door deze donderende wolken,

die grauw zijn als een olifantenkoning,

Neerhangend met gezwollen buik, door bliksembanier

gevlekt, mijn harte reeds gegriefd is,

Waarom dan roept de schaamtelooze reiger,

—een doodstrom voor den heengetogen gade—

Steeds: „Regen, regen*!” ach, de boosgezinde,

die nog salpeter druppelt in mijn wonde.

Hoveling.

Vasantasenâ, zoo is het. Zie daar ginds!

Met blanken hoofdband van kranen,

den bliksem heffend als een pluim,

Is ’t of ’t luchtruim zich wil toonen,

gelijk een bronstig’ olifant.

Vasantasenâ.

Meester, zie, zie!

Door wolken, grauw als versch tamâla-loover*,

heeft ’t firmament het zonlicht opgedronken;

Mierhoopen zinken onder regenstralen,

als olifanten onder ’t schot der pijlen;

De bliksem als een gouden lamp gevormd is,

die op de tinne heen-en-weder slingert;

’t Maanlicht, als liefste van een zwakken gade

wordt, voortgejaagd, door wolken heengevoerd.

Hoveling.

Vasantasenâ, zie toch!

Met bliksemsnoer den gordel saamgebonden,

als olifanten, die elkaar bestormen,

Houden die wolken met haar regenstralen

op Indra’s last d’aard’ als aan zilv’ren koorde.

En ook, zie!

Door wolken, van den fellen wind gezwollen,

en als de wilde-buffelkudde donker,

Gevleugeld met den bliksem en beweeg’lijk

als innerlijk bewogen oceanen, [78]

Wordt d’Aarde thans—zoo mateloos van geuren

en met jong-gele loten gras bewassen—

Door regenstralen, die ternederstorten,

gespleten als met diamanten pijlen.

Vasantasenâ.

Meester, die andere!

„Kom toch, o kom!” dus met schelleren klank

door de kreten der pauwen begroet,

Door d’ als onstuimig opspringende krane

met smachtend verlangen omhelsd,

Ook door de zwanen, den lotus verlatend,

met hevig’ ontroering aanschouwd,

Donker als anjana* schijnend te maken

de landen, verbreidt zich de Wolk.

Hoveling.

Zoo is het. Immers zie!

Met roerlooz’ oogen: groepen lotusbloemen,

terwijl èn nacht èn dag voor haar verdwenen,

Door bliksems ’t duister plotsling wordt verbroken,

en haar gelaat: de hemel is verborgen

Schijnt, onbeweeglijk, d’Aarde thans te sluimren,

verscholen in een huis van regenwolken,

In haar verblijf van volle regendragers,

als met een scherm van nev’len overtogen.

Vasantasenâ.

Meester, zoo is het waarlijk. Zie dan, zie!

Te loor gegaan zijn nu de glinsterlichten,

als weldaad, aan onedelen bewezen,

Als vrouwen, die den liefste moeten derven,

zijn zonder glans de toppen van de bergen,

Inwendig heftig gloeiend door de vlammen

van ’t wapen van den Heer der dertig Goden*,

Stort, zoo mij schijnt, tot vloeibaarheid geworden,

de Hemel neder, in den vorm van regen.

En ook, zie!

De Wolk verheft zich, daalt, regent en dondert,

veroorzaakt een stortvloed van duisternis,

En als een man, die pas tot rijkdom kwam,

vertoont zij zich in onderscheiden vorm.

Hoveling.

Zoo is het.

’t Is, of de Hemel vlamt door bliksems,

door honderden van kranen schatert,

Door ’t wapen van Mahendra* huppelt,

dat regen-pijlen nederslingert, [79]

Brult door den luiden galm des donders,

onder den schok der winden wankelt,

Door donkerblauwe wolkenslangen

vervuld is met een dichten damp.

Vasantasenâ.

Regendrager, zonder schaamte zijt gij:

nu ik ga naar ’t huis van den beminde,

Na met donder mij verschrikt te hebben,

randt gij thans mij aan met droppelhanden.

O Çakra*!

Was ’k dan met U vóórmaals in min verbonden,

dat met ’t gebrul gij brult der wolkenleeuwen;

Niet passend is ’t—want de geliefde wacht mij—

met regenvlagen mij den weg te sperren.

En ook:

Çakra, zoowaar, ter wille van Ahalyâ*,

gij valschlijk zeidet: „Ik ben Gautama.”

Zoo waarlijk moet ge mijn ellende aanzien,

de wolk weerhouden, die haar water stort.

En ook:

Donder of regen dan, Çakra,

slinger den bliksem honderdwerf,

Niet te weerhouden zijn vrouwen,

naar den beminde heengesneld.

Gromt de Regendrager, laat hij grommen,

mannen immers zijn hardvochtig,

Maar ach, Bliksemvlam, van dart’le vrouwen

kent ook gij de kwelling niet?

Hoveling.

Geachte, genoeg haar gelaakt. Zij is U behulpzaam:

Als gouden koorde, aan Airâvata’s* borst zich sling’rend,

Een witte vaan, die op den kruin van den berg geplant is,

Die lamp in ’t binnenste der woning van den Verwoester*,

Zij kondigt immers van den liefste, U de verblijfplaats.

Vasantasenâ.

Meester, dit is het huis.

Hoveling.

Door uw bekwaamheid in alle kunsten, behoeft men U hier geene aanwijzingen te geven. En toch, vriendschap doet mij spreken. Hier binnengegaan, moet gij niet al te zeer toornen.

Indien gij toornig zijt, bestaat geen wellust;

maar zonder toorn, hoe is begeerte mog’lijk!

Wees toornig, doe ook den geliefde toornen;

maar dan bedaar en doe ook hem bedaren.

[80]

Zoo zij het dan. Hé daar, wil den edelen Cârudatta melden:

Dez’ is in de stonde—welriekend door bloei’nde

kadamba* en nîpa, door wolken verlicht—

Verheugd het verblijf des beminden genaderd,

vol liefde, met water de lokken bevocht.

Van sid’ring bevangen door bliksem en ’t dondren

der wolken, staat zij, die uw aanblik begeert,

Terwijl zij de voeten zich afspoelt, bezoedeld

met slijk, aan de goudene spangen gehecht.

Cârudatta (luistert).

Vriend, ga eens hooren, wat dat is.

Vidûshaka.

Zooals U beveelt. (Tot Vasantasenâ gaande, met eerbied.) Heil U!

Vasantasenâ.

Edele, ik groet U, welvaart zij U!—Meester, deze schermdraagster staat U ten dienste.

Hoveling (bij zich zelf).

Op die wijze heeft zij mij handig heengezonden. (Luid.) Zoo zij het. Geachte Vasantasenâ!

Ter markt „Hetaere”, die van hoogmoed, bedrog, onwaarheid

En list geboortegrond mag heeten, wier ziel is valschheid,

Dat oord van liefdespel, met voorraad van minnefeesten,

Voor koopwaar vriendelijkheid men slage, genot te winnen. (Af.)

Vasantasenâ.

Edele Maitreya, waar is uw speler?

Vidûshaka (bij zich zelf).

Wel, wel, mijn lieve vriend mag zich wel gevleid achten, daar zij hem „speler” noemt. (Luid.) Geachte, wel, hij is in den dorren boomhof.

Vasantasenâ.

Edele, wat noemt ge uw dorren boomhof?

Vidûshaka.

Geachte, waar niet gegeten en niet gedronken wordt. (Vasantasenâ glimlacht.) Treed dan binnen, Geachte.

Vasantasenâ (zacht tot de slavin).

Wanneer ik hier binnengegaan ben, wat moet ik zeggen?

Slavin.

„Speler, is de avond U aangenaam?”

Vasantasenâ.

Zal ik het ten einde brengen?

[81]

Slavin.

De gelegenheid zal het ten einde brengen.

Vidûshaka.

Treed binnen, Geachte.

Vasantasenâ (binnentredend, Cârudatta naderend en met bloemen slaande).

Wel, speler, is de avond U aangenaam?

Cârudatta (haar ziende).

O Vasantasenâ is gekomen! (Vol vreugde opstaande.) O geliefde!

Steeds gaat mij d’avondstond, terwijl ik wake;

steeds is de nacht gegaan, terwijl ik zuchtte;

Nu gij, wijdoogige, tot mij gekomen zijt,

maakt aan mijn kommer d’avondstond een einde.

Wees dan welkom. Hier is een zetel, zet U neder.

Vidûshaka.

Hier is een zetel, zet U neder, Geachte. (Vasantasenâ doet of zij zich nederzet; allen nemen plaats.)

Cârudatta.

Vriend, zie, zie!

Door den kadamba, nederhangend

van d’oorpunt, is met regenwater

Haar d’ééne boezem overgoten:

een prins, gewijd tot medekoning.

En, vriend, doorweekt zijn beide kleederen van Vasantasenâ. Ge moet haar twee andere uitstekende kleederen verschaffen.

Vidûshaka.

Zooals U beveelt.

Slavin.

Edele Maitreya, blijf zitten; ik zal de Jonkvrouw bedienen. (Doet aldus.)

Vidûshaka (verholen).

Vriend, mag ik HEd. eens iets vragen?

Cârudatta.

Dat moogt ge doen.

Vidûshaka (luid).

Nu, waarom is U toch bij zulk een onweer, dat het licht der maan verduistert, hier gekomen?

Slavin.

Jonkvrouw, de Brahmaan is wel openhartig.

Vasantasenâ.

Zeg liever: fijngevoelig.

[82]

Slavin.

Wel, de Jonkvrouw is hier gekomen, om te vragen, wat de waarde is van dat paarlensnoer.

Vidûshaka (zacht tot Cârudatta).

Nu, ik heb het wel gezegd: daar zij meent, dat het paarlensnoer van weinig waarde, het goudkistje van veel waarde is, is zij, niet geheel bevredigd, hier gekomen, om iets anders te vragen.

Slavin.

Immers de Jonkvrouw heeft het, ’t als haar eigen goed beschouwend, bij het spel verloren en de bankhouder is met een opdracht des konings, men weet niet waarheen gegaan.

Vidûshaka.

Geachte, gij zegt juist wat ik gezegd heb.

Slavin.

Neem nu, terwijl hij gezocht wordt, zoolang dit goudkistje.

(Toont het; de Vidûshaka beziet het met onderzoekenden blik.)

Slavin.

UEd. beziet het zoo nauwkeurig; heeft U ’t dan al vroeger gezien?

Vidûshaka.

Geachte, door des kunstenaars bekwaamheid boeit het het oog.

Slavin.

Edele, uw oog bedriegt U, dit is hetzelfde goudkistje.

Vidûshaka (verheugd).

Wel, vriend, dit is hetzelfde goudkistje, dat in ons huis door de dieven is gestolen.

Cârudatta.

Vriend!

’t Bedrog, door ons ter vergoeding

van ’t toevertrouwde pand beraamd,

Wil men bij ons nu aanwenden,

maar is navolging werklijkheid?

Vidûshaka.

Maar, vriend, het is werklijkheid; dat zweer ik bij het Brahmaanschap.

Cârudatta.

Dat is ons lief, zeer lief.

Vidûshaka (zacht tot Cârudatta).

Zal ik vragen, hoe zij er aan gekomen is?

Cârudatta.

Wel, waarom niet?

Vidûshaka (aan het oor der slavin).

Is het zoo?

[83]

Slavin (aan het oor van den Vidûshaka).

Zoo is het.

Cârudatta.

Wat wordt daar verteld? Zijn wij buitengesloten?

Vidûshaka (aan het oor van Cârudatta).

Zoo is het.

Cârudatta.

Mijn waarde, is dit waarlijk hetzelfde goudkistje?

Slavin.

Edele, inderdaad.

Cârudatta.

Mijn waarde, nooit heb ik een blijde tijding onbeloond gelaten. Neem dan als belooning dezen ring. (Zijn hand zonder ringen ziende, legt hij schaamte aan den dag.)

Vasantasenâ (bij zich zelf).

Daarom juist heb ik hem lief.

Cârudatta (zacht tot den Vidûshaka).

Ach, helaas!

Wat baat den man, moet hij zijn rijkdom missen,

op aarde toch van den beginne ’t leven,

Bij wien uit machtloosheid tot weervergelding

gramschap en vriendlijkheid geen vruchten dragen?

En ook:

Een vogel, wien de vleug’len zijn geknot,

een dorren boom, een vijver zonder water,

Een slang, wier gifttand uitgetrokken werd,

daaraan gelijk is d’arme hier op aarde.

En ook, vriend!

Op leege woningen gelijkend zijn arme menschen;

Zij zijn als waterlooze putten, vermolmde boomen,

Daar toch de stonde der voldaanheid bij hen geen vrucht draagt,

Als waar de samenkomst van vroeger door hen vergeten.

Vidûshaka.

Kom, genoeg U al te zeer bedroefd. (Luid, onder lachen.) Geachte, ge moet me mijn badbroekje* teruggeven.

Vasantasenâ.

Edele Cârudatta, het was niet passend, door dat paarlensnoer ons te wantrouwen.

Cârudatta (met een verlegen glimlach).

Vasantasenâ zie, zie:

Wie zal de waarheid gelooven?

wantrouwen zal mij iedereen,

Want hier op aard’ is armoede

verdacht en zonder waardigheid.

[84]

Vidûshaka.

Meisje, blijft HEd. hier slapen?

Slavin (lachend).

Edele Maitreya, nu betoont gij U al te openhartig.

Vidûshaka.

Zie, vriend, als om de menschen, die hier behaaglijk nederzitten, te verjagen, is weer met dikke waterdroppels Parjanya* binnengedrongen.

Cârudatta.

Naar waarheid heeft U gesproken.

Want borend door ’t binnenst der watergevers,

Als door het slijk punten van lotus-wortels,

Die regenstralen van den hemel vallen:

Tranen, om ’t onheil van de Maan vergoten.

En ook:

Met stralen, vlekkeloos als ’t denken van ed’le lieden,

Zoo hevig, Arjuna* zijn pijlen gelijk in hardheid,

Stroomen de wolken, Baladeva’s* gewaad gelijkend:

’t Schijnt of den paarlenschat van Indra zij nederstorten.

Geliefde, zie, zie!

Gezalfd met deze wolken, die gestampt tamâla-kleursel* schijnen,

Bewaaierd door gestage, geurige, verkoelend’ avondwinden,

Wordt thans de Hemel als een minnaar door de Bliksemvlam, zijn liefste,

Die, bij der wolken komst verblijd, van zelve tot hem ging, omstrengeld.

(Vasantasenâ, een toestand van verliefdheid voorstellend, omhelst Cârudatta; Cârudatta, welbehagen aan den dag leggend, omhelst haar weer.)

Dreun thans, o Wolk, dieper van klank: mijn lichaam,

door min gekweld, is nu door uw genade,

Huiv’rend door aanraking, in liefd’ ontgloeiend,

gelijk gemaakt aan een kadamba-bloesem.*

Vidûshaka.

Slavinnenzoon van een Onweer, onedel zijt ge thans, daar ge HEd. dus met den bliksem verschrikt.

Cârudatta.

Vriend, gij moet het niet laken.

Honderd jaar, met onverpoosde vlagen,

woede ’t onweer, flikkere de bliksem:

Zij, die moeilijk voor ons was te winnen,

de geliefde, sloot mij in haar armen.

En ook, vriend!

Rijk immers is ’t leven van zulke mannen,

Die van verliefden, tot hun huis gekomen,

Lichamen, vocht, koel van der wolken water,

Aan hunne lichamen omstrengeld houden.

[85]

Geliefde Vasantasenâ!

Het afdak, dat tot op zijn grondvest is geschokt,

Wordt door de palen, zóó bouwvallig, nauw geschoord;

En daar gebarsten is de laag van pleisterkalk,

Is door den waterlast de bonte wand doorweekt.

(Ten hemel ziende.) Zie, Indra’s boog*! Geliefde, zie toch!

Den bliksemstraal tot tong, tot hoog-gestrekten arm Mahendra’s boog,

Wolken tot kaken wijd-gesperd, geeuwt als het ware ’t Hemelruim.

Kom dan, laten wij naar binnen gaan. (Staat op en gaat het tooneel rond.) Geliefde, zie!

Dof in de twijgen, op de palmen helder,

Hard op de steenen, in het water hevig,

Als werd een luit bij samenzang getokkeld,

Vallen op maat de regendrop’len neder.

(Allen af.)

Aldus in „Het leemen Wagentje”
het vijfde Bedrijf,
„Het Onweer”
genaamd.

[86]