Wij hebben in de beide vorige hoofdstukken gezien, dat de mensch in het maaksel van zijn lichaam duidelijke bewijzen draagt van zijn afstamming van dezen of genen lageren vorm; maar men zou kunnen aanvoeren, dat er eenige dwaling in deze gevolgtrekking moet zijn, daar de mensch, wat zijn geestvermogens aangaat, zoozeer van alle dieren verschilt. Ongetwijfeld is in dit opzicht het verschil verbazend groot, zelfs als wij de vermogens van een der minst ontwikkelde wilden, die geen woord heeft om eenig getal, grooter dan vier uit te drukken, en geen afgetrokken uitdrukkingen heeft voor de meest gewone voorwerpen of aandoeningen1, vergelijken met die van den hoogst georganiseerden aap. Het verschil zou ongetwijfeld nog verbazend groot blijven, zelfs wanneer een der hoogere apen evenzeer ontwikkeld of beschaafd was geworden, als een hond dat is geworden in vergelijking van zijn stamvorm, den wolf of den jakhals. De Vuurlanders behooren tot de laagste stammen van wilden; maar ik stond er onophoudelijk over verbaasd, hoezeer de drie tot dien stam behoorende menschen aan boord van Harer Majesteits stoomschip „Beagle” (1), [112]die eenige jaren in Engeland hadden geleefd en een weinig Engelsch konden spreken, op ons geleken in aanleg en in de meesten hunner geestvermogens. Indien geen organisch wezen, behalve de mensch, eenige geestvermogens bezat, of als zijn vermogens van een geheel anderen aard waren dan die der lagere dieren, zouden wij nimmer in staat zijn geweest om ons te overtuigen, dat onze groote vermogens zich trapsgewijze hadden ontwikkeld. Maar het is duidelijk aan te toonen, dat dergelijk fundamenteel verschil niet bestaat. Wij moeten derhalve aannemen, dat er een veel grooter tusschenruimte in geestvermogens bestaat tusschen een der laagste visschen, zooals een lamprei of een slakprik (2), en een der hoogere aapsoorten, dan tusschen een aap en den mensch; deze verbazend groote tusschenruimte wordt echter ingenomen door tallooze tusschentrappen.

Het verschil in zedelijken aanleg is ook ver van gering tusschen een barbaar, zooals de man, door den ouden zeevaarder Byron beschreven, die zijn kind tegen de rotsen verbrijzelde, omdat het een mand met zeeëgels had laten vallen, en een Howard of Clarkson; en evenzoo is er een groot verschil in verstandelijken aanleg tusschen een wilde die volstrekt geen afgetrokken uitdrukkingen kent, en een Newton of Shakespeare. Verschillen van deze soort tusschen de hoogst staande mannen van de meest ontwikkelde rassen en de laagste wilden worden door de fijnste overgangstrappen verbonden. Het is daarom mogelijk, dat zij in elkander kunnen overgaan en zich uit elkander ontwikkelen.

In dit hoofdstuk is mijn doel alleen om aan te toonen, dat er ten opzichte van de geestvermogens tusschen den mensch en de hoogere zoogdieren geen fundamenteel verschil bestaat. Ik zou elke onderafdeeling van dit hoofdstuk tot een afzonderlijke verhandeling hebben kunnen uitbreiden, maar zij moeten hier kort worden behandeld. Daar geen klassificatie der geestvermogens algemeen is aangenomen, zal ik mijn opmerkingen rangschikken in de orde, welke het meest geschikt is voor mijn doel; en zal die feiten uitzoeken, die mij het meest hebben getroffen, in de hoop dat zij eenigen indruk op den lezer mogen maken.

Wat die dieren aangaat, welke zeer laag op den ladder der wezens staan, zal ik nog eenige feiten hieraan toevoegen in de afdeeling over de seksueele teeltkeus, waaruit men zal zien dat hun geestvermogens hooger ontwikkeld zijn, dan men wellicht zou hebben verwacht. De verantwoordelijkheid van de vermogens bij de individu’s van eene en [113]de zelfde soort is voor ons een belangrijk punt en eenige weinige voorbeelden daarvan zullen hier worden gegeven. Het zou echter overbodig zijn hierover in vele bijzonderheden te treden; want ik heb door veelvuldig onderzoek bevonden, dat het de eenparige meening is van al degenen die lang dieren van verschillende soorten, vogels daaronder begrepen, hebben verzorgd, dat de individu’s in elk verstandelijk kenmerk onderling zeer verschillen. Het onderzoek naar de wijze waarop de verstandelijke vermogens zich het eerst bij de laagste organismen ontwikkelden, is even hopeloos, als dat naar den eersten oorsprong van het leven. Dit zijn vraagstukken voor de verste toekomst, als zij zelfs ooit door den mensch zullen kunnen worden opgelost.

Daar de mensch de zelfde zinnen bezit als de lagere dieren, moeten ook de indrukken, die de buitenwereld op hem maakt, in den grond der zaak de zelfden zijn. De mensch heeft dan ook sommige instinkten met hen gemeen, zooals dat van het zelfbehoud, de geslachtsdrift, de liefde van de moeder voor haar pasgeboren kroost, het vermogen van dit laatste om te zuigen, enz. De mensch heeft echter wellicht nog wat minder instinkten dan die, welke worden bezeten door de dieren die in de reeks het naast bij hem staan. De orang-oetan in Insulinde en de chimpanzee in Afrika bouwen platte nesten, waarop zij slapen; en, daar beide soorten die zelfde gewoonte hebben, zou men kunnen aanvoeren, dat die aan het instinkt was verschuldigd, maar wij kunnen er niet zeker van zijn, dat zij niet een gevolg daarvan is, dat beide dieren gelijksoortige behoeften en een gelijksoortig denkvermogen bezitten. Wij mogen aannemen, dat deze apen de vele vergiftige vruchten van de tropische gewesten vermijden, en de mensch bezit een dergelijke kennis niet; maar daar onze huisdieren, als men ze naar vreemde landen overbrengt en zij in het voorjaar voor het eerst worden losgelaten, dikwijls vergiftige kruiden eten die zij naderhand vermijden, kunnen wij er niet zeker van zijn, dat de apen niet door hun eigen ondervinding of door die van hun verwanten leeren, welke vruchten zij moeten uitzoeken. Het is echter zeker, zooals wij in dit hoofdstuk zullen zien, dat apen een instinktmatige vrees voor slangen hebben, en waarschijnlijk ook voor andere gevaarlijke dieren.

Wanneer men de hoogere dieren met de lagere vergelijkt, is het opmerkelijk, hoeveel geringer in aantal en hoeveel eenvoudiger de instinkten der eersten zijn. Cuvier beweerde2, dat instinkt en verstand tot elkander [114]in omgekeerde verhouding stonden; en sommigen hebben gedacht, dat de verstandelijke vermogens der hoogere dieren zich langzamerhand uit hun instinkten hebben ontwikkeld. Pouchet heeft echter in een belangwekkende verhandeling aangetoond, dat een dergelijke omgekeerde verhouding in werkelijkheid niet bestaat. Die insektensoorten welke de verwonderlijkste instinkten bezitten, zijn ook ongetwijfeld de meest verstandige. In de reeks der gewervelde dieren bezitten de minst verstandige leden, namelijk de visschen en amphibieën, geen ingewikkelde instinkten; en onder de zoogdieren is dat dier hetwelk het opmerkelijkst is wegens zijn instinkt, namelijk de bever, ook zeer verstandig, zooals niemand zal ontkennen, die de uitnemende verhandeling van den heer Morgan over dit dier heeft gelezen.3

Hoewel de eerste schemeringen van het verstand, volgens den heer Herbert Spencer4, ontwikkeld zijn geworden door de vermenigvuldiging en coördinatie van reflex-handelingen, en hoewel velen der eenvoudige instinkten trapsgewijze in dergelijke handelingen overgaan en nauwelijks van hen zijn te onderscheiden, zooals b.v. bij het zuigen van jonge dieren, schijnen toch de meer samengestelde instinkten oorspronkelijk onafhankelijk van het verstand te zijn ontstaan. Ik ben echter verre verwijderd van te willen ontkennen, dat instinktmatige handelingen hun vast en niet-aangeleerd karakter kunnen verliezen, en door andere worden vervangen, die met behulp van den vrijen wil worden volbracht. Van den anderen kant gaan sommige verstandige handelingen—zooals wanneer vogels op oceanische eilanden voor het eerst den mensch leeren vermijden—na gedurende vele generaties te zijn volbracht, in instinkten over en worden erfelijk. Men kan dan zeggen, dat zij in innerlijke waarde zijn achteruitgegaan; want zij worden niet langer volbracht uit redeneering of uit ondervinding. Het grootste aantal der meer samengestelde instinkten schijnt echter op geheel verschillende wijze te zijn verkregen, namelijk doordat de natuur verscheidenheden met eenvoudiger instinktmatige handelingen voor de voortplanting uitkoos. Dergelijke verscheidenheden schijnen te zijn ontstaan door inwerking op de organisatie der hersenen van de zelfde onbekende oorzaken die geringe verscheidenheden of individueele verschillen in andere deelen van het lichaam voortbrengen, en onze onwetendheid geeft dikwijls aanleiding om te zeggen, dat deze verscheidenheden van zelf zijn ontstaan. Wij kunnen, [115]dunkt mij, tot geen ander besluit komen ten opzichte van den oorsprong van de meer samengestelde instinkten, als wij denken aan de verwonderlijke instinkten van onvruchtbare werkmieren en werkbijen, die geen kroost nalaten dat de uitwerkselen van ondervinding en gewijzigde gewoonten van hen kan erven.

Hoewel voorzeker een hooge graad van verstand vereenigbaar is met het bestaan van ingewikkelde instinkten, zooals wij zien bij de daareven genoemde insekten en bij den bever, is het echter niet onwaarschijnlijk, dat zij tot op zekere hoogte elkanders ontwikkeling belemmeren. Er is nog weinig bekend van de functies der hersenen, maar wij kunnen nagaan, dat, als de verstandelijke vermogens zeer worden ontwikkeld, de verschillende deelen der hersenen ook door de meest ingewikkelde gemeenschapswegen moeten zijn verbonden; en ten gevolge daarvan zou elk afzonderlijk deel wellicht allengs minder goed geschikt worden om op een bepaalde, steeds gelijke, dat wil zeggen instinktmatige wijze te antwoorden op bijzondere gewaarwordingen en vereenigingen van indrukken.

Ik heb gedacht, dat het de moeite waard was mij deze uitweiding te veroorloven, omdat wij de geestvermogens van de hoogere dieren en vooral van den mensch licht te gering zouden schatten, als wij hun handelingen, gegrond op de herinnering aan vroegere gebeurtenissen, op voorzorg, rede en verbeeldingskracht, vergelijken met volkomen gelijksoortige handelingen, die door de lagere dieren instinktmatig worden volbracht; in dit laatste geval is de geschiktheid om dergelijke handelingen te volbrengen stap voor stap verkregen door de variabiliteit der centrale deelen van het zenuwstelsel en door de natuurlijke teeltkeus, zonder eenige zelfbewuste verstandsinspanning van de zijde van het dier gedurende elke opeenvolgende generatie. Ongetwijfeld is, zooals de heer Wallace heeft aangetoond5, veel van den door den mensch verrichten verstandelijken arbeid op nabootsing en niet op rede gegrond; maar er bestaat dit groote verschil tusschen zijn handelingen en velen van die, welke door de lagere dieren worden volbracht, dat de mensch, als hij het voor het eerst beproeft, bijvoorbeeld geen vuursteenwerktuig of kano kan vervaardigen door zijn vermogen van nabootsing. Hij moet zijn werk door de praktijk leeren; een bever daarentegen kan zijn beek of zijn vijver, en een vogel zijn nest, als hij het voor het [116]eerst beproeft, even goed of bijna even goed maken, als wanneer hij oud is en ondervinding heeft opgedaan. (3)

Om tot ons eigenlijk onderwerp terug te komen: de lagere dieren gevoelen ongetwijfeld, evenals de mensch, genoegen en verdriet, geluk en ongeluk. Geluk wordt nooit beter getoond dan door jonge dieren, zooals hondjes, katjes, lammeren enz, als zij met elkander spelen, evenals onze eigen kinderen. Zelfs insekten spelen met elkander, zooals is beschreven door P. Huber6, dien uitnemenden waarnemer, die zag hoe mieren elkander naliepen en zich hielden alsof zij elkander wilden bijten, evenals of het jonge hondjes waren.

Het feit, dat de lagere dieren door de zelfde gemoedsaandoeningen worden aangedaan als wij, is zoo goed bewezen, dat het onnoodig zal zijn den lezer met vele bijzonderheden te vermoeien. Schrik werkt op hen op de zelfde wijze als op ons, doet hun spieren beven, hun hart kloppen, hun sluitspieren verslappen, hun haren te berge rijzen. Achterdocht, die dochter der vrees, is bijzonder kenmerkend voor vele wilde dieren. Het is, dunkt mij, onmogelijk om de mededeelingen van Sir E. Tennent omtrent het gedrag van vrouwelijke tamme olifanten die worden gebruikt om wilde mannelijke te lokken, te lezen, zonder te worden overtuigd, dat zij met voordacht bedrog plegen en wel weten wat zij doen. Moed en vreesachtigheid zijn hoedanigheden, die bij de individu’s van eene en de zelfde soort zeer verschillen, zooals duidelijk is te zien bij onze honden. Sommige honden en paarden hebben een slechte inborst en worden gemakkelijk kwaadaardig; anderen hebben een goede inborst; en deze hoedanigheden zijn ongetwijfeld erfelijk. Iedereen weet, hoe vatbaar dieren zijn voor woedenden toorn en hoe duidelijk zij dit toonen. Vele waarschijnlijk ware anekdoten zijn bekend omtrent lang uitgestelde en slim overlegde wraak van verschillende dieren. De nauwkeurige Rengger en Brehm7 getuigen, dat de tamme Amerikaansche en Afrikaansche apen die zij bezaten, zich steeds poogden te wreken. Sir Andrew Smith, een dierkundige wiens strenge nauwgezetheid aan vele personen bekend is, verhaalde mij de volgende geschiedenis, waarvan hij zelf ooggetuige was. Aan de Kaap de Goede Hoop had een officier dikwijls zekeren baviaan [117]geplaagd. Toen op zekeren Zondag het dier hem, voor de parade gekleed, zag aankomen, wierp het water in een holte in den grond, maakte snel wat dikken modder en wierp dien behendig over den officier, toen deze voorbijging, tot groot vermaak van vele omstanders. Nog lang daarna verheugde zich de baviaan en keek zegepralend als hij zijn slachtoffer zag.

De liefde van den hond voor zijn meester is bekend, gelijk een oud schrijver aardig zegt8: „Een hond is het eenige ding op deze aarde dat meer van u houdt dan van zich zelf.” Er bestaan voorbeelden, dat een hond in zijn doodsstrijd nog zijn meester liefkoosde, en iedereen heeft hooren spreken van dien hond, die, terwijl men een vivisectie op hem deed, niettegenstaande zijn lijden, de hand van den operateur likte; als deze man geen hart van steen heeft bezeten, moet hij tot aan zijn dood berouw hebben gevoeld. „Wie kan”, zooals Whewell9 heeft opgemerkt, „als hij de treffende voorbeelden van moederlijke liefde leest, zoo dikwijls van vrouwen van alle natiën en van de wijfjes van alle dieren verhaald, betwijfelen dat het beginsel der handeling in beide gevallen het zelfde is?”

Wij zien die moederlijke liefde tot in de nietigste kleinigheden uitblinken; zoo nam Rengger een Amerikaanschen aap (een Cebus soort) waar, die zorgvuldig de vliegen wegjoeg, die haar jong plaagden; en Duvaucel zag een soort van het geslacht Hylobates de aangezichten van haar jongen in een rivier wasschen. Zoo innig is de smart van wijfjesapen over het verlies harer jongen, dat zij steeds den dood veroorzaakte van sommige soorten die Brehm in N.-Afrika in gevangen staat bezat. Jonge apen die hun ouders hebben verloren, worden altijd geadopteerd en zorgvuldig beschermd door de andere apen, mannetjes zoo goed als wijfjes. Zekere wijfjesbaviaan had zulk een ruim hart, dat zij niet alleen jonge apen van andere soorten adopteerde, maar zelfs jonge honden en katten stal, die zij voortdurend bij zich droeg. Haar vriendelijkheid ging echter niet zoover, dat zij haar voedsel met haar aangenomen kroost deelde, waarover Brehm verwonderd was, daar zijn apen met hun eigen jongen alles altijd heel eerlijk deelden. Een der geadopteerde katjes krabde eens den bovenvermelden liefderijken baviaan, die zeker bijzonder verstandig was, want hij was [118]zeer verbaasd te worden gekrabd, onderzocht dadelijk de pooten van het katje, en beet er zonder zich verder te beklagen de nagels af. In den Londenschen dierentuin hoorde ik van een oppasser, dat een oude wijfjesbaviaan (C. chacma) een Rhesus-aap had geadopteerd; maar toen men een jongen dril en jongen mandril (4) in de zelfde kooi plaatste, scheen zij te begrijpen, dat deze apen, hoewel van een andere soort als zij, haar toch nader verwant waren; want opeens verstiet zij den jongen Rhesus en adopteerde den dril en mandril. Ik zag, dat de jonge Rhesus over deze verstooting zeer ontevreden was, en hij beproefde om, even als een stout kind, den jongen dril en mandril te plagen en aan te vallen, zoodra hij dit zonder gevaar doen kon, welk gedrag de verontwaardiging van den ouden baviaan opwekte. Apen verdedigen volgens Brehm ook hun meester, als deze door iemand wordt aangevallen, even goed als honden waaraan zij gehecht zijn, tegen de aanvallen van andere honden. Maar hier zouden wij vervallen tot het bespreken van het medegevoel, op welk onderwerp ik zal terugkomen. Sommigen van Brehm’s apen hadden er veel vermaak in om een ouden hond waarvan zij een afkeer hadden, en ook wel andere dieren, op verschillende slim bedachte wijzen te plagen.

De meeste meer samengestelde gemoedsaandoeningen zijn aan de hoogere dieren en aan ons zelven gemeen. Iedereen heeft wel eens gezien, hoe naijverig een hond op de genegenheid van zijn meester is, als deze eenig ander wezen liefkoost; en ik heb het zelfde feit bij apen waargenomen. Dit toont, dat dieren niet slechts vatbaar zijn voor liefde, maar ook voor de begeerte om te worden bemind. De dieren gevoelen blijkbaar naijver. Zij worden gaarne geprezen, zijn gevoelig voor goedkeuring; en een hond, die voor zijn meester een mandje draagt, geeft blijken van in hooge mate met zich zelf tevreden en trotsch te zijn op hetgeen hij doet. Het kan, dunkt mij, aan geen twijfel onderhevig zijn, dat een hond schaamte gevoelt, afgescheiden van vrees, en ook iets dat zeer op bedeesdheid gelijkt, als hij te dikwijls om voedsel bedelt. Een groote hond veracht het brommen van een kleinen hond, en dit kan grootmoedigheid worden genoemd. Verscheidene waarnemers hebben getuigd, dat apen ongetwijfeld ongaarne worden uitgelachen; en soms vinden zij denkbeeldige beleedigingen uit. In den Londenschen dierentuin zag ik een baviaan, die altijd in woedenden toorn geraakte, als zijn oppasser een brief of een boek opnam en hem daaruit hardop voorlas; en die toorn was zoo hevig, dat hij, zooals ik bij een enkele [119]gelegenheid waarnam, in zijn eigen achterpoot beet, totdat het bloed vloeide. Honden vertoonen iets, dat gerust gevoel voor scherts mag worden genoemd en van eenvoudig spelen verschilt. Indien men een stukje hout of ander dergelijk voorwerp aan een hond toewerpt, zal hij het dikwijls een klein eindje wegdragen, het daarna op den grond in zijn onmiddellijke nabijheid neerleggen, gaan zitten en wachten tot zijn meester vlak bij hem is. Daarop zal de hond het weer pakken, in triomf wegloopen en de zelfde handeling later herhalen, en blijkbaar vermaak scheppen in zijn eigen schalkschheid.

Wij zullen nu overgaan tot de meer verstandelijke gemoedsaandoeningen en vermogens, die zeer belangrijk zijn, daar zij den grondslag vormen voor de ontwikkeling der hoogere geestvermogens. Dieren worden gaarne aangespoord en lijden aan verveling, zooals men kan zien aan honden, en volgens Rengger aan apen. Alle dieren gevoelen verwondering, en vele toonen nieuwsgierigheid. Zij hebben soms nadeel van deze laatste hoedanigheid, zooals wanneer de jager grappen maakt en ze zoo lokt; ik heb dit gezien met hinden en het is ook het geval met de zoo voorzichtige gems en met sommige soorten van wilde eenden. Brehm geeft een merkwaardig verhaal van de instinktmatige vrees die zijn apen voor slangen vertoonden; maar hun nieuwsgierigheid was zoo groot, dat zij niet na konden laten tusschenbeide hun afschuw op zeer menschelijke wijze te toonen, door het deksel van de kist op te lichten, waarin zich de slangen bevonden. Ik was van dit verhaal zoo verbaasd, dat ik een opgezette slang in het apenhuis in den Londenschen dierentuin liet brengen, en de daardoor veroorzaakte opschudding was een van de merkwaardigste tooneelen die ik ooit zag. Drie soorten van Cercopithecus waren het meest verschrikt; zij sprongen in hun kooien rond onder het slaken van doordringende kreten om voor het gevaar te waarschuwen, en deze werden door de andere apen verstaan. Enkele jonge apen en een oude Anubis baviaan waren de eenigen die geen acht sloegen op de slang. Toen plaatste ik het opgezette voorwerp op den grond in een der grootere hokken. Na korten tijd schaarden alle apen er zich kringsgewijze om heên en staarden het ingespannen en uitvorschend aan, hetgeen een allergrappigste vertooning vormde. Zij werden buitengewoon zenuwachtig, zoodat zij, als een houten bal, waarmede zij gewoon waren te spelen, toevallig werd bewogen in het stroo, waardoor hij gedeeltelijk was bedekt, allen dadelijk wegsprongen. Deze apen gedroegen zich geheel [120]anders, als een doode visch, een muis en eenige andere nieuwe voorwerpen in hun kooien werden geplaatst: want, hoewel eerst ook verschrikt, kwamen zij er in dit laatste geval weldra dichter bij, grepen ze met de handen aan en bekeken ze. Daarop plaatste ik een levende slang in een papieren zak, die van boven losjes weg was dichtgemaakt, in één der grootere hokken. Dadelijk naderde één der apen, opende den zak zeer voorzichtig een weinig, gluurde er even in en sprong dadelijk weg. Toen zag ik met eigen oogen hetgeen Brehm heeft beschreven; want de eene aap voor en de andere na konden de begeerte niet weêrstaan om, het hoofd omhoog houdende en naar den eenen kant wendende, even in den rechtopstaanden zak te gluren naar het vreeselijke voorwerp dat rustig op den bodem daarvan lag. Het heeft er zelfs iets van, alsof apen eenig begrip hebben van zoölogische verwantschap; want die welke Brehm bezat, vertoonden een vreemden, ofschoon misplaatst en, instinktmatigen afkeer van onschuldige hagedissen en kikvorschen. Er is ook een voorbeeld bekend van een orang, die zeer verschrikt was toen hij voor het eerst een schildpad zag.10

Het beginsel van nabootsing is bij den mensch en vooral, gelijk ik zelf heb opgemerkt, bij den mensch in wilden staat, sterk ontwikkeld. Bij zekere ziekelijke toestanden van de hersenen neemt deze neiging in buitengewone mate toe; sommige lijders aan hemiplegie en anderen bootsen bij het begin van de ontstekingachtige hersenverweeking onbewust elk woord na, dat, hetzij in hun eigen, hetzij in een vreemde taal wordt gesproken, en elk gebaar of elke handeling die in hun nabijheid wordt gemaakt of gedaan. Desor11 heeft opgemerkt, dat geen dier willekeurig uit zich zelf een door den mensch volbrachte handeling nabootst, totdat wij in de opklimmende reeks aan de apen komen, die, zooals zeer bekend is, belachelijke nabootsers zijn. Somtijds bootsen echter dieren elkanders handelingen na: zoo leerden twee soorten van wolven, die door honden waren opgevoed, blaffen, evenals ook de jakhals dit wel eens leert12, maar of dit een willekeurige nabootsing kan worden genoemd, is een andere vraag. Vogels bootsen den zang van hun verwanten en somtijds die van andere vogels na; en papegaaien bootsen, zooals bekend is, alle tonen na, die zij dikwijls [121]hooren. Dureau de la Malle verhaalt van een hond, die door een kat was grootgebracht13, die de welbekende kattengewoonte nabootste om de pooten te likken en daarmede ooren en gelaat te wasschen; dit werd ook waargenomen door den beroemden natuuronderzoeker Audouin. Ik heb verschillende bevestigingen hiervan ontvangen; in een daarvan was een hond niet door een kat gezoogd, maar was er door een grootgebracht, gezamenlijk met haar eigen jongen, en had daardoor bovengenoemde gewoonte aangenomen, die hij later gedurende de dertien jaar dat hij leefde, voortdurend bleef in praktijk brengen. Dureau de la Malle’s hond leerde ook van de katjes met een bal spelen, door dien met zijn voorpooten voort te rollen en er op te springen. Een mijner correspondenten verzekert mij, dat een kat te zijnen huize de gewoonte had om haar pooten te steken in melkkannen, waarvan de opening te nauw was om haar kop door te laten. Een jong van deze kat leerde spoedig het zelfde kunstje en bracht het later altijd in praktijk, zoo dikwijls het er gelegenheid toe vond.

Men kan zeggen, dat bij vele dieren de ouders, vertrouwende op het beginsel van nabootsing, en meer bijzonder op instinktmatige en overgeërfde eigenschappen hunner jongen, deze opvoeden. Wij zien dit als een kat haar jongen een levende muis brengt; en Dureau de la Malle deelt in de bovenaan gehaalde verhandeling zijn merkwaardige waarnemingen mede omtrent valken, die hun jongen behendigheid en het beoordeelen van afstanden leerden, door eerst doode muizen en musschen door de lucht te laten vallen, in het vangen waarvan de jongen over het algemeen niet slaagden, en hun daarna levende vogels te brengen en die los te laten.

Nauwelijks eenig vermogen is belangrijker voor de verstandelijke ontwikkeling van den mensch dan dat van de oplettendheid. Dieren toonen blijkbaar dat vermogen te bezitten, een kat bijvoorbeeld als zij bij een muizengat op de loer ligt, en zich gereed houdt om haar prooi te bespringen. Wilde dieren zijn somtijds in dergelijke gevallen zoozeer in hun gedachten verdiept, dat men ze dan gemakkelijk kan naderen. De heer Bartlett gaf mij een merkwaardig bewijs hoe verschillend deze eigenschap bij apen is. Een man, die apen opleidde voor een apenspel, was gewoon de gewone soorten van de Zoölogische Vereeniging te koopen voor den prijs van vijf pond sterling per stuk; maar hij bood aan [122]den dubbelen prijs te geven, als hij vier of vijf apen een dag of wat bij zich mocht houden, en er daarna een uitkiezen. Toen men hem vraagde, hoe het mogelijk was, dat hij zoo spoedig kon te weten komen, of de eene of andere aap een goeden aanleg voor het tooneel had, antwoordde hij, dat alles afhing van hun vermogen van oplettendheid. Indien, wanneer hij een aap iets zeide en verklaarde, de oplettendheid van het dier gemakkelijk werd afgetrokken, bijvoorbeeld door een vlieg op den muur of eenige andere nietigheid, dan was het geval hopeloos. Indien hij trachtte een onoplettenden aap door bestraffing voor het tooneel af te richten, dan werd het dier kwaadaardig. Een aap daarentegen die zorgvuldig oplette, als hij tegen hem sprak, kon altijd worden afgericht.

Het is bijna overbodig om uiteen te zetten, dat dieren een uitnemend geheugen voor personen en plaatsen hebben. Sir Andrew Smith heeft mij medegedeeld, dat een baviaan hem aan de Kaap de Goede Hoop met vreugde herkende na een afwezigheid van negen maanden. Ik had een hond, die kwaadaardig was en een afkeer van alle vreemdelingen had, en beproefde met voordacht zijn geheugen na een afwezigheid van vijf jaren en twee dagen. Ik ging naar den stal, waarin hij zich bevond en riep hem op mijn oude manier: hij vertoonde geen vreugde, maar volgde mij dadelijk op mijn wandeling en gehoorzaamde mij, evenals of ik eerst een half uur te voren van hem was weggegaan. Een aaneenschakeling van gedachten, die vijf jaar lang had geslapen, was dus oogenblikkelijk weder in zijn geest ontwaakt. P. Huber14 heeft duidelijk aangetoond, dat zelfs mieren andere mieren van het zelfde nest na een scheiding van vier maanden herkennen. Dieren kunnen ongetwijfeld op de eene of andere wijze de tijdsruimten beoordeelen, die tusschen periodiek terugkeerende gebeurtenissen verloopen. (5)

De verbeeldingskracht is een der grootste voorrechten van den mensch. Door dit vermogen verbindt hij, onafhankelijk van zijn wil, vroegere beelden en ideeën en schept daardoor schitterende en nieuwe uitkomsten. „Een dichter”, zooals Jean Paul Richter opmerkt15, „die er over moet nadenken, of hij een zijner personen ja of neen zal laten zeggen—moet naar den duivel loopen, hij is slechts een dom lijk.” Het droomen geeft ons het beste denkbeeld van dit vermogen; zooals Jean Paul [123]op een andere plaats zegt: „Droomen is een onwillekeurige dichterlijke handeling.” De waarde van de voortbrengselen onzer verbeeldingskracht hangt natuurlijk af van het aantal, de nauwkeurigheid en de helderheid onzer indrukken, van ons oordeel en onzen smaak in het uitkiezen en verwerpen van onwillekeurige gedachtenverbindingen, en tot op zekere hoogte van ons vermogen om ze willekeurig te verbinden. Daar honden, katten, paarden en waarschijnlijk al de hoogere dieren, zelfs vogels, naar door bevoegde autoriteiten wordt getuigd16, levendige droomen hebben, en dit blijkt uit hun bewegingen en de kreten die zij slaken, moeten wij hieruit opmaken, dat zij eenige verbeeldingskracht bezitten. Er moet een bijzondere oorzaak zijn, waarom honden ’s nachts huilen, en vooral bij maneschijn op die bijzondere en zwaarmoedige manier, die men janken noemt. Alle honden doen dit niet; en volgens Houzeau17 kijken zij dan niet naar de maan, maar naar een of ander vast punt nabij den horizon. Houzeau denkt, dat hun verbeeldingskracht op een dwaalspoor wordt gebracht door de onbestemde omtrekken der omringende voorwerpen, en dat deze fantastische beelden voor hun geest doen verrijzen; indien dit zoo is, kan men hun gevoelens bijna bijgeloof noemen.

Van alle vermogens van den menschelijken geest zal men, naar ik onderstel, wel aannemen, dat de rede het hoogste staat. Bijna niemand betwijfelt meer, dat de dieren eenigszins het vermogen bezitten om te redeneeren. Men kan voortdurend dieren zien aarzelen, bij zich zelven overleggen en een besluit nemen. Het is een veelbeteekenend feit, dat, hoe meer de gewoonten van het eene of andere bijzondere dier door een natuuronderzoeker worden bestudeerd, hoe meer hij toeschrijft aan redeneering, en hoe minder aan aangeboren instinkten.18 In volgende hoofdstukken zullen wij zien, dat sommige dieren, die uiterst laag op de ladder staan, een zekere hoeveelheid rede schijnen te vertoonen. Ongetwijfeld is het dikwijls moeilijk om de uitwerkselen der rede en die van het instinkt van elkander te onderscheiden. Zoo merkt Dr. Hayes in zijn werk over „de open Poolzee” herhaaldelijk op, dat zijn honden, als zij aan dun ijs kwamen, in plaats van voort [124]te gaan met de sleden in dichten drom voort te trekken, uiteengingen en zich van elkander verwijderden, opdat hun gewicht meer gelijkelijk zou worden verdeeld. Dit was dikwijls de eerste waarschuwing en het eerste teeken waaraan de reizigers bemerkten, dat het ijs dun en gevaarlijk werd. Deden de honden dit nu uithoofde van de ondervinding van elk individu of op het voorbeeld van oudere en wijzere honden, of uit een overgeërfde gewoonte, dat wil zeggen uit instinkt? Dit instinkt zou wellicht kunnen zijn ontstaan sedert den reeds lang geleden tijd, dat de inboorlingen voor het eerst honden gebruikten om hun sleden voort te trekken; of wellicht hebben de poolwolven, de stamvorm van de honden der Eskimo’s, dit instinkt gekregen, dat hen aandreef hun prooi op dun ijs niet in een dichten drom aan te vallen.

Wij kunnen alleen uit de omstandigheden waaronder handelingen worden volvoerd, besluiten of zij door instinkt, door rede of eenvoudig door associatie van denkbeelden worden verricht; dit laatste beginsel staat echter in innig verband met rede. Prof. Möbius19 deelt een merkwaardig geval mede van een snoek, die door een glasplaat was gescheiden van een met visschen gevuld aquarium, en die, trachtende de andere visschen te vangen, zich dikwerf met zooveel kracht tegen het glas aanwierp, dat hij somtijds volkomen bedwelmd werd. De snoek ging daarmede drie maanden lang voort, maar leerde ten laatste voorzichtig te zijn en hield er mede op. De glasplaat werd daarop weggenomen, maar de snoek viel deze bijzondere visschen niet aan, hoewel hij wel andere verslond, die er later werden ingebracht; zoo sterk was het denkbeeld van een hevigen schok in zijn zwakken geest geassocieerd met een aanval op zijn vroegere buurlieden. Indien een wilde die nooit een groote spiegelruit had gezien, er zich eens tegen stootte, zou hij langen tijd daarna het denkbeeld van een schok associeeren met dat van een spiegelruit; maar zeer verschillend van den snoek, zou hij waarschijnlijk nadenken over den aard van het beletsel en onder dergelijke omstandigheden voorzichtig zijn. Nu is bij apen, gelijk wij thans zullen zien, een pijnlijke of ook eenvoudig onaangename indruk van een eens volbrachte handeling dikwijls voldoende om te maken, dat het dier die handeling niet andermaal volbrengt. Indien wij het verschil tusschen den aap en den snoek alleen daaraan toeschrijven, dat de associatie van denkbeelden bij den een zooveel sterker [125]en blijvender is dan bij den ander, hoewel de snoek dikwijls veel erger letsel bekwam, kunnen wij dan in het geval van den mensch volhouden, dat een dergelijk verschil het bezit van een fundamenteel verschillenden geest bewijst?

Houzeau20 verhaalt, dat, terwijl hij een uitgestrekte en dorre vlakte in Texas overtrok, zijn beide honden erg aan dorst leden, en dat zij tusschen de dertig en veertig malen naar lagere plekken renden om water te zoeken. Deze lagere plekken waren geen valleien, en er stonden geen boomen op, noch eenige andere verschillende plantengroei, en daar zij volkomen droog waren, kan het er ook niet naar vochtige aarde hebben geroken. De honden gedroegen zich, alsof zij wisten, dat een laagte in den grond hun de beste kans aanbood, om water te vinden, en Houzeau heeft dikwijls opgemerkt, dat ook andere dieren zich op de zelfde wijze gedroegen.

Ik, en ik durf zeggen ook anderen, hebben gezien, dat als een klein voorwerp op den grond wordt geworpen buiten het bereik van een der olifanten in den Londenschen dierentuin, hij door zijn snuit blaast op den grond voorbij dat voorwerp, zoodat de naar alle zijden teruggekaatste luchtstroom het voorwerp binnen zijn bereikt drijft. Een welbekend ethnoloog, de heer Westrop, meldt mij, dat hij te Weenen een beer waarnam, die met voordacht met zijn klauw een stroom veroorzaakte in eenig water, dat dicht bij de tralies van zijn hok was, om een stuk brood, dat er in dreef, binnen zijn bereik te brengen. Deze handelingen van den olifant en beer kunnen moeilijk aan instinkt of overgeërfde gewoonte worden toegeschreven, daar zij een dier in den natuurstaat van weinig nut zouden zijn. Wat is nu het verschil tusschen dergelijke handelingen, als zij door een onbeschaafd mensch, en als zij door een der hoogere dieren worden verricht?

De wilde en de hond hebben water gevonden op een laag peil, en deze beide zaken zijn in hun geest geassocieerd geworden. Een beschaafd mensch zou daaruit wellicht daarover de eene of andere algemeene gevolgtrekking afleiden; maar al wat wij van wilden weten, maakt het uiterst twijfelachtig of deze zulks zouden doen, en een hond zou het stellig niet doen. Maar een wilde, zoowel als een hond, zoude op de zelfde wijze water zoeken, al werden zij dikwijls teleurgesteld; en bij beiden schijnt dit gelijkelijk een redelijke handeling te zijn, [126]hetzij eenige algemeene gevolgtrekking omtrent het verband tusschen beide feiten al dan niet bewust in hun geest bestond.21 Het zelfde zou van toepassing zijn op den olifant en den beer, die stroomen veroorzaken in de lucht of het water. De wilde zou zeker noch weten, noch er belang in stellen te weten, door welke wet de gewenschte bewegingen tot stand kwamen; toch zou deze handeling worden geleid door een ruw proces van redeneeren, even zeker als een wijsgeer in zijn langste keten van syllogismen. Er zou ongetwijfeld dit verschil zijn tusschen hem en een van de hoogere dieren, dat hij op veel geringer omstandigheden en voorwaarden zou letten, en elk verband tusschen deze na veel minder ervaring zou opmerken, en dit zou van het grootste belang zijn. Ik hield een dagboek van de handelingen van een mijner kinderen, en toen het omstreeks elf maanden oud was, en vóór het een enkel woord kon spreken, werd ik voortdurend getroffen door de grootere snelheid, waarmede allerlei voorwerpen en geluiden in zijn geest met elkander werden geassocieerd, in vergelijking van die van de verstandigste honden die ik ooit heb gekend. Maar de hoogere dieren verschillen op volkomen de zelfde wijze in dit vermogen van associatie, zoowel als in dat van gevolgtrekkingen te maken en waarnemingen te doen, van die welke laag op de ladder staan, gelijk de snoek.

De besluiten der rede, na zeer korte ervaring, worden goed aangetoond door de volgende handelingen van Amerikaansche apen, die in hun orde een lage plaats innemen. Rengger, een zeer zorgvuldig waarnemer, verhaalt, dat zijn apen, toen hij hun voor de eerste maal eieren gaf, die stuk wierpen en daardoor veel van den inhoud verloren; later sloegen zij ze voorzichtig met het eene einde tegen het eene of andere harde lichaam, en pelden de stukken van de schaal met hun vingers af. Na zich slechts eens met een scherp werktuig te hebben gesneden, raakten zij het nooit meer aan zonder het met de grootste voorzichtigheid te behandelen. Dikwijls werden hun klontjes suiker, in papier gewikkeld, gegeven; en soms deed Rengger een levende wesp in het papier, zoodat zij, als zij het haastig openmaakten, werden gestoken; nadat dit eens was gebeurd, hielden zij het papier altijd eerst aan het oor, om te hooren, of er eenige beweging [127]in was. Iemand die door feiten als deze en door hetgeen hij bij zijn eigen honden kan waarnemen, niet wordt overtuigd dat dieren kunnen redeneeren, zou door niets dat ik er nog bij zou kunnen voegen, worden overtuigd.

De volgende gevallen hebben op honden betrekking. De heer Colquhoun22 kwetste twee wilde eenden aan den vleugel, en zij vielen aan de overzijde van een beek; zijn jachthond beproefde ze beide tegelijk daarover te brengen, maar kon dit niet gedaan krijgen; daarop doodde hij de eene, hoewel hij vroeger nooit een veêrtje van het wild had beschadigd, bracht de andere over en keerde terug om den dooden vogel te halen. Kol. Hutchinson verhaalt, dat hij eens twee patrijzen tegelijk schoot, de eene was gedood, de andere slechts gekwetst; deze laatste liep weg en werd door den jachthond gepakt, die bij zijn terugkeeren den dooden vogel vond liggen; „hij bleef klaarblijkelijk zeer in verlegenheid staan, en toen hij, na het eens of tweemaal te hebben beproefd, bemerkte, dat hij hem niet op kon nemen zonder den gekwetsten vogel te laten ontsnappen, bedacht hij zich een oogenblik, doodde toen dezen laatsten koelbloedig door een fikschen beet en apporteerde daarna beide tegelijk. Dit was het eenige bekende voorbeeld, dat hij willens eenig wild beschadigde.” Hier hebben wij rede, schoon geen volmaakte, want de hond had eerst den gekwetsten vogel kunnen apporteeren, en dan terugkeeren om den dooden te halen, zooals in het geval van de twee wilde eenden. Ik deel de bovengenoemde gevallen mede, omdat zij berusten op de getuigenis van twee van elkander onafhankelijke waarnemers, en omdat in beide gevallen de jachthonden, na er over te hebben nagedacht, braken met een gewoonte die zij hadden overgeërfd (om namelijk het wild dat zij apporteerden, niet te dooden) en omdat zij toonen, hoe sterk hun redeneerend vermogen moet zijn geweest om een vaste gewoonte daardoor te laten varen.

Ik wil besluiten door een opmerking van den beroemden Humboldt23 aan te halen. De muilezeldrijvers in Zuid-Amerika zeggen: „Ik zal u niet den muilezel geven, die den gemakkelijksten stap heeft, maar la mas racional,—de redelijkste”, en, gelijk hij er bij voegt: „deze populaire uitdrukking, ingegeven door lange ondervinding, bestrijdt het [128]stelsel der levende werktuigen (automaten) wellicht beter dan al de bewijsgronden der bespiegelende wijsbegeerte.” Toch ontkennen sommige schrijvers zelfs nu nog, dat de hoogere dieren een spoor van rede bezitten, en zij trachten door iets dat op bloote breedsprakigheid gelijkt, al zulke feiten als boven zijn gegeven, weg te redeneeren.

Het is, dunkt mij, nu bewezen, dat de mensch en de hoogere dieren, vooral de Primaten, eenige weinige instinkten gemeen hebben. Allen hebben zij de zelfde zinnen, wijzen van waarneming en gewaarwordingen—gelijksoortige hartstochten, neigingen en gemoedsaandoeningen, zelfs de meer samengestelde; zij gevoelen verwondering en nieuwsgierigheid; zij bezitten de zelfde vermogens van nabootsing, oplettendheid, geheugen, verbeeldingskracht en rede, hoewel in zeer verschillende graden. Toch hebben vele schrijvers volgehouden, dat de mensch door zijn geestelijke vermogens door een onoverkomelijken slagboom van alle lagere dieren is gescheiden. Ik heb vroeger eens een verzameling gemaakt van meer dan twintig dergelijke aphorismen, maar zij zijn niet waard hier te worden medegedeeld, daar hun verbazend verschil en hun aantal de moeilijkheid, zoo niet de onmogelijkheid der poging bewijzen. Men heeft verzekerd, dat alleen de mensch vatbaar is voor trapsgewijze ontwikkeling, dat hij alleen werktuigen en het vuur gebruikt, andere dieren temt, eigendom bezit of een taal gebruikt; dat geen ander dier zelfbewust is, zich zelf begrijpt, het vermogen heeft afgetrokken denkbeelden te vormen, of algemeene begrippen bezit; dat de mensch alleen schoonheidsgevoel heeft, onderhevig is aan luimen, het gevoel van dankbaarheid, den trek naar het geheimzinnige bezit, enz., in God gelooft of met een geweten begaafd is. Ik zal mij eenige weinige opmerkingen veroorloven over de voornaamsten en belangrijksten van deze punten.

De aartsbisschop Summer24 hield vroeger vol, dat alleen de mensch vatbaar is voor trapsgewijze ontwikkeling. Als wij bij de dieren eerst de individu’s beschouwen, dan weet ieder die eenige ondervinding heeft in het zetten van vallen, dat jonge dieren zich veel gemakkelijker laten vangen dan oude, en dat hun vijanden hen ook veel gemakkelijker kunnen naderen. Zelfs bij oude dieren is het onmogelijk velen op de zelfde plaats en in de zelfde soort van val te vangen, of hen met het zelfde soort van vergif te vernielen; en toch is het onwaarschijnlijk, [129]dat allen het vergif zouden hebben geproefd, en onmogelijk, dat allen in de val gevangen zouden zijn geweest. In Noord-Amerika, waar men sinds lang op de pelsdragende dieren heeft gejaagd, vertoonen zij volgens de eenparige getuigenis van alle waarnemers een bijna ongelooflijken vooruitgang in scherpzinnigheid, voorzichtigheid en geslepenheid, maar het zetten van vallen is daar zoo langen tijd in gebruik, dat hier wel erfelijk geworden eigenschappen in het spel kunnen zijn. (6) Ik heb verschillende mededeelingen ontvangen, dat, wanneer in de eene of andere streek pas telegrafen zijn aangelegd, vele vogels zich zelf dooden door tegen de draden te vliegen, maar dat zij na verloop van zeer weinige jaren dit gevaar leeren vermijden, naar het schijnt daar zij zien dat hun kameraden worden gedood.25

Als wij opeenvolgende generaties beschouwen, valt het niet te betwijfelen, dat vogels en andere dieren omzichtigheid jegens den mensch en andere vijanden26 zoowel kunnen verkrijgen als verliezen; en deze omzichtigheid is zeker voornamelijk een overgeërfde gewoonte of instinkt, maar gedeeltelijk het resultaat van individueele ondervinding. Een goed waarnemer, Leroy27, getuigt, dat in streken, waar veel vossenjachten worden gehouden, de jonge vossen, als zij voor het eerst hun holen verlaten, ongetwijfeld veel voorzichtiger zijn dan de oude in streken waar zij niet veel worden verontrust.

Onze huishonden stammen van wolven en jakhalzen af28, en hoewel zij wellicht geen vorderingen hebben gemaakt in geslepenheid en misschien zijn achteruitgegaan in omzichtigheid en achterdochtigheid, zijn zij vooruitgegaan in sommige zedelijke hoedanigheden, zooals in aanhankelijkheid, trouw, karakter en waarschijnlijk in algemeene verstandelijke ontwikkeling. De gewone rat (7) heeft door geheel Europa, in gedeelten van Noord-Amerika, Nieuw-Zeeland, en onlangs in Formosa, zoowel als op het vasteland van China verschillende andere soorten overwonnen en uitgeroeid. De heer Swinhoe29, die deze laatste gevallen [130]beschrijft, schrijft de overwinning van de gewone rat over den grooten Mus coninga toe aan haar grootere omzichtigheid, en deze laatste hoedanigheid kan worden toegeschreven aan de voortdurende oefening van al haar vermogens om haar uitroeiing door den mensch tegen te gaan, zoowel als aan het achtereenvolgens dooden door dezen van bijna alle ratten die minder omzichtig of zwak van geestvermogens zijn. Zonder eenig direct bewijs vol te houden, dat geen dier gedurende den loop der eeuwen in verstand of andere zielsvermogens is vooruitgegaan, staat gelijk met de verandering der soorten weg te cijferen. Wij zullen hieronder zien, dat volgens Lartet de bestaande zoogdieren van verschillende orden grooter hersenen bezitten dan hun oude tertiaire stamvormen.

Men heeft dikwijls gezegd, dat geen enkel dier werktuigen gebruikt, maar de chimpanzee kraakt in zijn natuurstaat een vrucht uit zijn eigen vaderland, die wel wat op een walnoot gelijkt, door middel van een steen.30 Rengger31 leerde een Amerikaanschen aap om op die wijze harde palmnoten open te breken en daarna gebruikte deze uit eigen beweging steenen om andere soorten van noten, en ook doozen te openen. Hij verwijderde op die wijze ook de zachte schil van zekere vrucht, die een onaangenamen smaak had. Een andere aap werd geleerd om het deksel van een groote kist met een stok te openen, en daarna gebruikte hij den stok als een hefboom om zware lichamen op te lichten; en ik heb zelf gezien, hoe een jonge orang een stok in een spleet stak, zijn hand naar het andere einde verschoof en hem daarna op de juiste wijze als een hefboom gebruikte. Het is welbekend, dat in Indië de tamme olifanten boomtakken afbreken en die gebruiken om de vliegen te verdrijven; en de zelfde handeling is waargenomen bij een olifant in den natuurstaat.32 Ik heb een jong orangwijfje gezien, dat als het dacht dat het slaag zou krijgen, zich met een laken of met stroo bedekte en beschermde. In de bovengenoemde gevallen dienden de steenen en stokken tot werktuigen; maar zij worden ook tot wapens gebruikt. Brehm33 deelt op gezag van den welbekenden reiziger Schimper mede, dat, als in Abessinië een zekere soort van bavianen (C. Gelada) in troepen van de bergen afdaalt om de velden te plunderen, zij somtijds troepen van [131]een andere soort (C. Hamadryas) ontmoeten, waarvan dan vechtpartijen het gevolg zijn. De Gelada’s rollen groote steenen naar beneden, die de Hamadryas trachten te vermijden, en daarna stuiven de beide soorten onder een vervaarlijk rumoer woedend op elkander los. Toen Brehm den Hertog van Coburg-Gotha vergezelde, nam hij deel aan een aanval met vuurwapenen op een troep bavianen in den bergpas van Menda in Abessinië. De bavianen verdedigden zich door zooveel steenen van den berg af te rollen, waarvan sommigen zoo groot als een menschenhoofd waren, dat de aanvallers haastig den terugtocht moesten aannemen en de bergpas werkelijk een tijdlang voor het reisgezelschap was gesloten. Het verdient opmerking, dat deze bavianen aldus gezamenlijk handelden. De heer Wallace34 zag bij drie gelegenheden vrouwelijke orangs, door haar jongen vergezeld, „blijkbaar in woede ontstoken, takken en de groote stekelige vrucht van den Doerianboom afbreken; en daarmede zulk een hagelbui van werptuigen veroorzaken, dat zij ons wezenlijk beletten den boom al te zeer te naderen.”

In den Londenschen dierentuin was een aap, die slechte tanden had, gewoon noten met een steen stuk te slaan; en de oppassers verzekerden mij, dat dit dier, als het een steen had gebruikt, hem in het stroo verborg, en niet wilde toelaten, dat een andere aap hem aanraakte. Hier hebben wij dus het denkbeeld van eigendom: maar dit denkbeeld vinden wij terug bij elken hond ten opzichte van een been, en bij bijna alle vogels ten opzichte van hun nesten.

De Hertog van Argyll35 merkt op, dat het fatsoeneeren van een voorwerp tot een bepaald doel uitsluitend aan den mensch eigen is; en hij meent, dat dit een onmetelijken afgrond tusschen dezen en de dieren vormt. Het is ongetwijfeld een zeer belangrijk verschil, maar het schijnt mij toe, dat er veel waars gelegen is in het door John Lubbock36 geopperde denkbeeld, dat, toen de oorspronkelijke mensch voor de eerste maal vuursteenen voor eenig doel gebruikte, hij ze wellicht toevallig brak en daarna de scherpe splinters gebruikte. Nadat dit was geschied, zou er slechts een kleine stap noodig zijn geweest om de vuursteenen met voordacht te breken, en geen zeer groote om ze grovelijk te fatsoeneeren. Voor dezen laatsten vooruitgang schijnen echter vele eeuwen noodig te zijn geweest, als wij mogen oordeelen naar den [132]ontzaglijken tijd, die verliep, voordat de menschen van de neolithische periode er toe kwamen om hun werktuigen te slijpen en te polijsten. Bij het stukslaan der vuursteenen zouden er dan, zooals Sir John Lubbock eveneens opmerkt, vonken zijn afgevlogen, en bij het slijpen er van zou zich warmte hebben ontwikkeld; „aldus zijn wellicht de twee gewone methoden om vuur te verkrijgen ontstaan.” De aard van het vuur zou bekend zijn geweest in de vulkanische streken, waar nu en dan lava door de bosschen stroomt. De anthropomorphe apen bouwen zich, waarschijnlijk door hun instinkt geleid, tijdelijk platte nesten; maar, daar vele instinkten in groote mate onder het toezicht van de rede staan, zouden de meer eenvoudige, zooals dat om een plat nest te bouwen, wel eens gemakkelijk in een willekeurige en zelfbewuste handeling kunnen overgaan. Het is bekend, dat de orang zich des nachts met de bladeren van den Pandanus bedekt, en Brehm deelt mede, dat een zijner bavianen gewoon was zich tegen de hitte der zon te beschutten door een stroomat over zijn hoofd te werpen. In deze laatste gewoonte zien wij waarschijnlijk de eerste stappen tot sommigen van de meer eenvoudige kunsten; namelijk ruwe bouwkunde en kleeding, zooals zij ontstonden onder de vroege voorouders van den mensch.

Vermogen van de dieren om afgetrokken denkbeelden en algemeene begrippen te vormen. Zelfbewustheid. Individualiteit van den geest. Het zou zeer moeilijk zijn voor ieder, zelfs al bezat hij veel meer kennis dan ik, om te bepalen in hoever dieren eenig spoor van deze hooge verstandelijke vermogens vertoonen. Deze moeilijkheid is het gevolg van de onmogelijkheid om te bepalen wat in den geest van een dier plaats heeft, terwijl daarenboven het feit, dat de schrijvers in hooge mate verschillen in de beteekenis die zij aan bovengenoemde termen hechten, nog een tweede moeilijkheid veroorzaakt. Indien men mag oordeelen naar verschillende artikelen die in den laatsten tijd het licht hebben gezien, schijnt de grootste klem te worden gelegd op het onderstelde volkomen ontbreken bij de dieren van het vermogen om afgetrokken denkbeelden of algemeene begrippen te vormen. Maar als een hond een anderen hond op een afstand ziet, is het dikwijls duidelijk, dat hij waarneemt, dat het een hond in het algemeen (in abstracto) is; want, als hij dichter bij komt, verandert zijn geheele gedrag plotseling, als de andere hond een vriend van hem is. Een schrijver van den laatsten tijd merkt op, dat het in alle dergelijke gevallen een bloote onderstelling is, als men verzekert dat de verstandelijke werking bij [133]het dier niet wezenlijk van den zelfden aard is als bij den mensch. Indien een van beiden hetgeen hij met zijn zintuigen waarneemt, in zijn geest tot een algemeen begrip verwerkt, dan doen beiden het.37 Als ik tot mijn terrier met begeerige stem zeg: „Hei, hei, waar is het?” vat hij dit dadelijk op als een teeken, dat er op iets moet worden gejaagd, en kijkt over het algemeen eerst snel in de rondte, en rent daarop in het naaste kreupelboschje om te ruiken of er ook eenig wild in is, maar niets vindende, kijkt hij op naar den eenen of anderen naburigen boom, of er ook een eekhoorn in zit. Toonen deze handelingen nu niet duidelijk aan, dat hij in zijn geest een algemeen denkbeeld of begrip had, dat een of ander dier moest worden opgespeurd en gejaagd?

Men mag gerust aannemen, dat geen dier zelfbewust is, als men onder dit woord verstaat, dat het nadenkt over zulke punten als: van waar het komt en waarheên het zal gaan, of wat dood of wat leven is, enz. Kunnen wij er echter zeker van zijn, dat een oude hond met een uitnemend geheugen en eenige verbeeldingskracht, zooals uit zijn droomen blijkt, nooit nadenkt over het genoegen, dat hij op de jacht heeft gesmaakt? en dit zou een vorm van zelfbewustheid zijn. Hoe weinig kan van de andere zijde, zooals Büchner38 heeft opgemerkt, de vrouw van een ruwen wilden Nieuw-Hollander, die altijd hard moet werken, bijna geen woorden kent om afgetrokken denkbeelden uit te drukken en niet verder kan tellen dan vier, haar zelfbewustheid ontwikkelen of nadenken over de natuur van haar eigen bestaan. Men neemt algemeen aan, dat de hoogere dieren geheugen, oplettendheid, het vermogen van denkbeelden te associeeren, en zelfs eenige verbeeldingskracht en rede bezitten. Indien deze vermogens, die bij de verschillende diersoorten zeer verschillen, voor ontwikkeling vatbaar zijn, komt het mij niet zeer onwaarschijnlijk voor, dat meer ingewikkelde vermogens, zooals de hoogere vormen van het vermogen om afgetrokken denkbeelden te vormen en zelfbewustheid, enz. zijn ontstaan door de ontwikkeling en vereeniging van meer eenvoudige. Tegen de hier verdedigde meeningen is dikwijls ingebracht, dat het onmogelijk is te zeggen, op welk punt van de opklimmende reeks dieren in staat worden afgetrokken denkbeelden te vormen, enz.; maar wie kan zeggen [134]op welken leeftijd dit bij jonge kinderen gebeurt? Wij zien ten minste, dat dergelijke vermogens zich bij kinderen bij onmerkbare trappen ontwikkelen.

Dat dieren hun geestelijke individualiteit behouden, is ontwijfelbaar. Toen mijn stem een aaneenschakeling van denkbeelden uit vroeger tijd in den geest van den bovenvermelden hond terugriep, moest hij zijn geestelijke individualiteit hebben behouden, hoewel elk atoom van zijn hersenen in den tijd van vijf jaren waarschijnlijk meer dan eens verandering had ondergaan. Deze hond zou den bewijsgrond hebben kunnen aanvoeren, die onlangs is aangevoerd om alle voorstanders der ontwikkelingstheorie te verpletteren, en zou hebben kunnen zeggen: „Ik blijf bestaan te midden van alle aandoeningen van mijn geest en alle stoffelijke veranderingen.…. De leer, dat atomen hun indrukken legateeren aan andere atomen, die de plaatsen innemen, die ze hebben verlaten, is in tegenspraak met de uiting van zelfbewustheid, en is daarom valsch; maar het is de leer, die noodzakelijk uit de ontwikkelingstheorie voortvloeit, derhalve is ook die theorie valsch.”39

Spraak. Dit vermogen is terecht beschouwd als een der voornaamste punten van verschil tusschen den mensch en de lagere dieren. Maar de mensch is, zooals een zeer bevoegd rechter, de Aartsbisschop Whately40 opmerkt, „geenszins het eenige dier, dat van het geluid gebruik kan maken om uit te drukken, wat in zijn geest plaats grijpt, en min of meer kan begrijpen, wat op die wijze door anderen wordt uitgedrukt.” In Paraguay uit de Cebus Azarae, als hij daartoe wordt opgewekt, minstens zes verschillende klanken, die bij andere apen gelijksoortige gemoedsaandoeningen teweeg brengen.41 De aangezichtsbewegingen en gebaren der apen worden door ons begrepen, en zij begrijpen ook gedeeltelijk de onze, zooals Rengger en anderen verklaren. Het is een opmerkenswaardig feit, dat de hond, sinds hij is getemd, heeft leeren blaffen42 en hierbij minstens vier of vijf verschillende geluiden voortbrengt. Hoewel het blaffen een nieuwe kunst is, drukte ongetwijfeld de wilde soort, waarvan de hond afstamt, haar gewaarwordingen door kreten van verschillenden aard uit. Bij den huishond hebben wij het [135]opgewekte geblaf b.v. bij de jacht; het toornige geblaf; het jankende of huilende geblaf der vertwijfeling, wanneer men hem b.v. opsluit; dat der vreugde, als hij b.v. met zijn meester uit wandelen gaat, en het zeer eigenaardige geblaf, waardoor hij het een of ander vraagt, b.v. als hij wenscht, dat een deur of een venster open zal worden gemaakt. Volgens Houzeau43, die bijzondere aandacht aan dit onderwerp heeft gewijd, maakt het huishoen minstens een dozijn verschillende geluiden, die elk hun beteekenis hebben.

Het gewoonlijk gebruiken van gearticuleerde spraak is echter uitsluitend eigen aan den mensch; maar deze gebruikt daarenboven evenals de dieren ongearticuleerde kreten om zijn gevoelens uit te drukken, en doet die vergezeld gaan van gebaren en van bewegingen van de spieren van het aangezicht.44 Dit is vooral het geval bij de meer eenvoudige en levendige gevoelens, die slechts weinig hebben te maken met ons meer ontwikkeld verstand. Onze kreten van smart, angst, verwondering, toorn, vergezeld van de daaraan eigenaardige gebaren, en het stamelen van een moeder tegen haar geliefd kind drukken meer uit dan alle woorden. Niet het vermogen van articuleeren zelf onderscheidt den mensch van andere dieren; want zooals iedereen weet, kunnen papegaaien spreken. Evenmin is het eenvoudig het vermogen om bepaalde klanken met bepaalde denkbeelden te verbinden; want het is zeker, dat sommige papegaaien die hebben leeren spreken, zonder zich te vergissen woorden met zaken en personen met gebeurtenissen verbinden.45 De lagere dieren [136]verschillen van den mensch alleen door zijn bijna oneindig grooter vermogen om de meest verschillende klanken en denkbeelden te verbinden; en dit is blijkbaar het gevolg van de hooge ontwikkeling zijner verstandelijke vermogens.

Zooals Horne Took, een der grondvesters van de edele wetenschap der philologie, opmerkt, is het spreken een kunst, evengoed als koken en bakken; schrijven zou echter een veel gepaster vergelijking zijn geweest. Het is zeker geen waar instinkt, daar iedere taal moet worden aangeleerd. Het verschilt echter zeer van alle gewone kunsten; want de mensch bezit een instinktmatige aandrift om te spreken, zooals wij aan het stamelen onzer jonge kinderen zien, terwijl geen kind een instinktmatige aandrift heeft om te koken, te bakken of te schrijven. Bovendien onderstelt geen enkel philoloog meer, dat eenige taal met opzet is uitgevonden; alle talen hebben zich langzaam en onbewust trapsgewijze ontwikkeld.46 De klanken door vogels voortgebracht hebben in vele opzichten de grootste overeenkomst met de spraak, want alle leden van een zelfde soort drukken hun gewaarwordingen door de zelfde instinktmatige geluiden uit; en al de soorten die het vermogen bezitten om te zingen, oefenen dit vermogen instinktmatig uit; maar hun tegenwoordige wijze van zingen en zelfs hun loktonen hebben zij van hun ouders of pleegouders geleerd. Deze tonen zijn, zooals Daines Barrington47 heeft bewezen, „hun evenmin aangeboren als de spraak den mensch. Hun eerste pogingen om te zingen kunnen worden vergeleken bij de onvolmaakte pogingen van een kind om te stamelen.” De jonge mannetjes gaan gedurende tien of elf maanden voort met zich te oefenen of, zooals de vogelaars het noemen, te repeteeren. In hun eerste pogingen is bijna geen spoor van hun lateren zang herkenbaar; maar als zij ouder worden, kunnen wij nagaan wat zij bedoelen, en ten laatste wordt hun zang zooals hij behoort te zijn. Jonge nestvogels die den zang van een andere soort hebben geleerd, [137]zooals de in Tyrol opgevoede kanarievogels, leeren een nieuwen zang aan hun kroost en leveren hem zoo aan hetzelve over. De kleine natuurlijke verschillen in den zang bij individu’s van de zelfde soort die verschillende streken bewonen, kunnen, zooals Barrington opmerkt, zeer gepast met „provinciale dialecten” worden vergeleken; en de wijzen van zingen van verwante, hoewel verschillende soorten, kunnen met de talen van verschillende menschenrassen worden vergeleken. Ik heb bovenstaande bijzonderheden medegedeeld om aan te toonen, dat een instinktmatige aandrift om een kunst te leeren niet uitsluitend aan den mensch eigen is.

Wat den oorsprong van de gearticuleerde spraak aangaat, kan ik, na zoowel de zeer belangrijke werken van den heer Hensleigh Wedgwood, den weleerw. heer E. Farrer en Prof. Schleicher48 als de beroemde voordrachten van Prof. Max Müller te hebben gelezen, niet betwijfelen, dat de spraak haar oorsprong is verschuldigd aan de nabootsing en wijziging van verschillende natuurlijke klanken, van de geluiden van andere dieren en van de instinktmatige kreten van den mensch zelf, geholpen door teekens en gebaren. Wanneer wij de seksueele teeltkeus gaan behandelen, zullen wij zien, dat de oorspronkelijke mensch, of liever de eene of andere vroege voorvader van den mensch, waarschijnlijk, evenals tegenwoordig een der gibbonsoorten doet, ruimschoots zijn stem gebruikte om werkelijke muzikale tonen voort te brengen, d.i. om te zingen; wij mogen besluiten uit een zeer algemeen voorkomende analogie, dat dit vermogen vooral werd uitgeoefend gedurende den paringstijd der seksen, en dat het diende om verschillende gemoedsaandoeningen, zooals liefde, ijverzucht, zegepraal uit te drukken, en ook om mededingers uit te dagen. Het door middel van gearticuleerde klanken nabootsen van muzikale geluiden, kan aanleiding hebben gegeven tot het ontstaan van woorden om verschillende ingewikkelde gemoedsaandoeningen uit te drukken. Ten opzichte van het punt van nabootsing verdient de sterke aandrift opmerking, die niet alleen onze naaste bloedverwanten, de apen, maar ook microcephale idioten49 (9), en de wilde [138]menschenrassen bezitten, om alles na te bootsen wat zij hooren. Daar de apen zonder twijfel veel verstaan van hetgeen door den mensch tegen hen wordt gezegd, en daar zij in den natuurstaat signaalkreten gebruiken om hun makkers voor gevaar te waarschuwen50, schijnt het niet geheel en al ongeloofelijk, dat het eene of andere bijzonder verstandige aapachtige dier op het denkbeeld is gekomen om het gehuil van een roofdier na te bootsen (10), om zijn medeapen den aard van het verwachte gevaar aan te toonen. En dit zou de eerste stap tot de vorming van een spraak zijn geweest.

Daar de stem meer en meer werd gebruikt, zouden de stemorganen meer en meer versterkt en volmaakt zijn geworden door het beginsel van de overgeërfde gevolgen van het gebruik en dit zou hebben teruggewerkt op het spraakvermogen. Maar de betrekking tusschen het voortgezet gebruik van de spraak en de ontwikkeling der hersenen is ongetwijfeld veel belangrijker geweest. De zielsvermogens van den eenen of anderen vroegeren voorvader van den mensch moeten ontwikkelder zijn geweest dan die van eenigen thans levenden aap, voor zelfs ook maar de minst volmaakte vorm van spraak in gebruik kon komen; wij kunnen echter gerust aannemen, dat het voortgezet gebruik en de vooruitgang van dit vermogen op den geest terugwerkte en dezen in staat stelde en aanmoedigde om lange ketens van denkbeelden aan elkander te schakelen. Een lange en samengestelde keten van denkbeelden kan evenmin worden aaneengeschakeld zonder behulp van woorden, hetzij uitgesproken of niet, als een lange berekening kan worden uitgevoerd zonder behulp van cijfers of algebraïsche teekens. Zelfs gewone aaneenschakelingen van gedachten schijnen bijna nog een soort van taal noodig te hebben, want men heeft opgemerkt, dat Laura Bridgman, een meisje dat tegelijkertijd doofstom en blind was, als zij droomde haar vingers gebruikte.51 Desniettemin kan een lange opeenvolging van levendige en met elkander verbonden denkbeelden den geest bezig houden zonder behulp van eenige soort van taal, zooals wij uit de lange droomen van honden mogen afleiden. Wij hebben gezien, dat jachthonden in zekere mate kunnen redeneeren; en dit doen zij klaarblijkelijk zonder behulp van een taal. De nauwe band tusschen [139]de hersenen, zooals zij nu bij ons zijn ontwikkeld, en het spraakvermogen wordt duidelijk aangetoond door die zonderlinge gevallen van hersenziekten, waarbij het spraakvermogen slechts gedeeltelijk is aangedaan, als b.v. het vermogen om zich zelfstandige naamwoorden te herinneren is verloren gegaan, terwijl andere woorden op juiste wijze kunnen worden gebruikt.52 Of waar zelfstandige naamwoorden van een zekere soort, of alle letters, behalve de beginletters van zelfstandige naamwoorden en eigennamen zijn vergeten. Het is niet onwaarschijnlijker, dat de gevolgen van het voortgezet gebruik van de spraak- en denkorganen erfelijk zijn (11), dan in het geval van het schrijven met de hand, dat gedeeltelijk van het maaksel van de hand en gedeeltelijk van den geestelijken aanleg afhangt; en de aanleg om goed te leeren schrijven is zonder twijfel erfelijk.53

Verschillende schrijvers, meer in het bijzonder Prof. Max Müller54, hebben in den laatsten tijd met aandrang beweerd, dat het gebruik van een taal het vermogen onderstelt om algemeene begrippen te vormen; en dat, daar men onderstelt dat geen dier dit vermogen bezit, hierdoor een onoverkomelijke slagboom tusschen dier en mensch wordt opgericht.55 Wat de dieren aangaat, heb ik reeds trachten aan te toonen, dat zij dit vermogen, ten minste de grove beginselen er [140]van, bezitten. Wat kinderen van tien of elf maanden oud en doofstommen aangaat, schijnt het mij ongeloofelijk, dat zij in staat zouden zijn om zekere klanken zoo snel in verband te brengen met zekere algemeene denkbeelden, als zij het doen, wanneer zulke denkbeelden niet reeds in hun geest waren gevormd. De zelfde opmerking kan worden uitgebreid tot de meer verstandige dieren; gelijk de heer Leslie Stephen opmerkt56, „vormt zich een hond een algemeen begrip van katten of schapen, en kent de overeenkomstige woorden even goed als een wijsgeer. En het vermogen van te verstaan is even goed een bewijs van begrip van spreken, hoewel in mindere mate, als het vermogen van zelf te spreken.”

Waarom de organen, die nu voor de spraak worden gebruikt, oorspronkelijk meer voor dit doel geschikt werden gemaakt, dan deze of gene andere organen, is niet moeielijk te begrijpen. Huber, die een geheel hoofdstuk aan de taal der mieren wijdt, heeft aangetoond, dat deze dieren een uitgebreid vermogen bezitten om elkander hun gedachten mede te deelen door middel van hun sprieten. (12) Ook wij zouden onze vingers met vrucht als spraakorganen kunnen gebruiken, want een persoon, welke met die kunst bekend is, kan een doof mensch ieder woord van een op een publieke vergadering uitgesproken redevoering overbrengen; maar het verlies van onze handen, als wij ze daarvoor hadden gebruikt, zou een ernstig bezwaar daartegen zijn geweest. Daar al de hoogere zoogdieren stemorganen bezitten, volgens het zelfde algemeene model gebouwd als de onze, en die worden gebruikt als een middel om elkander denkbeelden mede te deelen, was het natuurlijk waarschijnlijk, dat, als het vermogen om van denkbeelden te wisselen zich uitbreidde, het die zelfde organen zouden zijn, die verder werden ontwikkeld; en dit is geschied met behulp van naburige en daartoe zeer geschikte deelen, de tong en de lippen.57 Het feit dat de hoogere apen hun stemorganen niet gebruiken om te spreken, wordt ongetwijfeld veroorzaakt doordat hun verstand daartoe niet genoeg is ontwikkeld. Dat zij organen bezitten die na lang voortgezette oefening zouden kunnen zijn gebruikt om te spreken, hoewel zij daarvoor nu niet dienen, komt overeen met het feit, dat vele vogels organen bezitten die geschikt zijn voor den zang, en toch nooit zingen. Zoo komen [141]de stemorganen van den nachtegaal in maaksel overeen met die van de kraai, hoewel de eerste die gebruikt voor een afwisselend gezang en de laatste alleen om te krassen.58