[Inhoud]

AANTEEKENINGEN.

(1) Harer Majesteits Stoomschip „Beagle.” Met dit schip maakte Darwin een reis om de wereld, door hem beschreven in zijn werk: A Naturalist’s Voyage round the World; or, a Journal of Researches into the Natural History and Geology of the Countries, visited during the Voyage of H. M. S. „Beagle”, under the Command of Captain FitzRoy, R. N.”, London, John Murray.

(2) „Een slakprik.” De slakprik (Amphioxus lanceolatus) is de onvolkomenste soort van den typus der Gewervelde Dieren, binnen de grenzen waarin die nog kort geleden door onze dierkundigen (v. d. Hoeven, Harting, Lubach enz.) algemeen werd beperkt. In den ontwikkelingsgraad zijner organen wordt hij niet slechts door de meeste weekdieren, schaaldieren en insekten, maar zelfs door de meeste wormen overtroffen. Hij bezit geen wervelkolom, doch slechts een door een vezelige scheede omsloten ruggestreng (chorda dorsalis), evenals de embryo’s der overige werveldieren op een zeker tijdstip hunner ontwikkeling. Zijn bloed is niet rood, maar wit, en het hart wordt door kloppende vaten vervangen. Zijn darmkanaal is niet gekronkeld. De geslachtsdeelen zijn bij beide seksen van eenerlei maaksel. Nabij den anus vindt men een opening, waar het water uitstroomt, en die men derhalve als ademhalingsopening kan beschouwen; zij dient echter tevens tot ontlasting van het sperma en de eieren. De oudere dierkundigen brengen den slakprik tot de visschen, doch Haeckel en de meeste nieuwere beweren terecht, dat hij onder de werveldieren een afzonderlijke klasse vertegenwoordigt.

(3) Dit is onjuist; de beroemde Amerikaansche waarnemer Wilson (aangehaald in Wallace’s „Contributions to the Theory of Natural Selection”, 1870) heeft opgemerkt, dat er bij nesten van vogels van de zelfde soort verschillen bestaan, en het eene veel beter gemaakt is dan het andere, en schrijft dit daaraan toe, dat de minst volkomen nesten door jonge, de meer volkomen door oude vogels zijn gemaakt. Evenzoo zal een mensch, die voor het eerst beproeft een zeer eenvoudig werktuig of een kano na te maken, hierin wel min of meer slagen, maar zijn werk zal veel minder volkomen zijn dan dat van anderen die zulks meer hebben gedaan. Vogels die uit in kooien gelegde eieren zijn opgevoed, en dus nimmer den nestbouw hunner soort hebben gezien, bouwen, zelfs al geeft men hun de daartoe benoodigde materialen, of in het geheel geen nest, maar hoopen die materialen slechts ruwelijk op elkander, of zij bouwen (en dit is het minst voorkomende geval) wel een soort van nest, doch dit is veel onvolkomener dan het gewone nest hunner soort, en wijkt daarvan geheel af. De vogel moet even goed zijn nest leeren bouwen, als de mensch zijn huis (vergelijk aanteekening 6, hieronder). De Europeesche bever, die vroeger even fraaie dijken (blz. 114, onderste regel, staat: beek, lees: dijk) en hutten bouwde als de Amerikaansche, heeft die kunst geheel vergeten en graaft zich slechts een ruw hol. [150]

(4) Dril is de naam van Cynocephalus Leucophaeus, mandril die van Cynocephalus Mormon.

(5) Van ’t geheugen bij dieren is het volgende voorbeeld merkwaardig: Toen de bekende dierentemmer Martin zich reeds vóór jaren in het privaat leven had teruggetrokken, bekroop hem eens de lust, nog eenmaal zijn menagerie, die hij in geen vijf jaar had gezien, te bezoeken. Hij reisde van Rotterdam naar Brussel en trad tegen vier uur, den tijd waarop de dieren werden gevoederd, het gebouw binnen. Martin, in zijn mantel gehuld, mengde zich tusschen de menigte en wachtte, tot men den dieren hun voedsel zou geven. Op het oogenblik dat dit zou geschieden, begon hij te hoesten. Plotseling richtten alle dieren hun koppen op, luisterden, lieten een wild gehuil hooren en deden de ijzeren traliën onder hun rukken trillen, zoodat vele toeschouwers ijlings het gebouw verlieten. De papegaaien, kangoeroe’s, pelikanen en voornamelijk de apen begonnen te schreeuwen en te krijschen, de hyena’s en de wolven huilden—‘t was een helsch lawaai.

Nu trad Martin te voorschijn, gebood stilte en eensklaps zweeg alles. Hij sprong over de barrière welke de toeschouwers van de dieren scheidde, en stak de handen door de traliën, om de dieren te liefkozen. Een groote tijgerin betuigde luidruchtig haar vreugde. Toen Martin met zijn hand over de glanzige huid van het woeste dier streek, liep een zenuwachtig schokken door haar lichaam, zij stiet een zwak, zacht gebrul uit en lekte met haar ruwe tong het gezicht van haar vroegeren gebieder. Toen Martin zich verwijderde, ging ze liggen en liet haar voedsel onaangeroerd staan.

Na de tijgerin kreeg de leeuw Nero een bezoek. Nero was de zelfde ruwe gast die den dierentemmer eenmaal een stuk uit de heup had gebeten, waarvoor hij duchtig was gestraft. Sedert dien tijd had hij een ongekenden haat tegen zijn meester opgevat. Geen enkel bewijs van vreugde had hij tot nu toe gegeven—slechts had hij even den kop opgericht, en zijn oogen, die fonkelden als twee smaragden, op den binnentredende gericht. Rustig bleef hij achter in de kooi liggen, toen Martin hem naderde. De dierentemmer riep hem, doch hij gaf geen antwoord. Toen Martin zich echter verwijderde, richtte plotseling de leeuw zich op, wierp zich met zijn krachtige klauwen tegen de traliën en verscheurde nog een gedeelte van Martins mantel.

Wat het beoordeelen van tijdsruimten tusschen periodiek terugkeerende gebeurtenissen aangaat, haalt Prof. Harting daarvan het volgende merkwaardige voorbeeld aan in het „Album der Natuur”, 1852, blz. 214, in het stuk „Merkwaardige trekken uit het leven van paarden”, dat zeer gelezen verdient te worden door ieder, die nog niet overtuigd is, dat bij vele diersoorten meer dan alleen instinkt werkzaam is. „Een paard, gewoon met den bode van een provinciaal dagblad wekelijks de ronde te doen bij de geabonneerden, hield altijd geregeld van zelf op aan de deur van ieders woning, hoewel hun aantal tusschen zestig en zeventig beliep. Maar twee dier geabonneerden namen te zamen één exemplaar van het blad, in dier voege, dat zij het beurtelings het eerst ter lezing ontvingen. Weldra werd het paard aan deze schikking gewoon, en hoewel deze personen twee Engelsche mijlen van elkander verwijderd woonden, hield het geregeld op, zonder zich ooit te bedriegen, de eene week voor het huis des eenen, de andere voor dat des tweeden geabonneerden.”

Mij is nog een geval bekend van een oude juffrouw, die ’s morgens geregeld een rijtoertje maakte, en haar hond in het rijtuig medenam, uitgenomen Zondags, daar zij dan naar de kerk ging. De hond wist dit zoo goed, dat hij door de week onrustig werd, als hij het rijtuig hoorde aankomen, en dadelijk de voordeur uit en het portier insprong, als deze werden geopend. [151]Zondags echter bleef hij rustig in zijn mand liggen als het rijtuig aankwam en de voordeur werd geopend. Hij wist, dat hij dien dag niet mede ging.

Men vergelijke ook omtrent de geestvermogens der dieren: „Alb. d. Nat.” 1872. blz. 305, 1873, blz. 23, 58, 193.

(6) Een schoon bewijs, dat sommige dieren, even goed als de mensch, vatbaar zijn voor trapsgewijze ontwikkeling hunner geestvermogens; dat zij, om zoo te zeggen, in beschaving vooruit kunnen gaan, en b.v. hun architectuur kunnen verbeteren en hun woningen geschikter maken voor hun doel; dat het derhalve onwaar is, dat die woningen steeds in alle tijden op de zelfde wijze waren ingericht en slechts uit instinktmatige aandrift worden gebouwd, levert ons de gewone zwaluw (Hirundo urbica). Ponchet heeft aangetoond („Comptes Rendus”, No. 10, 1870), dat deze vogel in Frankrijk tegenwoordig een geheel ander nest bouwt, dan in het begin dezer eeuw, en de verschillen tusschen deze twee soorten van nesten en de voordeelen van het tegenwoordige boven het vroegere nauwkeurig beschreven. In de zelfde verhandeling worden meer andere voorbeelden aangehaald van vogels, die hun nestbouw wijzigden naar de omstandigheden. Hierbij voegt zich in den laatsten tijd het volgende nieuwe geval: De voortgang der beschaving in Zuid Afrika begint ook invloed uit te oefenen op de gewoonten van de wevervogels (Ploceus). Deze vogels zijn bijzonder gezellig van aard en bouwen hun merkwaardige hangende nesten, vervaardigd van zeer net en dicht samengeweven grashalmen, aan den oever eener rivier, waar zij dan hunne kunstig gebouwde woningen aan de takken van wilgeboomen bevestigen. Dikwijls ziet men wel twintig of dertig van die nesten aan een enkelen boom hangen. In Natal echter, waar het aantal boomen afneemt en dat der jongens die vogelnesten uithalen, toeneemt, hebben de wevervogels zich naar de omstandigheden geschikt en hangen thans hun nesten aan de telegraafdraden buiten bereik van den Natalschen kwajongen. Daarbij is de volgende bijzonderheid opgemerkt. Toen de nesten nog aan wilgentakken hingen, maakten de vogels de opening aan den bodem, hetgeen eene betere bescherming tegen slangen opleverde. Doch daar geen slangen langs de telegraafdraden bij de nesten kunnen komen, maken nu de vogels een meer gemakkelijken ingang aan de zijde van het nest.

Op Nieuw-Zeeland hebben de daar ingevoerde musschen hun nestbouw in dier voege gewijzigd, dat zij, waar puimsteenlagen zijn doorgehouwen, in gaten daarvan broeden. Zelfs schijnen zij zelven dergelijke gaten te boren, of ten minste dieper te maken. Door Grün werden dergelijke gaten van twee meters diepte gevonden („Nature, 1889).

Stelt men tegenover bovenstaande voorbeelden van gewijzigden nestbouw, dat de Arabieren nog heden in tenten wonen, die geheel overeenkomen met die, welke hun voorvaderen voor duizenden jaren gebruikten, dat de palmhutten der Zuid-Amerikanen en der Maleiers en de slijkdorpen der Egyptische Fellahs in oude tijden moeilijk onvolkomener kunnen zijn geweest dan thans, dan zal men onwederstaanbaar er toe worden gebracht om Wallace gelijk te geven, wanneer hij in zijn „Contributions to the Theory of Natural Selection” zegt: „Kortom, ik geloof, dat vogels hunne nesten niet uit instinkt bouwen, en dat de mensch zijn woningen niet met verstand opricht; maar dat vogels veranderen en verbeteren, wanneer zij door de zelfde oorzaken worden bewogen die de menschen er toe brengen zulks te doen, en dat menschen noch veranderen, noch verbeteren, als zij onder voorwaarden leven, welke overeenkomen met diegene, welke bij de vogels bijna algemeen heerschen.”

(7) Hier wordt de bruine rat (Mus decumanus, Pall.) bedoeld. Deze soort [152]is eerst in het laatst der vorige eeuw uit het Oosten naar westelijk Europa doorgedrongen, en heeft thans in vele streken de vroeger in ons werelddeel algemeen voorkomende zwarte rat (Mus Rattus, L.) verdrongen en bijna geheel uitgeroeid.

(8) Papegaaien schijnen van alle vogels de hoogst ontwikkelde geestvermogens te bezitten, en deze schijnen bij de individu’s van de zelfde soort van papegaai zeer veel te verschillen. Ook een zeer vertrouwbaar en geloofwaardig schrijver, namelijk Brehm, verzekert, dat er onder de papegaaien individu’s zijn, die zeer stellig de beteekenis der door hen uitgesproken woorden verstaan. „Wellicht de uitstekendste van alle papegaaien in het algemeen”, zegt Brehm („Thierleben”, Bd. III, blz. 23), leefde jaren lang te Weenen en Salzburg en vond gelukkig trouwe en vlijtige waarnemers. De mededeelingen van deze zijn reeds herhaaldelijk gedrukt; desniettemin moeten zij hier haar plaats vinden. Lenz heeft volkomen gelijk, als hij zegt, „dat wellicht nooit, zoolang er vogels op aarde leven, een papegaai of eenige andere vogel in kunst en wetenschap tot grootere hoogte is geklommen, dan deze papegaai, Jako genaamd” .… „Een vriend van wijlen mijn vader, graaf Gourcy Droitaumont, was de eerste, die in het jaar 1835 in Oken’s Isis een bericht omtrent dezen vogel gaf, dat overal verbazing wekte. Dit bericht heeft de laatste bezitter, president von Kleimayrn, op verlangen van onzen Lenz, volkomener gemaakt, en zoo kon deze het hem medegedeelde samenvatten, als volgt:

„Jako let op alles, wat om hem heên voorvalt, weet alles te beoordeelen, heeft op vragen het juiste antwoord, doet op bevel wat hem wordt gelast, begroet komenden, neemt afscheid van heengaanden, zegt slechts in de vroegte „guten Morgen”, en slechts ’s avonds „Gute Nacht”, vraagt om voeder, als hij honger heeft. Elk lid van het huisgezin roept hij bij zijn naam, en het eene staat hooger in zijn gunst dan het andere. Wil hij mij (Kleimayrn) bij zich hebben, dan roept bij: „Papa komm her!” Wat hij spreekt, zingt en fluit, draagt hij volkomen voor als een mensch. Soms toont hij zich in oogenblikken van geestdrift een improvisator, en zijn taal klinkt dan juist als die van een redenaar, dien men van verre hoort zonder hem te verstaan.

Nu volgt bij Brehm een opgaaf van al wat Jako sprak. Wij ontleenen hieraan slechts het volgende: „„Paperl, schiesz, schiesz, Paperl!72 Daarop schiet hij door luid roepen „Puh””.… „Hij luidt aan een klokje, dat aan zijn kooi is aangebracht, en roept luid: „Wer läut? Wer läut? Der Paperl.””.… „’s Hunderl ist da, a schön’s Hunderl ist da, gar a schön’s Hunderl!” Dan fluit hij den hond.—Hij vraagt: „Wie spricht’s Hunderl?” Dan blaft hij. Daarop spreekt hij: „Pfeif’n Hunderl!” Dan fluit hij den hond.—Als men hem beveelt: „Schiet!” dan schreeuwt hij „Puh!” Dan kommandeert hij behoorlijk: „Halt! richt Euch! Halt, richt! Macht euch fertig! Schlagt an; hoch! Feuer! Puh! Bravo, Bravissimo! Soms laat hij het „Feuer” weg en roept na het „Schlagt an; hoch!” dadelijk „Puh!” Waarop hij dan echter niet „bravo, bravissimo” laat volgen, alsof hij zich van zijn fout bewust was .…”

.… „Als zijn heer buiten koortijd uitgaat, roept de papegaai, al is hij ook den geheelen tijd stil geweest, bij het openen van de deur bijna altijd zoo recht goedhartig: „Bsiet Gott”;73—Waren er echter vreemde personen bij, dan roept hij als zij weggaan: „Bsiet Ihnen Gott!74 .…”” [153]

.… „De eigenaar van Jako had een kwartel. Toen deze in het voorjaar voor de eerste maal zijn pickerwick sloeg, draaide zich de papegaai naar zijn kant en riep: „Bravo! Paperl! Bravo!.…””

.… „Om te zien, of het mogelijk was hem een weinig zingen te leeren, koos men eerst zulke woorden, die hij buitendien kon uitspreken, b.v. als volgt: „Ist der schöne Paperl da? ist der brave Paperl da? ist der liebe Paperl da? ist der Paperl da? Ja, ja!”—Later leerde hij het liedje zingen: „O Pitzigi, o Pitzigi, blas anstatt meiner Fagot, blas anstatt meiner Fagot, blas, blas, blas, blas anstatt meiner Fagot, blas anstatt meiner Fagot!”—Hij heft ook accoorden aan en fluit een toonladder zeer gemakkelijk en zuiver op en af, fluit ook andere stukjes en trillers; hij fluit en zingt echter dit alles niet altijd in den zelfden toon, maar soms een halven of geheelen toon lager of hooger, zonder dat hij valsche tonen voortbrengt.—Te Weenen leerde hij een aria uit de opera Martha fluiten, en dewijl hem daarbij zijn leermeester ook naar de maat voordanste, bootste hij den dans ten minste hierdoor na, dat hij de voeten beurtelings ophief en daarbij het lichaam potsierlijk op en neêr bewoog.…”

.… „Kleimayrn stierf in het jaar 1853. Jako begon, en naar het scheen uit verlangen naar zijn geliefden meester, te sukkelen, werd in het jaar 1854 zeer verzwakt in een bedje gelegd en zorgvuldig verpleegd, snapte daar nog vlijtig, zeide dikwijls met een treurige stem: „Der Paperl ist krank, armer Paperl ist krank”, en stierf.”

Van een anderen Jako vernam Brehm (ibid., blz. 24) van een jonge dame het volgende:

„De papegaai waarvan ik iets wil mededeelen, werd ons door een man, die lang in Oost-Indië had geleefd, ten geschenke gegeven. Hij sprak reeds veel, doch alleen Hollandsch. Spoedig leerde hij echter Duitsch en Fransch. In deze drie talen sprak hij zoo duidelijk als een mensch. Daarbij was hij zoo oplettend, dat hij dikwijls spreekwijzen gebruikte, die hem nooit waren voorgezegd; hij wendde ze dan, tot aller verbazing, als de gelegenheid zich voordeed, hoogst gepast aan.

„Hij sprak afzonderlijke woorden en samenhangende volzinnen in de Hollandsche taal, bracht echter ook Hollandsche woorden verstandig tusschen Duitsche aan, als hij in deze laatste taal het passende woord niet kende of het hem niet inviel. Hij vraagde en antwoordde, vorderde iets en bedankte daarvoor; hij wendde de woorden met kennis van tijd, plaats en personen aan.

Papchen will „Klukkluk” machen (drinken).

Papchen will was zu fressen haben.” Kreeg hij het verlangde niet dadelijk, dan riep hij: „Papchen will und musz aber was zu fressen haben.” Gebeurde het nog niet, dan wierp hij alles door elkander, om zijn toorn lucht te geven.

Hij groette ’s morgens met „bonjour”, en ’s avonds met „bonsoir”; hij verlangde naar rust en nam afscheid. „Papchen will schlafen gehen.” Werd hij weggedragen, dan riep hij herhaaldelijk „bonsoir, bonsoir.”

„Zijn meesteres, die hem gewoonlijk voeder gaf, was hij uiterst genegen. Als hij voedsel van haar ontving, drukte hij haar kussend den snavel op de hand en zeide: „Küss’ der Frau die Hand.” Hij nam in alles deel wat zijn meesteres deed, en dikwijls riep hij, als hij haar ergens mede bezig zag, met oneindig komischen ernst: „Ja, was macht denn da die Frau?” En toen hij haar niet meer zag, omdat de dood haar had weggevoerd, voelde ook hij het verlies en de smart. Men had moeite om hem voedsel in te krijgen en in het leven te houden. Ja, dikwijls deed hij opnieuw de felle smart [154]der treurenden ontwaken, door te vragen: „Wo ist denn die Frau?”.…

.… Papchen, wie sagt denn Lottchen?” vraagde hij soms zich zelf en antwoordde daarop, even alsof die vraag door iemand anders was gedaan: „O, mein schönes, schönes Papchen, komm, küss mich.” En dat zeide hij met de juiste uitdrukking van teederheid zooals Lotje het maar kon zeggen. Zijn tevredenheid met zich zelf drukte hij met de woorden uit: „Ach, ach, wie ist doch das Papchen schön”, en daarbij streek hij zich met zijn pooten over den snavel.

„Hij was echter in geenen deele schoon, want ook hij had de slechte gewoonte, zich zijn vederen uit te trekken. Als tegenmiddel werden hem nu wijnbaden voorgeschreven, die men hem door middel van een fijnen gieter toediende. De baden waren hem hoogst onaangenaam: zoodra hij bemerkte dat men daartoe toebereidselen maakte, begon hij dringend te smeeken: „Papchen doch nicht nasz machen,—ach, das arme Papchen—nicht nasz—machen.”.…

.… „Een dikke majoor, dien hij goed kende, beproefde eens hem kunsten te leeren. „Ga op den stok, papje, op den stok!” beval de krijgsman. Papje was bepaald verdrietig. Doch plotseling lacht hij luid en zegt: „Major auf den Stock, Major!

„Een ander zijner vrienden had in langen tijd in het huis geen bezoek gebracht. Er werd daarover gesproken en men verwachtte, dat Roth, zoo heette degeen, naar wien men verlangde, heden wel zou komen. „Da kommt Roth”, zei papje plotseling:—hij had uit het venster gezien en den verwachte van verre herkend.

„Een zoon des huizes, George, werd na lange afwezigheid verwacht en daarover natuurlijk in het huisgezin gesproken. George kwam eerst ’s avonds laat aan, toen papje reeds in het donker zijner toegedekte kooi sliep. Na de eerste begroeting wendde zich de teruggekeerde tot aller lieveling en lichtte het overdek op: „Ah, George, bist du da? Das ist schön, sehr schön”, zeide de vogel.

„Hij had bemerkt, dat zijn meester, als hij naar het venster ging, dikwijls den rentmeester of Voigt uit den tuin naar boven riep. Zag hij nu, dat zijn meester wederom snel naar het venster ging, dan riep hij telkens de namen, maar van beiden, daar hij immers niet kon weten, wien zijn meester wilde roepen.

„Wat de vogel daarenboven nog heeft gesproken en gedaan, kan ik onmogelijk alles mededeelen; hij was een half mensch!.…”

.… „Hij floot verwonderlijk, vooral de wijs: „Ich dank dir schon durch deinen Sohn”; hij zong ook zeer prachtig: „Das Papchen musz ’mal singen” vermaande hij zich zelf, en dan begon hij:

„Perroquet mignon,

Dis moi sans façon,

Qu’ a-t-on fait dans ma maison

Pendant mon absence?

of

„Ohne Lieb und ohne Wein

Können wir doch leben.”

Nu stelde hij somtijds ook samen:

„Ohne Lieb und ohne maison,

Können wir doch leben.”

[155]

of

„Ein Kusz—sans façon.”

wat hem dan zoo vroolijk maakte, dat hij in een luid gelach uitbrak.”

.… „Papje had een treurig einde. Hij werd aan een oude verwante van het huis, die kinds was geworden en den vogel kinderlijk lief had gekregen, ten geschenke gegeven. Allen weenden, toen het heerlijke dier werd weggedragen; Papje weende wel is waar niet, maar kon toch de scheiding van zijn geliefkoosden niet verdragen; weinige dagen later was hij dood.”.…

.… „Onnoodig zou het zijn”, besluit Brehm (ibid., blz. 26), „om over de geestvermogens dezer vogels nog een woord te zeggen. Het bovenstaande spreekt voor zich zelf, en zooveel zal wel zelfs den meest bevooroordeelde duidelijk zijn, dat hier niet van zoogenaamd onbewust instinkt, maar slechts van helder verstand sprake kan zijn!

„Doch niet alleen over het verstand, maar ook over het gemoed van den grijzen papegaai75 zijn aardige waarnemingen bekend geworden. „Een vriend van mij”, verhaalt Wood, „bezat een vogel van deze soort, welke de liefste en beminnenswaardige pleegmoeder van andere kleine hulpbehoevende schepsels was. In den tuin van zijn eigenaar stonden een aantal rozestruiken, die door een hek van metaaldraad waren omgeven en met dichte slingerplanten dicht omsponnen. Hier nestelden een paar vinken, die voortdurend door de inwoners van het huis werden gevoederd, daar deze jegens alle dieren vriendelijk gezind waren. De vele bezoeken aan het rozeboschje vielen Polly, den papegaai, spoedig in het oog; zij zag, hoe daar voeder werd gestrooid en besloot een zoo goed voorbeeld te volgen. Daar zij zich vrij kon bewegen, verliet zij spoedig haar kooi, bootste den loktoon der oude vinken bedriegelijk na en sleepte den jongen hierop den eenen snavel vol met zijn voeder voor, den anderen na toe. Haar bewijzen van genegenheid jegens de pleegkinderen waren echter den ouden een weinig te onstuimig; onbekend met den grooten vogel, vlogen zij verschrikt heên, en Polly zag, dat thans de jongen geheel weezen waren geworden en dat voor haar zorgen de wijdste speelruimte open was. Van dat oogenblik af weigerde zij in haar kooi terug te keeren, bleef veeleer dag en nacht bij haar pleegkinderen, voederde ze zeer zorgvuldig en had het genoegen ze groot te brengen. Toen de kleinen konden fladderen, gingen zij op den kop en den hals van hun pleegmoeder zitten, en dan gebeurde het soms, dat Polly heel deftig met haar last rondwandelde. Toch oogstte de papegaai weinig dank in; nadat den jongen de slagpennen waren gegroeid, vlogen zij op en weg.

De arme Polly gaf eenigen tijd blijken van groot hartzeer, doch troostte zich spoedig daarop, daar zij gelegenheid vond haar moederlijke gevoelens door de verpleging van andere kleine wezens te bevredigen. Zij had jonge grasmusschen opgediept, die door het eene of andere ongeval weezen waren geworden. Deze bracht zij één voor één naar haar kooi en wist zich werkelijk met hen te verstaan.

(9) „Microcephale idioten.” Men moet deze wezens scherp van de andere idioten onderscheiden. Terwijl het gewone idiotisme moet worden verklaard door een ziekelijke misvorming, is het microcephalisme waarschijnlijk een atavisme, een terugkeer tot een vroeger type van organisatie (vergelijk aanteekening 9, blz. 38). Geboren uit normaal gevormde ouders, komen de microcephalen ter wereld met een hoeveelheid hersenen, te klein voor een [156]mensch, maar voldoende voor een apenleven.76 Zij zijn menschen door de geboorte, apen door het verstand. De kleinheid der hersenen gaat bij de microcephalen gepaard aan een zeer groote ontwikkeling van de wenkbrauwbogen, en zij vertoonen op den schedel sporen van de zelfde kammen en lijsten, die men op dien der volwassen anthropomorphen opmerkt (zeer belangrijk is in dit opzicht de vergelijking van de door Vogt in zijne „Vorlesungen über den Menschen”, Bd. I, fig. 44 en 45 gegeven, afbeeldingen van den schedel van een ouden chimpanzee en Tab. II, XI, XIV, XX van zijn verhandeling „Ueber die Microcephalen oder Affen-Menschen”). Terwijl andere idioten voor een zekere opvoeding vatbaar, doch dikwijls zeer dof en wezenloos zijn, leeren de microcephalen nooit spreken, doch zijn zeer vlug en levendig, en bezitten evenals de apen een merkwaardig vermogen van nabootsing.

(10) Deze oplossing van het raadsel door de theorie der klanknabootsing, voorgestaan door Farrer en Prof. Moltzer (Taal- en Letterbode II, blz. 173), wordt door Max Müller bestempeld met den spotnaam bow-bow-theorie. Terecht zegt echter de Groningsche Hoogleeraar (ibid., blz. 178): „de taal der kinderwereld is zeer rijk aan klanknabootsingen”, en met hem houden wij het voor zeker, dat in dit opzicht het kind overeenkomt met den natuurmensch. De oplossing zelve is daarmeê echter nog niet gevonden; want een kind dat den hond waf-waf noemt, articuleert reeds en het zwaartepunt ligt juist in de vraag: „Hoe is de mensch tot het uiten van gearticuleerde geluiden gekomen?” Daarop geeft ook de leer der gevoelsklanken of ontboezemingen geen voldoend antwoord. De klanknabootsingen zijn als gearticuleerde klanken, van te jongen, de ontboezemingen, voor zoover ze oorspronkelijk zijn, van te ouden datum. De oorspronkelijke ontboezemingen van pijn, toorn, angst, blijdschap enz moeten niet anders dan onduidelijke, meest samengestelde vocalen zijn geweest. Aau(w)! Ai! â(h)! zijn daarvan juister voorbeelden dan ach! helaas! enz. Met de zoogenaamde klankgebaren (Lautgeberde) eindelijk komen we tot de ontknooping, hoewel we aan het woord een ruimere beteekenis moeten geven dan men tot nog toe heeft gedaan. De geluiden, hier bedoeld, komen namelijk daarin overeen, dat zij een gebaar, een geste, vergezellen of vervangen. Vooral dit soort van geluiden kan men in de kinderkamer [157]onophoudelijk waarnemen, vóórdat de kleinen nog van een waf, een boe of een miauw weten. Minder gemakkelijk zijn ze intusschen te beschrijven of door graphische teekens voor te stellen. Uw kleine telg stoot b.v. zijn hoofd, en daar het genoegzaam zonder pijn afloopt, gelukt het u een afleiding te geven aan de dreigende waterlandertjes, door te vragen wat er aan scheelt, en ofschoon hij u daarvan geen volledig relaas kan geven, deelt hij u mee, dat hij zich heeft gestooten, en wel door het gebaar van zijn hoofdje en handje te vergezellen met een half gearticuleerd geluid, dat men zou kunnen noemen: de kiem van de K. Het min of meer vokaalachtig geluid, dat men er bij waarneemt, geeft iets van een zeer korte è of à. De intensiteit van die elementaire articulatie hangt af van de energie waarmee zij wordt geuit, en bestaat in het meer of minder dichtknijpen van de keel. Wanneer het kind, door de eene of andere behoefte of begeerte gedrongen, ongeduldig om hulp schreeuwt, krijgt de klank iets meer van de echte K. Is er echter meer verveling dan ongeduld in het spel, dan wordt het consonantisch element een onvolkomen NG., die echter meer neus- dan keelklank is en waarbij de geheele achterholte van den mond meêtrilt. Een daarmede overeenkomstig dreunend geluid wordt in het voorste gedeelte van den mond gevormd. Men zou het kunnen voorstellen door MN, terwijl het door de trilling van den neus, de tanden en de lippen wordt voortgebracht en den kleinen dient om bloot te roepen, te groeten of de opmerkzaamheid te trekken. Als middel om hun blijdschap of vroolijkheid te kennen te geven, gebruiken zij een geluid, dat een weinig meer bepaald is en tusschen I en J zweeft, terwijl het een heel enkele maal door een duidelijke â wordt gevolgd. Mengt zich nu de verveling, die het kind eenige minuten heeft moeten uitstaan, met de blijdschap over de eenigszins langzaam volbrachte vragende belofte: „Moet-i (moet ze) bij ma-tje komen?” dan hoort men NJ(A) of ook soms NGA of GA (fr. g).

Genoeg hierover. De spraakschat onzer zuigelingen is hiermede niet uitgeput; maar dat is ook voor ons doel niet noodig. Er moest alleen worden aangetoond, dat de consonanten oorspronkelijk inderdaad niet anders zijn dan gebaren, wier intensiteit onmiddellijk afhangt van de energie, waarmee ze worden voortgebracht. Daar nu deze weer in het nauwste verband staat met de ontwikkeling der hersenen78, zoo is de quaestie van het ontstaan der gearticuleerde taal opgelost door aan te nemen, dat de eerste onzer articuleerende stamvaders ten opzichte der hersenontwikkeling gunstiger bedeeld was dan zijn voorgangers, en wat er verder van te onderzoeken blijft, behoort om de zelfde reden tot de bevoegdheid der natuuronderzoekers, en niet tot die der taalkundigen.

Wanneer we nu het een en ander aangaande den oorsprong van ons spraakvermogen kort samenvatten, dan blijkt:

1o. Dat klanknabootsingen niet den overgang hebben gevormd tot de gearticuleerde taal.

2o. Dat deze voorafgegaan moeten zijn door ongearticuleerde gevoelsklanken, die de mensch ook op het dierlijkste standpunt moet hebben bezeten.

3o. Dat de overgang tusschen die beide waarschijnlijk gevormd is door zeer elementaire articuleeringen, die door ontwikkeling der hersenen als werktuig der energie allengs volkomener zijn geworden.

Met dat volkomener worden—en vermeerderen—der articuleeringen [158]ontstonden de woorden, die door de taalkundigen met den naam wortels worden bestempeld, d. z. woordvormen van één lettergreep, waaruit de later gevormde woorden zich hebben ontwikkeld. Voorbeelden daarvan, zijn i, gaan; ar, ploegen; ad eten; plu, vloeien enz.

Die wortels hadden geen bepaalde beteekenis: een en de zelfde wortel diende zoowel om een voorwerp, als om een werking of hoedanigheid aan te duiden, terwijl sommigen van hen uitsluitend dienden als aanwijzingen.79 Door allerlei wijziging en vooral door samenstelling van die oudste woordelementen zijn van lieverlede de echte woorden ontstaan80, die, door middel van rijzende en dalende klemtonen tot volzinnen vereenigd, de taal vormden, in die hoogere beteekenis die we tegenwoordig daaraan hechten, terwijl het verschil in bodem en klimaat, en vooral volksverhuizingen het onderscheid tusschen verschillende talen in het leven heeft geroepen. (Naar Dr. T. M. ten Bergen in zijn: „De begrafenis van den Duivel”, Rotterdam, J. H. Dunk, 1874.)

Sedert ik het bovenstaande schreef, is een geheel nieuw licht op den oorsprong der taal geworpen door Dr. C. Abel, in zijn „Sprachwissenschaftliche Abhandlungen”, Leipzig, 1885, Abh. VII, waarin hij met behulp van zijn Egyptische studiën de grondfout van alle tot dusver gedane onderzoekingen daaromtrent blootlegt, welke ligt in de valsche onderstelling, dat de taal altijd verstaanbaar zou zijn geweest. Aan de hiëroglyphische en koptische taal, die een vijfduizendjarige ontwikkeling omvat, en, in den aanvang op het peil der natuurvolken staande, aan het einde het standpunt der beschaafde volken bereikte, toont hij nu op de meest gelukkige wijze door vele voorbeelden van woorden aan, dat de ontwikkelingsgang dezer taal was „ein allmähliches Auftauchen aus vagen Ton und Sinn in gesonderten Laut und präzisierte Bedeutung.” Ook wat hij in Abh. VIII zegt omtrent den „Gegensinn der Urwörter”, dat namelijk oorspronkelijk zeer dikwijls twee volkomen tegenovergestelde begrippen (b.v. hooren en doof zijn, sterk en zwak enz.) door het zelfde woord worden uitgedrukt, is in dit verband hoogst merkwaardig. Evenzoo beteekent b.v. in het Latijn sacer zoowel heilig en eerwaardig, als goddeloos en afschuwelijk, imprecari zoowel bidden als verwenschen enz. Wij verwijzen verder naar het oorspronkelijke.

De gearticuleerde spraak wordt aangeleerd doordat het kind het spreken der menschen te midden waarvan het opgroeit, nabootst. Menschen, die lang in volslagen eenzaamheid leven, verliezen het spraakvermogen. Alexander Selkirk (het prototype van Robinson Crusoë) had na een vijfjarig eenzaam verblijf op het eiland Juan Fernandez het spraakvermogen bijna geheel verloren. De groote mogol Akbar deed, bij wijze van proef dertig kinderen te [159]zamen zoo opvoeden, dat zij niemand konden hooren spreken. Geen gearticuleerde tonen, geen taal of spraak ontwikkelde zich bij die kinderen.

Ook de verwilderde kinderen (zoogenaamde „wilde” menschen of „woudmenschen”, die men herhaaldelijk in Europa en elders heeft aangetroffen, en op welke wij in een latere aanteekening uitvoeriger terugkomen), spraken niet, brachten geen gearticuleerde tonen voort. Dat zij echter als kinderen in de wildernis of in afgelegen bosschen zonder hulp van oudere menschen konden opgroeien en in hun voeding voorzien, bewijst, dat ook bij de oudste menschengeslachten kinderen vroegtijdig den stam hebben kunnen verlaten, en afgescheiden van dezen kunnen zijn blijven voortleven en zich voortplanten. Wat in Europa in later eeuwen bij hooge uitzondering is geschied (men kent in dat werelddeel meer dan zestien gevallen van zulke „woudmenschen”) kan in zeer oude tijden zeer veelvuldig zijn voorgekomen en in plaats van enkele kinderen kunnen zoo geheele groepen van kinderen, die nog slechts enkele woorden konden spreken, zich van hun stam hebben afgescheiden en een nieuwe vereeniging hebben gegrond. Of zelfs als zij niet spraken, kan zich bij hun afstammelingen zelfstandig een taal hebben ontwikkeld. In beide gevallen zou die taal buitengewoon sterk afwijken of zelfs volstrekt geen gelijkenis vertoond hebben met die van den stam, waartoe zij oorspronkelijk behoorden. Op soortgelijke wijs zoekt Horatio Hale (in een verhandeling in Augustus 1886 in de anthropologische afdeeling van de „American Association for the Advancement of Science” voorgedragen), het ontstaan der verschillende groepen van talen, die in wortels en grammaticale structuur geheel van elkander afwijken, te verklaren door aan te nemen, dat zij zich hebben ontwikkeld uit verschillende onder kinderen ontstane dialecten, nadat de nog sprakelooze mensch zich over de aarde had verspreid. Waarom eerder onder de kinderen dan onder de volwassen sprakelooze menschen het spreken zou zijn ontstaan, zegt hij niet. Wij zouden eer aannemen, dat uit een afdeeling kinderen, die zich op zeer jeugdigen leeftijd, toen zij nog zeer onvolkomen konden spreken, van een (reeds sprekenden) stam afscheidden, een dialect kon ontstaan, dat zoowel in bijna alle wortelwoorden als in grammaticale structuur van de taal van den moederstam geheel afweek, en later ook de enkele wortels nog grootendeels verloor, die het met deze gemeen had. Enkele wortels (b.v. pa, ma,) komen zeer algemeen over de geheele wereld verspreid voor en hebben juist betrekking op begrippen, die het kind zeer vroeg krijgt. Wel is waar noemen enkele volken den vader ma en de moeder pa, maar het blijven toch namen van een der ouders.

(11) De heer J. Bikkers, tijdens het verschijnen der eerste uitgaaf van dit werk Adjunct-Hoofdonderwijzer aan de Inrichting voor Doofstommen-Onderwijs te Rotterdam, heeft mij verzekerd meermalen te hebben opgemerkt, dat doofstomme kinderen, wier ouders gebreken in de spraak hadden, b.v. lispelden, nadat men ze op kunstmatige wijze spreken had geleerd, die zelfde gebreken vertoonden. Deze kinderen hadden ze niet kunnen verkrijgen door nabootsing van huns vaders spraak, daar zij volkomen doof waren. De heer D. Hirsch, Directeur-Hoofdonderwijzer van voornoemde inrichting, deelde mij mede, dat J. G., een doofgeboren knaap, bij het spreekonderwijs een kortademigheid, „een krampachtige uitademing” vertoonde, welke hij bij zijn vader ook had waargenomen, welk gebrek, gedurende de acht jaren, welke J. G. aan de inrichting bleef, niet merkbaar werd overwonnen, en dat M. de G., een doofgeboren meisje, evenals haar moeder, een vooruitstekende onderkaak met groote tanden had, ten gevolge waarvan het gedurende de acht jaren, welke zij aan de inrichting vertoefde, niet mogelijk [160]was, haar tot die zuivere uitspraak te brengen, welke gemiddeld bij doofstommen met normale spraakwerktuigen is te bereiken; deze beide gevallen, welke volgens den heer Hirsch met zeer vele zouden te vermeerderen zijn, bewijzen ongetwijfeld een erfelijkheid in de conformatie der spraakwerktuigen, maar de bijzondere conformatie daarvan bij de ouders kan moeielijk worden bewezen een gevolg van het gebruik te zijn. Dr. Brester, leeraar aan de H. Burgerschool te Delft, deelde mij mede, dat een doofstomme Engelsche knaap, die te Rotterdam onderricht in het spreken had genoten, het Nederlandsch met een sterk Engelsch accent uitsprak; dit zou ongetwijfeld een prachtig voorbeeld zijn van de erfelijkheid van de gevolgen van het gebruik bij de spraakorganen; de heer Hirsch schreef mij echter, „dat hij geenszins de mogelijkheid wil betwisten, dat een opzettelijk kritisch onderzoek tot deze gevolgtrekking zou kunnen leiden, maar wel, dat genoemde waarneming wetenschappelijk vertrouwbaar is.” „Ik meen”, schrijft hij, „dat men—wetende, dat de knaap van Engelsche afkomst is—het vreemde in zijn spraak al te spoedig aan een volkseigenaardigheid heeft toegeschreven.” Later is echter in Frankrijk, Engeland en Spanje herhaaldelijk opgelet, dat doofstommen die spreken leerden, het accent bezaten van de streek, van waar zij afkomstig waren (zie: „Kosmos”, V. Jahrgang (1881), Heft II, blz. 387).

(12) In het „Album der Natuur”, 1857, blz. 380, vindt men aangetoond, dat ook de bijen elkander verstaan en een taal bezitten.

(13) Zie ook daarover Ferrière, het Darwinisme, in ’t Ned. vertaald door Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, ’s Hertogenbosch, van Heusden, 1874, waarin dit onderwerp zeer uitvoerig wordt behandeld.

(14) De priëelvogels zijn Australische vogels. Men onderscheidt vier soorten: den grooten priëelvogel, den gevlekten priëelvogel, den regentvogel en den satijnvogel. De laatste (Ptilorhynchus holosericeus) is de meest bekende. Hij heeft omtrent de grootte eener duif; het mannetje is glinsterend blauwzwart, het wijfje olijfkleurig. Zij bouwen een soort van kleine priëeltjes, samengesteld uit een vloer van dooreengevlochten twijgjes en een zich daarover heên verheffend gewelf, op de zelfde wijze gevormd. Zij versieren deze priëeltjes, die hun gedurende den paartijd tot tijdelijk verblijf strekken, doch waarin men nimmer eieren of jonge vogels aantreft, met allerlei bontgekleurde en blinkende voorwerpen, b.v. vederen van papegaaien en andere vogels, schelpjes, steentjes, en, als zij ze vinden kunnen, lapjes en snippers van gekleurde kleedingstoffen, stukjes blik of glas, enz. Een andere priëelvogel (Chlamydera maculata) bouwt met het zelfde doel dergelijke lusthoven, die echter aan beide zijden open zijn, en dus meer op onze ouderwetsche berceaux gelijken. Deze zijn soms een meter lang, van buiten met gras bekleed en van binnen met steentjes bestrooid, en weder met allerlei blinkende en bontgekleurde voorwerpen versierd. Wanneer de inlanders eenig klein voorwerp, b.v. een pijlspits, missen, zoeken zij het gewoonlijk in de nesten van deze beide soorten van vogels en vinden het daar dikwijls terug. (Harting, „De Bouwkunst der Dieren”, „Vlechters, Mandemakers, Wevers, Vilt- en Tapijtwerkers”, in het „Album der Natuur”, 1861, blz. 215, 216.)

(15) Door zendelingen en andere reizigers zijn dikwijls de bespottelijkste redeneeringen gehouden om te bewijzen, dat de eene of andere wilde stam een denkbeeld van het bestaan van een of meer goden had. Zoo zegt Kolben (aangehaald in Sir John Lubbock’s werk „l’Homme avant l’histoire”, Fransche vertaling van Barbier, blz. 343), eerst dat de Hottentotten „aucun [161]culte constitué” hadden. De oudste schrijvers beschouwden wel is waar sommigen hunner dansen als godsdienstige plechtigheden, maar deze zienswijze werd formeel tegengesproken door de inboorlingen zelven, hetgeen Kolben niet verhindert ons te verzekeren: „que c’étaient des actes religieux”, en er naïef bij te voegen: „quoi qu’en disent les Hottentots.”

(16) Bij sommige dieren bestaan ongetwijfeld de kiemen van het geloof aan geheimzinnige wezens van hoogere natuur. Terecht merkt Carl Vogt („Vorlesungen über den Menschen”, 1863, Bd. I, blz. 294) op: „De hond is klaarblijkelijk even bang voor spoken als de Bretagner of de Bask; elk verschijnsel dat hem treft en waarover zijn neus hem geen goede inlichtingen kan geven, brengt zelfs den moedigsten hond tot uitingen van de meest onzinnige vrees. Ik ken een boschje waarin zich volgens de overtuiging der boeren des nachts een vurige man ophield; als bewijs van het bestaan van dit vuurspook voerden zij aan, dat de honden in dat boschje ’s nachts bang waren en dat men honden die daarin ’s nachts eenmaal waren geweest, zelfs door slagen er niet meer toe kon krijgen om derwaarts terug te keeren. Het spook in welks nabijheid een overigens moedige hond zich niet dorst wagen, zelfs al ging zijn meester, mijn vader, met hem mede, was een witte, rottende boomstronk, die ’s nachts een lichtschijn van zich gaf. De vrees voor het bovennatuurlijke, voor het onbekende is de kiem der godsdienstige voorstellingen, zij is bij onze intelligente huisdieren, den hond en het paard, in hooge mate ontwikkeld. De kiem van deze voorstellingen wordt, evenals die van zoovele andere, slechts bij den mensch verder uitgewerkt tot een stelsel, tot een geloof. Met het zelfde recht, waarmede men het geloof aan iets bovennatuurlijks als een eigenschap beschouwt, die alleen aan den menschelijken geest eigen is, zou men zulks ook van de wiskunde kunnen beweren. Geen dier kent de wiskunde, de meetkunde—maar er zijn dieren, die ongetwijfeld kunnen tellen, al is het ook slechts tot weinige cijfers, en dat is de kiem van geheel het trotsche gebouw, dat de mensch heeft opgetrokken, en door middel waarvan hij de ruimten des hemels en der aarde heeft gemeten. Evenzoo bezit geen dier een geloof—maar het bezit de vrees voor het onbekende, en is het niet de vrees voor het onbekende, de godvreezendheid, waaruit de mensch de godsdiensten heeft ontwikkeld?” Men vergelijke ook het door mij vertaalde stukje van Eugène N. S. Ringueberg, „Een bijgeloovige hond” in „de Dageraad”, Juni 1883.

De talentvolle Fransche vertaalster van Darwin’s „Origin of Species”, Mme Clémence Royer, merkt in haar werk „Origine de l’Homme et des Sociétés”, Paris, 1870, blz. 86, zeer juist op: „Partout où nous constatons un certain degré d’intelligence et d’activité et la tracé d’une communicabilité quelconque entre deux êtres de même espèce, il peut exister ce commencement de science spéculative qui s’appelle une religion et qui par plusieurs côtés se reliant au sens social et moral, l’entrave ou le fortifie selon les cas. Ainsi pour l’animal domestique, pour le chien surtout, l’homme est peut-être un Dieu. On ne saurait expliquer sans un certain sentiment de vénération, sans une espèce d’instinct religieux, la passivité de son obéissance, sa fidélité, son dévouement, en dépit même des mauvais traitements. La reine abeille doit être un être divin pour sa ruche: lorsque deux reines combattent pour l’empire, qui ne peut appartenir qu’à l’une d’elles, nul ne trouble leur combat; le peuple attend la décision du sort et adorera la divinité victorieuse, tout comme la Grèce antique passait du culte d’Uranus au culte du fils qui l’avait mutilé, pour accepter plus tard celui de Jupiter, également usurpateur des droits divins de son père. Si les fourmis ont un langage descriptif et idéalogique, [162]elles peuvent avoir une mythologie où l’homme certainement ne joue pas le beau rôle. Ce doit être leur Siwah destructeur, leur Ahriman, leur Moloch. L’oiseau, dans son chant matinal, salue peut-être le soleil; Philomèle a voué sans doute son culte à la lune et aux étoiles; le pigeon voyageur doit être plus fort astronomie que les anciens pasteurs chaldéens ou que les pilotes phéniciens s’orientant à travers les déserts ou sur les flots de la mer Atlantique d’après l’étoile immobile de l’Ourse ou le lever héliaque de Sirius. Si rien de tout cela n’est prouvé, rien de tout cela n’est impossible, ni même improbable. Et de quel droit vient-on donc affirmer avec beaucoup moins de preuves encore, que chez l’homme seul existe l’instinct religieux?

(17) Over het vraagstuk van den oorsprong van het godsdienstig gevoel vergelijke men ons boekje: „Over den oorsprong der Godsdienstige Denkbeelden”, Amsterdam, J. F. Sikken, 1883. Wij zoeken den eersten oorsprong daarvan met Tito Vignoli („Mito e Science”, Milano, Fratelli Dumolard, 1879) daarin, dat het dier, gelijk Vignoli onwederlegbaar heeft bewezen (en derhalve moet zulks ook bij de dierlijke stamouders van den mensch het geval zijn geweest) bij alle dingen die voor zijn waarneming toegankelijk zijn, de onbestemde voorstelling heeft van een levend, bewust handelend wezen, dat elk voorwerp, elk verschijnsel voor het dier een virtueel willend ding, een levend wezen is, dat evenals hij zelf kan gevoelen en begeeren, dat de wereld voor hem een machtig samenwerken van levende en willende wezens is, zoodat de onophoudelijke stroom der dingen, waarin alles plaats heeft volgens de wetten die hem leven en bestaan verzekeren, voor hem slechts een groot drama is, gespeeld door vorm bezittende of ook vormlooze, doch altijd werkzame wezens, die nu eens tot zijn nut, dan weder tot zijn schade handelen, hem wel of kwaad gezind zijn, zich aangenaam of lastig toonen.81 Deze wijze van voorstelling, van welke bij de ruwste natuurvolken van den tegenwoordigen tijd nog onmiskenbare sporen in menigte voorhanden zijn82, was natuurlijk nog sterker aanwezig bij onze oudste menschelijke voorouders, die nog nauwelijks boven het dier verheven, ver beneden de wildste stammen van den tegenwoordigen tijd stonden. Zoodra hij zich boven den ontwikkelingstrap der hoogere anthropomorphen had verheven, vond dus de nauwelijks ontstane mensch in de voorstellingswijze van de buitenwereld welke hij van zijn dierlijke voorouders had geërfd, de kiem van een geheele mythologie, waarin de voorwerpen zelven (b.v. hemel en aarde, wolken, zon, maan, vuur, donder enz.) de goden waren en de ziel niet werd onderscheiden van het lichaam.

Zoodra echter het denkbeeld dat er ook levenlooze voorwerpen waren, [163]zich bij den mensch had ontwikkeld, zocht hij naar een oorzaak waaraan dit leven moest worden toegeschreven, en zoo kwam hij tot de hypothese van zielen of geesten, welke het eigenlijk levende zouden zijn dat in zijn verbinding met de doode stof aan deze laatste het leven geeft en die dikwerf met den adem, den wind, de schaduw enz. werden vereenzelvigd. Zoo komen wij tot den ontwikkelingstrap, welke Tylor het animisme noemt en als den oudsten vorm van godsdienst beschouwt. Ook droomen kunnen hierop grooten invloed hebben gehad, daar de menschen, van afgestorvenen droomend, later geloofden dat hun ziel hun was verschenen omdat zij wisten dat hun lijk was verrot en toch in geenen deele de objectieve realiteit van het gedroomde betwijfelden.83 Ook hallucinaties, zelfs van krankzinnigen, zullen niet zonder invloed zijn geweest.

Ware de evolutieleer er nog niet, dan zou men vele bezwaren tegen deze verklaring kunnen opwerpen, die ons toeschijnt zeer geleidelijk aan te geven op welke wijze de godsdienstige gevoelens zich bij den mensch zijn begonnen te ontwikkelen, maar op grond van de evolutieleer kan men met groote zekerheid zeggen: zij moeten op natuurlijke wijze allengs zijn ontstaan uit psychologische verschijnselen waarvan de kiemen reeds bij de dieren moeten zijn waar te nemen.

Angst, egoïsme, onkunde, van de dierlijke voorouders geërfde verkeerde voorstelling der buitenwereld, het voor objectief reëel houden van droomen en hallucinaties deden, naar het ons voorkomt, het eerste geloof (en niet slechts ’t mythisch spraakgebruik) ontstaan aan bovenmenschelijke wezens, van wie men afhankelijk was, het afhankelijkheidsgevoel dus, de godvreezendheid.

Sluwheid, beter inzicht, macht, egoïsme hielden deze ideeën wakker (geestelijken tegenover leeken).

Daarna treedt de symboliek op, waarmede onvermijdelijk het verval van den ouden godsdienst (incluis godsbegrip) gepaard gaat—„aus den Ruïnen blüht ein neues Leben empor”; rudimenten zijn in menigte aan te toonen; evenwel denkt men nu de eenige ware leer te bezitten, „trapt de ladder waar men langs is opgestegen, weg”, zoodra men weder vasten grond voelt, en vervolgt en veracht de oude oercel (ontwikkeling der hoogere godsdienstvormen uit de lagere).

Een schoone zedeleer wordt er in geweven, doch hoewel men zegt die als zwaartepunt aan te nemen, als hoofdzaak waarmede het geloof staat of valt, is daarvan in de handelingen, niet alleen van de leeken maar ook van de geestelijken, slechts al te weinig waar te nemen.

Geloof is bijgeloof, zegt Multatuli.

Geloof is het wezen van allen godsdienst, Prof. Tiele, in de Gids van Mei 1884.

Maar bij de dieren vindt men reeds duidelijke sporen van bijgeloof! (Vergelijk aant. 16.)

De conclusie is gemakkelijk te trekken! [164]