1 Het bewijs hiervan is te vinden in Lubbock’s „Prehistoric Times”, blz. 344 v.v. 

2Instinct chez les Insectes”. „Revue des Deux Mondes”, Febr. 1870 blz. 690. 

3The American Beaver and his Works”, 1868. 

4The Principles of Psychology”, 2nd edit., 1870, blz. 418–443. 

5Contributions to the Theory of Natural Selection”, 1870, blz. 212. 

6Recherches sur les Moeurs des Fourmis”, 1810, blz. 173. 

7 Al de volgende op autoriteit van deze twee geleerden medegedeelde feiten zijn ontleend aan Rengger,Naturges. der Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 41–57 en aan Brehm’s „Thierleben”, Deel 1, blz. 10–87. 

8 Aangehaald door Dr. Lauder Lindsay in zijn Physiology of Mind in the Lower Animals”, „Journal of Mental Science, April 1871, blz. 36. 

9Bridgewater Treatise”, blz. 263. 

10 W. C. L. Martin, „Nat. Hist. of Mammalia”, 1841, blz. 405. 

11 Aangehaald bij Vogt, „Mémoire sur les Microcéphales”, 1867, blz. 168. 

12 „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel I, blz. 33. 

13Ann. d. Scienc. Nat.” (1e Serie), tome XXII, blz. 397. 

14Les Moeurs des Fourmis”, 1810, blz. 150. 

15 Aangehaald in Dr. Maudsley’s Physiology and Pathology of Mind”, 1868, blz. 19, 220. 

16 Dr. Jerdon, „Birds of India”, vol. I, 1862, blz. XXI. Houzeau zegt, dat zijn parkieten en kanarievogels droomden: „Facultés Mentales”, tome II, blz. 136. 

17Fac. Ment.”, 1872, tome II, blz. 181. 

18 Het werk van den heer L. H. Morgan over „The American Beaver”, 1868, levert een goed voorbeeld hiervan op. Ik kan niet nalaten te denken, dat hij te ver gaat in het geringschatten van de macht van het instinkt. 

19Die Bewegungen der Thiere”, enz., 1873, blz. 11. 

20Facultés Mentales des Animaux”, 1872, tome II, blz. 265. 

21 Prof. Huxley heeft met bewonderenswaardige duidelijkheid de verstandelijke stappen geanalyseerd, waardoor een mensch, zoowel als een hond, tot een besluit komt in een dergelijk geval, als door mij in den tekst is medegedeeld. Zie zijn artikel: „Mr. Darwin’s Critics”, in de „Contemporary Review”, Nov. 1871, blz. 462, en in zijn „Critiques and Essays”, 1873, blz. 279. 

22The Moor and the Loch”, blz. 45. Kol. Hutchinson over „Dog Breaking”, 1850, blz. 46. 

23Personal Narrative”, Engelsche vertaling, vol. III, blz. 106. 

24 Aangehaald door Sir C. Lyell, „Antiquity of Man”, blz. 497. 

25 Voor meer bewijzen, met bijzonderheden, zie Houzeau, „Les Facultés Mentales”, tome II, 1872, blz. 147. 

26 Zie ten opzichte van vogels op oceanische eilanden mijn „Journal of Researches during the voyage of the Beagle”, 1845, blz. 398, „Ontstaan der Soorten”, Ned. Vert., 3de uitgaaf, blz. 309, 344. 

27 „Lettres Phil. sur l’Intelligence des Animaux”, nouvelle édit., 1802, blz. 86. 

28 Het bewijs hiervan is te vinden in hoofdst. I, Deel I, van „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten.” 

29Proc. Zool. Soc.”, 1864, blz. 186. 

30 Savage en Wyman in „Boston Journal of Nat. Hist.”, vol IV, 1843–44, blz. 383. 

31Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 51–56. 

32The Indian Field”, 4 Maart 1871. 

33Thierleben”, Bd. I, blz. 79, 82. 

34The Malay Archipelago”, vol. I, 1869, blz. 87. 

35Primaeval Man”, 1869, blz. 145, 147. 

36Prehistoric Times”, 1865, blz. 473 enz. 

37 De heer Hookham, in een brief aan Prof. Max Müller, in de „Birmingham News”, Mei 1873. 

38Conférences sur la Théorie Darwinienne”, Fransche vertaling, 1869, blz. 132. 

39 De weleerw. zeer gel. Heer Dr. J. M’Cann, „Anti-Darwinisme”, 1869, blz. 13. 

40 Aangehaald in „Anthropological Review”, 1869, blz. 158. 

41 Rengger, ibid. blz. 45. 

42 Zie mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Nederl. Vert., Deel I, blz. 32. 

43Facultés Mentales des Animaux”, tome II, blz. 346–349. 

44 Een verhandeling hierover vindt men in het zeer belangwekkende werk van den heer E. B. Tylor, „Researches into the Early History of Mankind”, 1865, chaps. II–IV. 

45 Ik heb hierover verschillende uitvoerige mededeelingen ontvangen. Admiraal Sir J. Sulivan, dien ik als een nauwkeurig waarnemer ken, verzekert mij, dat een Afrikaansche papegaai die lang in zijn vaders huis werd gehouden, steeds sommige personen der huishouding, zoowel als bezoekers, bij hun naam riep. Hij zeide iedereen bij het ontbijt „goeden morgen”, en „goeden avond” als zij ’s avonds de kamer verlieten, en verwarde die groeten nooit. Tegen Sir J. Sulivan’s vader placht hij bij het „goeden morgen” een korten volzin te voegen, dien hij na den dood van dezen nooit weer herhaalde. Hij schold heftig op een vreemden hond die door het open venster in de kamer kwam, en hij berispte een anderen papegaai, die uit zijn kooi was ontvlucht en bezig was appels op de keukentafel te snoepen, met de woorden: „Jou stoute Polly.” Zie over papegaaien ook Houzeau „Facultés Mentales”, tome II, blz. 309. Dr. A. Moschkau meldt mij, dat hij een spreeuw heeft gekend, die zich nooit vergiste met in het Duitsch „goeden morgen” te zeggen tegen personen die aankwamen, en „adieu, oude jongen”, tegen degenen die weggingen. Ik zou er verscheidene andere dergelijke gevallen bij kunnen voegen. (8) 

46 Zie eenige goede opmerkingen hierover door Prof. Whitney, in zijn „Oriental and Linguistic Studies”, 1873, blz. 354. Hij merkt op, dat de wensch naar gedachtenwisseling bij den mensch de levende kracht is, welke bij de ontwikkeling der taal „zoowel bewust als onbewust werkt; bewust, wat aangaat het doel dat men onmiddellijk wenscht te bereiken; onbewust, wat de verdere gevolgen der handeling aangaat.” 

47 Daines Barrington in „Philosoph. Transactions”, 1773, blz. 262. Zie ook Dureau de la Malle in „Ann. des Sc. Nat.”, 3ième série, Zool., tome X, blz. 119. 

48On the Origin of Language”, door H. Wedgwood, 1866;Chapters on Language”, door den weleerw. heer F. W. Farrer, 1865. Deze werken zijn zeer belangwekkend. Zie ook: „De la Phys. et de Parole”, door Albert Lemoine, 1865, blz. 190. Wijlen Prof. Aug. Schleicher’s werk over dit onderwerp is door Dr. Bikkers in het Engelsch vertaald, onder den titel van „Darwinism tested by the Science of Language”, 1869. 

49 Vogt, „Mémoire sur les Microcéphales”, 1867, blz. 169. Ten opzichte van wilden, heb ik eenige feiten vermeld in mijn „Journal of Researches”, enz., 1849, blz. 206. 

50 Zie het duidelijk bewijs hiervan in de reeds zoo dikwijls aangehaalde werken, bij Brehm en Rengger. 

51 Zie hierover de opmerkingen van Dr. Maudsley, „The Physiology and Pathology of Mind”, 2de uitgaaf, 1868, blz. 199. 

52 Hiervan zijn vele merkwaardige voorbeelden opgeteekend. Zie b.v. Dr. Bateman „On Aphasia”, 1870, blz. 27, 31, 53, 100, enz. Ook „Inquiries concerning the Intellectual Powers”, door Dr. Abercrombie, 1838, blz. 150. 

53 „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurpl.”, Ned. Vert., Deel I, blz. 502. 

54 Lezingen over „Mr. Darwin’s Philosophy of Language”, 1873. 

55 Het oordeel van een philoloog van naam, Dr. Whitney, zal omtrent dit punt van veel meer gewicht zijn dan iets dat ik kan zeggen. Hij merkt („Oriental and Linguistic Studies”, 1873, blz. 297), van Bleek’s beweringen sprekende, op: „Omdat over het algemeen gesproken de spraak de noodzakelijke helpster der gedachte is, onmisbaar voor de ontwikkeling van het denkvermogen, voor de duidelijkheid en verscheidenheid en ingewikkeldheid van de kennis, voor het verkrijgen van volkomen zelfbewustzijn, daarom zou hij de gedachte gaarne volstrekt onmogelijk maken zonder de spraak, het vermogen vereenzelvigende met het werktuig. Hij zou met juist evenveel reden kunnen verzekeren, dat de hand van den mensch niets kan verrichten zonder een werktuig. Met zulk een leer als uitgangspunt kan het niet anders of hij moet vervallen in de ergste drogredenen van Müller, dat een klein kind (in fans, niet sprekend) geen menschelijk wezen is, en dat doofstommen niet in het bezit van rede komen, vóór zij hun vingers hebben leeren gebruiken om gesproken woorden na te bootsen.” Max Müller („Lectures on Mr. Darwin’s Philosophy of Language”, 1873, 3e lezing) laat de volgende uitspraak cursief drukken: „Er is geen gedachte zonder woorden, evenmin als er woorden zonder gedachte zijn.” Welk een vreemde definitie moet hier aan het woord gedachte worden gegeven! 

56Essays on Free-thinking”, enz., 1873, blz. 82. 

57 Hierover zijn eenige goede opmerkingen te vinden bij Dr. Maudsley, „The Physiology and Pathology of Mind”, 1868, blz. 199. 

58 Macgillivray, „Hist. of British Birds”, vol. II, 1839, blz. 29. Een uitnemend waarnemer, de heer Blackwall, merkt op, dat de ekster afzonderlijke woorden en zelfs korte volzinnen spoediger leert uitspreken dan eenige andere Britsche vogel; echter heeft hij, zooals hij er bijvoegt, na lang en nauwkeurig zijn gewoonten te hebben onderzocht, nooit opgemerkt, dat deze vogel in den natuurstaat eenigen bijzonderen aanleg voor het nabootsen vertoont. „Researches in Zoology”, 1834, blz. 158. 

59 Zie de hoogst belangrijke vergelijking tusschen de ontwikkeling van soorten en talen, door Sir C. Lyell gegeven in „De Geol. Bewijzen voor de Oudheid v. h. Mensch. Geslacht”, in ’t Ned. vertaald door Dr. T. C. Winkler Zalt-Bommel 1861, Hoofdstuk XIII. (13) 

60 Zie hierover de opmerkingen van den weleerw. heer F. W. Farrar in een belangrijk artikel, getiteld „Philology and Darwinism, March 24 1870, blz. 528. 

61Nature”, 6 Jan. 1870, blz. 357. 

62 Aangehaald door C. S. Wake, „Chapters on Man”, 1868, blz. 101. 

63 Buckland, „Bridgewater Treatise”, blz. 411. 

64 Zie eenige goede opmerkingen over de vereenvoudiging van talen bij Sir J. Lubbock, „Origin of Civilisation”, 1870, blz. 278 (Ned. Vert. „De Oorsprong der Beschaving”, ’s Hertogenbosch, van Heusden, 1876, blz. 262–280). 

65The Spectator”, 4 Dec. 1869, blz. 1430. 

66 Zie een uitnemend artikel over dit onderwerp door den weleerw. heer F. W. Farrer in de „Anthropological Review”, Aug. 1864, blz. CCXVII. Voor verdere feiten zie Sir J. Lubbock „Prehistoric Times”, 2nd. edit. 1869 blz. 564, en vooral ook de hoofdstukken over den Godsdienst in zijn „Origin of Civilisation”, 1870. 

67The Worship of Animals and Plants”, in Fortnightly Review”, Oct. 1, 1869, blz. 422. 

68 Tylor „Early History of Mankind”, 1865, blz. 6. Zie ook de drie treffende hoofdstukken over de Ontwikkeling van den Godsdienst in Lubbock’s „Origin of Civilisation”, 1870. Op gelijke wijze verklaart de heer Herbert Spencer, in zijn vernuftige verhandeling in de „Fortnightly Review” (May, 1870, blz. 535) het ontstaan der vroegste vormen van godsdienstig geloof in de geheele wereld, doordat de mensch door droomen, schaduwen en andere oorzaken er toe werd gebracht, zich zelf een dubbel bestaan toe te kennen, een lichamelijk en een geestelijk. Daar het geestelijk wezen wordt ondersteld na den dood voort te bestaan en machtig te zijn, wordt het door verschillende giften en plechtigheden vereerd en wordt zijn hulp ingeroepen. Hij toont daarop verder aan, dat de namen of bijnamen van dieren of andere voorwerpen, aan de voorouders of hoofden van een stam gegeven, na verloop van tijd werden ondersteld den wezenlijken stamvader voor te stellen, en men gelooft dan natuurlijk, dat zulk een dier of voorwerp als geest voortleeft; [147]het wordt voor heilig gehouden en als godheid vereerd. Echter vermoed ik, dat er nog een vroeger en ruwer tijdperk van godsdienstige ontwikkeling heeft bestaan, waarin elk voorwerp, dat eenig vermogen of beweging bezat, werd ondersteld leven en geestvermogens te bezitten gelijk de mensch. 

69 Zie een uitstekend artikel over de psychische elementen van den godsdienst door den heer L. Owen Pike, in: „Anthropholog. Review”, April 1870, blz. 63. 

70Religion, Moral etc. der Darwinschen Art-Lehre”, 1862, blz. 53. 

71Prehistoric Times”, 2nd. ed., blz. 571. In dit werk kan men vele vreemde en zonderlinge gewoonten van wilde volksstammen verhaald vinden. 

72 De Duitsche woorden zijn hetgeen de papegaai zegt. 

73 God behoede U (enkelvoud). 

74 God behoede U (meervoud). 

75 Psittacus erithacus. 

76 De inhoud van den schedel varieerde bij tien door Vogt opgemeten microcephalen-schedels tusschen 272 en 622 kub. centimeter. Een normaal pasgeboren kind heeft omtrent 400 kub. centimeter schedelinhoud, en overtreft ⅔ dier microcephalen, waarvan zeven boven de twintig jaar oud waren, in hersencapaciteit. De inhoud van den schedel van een normaal kind van één jaar is omstreeks 900 kub. centimeter, van een van vijf jaar omstreeks 1150 kub, centimeter, van een volwassen Europeaan 1450 tot 1570 kub. centimeter, van een jongen chimpanzee 300 kub. centimeter, van een volwassen gorilla 460 tot 530 kub. centimeter.

Omtrent het gewicht der hersenen van pasgeboren jongens en meisjes heeft Mies onderzoekingen gedaan. Uit de resultaten van 203 wegingen berekent deze het gemiddeld gewicht van pasgeboren jongens (te Weenen) op 339,3 gram en dat van pasgeboren meisjes op 330 gram. Het lichtste gewicht was 170, het zwaarste 482 gram. Het hersengewicht van pasgeborenen staat tot hun lichaamsgewicht als 1 : 7 à 8,5. Mies woog alleen hersenen van kinderen die levend ter wereld waren gekomen.77 

77Wiener klinische Wochenschrift”, 1889. 

78 Vgl. „Lucifer” IV, blz. 266 on 267, benevens Bernstein, „Het leven der Planten, Dieren en Menschen”, vert. door Rissik, 2de druk, blz. 217. 

79 Max Müller, „De Uitkomsten van de Wetenschap der Taalk., vert. door G. Penon, I, 269. 

80 Om daarvan een voorbeeld te geven, ontleen ik het volgende aan M. Müller, t.a.p., II. 314–333.

De wortel Mar, die in het Sanskriet fijnmalen beteekent, en die o.a. ook den vorm Mal kan aannemen, heeft, behalve aan een menigte Grieksche, Indische, Latijnsche en andere vreemde woorden, het aanzijn geschonken aan deze, meest Nederlandsche woorden: malen, molen, molenaar, meel; fr. mort, fr. mortel, ons mortel (kalk), moorden; murg, merg; moer (as), meer; Miölner (de hamer van Thor), h.d. zermalmen, molm, mul; m.n.l. molde (moede) mol; mal, malen (suffen); (Karel) Martel, Mars; melken; mollig, malsch fr. mou (mol), mild, smart, eng. to smart, smelten eng. to melt; marmer h.d. Marmor, marbels en mulvers (knikkers), memorie

81 Veel overeenkomst heeft hiermede hetgeen Max Müller, „Vorlesungen über Urspr. u. Entw. der Religion”, blz. 214 (Die ältesten Begriffe) en 211 (Alles als thätig benannt) opmerkt. Ook Darwin duidt dit tijdperk der godsdienstige ontwikkeling in de vier laatste regels van noot 2 op blz. 128, (die in de eerste uitgaaf van de „Afst v. d. Mensch” niet voorkomen) zeer kort aan. 

82 Zelfs bij ons wordt dikwijls het woord „leven” gebruikt voor beweging, zelfs van levenlooze voorwerpen, b.v. „levend” water voor stroomend water. Bij een boschbrand hoorde ik eens een man zeggen: „Het vuur loopt zoo hard als een man te paard.” Evenzoo zegt ook de schooljongen: „De som wil niet uitkomen” en de keukenmeid: „De aardappels willen niet gaar worden” enz. en stellen dus de som en de aardappels enz. als levende, met een wil begaafde wezens voor. 

83 Vergelijk J. Lippert, „Seelencult”, die, wel wat eenzijdig, nagenoeg allen godsdienst van de vereering der zielen van voorouders afleidt.