De vormingswijze van de verschillende talen en van de verschillende soorten, en de bewijzen dat beide door een proces van trapsgewijze ontwikkeling zijn ontstaan, zijn merkwaardigerwijze de zelfde.59 Wij kunnen echter bij het opsporen van den oorsprong van vele woorden hooger opklimmen dan in het geval van de soorten; want wij kunnen nagaan, dat zij zijn ontstaan uit de nabootsing van verschillende klanken, evenals rijmende verzen. Wij vinden in onderscheidene talen treffende homologieën, veroorzaakt door gemeenschappelijke afstamming, en analogieën, veroorzaakt door een gelijksoortig vormingsproces. De wijze, waarop sommige letters of klanken veranderen, wanneer andere veranderen, gelijkt veel op correlatie van groei. In beide gevallen hebben wij reduplicatie van deelen, de gevolgen van lang voortgezet gebruik, enz. Het veelvuldig voorkomen van rudimenten, zoowel in talen, als bij soorten, is nog merkwaardiger. De letter m in het Engelsche woord am beteekent ik; zoodat in de uitdrukking: I am (ik ben) een overtollig en nutteloos rudiment behouden is gebleven. Ook in de spelling van woorden blijven dikwijls letters bestaan als rudimenten van oude wijzen van uitspraak. Talen kunnen evenals organische wezens worden geklassificeerd in groepen en ondergroepen; en zij kunnen worden geklassificeerd, hetzij natuurlijk volgens hun afstamming, hetzij kunstmatig volgens andere kenmerken. Heerschende talen en dialecten breiden hun gebied ver uit en leiden tot het trapsgewijze uitsterven van andere tongvallen. Een taal ontstaat evenals een soort, zooals Sir Lyell opmerkt, als zij eens is uitgestorven, nimmer opnieuw. De zelfde taal wordt nimmer op twee plaatsen tegelijk geboren. Twee verschillende talen kunnen met elkander worden gekruist en vereenigd.60 [142]Wij zien in elken tongval veranderlijkheid, en op den duur komen nieuwe woorden in gebruik; maar, daar het geheugen zijn grenzen heeft, sterven ook enkele woorden, zoowel als geheele talen langzamerhand uit. Zooals Max Müller61 juist heeft opgemerkt, „heeft in elke taal tusschen de woorden en grammatikale vormen een onophoudelijke strijd plaats. De beste, de kortste, de gemakkelijkste vormen, behouden voortdurend de overhand en zijn hun overwinning aan hun eigen innerlijke voortreffelijkheid verschuldigd.” Bij deze meer belangrijke oorzaken van het overleven van sommige woorden mag dunkt mij eenvoudig hun nieuwheid worden gevoegd; want er bestaat in ’s menschen geest een sterke voorliefde voor kleine veranderingen in alle dingen. Het overleven of behouden blijven van sommige begunstigde woorden in den strijd voor het bestaan is natuurkeus.
De volkomen regelmatige en verwonderlijk ingewikkelde bouw van de talen van vele wilde volken is dikwijls aangevoerd als een bewijs, hetzij van den goddelijken oorsprong van deze talen, hetzij van de groote kunstvaardigheid en voormalige hoogere beschaving van hen die ze spreken. Zoo schrijft b.v. F. von Schlegel: „Bij die talen, welke op den laagsten graad van verstandelijke ontwikkeling schijnen te staan, merken wij dikwijls een zeer groote mate van kunstvaardigheid en van zorgvuldige bewerking in haar grammatikale struktuur op. Dit is vooral het geval met het Baskisch en het Laplandsch, en velen der Amerikaansche talen.”62 Het is echter ongetwijfeld een dwaling van eenige taal te spreken, als van iets kunstmatigs, dat met voordacht zorgvuldig bewerkt en naar een vaste methode zou zijn gevormd. De taalkundigen nemen tegenwoordig aan, dat de uitgangen van vervoegingen, verbuigingen enz. oorspronkelijk afzonderlijke woorden waren, doch later met de hoofdwoorden werden verbonden, en daar zulke woorden de duidelijkste betrekkingen tusschen zaken en personen uitdrukken, is het niet te verwonderen, dat zij door de meeste menschenrassen wellicht reeds in de vroegste eeuwen gebruikt zijn. Wat volmaaktheid aangaat, zal het volgende voorbeeld het beste aantoonen, hoe gemakkelijk wij kunnen dwalen: Een Crinoïde bestaat somtijds uit niet minder dan [143]150,000 schelpstukken63, allen met volmaakte symmetrie volgens uit een punt uitstralende lijnen gerangschikt; maar een natuuronderzoeker beschouwt daarom een dergelijk dier niet als volmaakter dan een bilateraal dier dat uit vergelijkenderwijze weinig deelen bestaat, maar waarbij geen van deze aan een ander gelijk is behalve aan de tegenovergestelde kanten van het lichaam. Hij beschouwt terecht de differentiatie en specialisatie van de organen als het kenmerk van volmaaktheid. Evenzoo met de talen; de meest symmetrische en samengestelde behooren niet hooger geacht te worden dan die, welke vol onregelmatige en verkorte uitdrukkingen en bastaardwoorden zijn, doch aan verschillende overwinnende of overwonnene of geïmmigreerde volken uitdrukkingsvolle woorden en nuttige vormen van constructie hebben ontleend.
Uit deze weinige en onvolledige opmerkingen trek ik het besluit, dat de uiterst ingewikkelde en regelmatige bouw van vele barbaarsche talen geen bewijs is, dat zij hun oorsprong aan een bijzondere scheppingshandeling zijn verschuldigd.64 Evenmin vormt, zooals wij hebben gezien, het bezit van een gearticuleerde spraak op zich zelf een onoverkomelijke tegenwerping tegen het geloof, dat de mensch zich uit den eenen of anderen lageren vorm heeft ontwikkeld.
Schoonheidsgevoel.—Men heeft verklaard, dat het schoonheidsgevoel alleen aan den mensch eigen was. Ik zal hier alleen spreken van het behagen dat men schept in zekere kleuren, vormen en geluiden, dat met recht schoonheidsgevoel kan worden genoemd; bij beschaafde menschen staan dergelijke gewaarwordingen in nauw verband met ingewikkelde denkbeelden en aaneenschakelingen van gedachten. Wanneer wij echter zien, hoeveel moeite mannelijke vogels zich geven om hun vederen en prachtige kleuren aan de wijfjes te vertoonen, terwijl andere niet aldus versierde vogels zich die moeite niet geven, valt het onmogelijk te betwijfelen, dat de wijfjes de schoonheid van hun mannelijke makkers bewonderen. Daar de vrouwen zich overal met deze vederen versieren, kan de schoonheid daarvan niet worden betwist. Gelijk wij later zullen zien, zijn de nesten der kolibries en de lustprieeltjes der prieelvogels (14) smaakvol versierd met vroolijk gekleurde voorwerpen; en dit bewijst, dat zij in het zien van dergelijke zaken een zekere soort [144]van behagen scheppen. Bij de groote meerderheid der dieren is echter de smaak voor het schoone, voor zoover wij er over kunnen oordeelen, beperkt tot de aantrekkelijkheid die de andere sekse voor hen bezit. De zoete tonen, door vele mannelijke vogels gedurende het jaargetijde der liefde voortgebracht, worden zeker door de wijfjes bewonderd, van welk feit later bewijzen zullen worden medegedeeld. Zoo de wijfjes niet in staat waren de schoone kleuren, de versierselen en den zang van hun mannelijke makkers te bewonderen, zou al de moeite en zorg die deze besteden om hun bekoorlijkheden aan de wijfjes te vertoonen, nutteloos zijn, en dit is onmogelijk aan te nemen.
Waarom sommige schitterende kleuren en sommige tonen ons aangenaam aandoen als zij in harmonie met elkander zijn, kan, geloof ik, evenmin worden verklaard, als waarom sommige geuren en smaken ons behagen; maar de gewoonte staat daarmede in eenig verband, want hetgeen eerst onze zintuigen onaangenaam aandeed, wordt ten laatste aangenaam, en gewoonten worden overgeërfd. Wat geluiden aangaat, heeft Helmholtz tot op zekere hoogte volgens physiologische beginselen verklaard, waarom harmonieën en sommige toonvallen aangenaam zijn. Maar behalve dit, zijn geluiden die zich veelvuldig met onregelmatige tusschenruimten herhalen, in hooge mate onaangenaam, gelijk iedereen zal toegeven, die ’s nachts aan boord van een schip naar het onregelmatige klapperen van een touw heeft geluisterd. Het zelfde beginsel schijnt bij het gezicht in het spel te komen, daar het oog de voorkeur geeft aan symmetrie of figuren waarin sommige trekken regelmatig terugkomen. Dergelijke patronen worden zelfs door de laagste wilden als versierselen gebruikt, en zijn door seksueele teeltkeus tot opsiering van sommige mannelijke dieren ontwikkeld geworden. Hetzij wij al dan niet eenige oorzaak kunnen aangeven van het vermaak, aldus door het gezicht en het gehoor gegeven, staat het in elk geval vast, dat zoowel de mensch als vele lagere dieren gelijkelijk behagen scheppen in de zelfde kleuren, bevallige schakeering en vormen, en de zelfde geluiden.
De smaak voor het schoone, ten minste voor zoover vrouwelijke schoonheid er bij betrokken is, is zeker in den menschelijken geest niet van een bijzondere natuur; want hij is zeer verschillend bij de onderscheidene menschenrassen, gelijk later zal worden aangetoond, en is zelfs bij de verschillende natiën van een en het zelfde ras niet geheel en al de zelfde. Te oordeelen naar de afgrijselijke versierselen [145]en de even afgrijselijke muziek waarin de meeste wilden behagen scheppen, zou men kunnen beweren, dat hun aesthetisch gevoel minder hoog ontwikkeld is dan dat van vele dieren, bij voorbeeld van vogels. Het spreekt van zelf, dat geen dier in staat is tooneelen als den nachtelijken sterrenhemel, een schoon landschap of klassieke muziek te bewonderen; maar barbaren en personen van weinig opvoeding scheppen daarin ook geen behagen, daar het gevoel daarvoor afhankelijk is van beschaving en ingewikkelde aaneenschakelingen van denkbeelden.
Het kon niet missen, of vele vermogens, die den mensch onschatbare diensten hebben bewezen bij zijn trapsgewijze ontwikkeling, zooals verbeeldingskracht, verwondering, nieuwsgierigheid, een onbestemd schoonheidsgevoel, de aandrift tot nabootsing en de lust naar prikkeling of naar het nieuwe, moesten hem leiden tot de grilligste veranderingen van gewoonten en smaak. Ik zinspeel hierop, omdat onlangs een schrijver65 op den allerzonderlingsten inval is gekomen om grilligheid te verklaren „voor een der merkwaardigste en meest typische punten van verschil tusschen wilden en dieren.” Wij kunnen echter niet alleen begrijpen, hoe het komt dat de mensch grillig is, maar ook de lagere dieren zijn, zooals wij later zullen zien, grillig in hun afkeer en in hun schoonheidsgevoel. Er bestaan derhalve goede gronden om te onderstellen, dat zij het nieuwe beminnen, alleen omdat het nieuw is.
Geloof in God; Godsdienst.—Er zijn geen bewijzen, dat de mensch oorspronkelijk was begaafd met het veredelend geloof in het bestaan van een Almachtig God. Integendeel zijn er duidelijke bewijzen, niet ontleend aan reizigers die haastig een land doortrokken, maar aan menschen die lang onder wilde volken hebben gewoond, dat er talrijke rassen hebben bestaan en nog bestaan, die geen denkbeeld hebben van één of meer goden, en die in hun taal geen bewoordingen hebben om dat denkbeeld uit te drukken.66 (15) Dit vraagstuk is natuurlijk geheel onderscheiden van het veel belangrijker, of er een Schepper en Bestuurder van het heelal bestaat; en dit is door sommigen der grootste vernuften die ooit hebben geleefd, bevestigend beantwoord. [146]
Indien wij evenwel in het begrip „godsdienst” het geloof opnemen aan onzichtbare of geestelijke krachten, krijgt de zaak een geheel ander aanzien; want dit geloof schijnt bijna algemeen bij de minder beschaafde rassen te worden gevonden; en het is niet moeielijk te begrijpen hoe dit geloof ontstond. Zoodra de verbeeldingskracht, verwondering en nieuwsgierigheid, die belangrijke geestvermogens, gepaard aan een zekere mate van redeneerkracht, zich gedeeltelijk hadden ontwikkeld, moest de mensch er natuurlijk naar streven om een begrip te verkrijgen van hetgeen om hem voorviel; en onbestemd beginnen na te denken over zijn eigen bestaan.
Zooals de heer M’Lennan67 heeft opgemerkt, „moet de mensch voor zich zelf de eene of andere verklaring uitdenken van de verschijnselen des levens; en te oordeelen naar de algemeenheid daarvan, schijnt de eenvoudigste hypothese, die het eerst bij den mensch opkwam, te zijn geweest, dat de natuurverschijnselen moeten worden toegeschreven aan het aanwezen in dieren, planten, zaken en natuurkrachten van geestvermogens die tot handelen aanzetten, evenals de mensch zich bewust is, zelf te bezitten.”
Het is ook waarschijnlijk, zooals de heer Tylor duidelijk heeft aangetoond, dat droomen de eerste aanleiding hebben gegeven tot het begrip van geesten; want de wilden onderscheiden subjectieve en objectieve indrukken niet duidelijk van elkander. Wanneer een wilde droomt, gelooft hij, dat de gedaanten die voor hem verschijnen, van een afstand komen en zich dan aan hem vertoonen, of „de ziel van den droomer gaat op reis en komt terug met een herinnering aan hetgeen zij heeft gezien.”68 [147]
Maar zoo niet de bovengenoemde vermogens, verbeeldingskracht, nieuwsgierigheid, rede enz. behoorlijk in ’s menschen ziel ontwikkeld waren geweest, zouden de droomen hem geen aanleiding hebben gegeven om in geesten te gelooven, evenmin als dit het geval is bij den hond.
De neiging der wilden, om zich te verbeelden, dat natuurlijke voorwerpen en krachten onder den invloed staan van geestelijke of levende wezens, wordt misschien opgehelderd door een kleine waarneming, die ik zelf heb gedaan: mijn hond, een volwassen en zeer schrander dier, lag op het grasperk gedurende een warmen en stillen dag, toen een licht windje op een kleinen afstand toevallig een geopende parasol in beweging bracht, iets waarop de hond in het geheel niet zou hebben gelet, als er iemand had bijgestaan. In dit geval echter huilde en blafte de hond hevig, zoo dikwijls de parasol zich maar even bewoog. Ik houd het er voor, dat hij op snelle en onbewuste wijze bij zich zelf de gevolgtrekking heeft gemaakt, dat een beweging zonder blijkbare oorzaak het bestaan van een vreemden, levenden invloed aanduidde en dat geen vreemdeling het recht had zich op zijn erf te begeven. (16)
Het geloof aan geestelijke krachten kon lichtelijk overgaan in het geloof aan één of meer goden. De wilden toch moesten aan de geesten wel de zelfde hartstochten, de zelfde wraakzucht of eenvoudigsten vorm van rechtsgevoel en de zelfde gevoelens van genegenheid toeschrijven, die zij zelven bezaten. De Vuurlanders schijnen in dit opzicht in een overgangsperiode te zijn; want toen de scheepsdokter van de „Beagle” eenige jonge eenden voor een verzameling van naturaliën schoot, zeide York Minster op de plechtigste wijze: „O! mijnheer Bynoc, veel regen, veel sneeuw, veel wind”; en dit was blijkbaar naar zijn meening een straf voor het verkwisten van menschelijk voedsel. Zoo verhaalde hij bij een andere gelegenheid, dat, toen zijn broeder een „wild man” had gedood, het lang stormde, regende en sneeuwde. Het is ons evenwel niet gelukt te ontdekken, of de Vuurlanders gelooven in wat wij een god zouden noemen of eenige godsdienstige plechtigheden verrichten; en Jemmy Button beweerde met verschoonbaren trots stoutweg, dat er in zijn land geen duivel was. Deze laatste bewering is te meer opmerkenswaardig, [148]daar bij de wilden het geloof aan kwade geesten veel algemeener is dan dat aan goede.
Het godsdienstig gevoel is iets samengestelds, daar het bestaat uit liefde, geheele onderwerping aan een verheven en geheimzinnig hooger wezen, een krachtig gevoel van afhankelijkheid69, vrees, eerbied, dankbaarheid, hoop op de toekomst en misschien nog andere bestanddeelen. Geen wezen kon zulk een samengesteld gevoel bezitten, voordat zijn verstandelijke en zedelijke vermogens een meer dan middelmatigen graad van ontwikkeling hadden bereikt. Wij zien echter een verwijderde toenadering tot deze geestesgesteldheid in de groote liefde van den hond voor zijn meester, gepaard aan een volkomen ondergeschiktheid, een weinig vrees en wellicht nog andere gevoelens. Het gedrag van een hond, wanneer hij zijn meester, als deze eenigen tijd afwezig is geweest, terugziet, en ik mag er bijvoegen dat van een aap na zijn oppasser in lang niet te hebben gezien, is zeer verschillend van dat tegenover hun makkers. In het laatste geval bemerkt men minder vreugdebetoon, elke handeling toont meer het gevoel van gelijkheid aan. Prof. Braubach70 gaat zoo ver van te beweren, dat een hond zijn baas als zijn God beschouwt. (17)
De zelfde zielsvermogens, die er den mensch eerst toe brachten aan onzichtbare geestelijke machten, daarna aan het fetichisme, vervolgens aan het polytheïsme en eindelijk aan het monotheïsme te gelooven, moesten hem, zoolang zijn verstandelijke vermogens maar zwak waren ontwikkeld, noodzakelijk tot velerlei bijgeloovigheden en vreemde gewoonten leiden. Velen daarvan zijn afschuwelijk om aan te denken, b.v. het offeren van menschelijke wezens aan een bloeddorstig god; het onderzoek van onschuldige personen door ’t godsoordeel van vergif of vuur, hekserij enz.—en toch is het niet ongepast over al die bijgeloovigheden na te denken; want zij toonen ons, hoeveel wij zijn verschuldigd aan de ontwikkeling van ons verstand en aan de meerdere kennis71, die wij hebben verkregen. Terecht heeft Sir John Lubbock opgemerkt: „dat men niet te veel zegt, als men beweert, dat er een verschrikkelijke vrees voor onbekend kwaad, gelijk een dikke wolk over [149]het leven der wilden heenzweeft, en elk hunner genoegens verbittert.” Deze ellendige en middellijke gevolgen van onze hoogste vermogens kunnen worden vergeleken bij de nu en dan opgemerkte toevallige vergissingen van de instinkten der lagere dieren. ( 18 )