Het is mijn voornemen niet hier de onderscheidene zoogenaamde menschenrassen te beschrijven; maar te onderzoeken, welke de waarde der tusschen dezelve bestaande verschillen is uit het oogpunt der klassificatie en op welke wijze zij zijn ontstaan. Bij het bepalen, of twee of meer verwante vormen moeten worden beschouwd als soorten of als verscheidenheden, worden de natuuronderzoekers geleid door de volgende overwegingen, te weten: de hoegrootheid van het verschil tusschen hen; of die verschillen op weinige of op vele punten van het maaksel betrekking hebben; of die verschillen uit een physiologisch oogpunt belangrijk, en of zij standvastig zijn. Vooral de standvastigheid der kenmerken wordt door de natuuronderzoekers op hoogen prijs gesteld en gezocht. Zoodra kan worden aangetoond, of het waarschijnlijk is, dat de vormen die men onderzoekt, gedurende een lang tijdvak onveranderd zijn gebleven, wordt dit een bewijsgrond van veel gewicht om ze als soorten te beschouwen. Zelfs een geringe mate van onvruchtbaarheid tusschen twee vormen, als men ze kruist, of tusschen hun bastaarden, wordt algemeen beschouwd als een beslissend bewijs, dat het twee afzonderlijke soorten zijn; en hun voortdurend bestaanblijven in een zelfde streek, zonder dat zij zich met elkander vermengen, wordt gewoonlijk [330]beschouwd als genoegzaam bewijs, hetzij van een zekere mate van wederkeerige onvruchtbaarheid, of bij dieren van een zekeren afkeer om met elkander te paren.

Onafhankelijk van het ontstaan van bastaarden door kruising, is het volkomen ontbreken in een goed doorzochte streek van verscheidenheden die twee nauw verwante vormen met elkander verbinden, waarschijnlijk het belangrijkste van alle kriteria van hun soortelijk verschil; en dit is een overweging die eenigszins verschilt van eenvoudige bestendigheid van kenmerken; want twee vormen kunnen hoogst veranderlijk zijn, zonder daarom nog tusschen hen beide instaande verscheidenheden voort te brengen. De geographische verspreiding is dikwijls onbewust en soms ook met opzet in aanmerking genomen; want gewoonlijk beschouwt men vormen die in twee ver van elkander gelegen gebieden leven, waarin de meeste andere bewoners soortelijk verschillend zijn, eveneens als verschillende soorten; maar in wezenlijkheid helpt ons dit niet om geographische rassen van zoogenaamde goede of ware soorten te onderscheiden.

Laten wij nu deze algemeen aangenomen beginselen op de rassen van den mensch toepassen, hen in den zelfden geest beschouwende als een natuuronderzoeker dit elk ander dier zou doen. Wat de hoegrootheid van het verschil tusschen de rassen aangaat, moeten wij eenigszins in rekening brengen, dat ons onderscheidingsvermogen daarvoor vrij wat is verscherpt door de langdurige gewoonte om op ons zelven te letten. Hoewel in Indië, zooals Elphinstone opmerkt1, een pas aangekomen Europeaan eerst de verschillende rassen van inboorlingen niet van elkander kan onderscheiden, schijnen zij hem toch weldra uiterst ongelijk; en de Hindoe kan eerst volstrekt geen onderscheid zien tusschen de verschillende Europeesche volken. (1) Zelfs de het meest van elkander afwijkende menschenrassen, zekere neger-stammen uitgezonderd, gelijken in vorm veel meer op elkander, dan men a priori zou onderstellen. Dit wordt goed bewezen door de Fransche photogrammen van menschen, tot verschillende rassen behoorende, in de „Collection Anthropologique du Muséum”, waarvan de meesten, gelijk vele personen, aan wie ik ze toonde, hebben opgemerkt, voor Europeanen zouden kunnen doorgaan. Desniettegenstaande zouden die menschen, als men ze levend zag, ongetwijfeld zeer verschillend schijnen, zoodat klaarblijkelijk [331]eenvoudig de kleur van het vel en haar, geringe verschillen in de gelaatstrekken en de uitdrukking daarvan grooten invloed op ons oordeel uitoefenen.

Het valt echter niet te betwijfelen, dat de verschillende rassen, als men ze zorgvuldig vergelijkt en meet, veel van elkander verschillen,—zooals in den aard van het haar (2), de betrekkelijke verhoudingen van alle deelen van het lichaam2, de grootte der longen, den vorm en de grootte van den schedel en zelfs in de hersenwindingen.3 (3) Het zou echter een eindelooze taak zijn om de punten, waarin hun maaksel verschilt, op te noemen. De rassen verschillen ook in gestel, in geschiktheid tot het wonen onder een bepaald klimaat, en in vatbaarheid voor verschillende ziekten. Hun geestelijke kenmerken zijn ook zeer onderscheiden, zooals vooral blijkt uit den aard hunner gemoedsaandoeningen, maar gedeeltelijk ook uit hun verstandelijke vermogens. Iedereen, die de gelegenheid tot vergelijking heeft gehad, moet getroffen zijn door het kontrast tusschen de stilzwijgende, ja, zelfs norsche inboorlingen van Zuid-Amerika en de luchthartige, babbelachtige negers. Ongeveer het zelfde kontrast bestaat er tusschen de Maleiers en Papoea’s4, die onder de zelfde physische voorwaarden leven, en slechts door enge zeearmen van elkander worden gescheiden.

Wij zullen eerst de bewijsgronden beschouwen, die men kan aanvoeren ten gunste der meening, dat de menschenrassen als afzonderlijke soorten behooren te worden gerangschikt, en daarna die, welke daartegen pleiten. Indien een natuuronderzoeker, die nooit te voren zulke wezens had gezien, een Neger, Hottentot, Nieuw Hollander of Mongool met elkander moest vergelijken, zou hij dadelijk bespeuren, dat zij in een menigte van kenmerken, sommige van weinig, andere van groot belang, van elkander verschilden. Bij nader onderzoek zou hij vinden, dat zij ingericht waren om in zeer verschillende klimaten te leven, en dat zij een weinig in lichaamsgestel en geestelijken aanleg verschilden. [332]Indien men hun dan zeide, dat honderden dergelijke voorwerpen uit de zelfde landen konden worden overgebracht, zou hij zeker verklaren, dat zij even goede soorten waren, als vele waaraan hij gewoon was geweest bepaalde soortnamen te geven. Dit besluit zou zeer worden versterkt, zoodra hij zich had overtuigd, dat deze vormen alle gedurende vele eeuwen de zelfde kenmerken hadden behouden, en dat negers, blijkbaar volkomen gelijk aan de thans bestaande negers, reeds voor minstens 4000 jaar hadden geleefd.5 Hij zou ook van een uitnemend waarnemer, Dr. Lund6, hooren, dat de menschelijke schedels, in de holen van Brazilië gevonden, begraven in gezelschap van die van vele uitgestorven zoogdieren, tot het zelfde type behoorden als die welke thans over het geheele Amerikaansche vasteland heerscht. (5)

Onze natuuronderzoeker zou dan wellicht overgaan tot de geographische verspreiding, en hij zou dan waarschijnlijk verklaren, dat vormen die niet slechts in uiterlijk verschilden, maar pasten voor de heetste en vochtigste of droogste landen, zoowel als voor de poolstreken, soortelijk verschillend moesten zijn. Hij zou zich kunnen beroepen op het feit, dat in de groep welke het nauwst met den mensch verwant is, namelijk de apen, geen enkele soort een lage temperatuur of eenige aanmerkelijke klimaatsverandering kan weêrstaan en dat men er nimmer in is geslaagd om die soorten welke den mensch het meest nabijkomen, [333]zelfs in het gematigde klimaat van Europa tot hun volwassen leeftijd toe in leven te houden. Het feit, dat het eerst door Agassiz is opgemerkt7, dat de verschillende menschenrassen over de wereld zijn verspreid in de zelfde zoölogische gewesten als die welke door ontwijfelbaar verschillende soorten en geslachten van zoogdieren worden bewoond, zou een diepen indruk op hem maken. Dit is kennelijk het geval met de Nieuw-Hollandsche, Mongoolsche en Neger-rassen; op minder sterk sprekende wijze met de Hottentotten, maar duidelijk met de Papoea’s en de Maleiers, die, zooals de heer Wallace heeft aangetoond, ongeveer door de zelfde lijn worden gescheiden, welke het Indische zoölogische gewest van Insulinde van het Australische scheidt. (6) De inboorlingen van Amerika zijn over dat geheele vasteland verspreid en dit schijnt eerst tegen bovenvermelden regel te strijden; want de meeste voortbrengselen van de zuidelijke en de noordelijke helft verschillen zeer; eenige weinige levende vormen, zooals de buidelratten of opossums, gaan echter van de eene in de andere over, evenals vroeger sommige reusachtige Tandelooze Dieren (Edentata) deden. De Eskimo’s strekken zich, evenals andere pooldieren, rondom over de geheele poolstreek uit. (7) Men moet bedenken, dat de zoogdiervormen die de verschillende zoölogische gewesten bewonen, niet in de zelfde mate van elkander verschillen, zoodat het moeielijk als een tegenstrijdigheid kan worden beschouwd dat de Neger meer en de inboorlingen van Amerika veel minder van de andere menschenrassen verschillen dan de zoogdieren der zelfde vastelanden van die van de andere gewesten. Men mag er bijvoegen, dat de mensch oorspronkelijk geen enkel oceanisch eiland schijnt te hebben bewoond; en in dit opzicht gelijkt hij op de andere leden van zijn klasse.

Om te bepalen of de verscheidenheden van een of ander huisdier als soortelijk verschillend moeten worden gerangschikt, dat is, of eene of meer daarvan van een afzonderlijke wilde soort afstammen, zou elk natuuronderzoeker veel gewicht hechten aan het feit, zoo dit was bewezen, dat hun uitwendige parasieten soortelijk verschilden. Des te meer gewicht zou aan dit feit worden gehecht, daar het geheel exceptioneel zou zijn; want de heer Denny heeft mij medegedeeld, dat de verschillende rassen van honden, en evenzoo die van kippen en van duiven, in Engeland door de zelfde soorten van luizen (Pediculi) worden [334]geplaagd. Nu heeft de heer A. Murray zorgvuldig de luizen onderzocht in verschillende landen op de verschillende menschenrassen verzameld8; en bevonden, dat zij niet slechts in kleur, maar ook in het maaksel hunner klauwen en ledematen verschilden. In elk geval, waarin talrijke voorwerpen werden verkregen, waren de verschillen standvastig (constant). De scheepsdokter van een walvischvaarder in den Stillen Oceaan verzekerde mij, dat, wanneer de luizen, waarvan sommige Sandwich-eilanders aan boord krioelden, op de lichamen van de Engelsche matrozen verdwaalden, zij binnen den tijd van drie of vier dagen stierven. Deze luizen waren donkerder gekleurd dan en schenen verschillend van die der inboorlingen van Chili in Zuid Amerika, waarvan hij mij voorwerpen gaf. Deze schenen op haar beurt grooter en veel zachter dan Europeesche luizen. De heer Murray verschafte zich vier soorten uit Afrika, namelijk van de Negers van de Oost- en Westkust, van de Hottentotten en de Kaffers; twee soorten van de inboorlingen van Nieuw-Holland, en twee uit Zuid-Amerika. In deze laatste gevallen mag men veronderstellen, dat de luizen afkomstig waren van inboorlingen die verschillende streken bewoonden. Bij insekten beschouwt men geringe afwijkingen van maaksel, als zij standvastig (constant) zijn, algemeen als soortkenmerken; en het feit, dat de menschenrassen worden geplaagd door parasieten die soortelijk van elkander verschillen, kan men gerust doen gelden als een uitnemend bewijs, dat die rassen zelven als afzonderlijke soorten moeten worden gerangschikt.

Wanneer onze onderstelde natuuronderzoeker zoover met zijn onderzoek was gevorderd, zou hij vervolgens onderzoeken, of de menschenrassen, als zij zich met elkander kruisten, in meerdere of mindere mate onvruchtbaar waren. Hij zou dan het werk9 van een behoedzaam en wijsgeerig waarnemer, Professor Broca, kunnen raadplegen, en zou daarin goede bewijzen vinden, dat sommige rassen volkomen vruchtbaar met elkander waren, maar ook bewijzen van tegenovergestelden aard ten opzichte van andere rassen. Zoo heeft men verzekerd, dat de vrouwelijke inboorlingen van Nieuw-Holland en van Diemensland zelden kinderen voortbrengen bij Europeesche mannen; het is tegenwoordig echter gebleken, dat de bewijzen hiervoor bijna volstrekt geen waarde hebben. De bastaarden worden door de zwarten van onvermengd bloed gedood, en onlangs is een verhaal publiek gemaakt van elf bastaarden, tegelijkertijd [335]vermoord en verbrand en wier overblijfselen door de politie werden gevonden.10 (8) Men heeft ook wel beweerd, dat mulatten, als zij met elkander huwen, weinig kinderen voortbrachten; Dr. Bachman van Charleston11 verzekert daarentegen ten stelligste, dat hij mulattenfamilies heeft gekend, die gedurende verscheidene generaties onderling waren gehuwd, en voortdurend gemiddeld even vruchtbaar waren als zuivere blanken of zuivere zwarten. Onderzoekingen, weleer hieromtrent door Sir C. Lyell ingesteld, leidden hem, naar hij verzekert, tot het zelfde besluit. In de Vereenigde Staten omvatte de volkstelling voor het jaar 1854, volgens Dr. Bachman, 405 751 mulatten; en dit getal schijnt, alle omstandigheden in aanmerking genomen, klein; maar dit kan wellicht gedeeltelijk worden toegeschreven aan hun lage en onregelmatige plaats in de maatschappij en aan de losbandige levenswijze der vrouwen. De mulatten moeten zich voortdurend in zekere mate in de negers oplossen, en dit moet leiden tot een schijnbare vermindering van het aantal der eersten. In een werk dat vertrouwen verdient12, wordt van de mindere levenskracht der mulatten als van een bekend feit gesproken; maar dit is iets geheel anders dan hun verminderde vruchtbaarheid en kan moeilijk worden beschouwd als een bewijs voor het soortelijk verschil der stamrassen. Ongetwijfeld zijn zoowel dierlijke als plantaardige bastaarden, wanneer zij zijn voortgebracht door uiterst verschillende soorten, onderhevig aan een vroegen dood; maar de ouders van mulatten kunnen niet tot de categorie van uiterst verschillende soorten worden gebracht. Het gewone muildier, zoo bekend wegens zijn lang leven en kracht, en echter zoo onvruchtbaar, toont, hoe weinig noodzakelijk verband er bij bastaarden bestaat tusschen verminderde vruchtbaarheid en levenskracht; andere soortgelijke gevallen zouden hierbij kunnen worden gevoegd. [336]

Zelfs wanneer het later zou worden bewezen, dat alle menschenrassen volkomen vruchtbaar met elkander waren, zou hij, die wegens andere redenen er toe overhelde om ze als verschillende soorten te beschouwen, terecht kunnen aanvoeren, dat vruchtbaarheid en onvruchtbaarheid geen veilige kenteekenen van soortelijk verschil waren. Wij weten, dat veranderde levensvoorwaarden of huwelijken tusschen bloedverwanten gemakkelijk op deze hoedanigheden inwerken en dat zij worden beheerscht door zeer samengestelde wetten, bij voorbeeld die van ongelijke vruchtbaarheid van wederkeerige kruisingen tusschen de twee zelfde soorten. Bij vormen, die ontwijfelbaar als verschillende soorten moeten worden gerangschikt, bestaat er een volledige reeks van die welke bij kruising volkomen onvruchtbaar zijn, tot die welke bijna volkomen of volkomen vruchtbaar zijn. De graden van onvruchtbaarheid vallen niet volkomen samen met de graden van verschil in uiterlijk maaksel en levenswijze. De mensch mag in vele opzichten worden vergeleken met die dieren welke sinds langen tijd zijn getemd, en men kan een menigte bewijzen bijbrengen ten gunste van de leer van Pallas13, dat de temming een neiging [337]doet geboren worden tot opheffing der onvruchtbaarheid, die zoo algemeen wordt waargenomen bij de kruising van soorten in den natuurstaat. Uithoofde dezer verschillende overwegingen zou men terecht kunnen aanvoeren, dat de volkomen onvruchtbaarheid bij de kruisingen tusschen de verschillende menschenrassen, als zij was bewezen, ons nog niet volkomen zou beletten om ze als verschillende soorten te beschouwen.

Onafhankelijk van de vruchtbaarheid, heeft men soms gemeend, dat de aard van het kroost dat uit een kruising ontstaat, bewijzen leverde, of de stamvormen als soorten of als verscheidenheden moesten worden gerangschikt; maar na die bewijzen zorgvuldig te hebben bestudeerd, ben ik tot het besluit gekomen, dat dergelijke algemeene regels geen vertrouwen verdienen. Het gewone resultaat van een kruising is het voortbrengen van een gemengden of tusschenliggenden vorm, maar in sommige gevallen gelijken sommige nakomelingen zeer op den éénen ouderlijken vorm, en andere op den anderen. Dit is vooral het geval, wanneer de ouders verschillen in kenmerken, die eerst als plotselinge variaties of monstruositeiten zijn verschenen.14 Ik wijs hierop omdat Dr. Rohlfs mij mededeelt dat hij in Afrika dikwijls heeft gezien dat de kinderen uit een kruising van negers met andere rassen, hetzij volkomen zwart of geheel blank of enkele malen zwart en wit gevlekt waren. Daarentegen is het algemeen bekend, dat in Amerika de mulatten tusschen die der stamrassen in liggende kenmerken vertoonen.

Wij hebben nu gezien, dat een natuuronderzoeker zich volkomen gerechtigd zou mogen gevoelen om aan de menschenrassen den rang van afzonderlijke soorten toe te kennen; want hij heeft bevonden, dat zij zich onderscheiden door vele verschillen in maaksel en gesteldheid, waarvan sommige belangrijk zijn. Deze verschillen zijn ook gedurende zeer lange tijdperken bijna onveranderd (constant) gebleven. De verbazende [338]verbreiding van den mensch, die een groote uitzondering is in de klasse der zoogdieren, zoo de mensch als een enkele soort wordt beschouwd, zal ook eenigermate invloed op zijn besluit hebben gehad. Hij zal getroffen zijn door de verdeeling der verschillende zoogenaamde rassen over verschillende gewesten, in verband met die van andere ongetwijfeld soortelijk van elkander verschillende zoogdieren. Eindelijk zou hij er op kunnen wijzen, dat de wederzijdsche vruchtbaarheid van alle rassen nog niet volkomen is bewezen, en zelfs als zij was bewezen, nog geen volstrekt (absoluut) bewijs zou zijn, dat zij tot een enkele soort behoorden.


Laten wij thans de zaak uit een tegenovergesteld oogpunt beschouwen. Als onze onderstelde natuuronderzoeker onderzocht, of de vormen van den mensch evenals gewone soorten onverbasterd naast elkander bleven voortbestaan, als zij in een en het zelfde land in groot aantal dooreengemengd leefden, zou hij dadelijk ontdekken, dat dit geenszins het geval is. In Brazilië zou hij een hoogst talrijke bastaardbevolking van Negers en Portugeezen zien; in Chili en andere deelen van Zuid-Amerika zou hij zien, dat de geheele bevolking bestond uit Indianen en Spanjaarden in verschillende graden met elkander gekruist.15 In vele deelen van het zelfde vasteland zou hij de meest samengestelde kruisingen tusschen Negers, Indianen en Europeanen ontmoeten, en dergelijke driedubbele kruisingen leveren, naar het Plantenrijk te oordeelen, het sterkste bewijs voor de wederkeerige vruchtbaarheid der stamvormen. Op één eiland in den Stillen Oceaan zou hij een kleine bevolking van gemengd Polynesisch en Engelsch bloed aantreffen (10); en in den Fidji-archipel een bevolking van in alle graden met elkander gekruiste Polynesiërs en Negrito’s. Vele overeenkomstige gevallen zouden hierbij kunnen worden gevoegd, bij voorbeeld, in Zuid-Afrika. Derhalve zijn de menschenrassen niet verschillend genoeg om zonder vermenging naast elkander te blijven bestaan; en dit is het, dat in alle gewone gevallen het gebruikelijke bewijs levert van soortelijk verschil.

Onze natuuronderzoeker zou ook zeer in de war geraken, als hij bemerkte, [339]dat de onderscheidene kenmerken van elk menschenras in hooge mate variabel waren. Dit treft iedereen, als hij voor het eerst de negerslaven in Brazilië ziet, die uit alle deelen van Afrika zijn ingevoerd. De zelfde opmerking houdt steek bij de Polynesiërs en bij vele andere rassen. Het mag worden betwijfeld, of er één kenmerk zou kunnen worden opgenoemd, dat voor een ras onderscheidend en tevens standvastig (constant) is. Wilden, zelfs binnen de grenzen van éénen en den zelfden stam, zijn lang zoo eenvormig van kenmerken niet, als dikwijls is gezegd. Hottentotsche vrouwen vertoonen eenige kenmerken welke sterker zijn uitgedrukt dan die van eenig ander ras, en toch is het bekend, dat deze niet standvastig voorkomen. (11) Bij de onderscheidene Amerikaansche stammen bestaan aanmerkelijke verschillen in kleur en behaardheid; evenals zulks bij de Afrikaansche Negers met de kleur tot op zekere hoogte, en met den vorm der gelaatstrekken in hooge mate het geval is. In den vorm van den schedel heerscht bij sommige rassen zeer veel verscheidenheid16; en evenzoo is het met elk ander kenmerk. Nu hebben alle natuuronderzoekers door duur gekochte ondervinding geleerd, hoe overijld het is soorten te bepalen met behulp van onstandvastige kenmerken.

De gewichtigste van alle bewijsgronden tegen het beschouwen van de menschenrassen als verschillende soorten, is echter, dat zij trapsgewijze, in vele gevallen, voor zoover wij kunnen oordeelen, onafhankelijk van hun onderlinge kruising, door trapsgewijze overgangen worden verbonden. De mensch is zorgvuldiger bestudeerd, dan eenig ander organisch wezen; en toch heerscht onder bevoegde rechters het grootste verschil van gevoelen, of hij als ééne soort of ras moet worden beschouwd, of als twee (Virey) (12), als drie (Jacquinot), als vier (Kant), vijf (Blumenbach), zes (Buffon), zeven (Hunter), acht (Agassiz), elf (Pickering), vijftien (Bory St. Vincent), zestien (Desmoulins), twee-en-twintig (Morton), zestig (Crawfurd), of als drie-en-zestig, volgens Burke17 (13). Dit verschillend oordeel bewijst niet, dat de rassen niet als soorten moeten [340]worden gerangschikt, maar het bewijst, dat zij in elkander overgaan, en dat het nauwelijks mogelijk is duidelijke onderscheidende kenmerken tusschen hen te vinden.

Ieder natuuronderzoeker die het ongeluk heeft gehad om de beschrijving te ondernemen van een groep organismen die zeer veel verscheidenheid vertoonen, heeft gevallen ontmoet (ik spreek bij ondervinding) volkomen gelijk aan dat van den mensch; en, indien hij voorzichtig van aard is, zal hij ten laatste al de vormen die in elkander overgaan, tot een enkele soort vereenigen; want hij zal tot zich zelf zeggen, dat hij geen recht heeft om namen te geven aan voorwerpen die hij niet kan bepalen. Gevallen van deze soort komen voor in de orde waartoe de mensch behoort, namelijk bij zekere geslachten van apen; terwijl bij andere geslachten, zooals bij de Meerkatten (Cercopithecus), de meeste soorten met zekerheid kunnen worden bepaald. Bij het Amerikaansche geslacht Cebus worden de verschillende vormen door sommige natuuronderzoekers als soorten, door andere eenvoudig als geographische rassen beschouwd. Indien men nu talrijke voorwerpen van Cebus uit alle deelen van Zuid-Amerika bijeenverzamelde, en dan bevond, dat die vormen welke tegenwoordig als soortelijk verschillend worden beschouwd, door langzame overgangen met elkander waren verbonden, zouden zij door de meeste natuuronderzoekers eenvoudig als verscheidenheden of rassen worden beschouwd en zoo heeft het grootste gedeelte der natuuronderzoekers ten opzichte der menschenrassen gehandeld. Toch moet men bekennen, dat er vormen zijn, ten minste in het Plantenrijk18, die wij niet kunnen vermijden soorten te noemen, doch die, onafhankelijk van bastaardvorming, door tallooze overgangsvormen zijn verbonden.

Sommige natuuronderzoekers hebben in den laatsten tijd de uitdrukking „onder-soort (sub-species)” gebruikt om vormen aan te duiden, die vele kenmerken van ware soorten bezitten, maar toch nauwelijks op zulk een hoogen rang aanspraak kunnen maken. Indien wij nu nadenken over de boven vermelde gewichtige gronden om de menschenrassen tot de waardigheid van soorten te verheffen, en aan den anderen kant aan de onoverkomelijke moeielijkheden om hen te bepalen, zou de uitdrukking „onder-soorten (sub-species)” hier zeer gepast kunnen worden [341]gebruikt. Door de lange gewoonte zal echter de uitdrukking „ras” wellicht altijd in gebruik blijven. De keus der uitdrukkingen is slechts in zoover van belang, als het hoogst wenschelijk is om zooveel mogelijk altijd de zelfde uitdrukkingen te gebruiken voor de zelfde graden van verschil. Ongelukkig is dit zelden mogelijk; want in ééne en de zelfde familie bevatten de grootere geslachten gewoonlijk nauw verwante vormen die slechts met veel moeite van elkander kunnen worden onderscheiden, terwijl de kleinere geslachten vormen bevatten, die duidelijk verschillen; toch moeten allen als soorten worden gerangschikt. Evenzoo gelijken ook de soorten in één en het zelfde groote geslacht in geenen deele in de zelfde mate op elkander; in de meeste gevallen kunnen integendeel sommige van haar in kleine groepen rondom andere soorten worden geschikt, evenals wachters om planeten.19


Over de vraag, of het menschdom uit ééne of uit verscheidene soorten bestaat, hebben de anthropologen, die in twee scholen, de monogenisten en de polygenisten, zijn verdeeld, in de laatste jaren veel geredekaveld. Zij die het beginsel van ontwikkeling niet aannemen, moeten de soorten beschouwen hetzij als afzonderlijke scheppingen, hetzij als op de eene of andere wijze op zich zelven staande wezens („entities”); en zij moeten beslissen, welke vormen als soorten moeten worden gerangschikt, uit de analogie van andere organische wezens welke gewoonlijk als zoodanig worden beschouwd. Het is echter hopeloos om te trachten dit punt op gezonde gronden te beslissen, zoolang niet de eene of andere bepaling van de uitdrukking „soort (species)” algemeen is aangenomen; en die bepaling behoort dan geen element te bevatten, waaromtrent men met geen mogelijkheid zekerheid kan verkrijgen, zooals een scheppingshandeling. Wij zouden even goed kunnen beproeven om zonder eenige bepaling te beslissen, of een zeker aantal huizen een dorp of een stad moet worden genoemd. Wij hebben een praktisch voorbeeld van deze moeielijkheid in de eindelooze twijfelingen, of vele nauw verwante zoogdieren, vogels, insekten en planten, die elkander in Noord-Amerika en Europa vertegenwoordigen, als soorten of als geographische rassen moeten worden beschouwd, en evenzoo gaat het met de voortbrengselen van vele op een kleinen afstand van het naaste vasteland gelegen eilanden.

Die natuuronderzoekers daarentegen, welke het beginsel van ontwikkeling aannemen, en dit wordt tegenwoordig door de meeste opkomende [342]mannen aangenomen, zullen volstrekt niet betwijfelen, dat alle menschenrassen uit een enkelen oorspronkelijken stam zijn gesproten, hetzij zij het, om de hoegrootheid van het verschil tusschen die rassen aan te geven, gepast oordeelen ze afzonderlijke soorten te noemen of niet.20 Bij onze huisdieren is de vraag, of de verschillende rassen uit ééne of uit meer soorten zijn ontstaan, van een anderen aard. Hoewel al die rassen, even goed als de natuurlijke soorten van het zelfde geslacht, ongetwijfeld uit eenen en den zelfden oorspronkelijken stam zijn gesproten, blijft het toch een gepast onderwerp ter bespreking, of, bij voorbeeld, al de tamme rassen van den hond hun tegenwoordige verschillen hebben verkregen sedert deze of gene enkele soort door den mensch werd getemd en aangefokt, dan wel of zij sommige hunner kenmerken zijn verschuldigd aan overerving van verschillende soorten, die reeds in den natuurstaat waren gewijzigd.

Toen de menschenrassen zich in een uiterst lang geleden tijdperk uit hun gemeenschappelijken stamvader in verschillende richtingen begonnen te ontwikkelen, zullen zij slechts weinig van elkander hebben verschild en niet zeer talrijk zijn geweest; bij gevolg zullen zij toen, voor zoover hun onderscheidende kenmerken aangaat, minder aanspraak op den rang van verschillende soorten hebben gehad, dan de thans bestaande zoogenaamde rassen. Toch zouden dergelijke vroege rassen door sommige natuuronderzoekers wellicht als verschillende soorten zijn gerangschikt; zoo willekeurig is de uitdrukking, indien hun punten van verschil, hoewel uiterst gering, standvastiger waren geweest dan tegenwoordig en er geen overgangsvormen tusschen hen hadden bestaan.

Het is echter mogelijk, hoewel ver van waarschijnlijk, dat de vroege voorouders van den mensch eerst zeer uiteenloopende kenmerken vertoonden, totdat zij meer ongelijk aan elkander werden dan eenige der bestaande rassen; maar dat zij vervolgens, zooals Vogt21 heeft vermoed, in kenmerken tot elkander naderden. Als de mensch met het zelfde doel de jongen van twee verschillende soorten voor de teelt uitkiest, veroorzaakt hij soms, voor zoover het algemeen uiterlijk aangaat, een belangrijke toenadering in kenmerken. Dit is het geval, zooals von Nathusius22 heeft aangetoond, met de verbeterde varkensrassen, [343]die van twee verschillende soorten afstammen, en op minder goed uitgesproken wijze met de verbeterde veerassen. Een groot ontleedkundige, Gratiolet, houdt vol, dat de anthropomorphe apen geen natuurlijke ondergroep vormen, maar dat de orang een hoog ontwikkelde gibbon of slankaap (Semnopithecus), de chimpanzee een hoog ontwikkelde macacus, en de gorilla een hoog ontwikkelde mandril is. Indien dit besluit, dat bijna uitsluitend op hersenkenmerken berust, juist mocht zijn, zouden wij hier een geval van toenadering (convergentie) ten minste in uitwendige kenmerken hebben; want de anthropomorphen gelijken zeker in vele punten meer op elkander, dan op andere apen. Alle gelijkenissen die op analogie berusten, zooals die van een walvisch op een visch, kunnen inderdaad worden gezegd gevallen van toenadering (convergentie) te zijn; doch deze uitdrukking is nooit gebruikt voor oppervlakkige en op geschiktwording voor een zelfde levenswijze (adaptatie) berustende gelijkenissen. Het zou in de meeste gevallen uiterst overijld zijn, om groote overeenkomst in vele punten van het maaksel toe te schrijven aan toenadering (convergentie) van wezens die eens zeer verschillend waren geweest. De vorm van een kristal wordt alleen door moleculaire krachten bepaald, en het is niet te verwonderen, dat ongelijksoortige zelfstandigheden somtijds den zelfden vorm aannemen; maar bij organische wezens moeten wij bedenken, dat de vorm van elk hunner van een oneindig aantal samengestelde betrekkingen afhangt, namelijk van de wijzigingen die plaats hebben gehad, en welke het gevolg zijn van veel te ingewikkelde oorzaken, dan dat men die geheel zou kunnen doorgronden,—van den aard der wijzigingen die behouden zijn gebleven, en deze hangt af van de omringende physische toestanden, en in nog hooger mate van de omringende organismen waarmede elk in wedstrijd is gekomen,—en ten laatste, van overerving (hetwelk op zich zelf een ongestadig (fluctueerend) element is) van tallooze voorouders waarvan de vormen op hun beurt allen door even samengestelde betrekkingen werden bepaald. Het schijnt geheel ongeloofelijk, dat twee organismen, indien zij werkelijk verschilden, later zoo sterk tot elkander zouden naderen (convergeeren), dat zulks bijna volkomen gelijkheid van hun geheele organisatie ten gevolge had. In het bovenvermelde geval van de tot elkander naderende (convergeerende) varkensrassen, zijn er volgens von Nathusius nog duidelijke bewijzen van hun afstamming van twee oorspronkelijke stamvormen in zekere beenderen van hun schedels bewaard gebleven. Indien de menschenrassen, [344]zooals door sommige natuuronderzoekers wordt ondersteld, van twee of meer verschillende soorten afstamden, die zooveel of bijna zooveel van elkander verschilden, als de orang van den gorilla, kan men nauwelijks betwijfelen, dat werkelijke verschillen in het maaksel van sommige beenderen nog zouden zijn aan te wijzen bij den mensch, zooals hij nu bestaat. (14)

Hoewel de bestaande menschenrassen in vele opzichten, zooals in kleur, haar, schedelvorm, evenredigheden van het lichaam, enz. verschillen, zoo vindt men toch, als men hun geheele organisatie beschouwt, dat zij in een menigte punten zeer sterk op elkander gelijken. Vele dezer punten zijn zoo onbelangrijk en van zoo bijzonderen aard, dat het uiterst onwaarschijnlijk is, dat zij door oorspronkelijk verschillende soorten of rassen, onafhankelijk van elkander, zouden zijn verkregen. De zelfde opmerking is met gelijke of grooter kracht toepasselijk op de talrijke punten van overeenkomst in de geestelijke vermogens tusschen de meest verschillende menschenrassen. De inboorlingen van Amerika, de negers en de Europeanen verschillen in geestesgesteldheid evenveel van elkander, als eenig drietal menschenrassen ter wereld; toch trof mij telkens, terwijl ik met de Vuurlanders aan boord van de Beagle was, hoevele kleine karaktertrekken zij bezaten, die bewezen, hoezeer hun geest op den onzen geleek, en evenzoo ging het mij met een volbloed neger, met wien ik eens bij toeval op vertrouwelijken voet kwam.

Het kan nauwelijks missen, of de groote gelijkheid in smaak, neigingen en gewoonten tusschen menschen van alle rassen moet een diepen indruk maken op ieder die de belangwekkende werken van den heer Tylor en Sir J. Lubbock leest.23 Die gelijkheid blijkt uit het behagen dat zij allen scheppen in dansen, ruwe muziek, schouwspelen, schilderen, tatoeëeren en zich op andere wijzen op te schikken,—uit hun wederkeerig begrijpen van gebarentaal—en, gelijk ik in staat zal zijn in een volgende verhandeling aan te toonen, uit de gelijkheid van de uitdrukking hunner gelaatstrekken en het voortbrengen van de zelfde ongearticuleerde kreten, als zij door verschillende gemoedsaandoeningen worden geprikkeld. Deze overeenkomst, of liever gelijkheid, is treffend, als men haar tegenoverstelt aan de verschillende uitdrukking die men bij onderscheidene soorten van apen kan waarnemen. Er bestaan goede bewijzen, dat de kunst om [345]met boog en pijlen te schieten, niet van eenigen gemeenschappelijken stamvader van het menschelijk geslacht aan de nakomelingschap is overgeleverd; toch zijn de steenen pijlpunten, van de verst van elkander verwijderde streken der wereld aangevoerd en in de langst geleden tijdperken vervaardigd, zooals Nilsson heeft aangetoond24, bijna geheel aan elkander gelijk, en dit feit kan alleen worden verklaard door de gelijksoortigheid van de uitvindende of verstandelijke vermogens der verschillende rassen. De zelfde opmerking is door de oudheidkundigen25 gemaakt ten opzichte van zekere ver verbreide versierselen, zooals zigzaglijnen enz. en ten opzichte van verschillende eenvoudige geloofspunten en gewoonten, zooals die om de dooden onder megalithische gedenkteekenen te begraven. (15) Ik herinner mij in Zuid-Amerika26 te hebben opgemerkt, dat de mensch daar, evenals in zoovele andere deelen der wereld, gewoonlijk de toppen van hooge heuvels heeft uitgekozen om daarop steenhoopen op te werpen, hetzij om de gedachtenis te bewaren van de eene of andere opmerkelijke gebeurtenis, of om zijn dooden te begraven.

Wanneer nu natuuronderzoekers een zeer sterke overeenkomst in talrijke kleine bijzonderheden en gewoonten, smaak en neigingen tusschen twee of meer rassen van tamme dieren of tusschen nauw-verwante natuurlijke vormen waarnemen, gebruiken zij dit feit als bewijsgrond, dat zij alle van een gemeenschappelijken stamvader afstammen, die aldus begaafd was en dat zij derhalve alle tot ééne en de zelfde soort moeten worden gebracht. De zelfde bewijsgrond kan met veel kracht op de menschenrassen worden toegepast.

Daar het onwaarschijnlijk is, dat de talrijke onbelangrijke punten van gelijkenis tusschen de verschillende menschenrassen in lichamelijk maaksel en geestvermogens (ik beroep mij hier niet op overeenkomst in gewoonten) alle onafhankelijk van elkander zouden zijn verkregen, moeten zij zijn overgeërfd van stamouders welke die kenmerken bezaten. Wij verkrijgen aldus eenige kennis omtrent den vroegsten toestand van den mensch, voor hij zich stap voor stap over de oppervlakte der aarde had verspreid. De verspreiding van den mensch over streken die door [346]groote zeeën worden gescheiden, ging ongetwijfeld vooraf aan elke aanmerkelijke uiteenwijking (divergentie) in kenmerken van de verschillende rassen; want anders zouden wij somtijds het zelfde ras in verschillende vastelanden ontmoeten; en dit is nimmer het geval. (16) Sir J. Lubbock somt, na de kunsten te hebben vergeleken, welke thans door de wilden in alle werelddeelen worden beoefend, die op, welke de mensch niet kan hebben gekend toen hij het eerst verhuisde uit zijn oorspronkelijk vaderland; want, eens geleerd, zouden zij nimmer zijn vergeten.27 Hij komt zoo tot het besluit, dat „de speer, die slechts de ontwikkeling van een mespunt, en de knots, die slechts een lange hamer is, de eenige zaken zijn, die overblijven. Hij neemt echter aan, dat de kunst om vuur te maken waarschijnlijk reeds was ontdekt; want zij is gemeen aan alle thans bestaande rassen en was aan de oude holbewoners van Europa bekend. Wellicht was de kunst om ruwe kano’s of vlotten te maken, eveneens bekend, maar, daar de mensch reeds in een zeer lang geleden tijdperk bestond, waarin de verdeeling van land en water op vele plaatsen geheel verschillend was, zou hij ook in staat zijn geweest zich zonder behulp van kano’s ver te verspreiden. Sir J. Lubbock merkt verder op, hoe onwaarschijnlijk het is, dat onze vroegste voorouders „tot tien hebben kunnen tellen, in aanmerking nemende, dat zoovele thans bestaande rassen het niet verder kunnen brengen dan vier.” Toch kunnen in dat vroege tijdperk de verstandelijke en sociale vermogens van den mensch moeielijk zeer veel geringer zijn geweest, dan die welke thans de laagste wilden bezitten; anders zou de oorspronkelijke mensch in den levensstrijd niet zoo uitnemend voorspoedig kunnen zijn geweest, als door zijn vroege en verre verspreiding wordt bewezen.

Uit de fundamenteele verschillen tusschen zekere talen hebben sommige taalkundigen afgeleid, dat de mensch, toen hij zich ver begon te verspreiden, nog geen sprekend dier was; men mag echter vermoeden, dat wellicht talen, veel minder volkomen dan ééne dergene die thans worden gesproken, door gebaren geholpen, werden gebruikt, en toch in latere hooger ontwikkelde talen geen spoor hebben achtergelaten. Zonder het gebruik van eenige taal, hoe onvolkomen ook, schijnt het twijfelachtig, of het verstand van den mensch zou zijn geklommen tot de hoogte die zijn heerschende stelling in een vroeg tijdperk medebracht. [347]

Of de oorspronkelijke mensch, toen hij zeer weinig kunsten van de ruwste soort bezat, en toen zijn spraakvermogen uiterst onvolkomen was, den naam van mensch verdiende, hangt af van de bepaling die wij gebruiken. In een reeks van vormen ongevoelig overgaande van een of ander op een aap gelijkend wezen tot den mensch zooals hij nu bestaat, zou het onmogelijk zijn een bepaald punt aan te wijzen, waarop men de uitdrukking „mensch” zou moeten beginnen te gebruiken. Dit is echter een zaak van zeer weinig belang. Evenzoo is het een bijna onverschillige zaak, of de zoogenaamde menschenrassen aldus worden genoemd, of als soorten of onder-soorten worden gerangschikt; de laatste uitdrukking schijnt echter het meest gepast. Eindelijk mogen wij besluiten, dat, als de ontwikkelingstheorie algemeen zal zijn aangenomen, hetgeen zeker niet lang meer zal duren, de strijd tusschen monogenisten en polygenisten een stillen en onbemerkten dood zal sterven.


Een andere vraag kan hier niet onopgemerkt worden voorbijgegaan, namelijk, of, zooals somtijds is beweerd, elke onder-soort of ras van den mensch uit één enkel paar stamouders is gesproten. Bij onze huisdieren kan een nieuw ras gemakkelijk worden gevormd uit een enkel paar dat het eene of andere nieuwe kenmerk bezit, of zelfs uit een enkel aldus gekenmerkt individu, door zorgvuldig de jongen die op de zelfde wijze varieeren, met elkander te doen paren, maar onze meeste rassen zijn gevormd, niet met voordacht uit een enkel uitgekozen paar, maar onbewust door het bewaard blijven van vele individu’s, die, hoewel in geringe mate, eenige nuttige of gewenschte wijziging vertoonden. Indien men in het eene land gewoonlijk de voorkeur gaf aan sterker of zwaarder gebouwde paarden, en in een ander land aan lichter gebouwde en vlugge paarden, kunnen wij zeker zijn, dat in den loop der tijden twee verschillende onder-rassen zouden worden voortgebracht, zonder dat het eene of andere bijzondere paar individu’s in een van beide landen van de andere afgescheiden en daaruit gefokt was. Vele rassen zijn op die wijze gevormd, en hun vormingswijze komt zeer nauw overeen met die der natuurlijke soorten. Wij weten ook, dat de paarden die naar de Falklands-eilanden zijn overgebracht, gedurende opeenvolgende generaties kleiner en zwakker zijn geworden, terwijl die welke in het wild de Pampa’s hebben doorkruist, grooter en zwaarder koppen hebben gekregen; en dergelijke veranderingen worden klaarblijkelijk niet daardoor veroorzaakt, dat één paar, maar daardoor, [348]dat al de individu’s aan de zelfde voorwaarden onderworpen zijn geweest, met behulp wellicht van het beginsel van atavisme. De nieuwe onder-rassen zijn in geen dezer gevallen van het eene of andere enkele paar afgestamd, maar van vele individu’s, die in verschillende mate, maar allen over het algemeen op de zelfde wijze varieerden, en wij mogen besluiten, dat de menschenrassen op een dergelijke wijze zijn ontstaan, en de wijzigingen, hetzij het directe gevolg van blootstelling aan verschillende levensvoorwaarden, of het indirecte gevolg van den eenen of anderen vorm van teeltkeus waren. Op dit laatste onderwerp zullen wij echter spoedig terugkomen.

Over het Uitsterven der Menschenrassen.—Het gedeeltelijk en geheel uitsterven van vele rassen en onder-rassen van den mensch zijn bekende historische feiten. Humboldt zag in Zuid-Amerika een papegaai, die het eenige levende schepsel was, dat de taal van een te gronde geganen stam nog kon spreken. Oude gedenkteekenen en steenen werktuigen, in alle deelen der wereld gevonden, van welke geen overlevering door de tegenwoordige bewoners wordt bewaard, wijzen op veel uitsterving. Enkele kleine en verstrooide stammen, overblijfselen van voormalige rassen, leven nog in afgelegen en gewoonlijk bergachtige streken. In Europa stonden al de oude rassen volgens Schaaffhausen28 „lager op de ladder, dan de minst beschaafde der thans levende wilden”; zij moeten daarom tot op zekere hoogte van alle bestaande rassen hebben verschild. De overblijfselen van Les Eyzies, door Professor Broca beschreven29, wijzen, hoewel zij ongelukkig aan een enkele familie schijnen te hebben toebehoord, op een ras dat op de vreemdsoortigste wijze lage of aapachtige en hooge kenmerken in zich vereenigde en „geheel verschilde van alle andere en nieuwere rassen die wij kennen.” Het verschilde derhalve van het quaternaire ras uit de holen van België.

Ongunstige physische voorwaarden schijnen slechts weinig invloed op het uitsterven der rassen te hebben uitgeoefend.30 De mensch heeft lang in de uiterste streken van het Noorden geleefd zonder hout om zijn kano’s en andere benoodigdheden mede te maken, en alleen met [349]traan om te branden en hem warmte te geven, maar meer bijzonder om de sneeuw te smelten. In het zuidelijk uiteinde van Amerika blijven de Vuurlanders in het leven zonder de bescherming van kleederen of van eenig gebouw dat waard is een hut te worden genoemd. In Zuid-Afrika doorkruisen de inboorlingen de dorste vlakten, waarop de gevaarlijkste dieren in overvloed voorkomen. De mensch kan den doodelijken invloed van den Terai aan den voet van het Himalayagebergte en van de verpeste stranden van tropisch Afrika weêrstaan.

Het uitsterven is hoofdzakelijk het gevolg van den wedstrijd tusschen stam en stam, tusschen ras en ras. Er zijn altijd verschillende hinderpalen in het spel, in een vorig hoofdstuk opgesomd, die dienen om het getal van elken wilden stam te beperken,—zooals periodieke hongersnooden, het wegtrekken der ouders en de daarop volgende dood van de kinderen, het langdurige zoogen, het stelen van vrouwen, oorlogen, ongevallen, ziekten, losbandigheid, vooral kindermoord, en wellicht verminderde vruchtbaarheid ten gevolge van minder voedzaam voedsel en vele vermoeienissen. Indien door de eene of andere oorzaak ééne dier hinderpalen gedeeltelijk wordt weggenomen, al is het slechts voor een klein gedeelte, zal de aldus begunstigde stam kans hebben om aan te groeien, en als van twee naburige stammen de eene talrijker en machtiger wordt dan de andere, is de strijd spoedig beslist door oorlog, moord en menscheneterij, slavernij en opslorping. Als een zwakker stam zelfs op die wijze niet plotseling wordt weggevaagd, gaat hij, indien hij eens begint af te nemen, gewoonlijk daarmede voort, totdat hij is uitgestorven.31

Als beschaafde volken in aanraking komen met barbaren, is de strijd kort, behalve wanneer een doodelijk klimaat het ras der inboorlingen helpt. Van de oorzaken welke tot de overwinning der beschaafde natiën leiden, zijn sommige duidelijk en andere zeer duister. Wij kunnen begrijpen, dat de bebouwing van het land op vele wijzen noodlottig voor de wilden zal zijn; want zij kunnen of willen hun gewoonten niet veranderen. Nieuwe ziekten en ondeugden zijn hoogst verderfelijk; en het schijnt, dat bij elk volk een nieuwe ziekte vele sterfgevallen veroorzaakt, totdat zij die de meeste vatbaarheid voor haar doodelijken invloed bezaten, allengs zijn uitgeroeid32, en zoo zal het ook gaan met [350]de nadeelige uitwerkselen van geestrijke dranken zoowel als met den onbedwingbaar sterken smaak dien zoovele wilden daarvoor toonen. Het schijnt verder, hoe geheimzinnig het feit ook zij, dat de eerste ontmoeting tusschen verschillende en van elkander gescheiden volken ziekten doet ontstaan.33 De heer Sproat die in Vancouver’s Eiland nauwkeurig acht gaf op het onderwerp der uitsterving, gelooft, dat de veranderde levensgewoonten die altijd het gevolg zijn van de aankomst van Europeanen, veel ongesteldheid veroorzaken. Hij hecht ook groot gewicht aan zulk een geringe oorzaak, als dat de inboorlingen „door het nieuwe leven rondom hen verbijsterd en neerslachtig worden; zij verliezen de beweeggronden die hen tot handelen aanzetten, en krijgen geen nieuwe in de plaats.”34

De graad van beschaving schijnt een hoogst gewichtig element van het succes van natiën die in wedstrijd komen. Weinige eeuwen geleden vreesde Europa de invallen van Oostersche barbaren, tegenwoordig zou een dergelijke vrees belachelijk zijn. Het is een nog opmerkenswaardiger feit, zooals de heer Bagehot35 heeft opgemerkt, dat de wilden vroeger niet wegsmolten voor de klassieke volken, zooals zij tegenwoordig voor de hedendaagsche beschaafde volken doen; hadden zij dat gedaan, dan zouden de oude zedekundigen over die gebeurtenis hebben gemijmerd; maar in geen enkelen schrijver van dat tijdvak vindt men klachten over het uitsterven der barbaren. (17) De grootste van alle oorzaken van het uitsterven schijnt in vele gevallen een vermindering van de vruchtbaarheid en ziekten, vooral onder de kinderen, te zijn, ontstaande uit veranderde levensvoorwaarden, niettegenstaande die voorwaarden op zich zelven soms niet nadeelig zijn. Ik ben veel dank verschuldigd aan den heer H. H. Howorth, omdat deze mijn aandacht op dit onderwerp heeft gevestigd, en mij inlichtingen daaromtrent heeft verschaft. Ik heb de volgende voorbeelden verzameld.

Toen Tasmania (Van Diemen’s Land) pas werd gekoloniseerd, werd het aantal inboorlingen ruwweg geschat door sommigen op 7000, door anderen op 20000. Dit aantal werd spoedig veel kleiner, voornamelijk door het [351]vechten met de Engelschen en met elkander. Toen na de beruchte jacht door al de kolonisten, de overblijvende inboorlingen zich aan de regeering overgaven, bestonden zij slechts uit 120 individu’s36 die in 1832 naar Flinders Eiland werden overgebracht. Dit eiland, tusschen Tasmania en Nieuw-Holland gelegen, is veertig mijlen lang en van twaalf tot achttien mijlen breed; het schijnt er gezond en de inboorlingen werden goed behandeld. Toch leed hun gezondheid zeer veel. In 1834 bestonden zij (Bonwick, blz. 250) uit zeven-en-veertig volwassen mannen, acht-en-veertig volwassen vrouwen en zestien kinderen, of te zamen uit 111 zielen. In 1835 bleven er nog maar 100 over. Daar zij bij voortduring snel in aantal verminderden en zelven dachten dat zij elders niet zoo snel zouden uitsterven, werden zij in 1847 naar Oyster-Cove in zuidelijk Tasmania overgebracht. Daar bestonden zij toen (20 Dec. 1847) uit veertien mannen, twee-en-twintig vrouwen en tien kinderen.37 De verandering van woonplaats deed echter geen goed. Ziekte en dood vervolgden hen bij voortduring, en in 1864 waren er nog slechts één man (die in 1869 stierf) en drie eenigszins bejaarde vrouwen over. De onvruchtbaarheid der vrouwen is een feit zelfs nog merkwaardiger dan haar vatbaarheid voor ziekte en dood. Ten tijde, dat er nog slechts negen vrouwen te Oyster-Cove leefden, verhaalden deze aan den heer Bonwick, dat slechts twee van haar ooit kinderen hadden gehad, en deze beiden samen hadden slechts drie kinderen voortgebracht.

Wat de oorzaak van dezen buitengewonen staat van zaken aangaat, merkt Dr. Story op, dat de dood volgde op de pogingen om de inboorlingen te beschaven. „Als men hen aan zich zelven had overgelaten, hen had laten omzwerven gelijk zij gewend waren, en hen niet had gestoord, zouden zij meer kinderen hebben voortgebracht en zou er geringer sterfte zijn geweest.” Een ander zorgvuldig waarnemer van de inboorlingen merkt op: „De geboorten zijn weinige geweest en de sterfgevallen talrijk. Dit kan voor een groot deel het gevolg zijn geweest van de verandering in hun levenswijze, maar meer nog van hun verbanning uit het hoofdland van Van Diemen’s Land en de daardoor veroorzaakte neêrslachtigheid” (Bonwick, blz. 388, 390).

Dergelijke feiten zijn ook opgemerkt in twee zeer verschillende gedeelten [352]van Nieuw-Holland. De beroemde onderzoekingsreiziger Gregory verhaalde den heer Bonwick, dat in Queensland „de vermindering van geboorten reeds door de zwarten werd gevoeld, zelfs in de nieuwst gekoloniseerde streken, en dat zij zouden beginnen te verdwijnen.” Van 13 inboorlingen van Shark’s Baai, die Murchison River bezochten, stierven twaalf binnen drie maanden aan de tering.38

Het verminderen der Maori’s op Nieuw-Zeeland is zorgvuldig onderzocht door den heer Fenton in een bewonderenswaardig rapport waaraan al de volgende opgaven op een enkele uitzondering na zijn ontleend.39 Dat hun aantal sedert 1830 is afgenomen, wordt door iedereen toegegeven, met inbegrip der inboorlingen zelven, en die vermindering gaat aanhoudend voort. Hoewel het tot hiertoe onmogelijk is gebleken een werkelijke volkstelling onder de inboorlingen te houden, werd hun aantal in vele districten door daar wonende personen geschat. Het resultaat schijnt vertrouwen te verdienen en toont aan, dat gedurende de veertien jaren vóór 1858 de vermindering 19,42 perc. was. Sommigen van de stammen die aldus zorgvuldig werden onderzocht, leefden meer dan 100 mijlen van elkander, sommigen op de kust, andere in het binnenland; en hun middelen van bestaan en gewoonten verschilden tot op zekere hoogte (blz. 28). Het geheele aantal in 1858 was, naar men meende, 53700 en in 1874, na verloop van een tweede veertiental jaren, werd een nieuwe telling gedaan en werd het aantal opgegeven als 36359, dus een vermindering van 32,29 perc.!40

Nadat de heer Fenton in bijzonderheden de ongenoegzaamheid heeft aangetoond van de verschillende oorzaken waarmede men zulks gewoonlijk pleegt te verklaren, zooals nieuwe ziekten, de losbandigheid der vrouwen, dronkenschap, oorlogen enz., besluit hij op zwaarwichtige gronden, dat het voornamelijk wordt veroorzaakt door de onvruchtbaarheid der vrouwen en de buitengewoon groote sterfte onder de kleine kinderen (blz. 31, 34). Ten bewijze hiervan toont hij aan (blz. 33), dat er in 1844 één onvolwassene was op elke 2,57 volwassenen, terwijl er in 1858 slechts één onvolwassene was op elke 3,28 volwassenen. De sterfte onder de volwassenen is ook groot. Als een verdere [353]oorzaak van de vermindering voert hij het ongelijk aantal der beide seksen aan; want er worden minder meisjes dan jongens geboren. Op dit laatste punt, dat misschien het gevolg van een geheel andere oorzaak is, zal ik in een later hoofdstuk terugkomen. De heer Fenton stelt met verbazing de vermindering in Nieuw-Zeeland tegenover de vermeerdering in Ierland, welke beide landen niet zeer veel in klimaat verschillen, terwijl hun bewoners tegenwoordig bijna geheel op de zelfde wijze leven. De Maori’s zelven „schrijven hun achteruitgang tot op zekere hoogte toe aan het invoeren van nieuw voedsel en kleeding en de daarmede gepaard gaande verandering van gewoonten”, en men zal, wanneer wij den invloed van veranderde levensvoorwaarden op de vruchtbaarheid nagaan, zien, dat zij waarschijnlijk gelijk hebben. De vermindering begon tusschen de jaren 1830 en 1840, en de heer Fenton toont aan, dat omstreeks 1830 de kunst om bedorven maïs weêr eetbaar te maken door haar lang in het water te weeken, ontdekt en op groote schaal in praktijk werd gebracht, en dat bewijst, dat er een verandering in levenswijze begon te komen onder de inboorlingen, zelfs toen Nieuw-Zeeland nog maar dun met Europeanen was bevolkt. Toen ik in 1835 de „Bay of Islands” bezocht, hadden de kleeding en het voedsel der inboorlingen reeds groote wijzigingen ondergaan; zij kweekten aardappelen, maïs en andere landbouwproducten, en ruilden die voor Engelsche manufacturen en tabak.

Uit vele opgaven in de levensbeschrijving van Bisschop Patterson41 blijkt, dat de Melanesiërs van de Nieuwe Hebriden en naburige archipels, in buitengewone mate in hun gezondheid leden en in groot aantal stierven, toen zij naar Nieuw-Zeeland, het eiland Norfolk en andere gezonde plaatsen werden overgebracht, om tot zendelingen te worden opgeleid.

De afneming van de inlandsche bevolking der Sandwich-eilanden is even bekend als die in Nieuw-Zeeland. Door personen die het beste in staat waren er over te oordeelen, wordt het aantal inboorlingen, ten tijde dat Cook de eilanden ontdekte, ruwweg op 300000 geschat. Volgens een oppervlakkige schatting in 1823 was het aantal destijds 142050. In 1832, en op onderscheidene latere tijdstippen werd officiëel een nauwkeurige volkstelling gehouden, maar ik heb slechts de volgende opgaven kunnen verkrijgen: [354]