(1) Toen ik in den winter van 1869–70 Egypte bezocht, trof het mij, zoodra ik den voet te Alexandrië aan wal had gezet, dat de Arabieren even groote individueele verschillen vertoonden als de Europeanen. Ook de Hindoebedienden in het Peninsular and Oriental Hôtel te Suez kon ik dadelijk van elkander onderscheiden. De leden van het Japansch gezantschap, dat voor jaren Nederland bezocht, en twee Japansche studenten, die te gelijk met mij te Leiden studeerden, schenen mij ook zeer ongelijk. Evenzoo de negers, en Chineezen en roodhuiden die ik in 1872 in Noord-Amerika zag. Mijn persoonlijke ondervinding is dus in strijd met de hier gemaakte opmerkingen.
(2) Hier wordt gedoeld op het verschil tusschen WOLHARIGE MENSCHEN (Homines Ulotriches) en SLUIKHARIGE MENSCHEN (Homines Lissotriches). De eersten worden nog verdeeld in Homines lophocomi, wier wolachtig kroeshaar in kleine bossen groeit (b.v. de Papoea’s en Hottentotten) en Homines eriocomi, wier wolachtig kroeshaar gelijkmatig over de geheele schedelhuid is verspreid (b.v. de Kaffers en Negers). De laatsten onderscheidt men in Homines euthycomi, wier haren noch krullen noch lokken vormen (b.v. de Maleiers, Mongolen en Amerikanen) en Homines euplocami, wier haren min of meer krullen en lokken vormen (b.v. de Kaukasiërs). Deze verschillen in den aard van het haar zijn voor de vergelijkende anthropologie, voor de studie der menschenrassen, van het hoogste gewicht.
(3) M. Benedict vond aan Chineezenhersenen enkele eigenaardigheden waardoor zij van die van andere menschenrassen afwijken („Medizinische Jahrbücher, hrg. v. d. k. k. Geselsch. d. Aerzte”, 1887, blz. 121). [371]
(4) Door mijn Egyptische reis in den winter van 1869–70 ben ik in de gelegenheid hieromtrent eenige zelfstandige opmerkingen te maken. In een der grotten van Beni Hassan, die volgens Mariette van ongeveer 3000 jaren vóór Chr. dagteekenen (in het graf van Noem-Hotep, gouverneur van de provincie Sah onder den Pharao Amenehemha II) ziet men een muurschildering waarop de overledene rechtopstaande afgebeeld is; voor hem staan personen, die men aan hun sterk geprononceerden arendsneus en zwarten puntigen baard dadelijk voor Semieten herkent, en volgens Mariette ook Semieten zijn.69 In de beroemde salle hypostyle van den tempel van Karnak, waarvan de oudste opschriften volgens Mariette uit den tijd van Seti I(1450 j. v. Chr.) dagteekenen, vindt men hoogst merkwaardige bas-reliefs, waarop genoemde koning zijn veldtochten in Westelijk Azië tegen de Armeniërs, de Assyriërs, de Schasoe en de Kharo heeft afgebeeld, terwijl andere de veldtochten van den Pharao Sesak tegen Palaestina voorstellen. Op die bas-reliefs zijn de nationale typen der overwonnenen zeer goed teruggegeven; de Assyriërs gelijken zeer op de afbeeldingen uit Niniveh; in de Schasoe (volgens Mariette een soort van woestijn-Arabieren of Bedoeïnen) is het Semietische type zeer goed te herkennen. Aan den hoofdingang van het paleis van Rhamses III (dat een gedeelte uitmaakt van den zoogenaamden tempel van Medinet-Aboe te Thebe) vindt men bas-reliefs, die den koning voorstellen, de krijgsgevangenen, door hem in zijn vele oorlogen gemaakt, aan de goden aanbiedende; elk dier krijgsgevangenen, waaronder ik o.a. zeer goed te herkennen Negers en Semieten opmerkte, vertoont het type van zijn ras met merkwaardige getrouwheid, en daar de namen er in hiëroglyphen zijn bijgeschreven, heeft men hier volgens Mariette de merkwaardigste van alle bekende bijdragen tot de ethnologie van Westelijk Azië, Libye en Soedan in de XIIIde eeuw v. Chr.
Het trof mij ook, dat het rastype van de afbeeldingen die oude Egyptenaren voorstellen, op alle monumenten van Ghizeh af tot Philae boven den eersten waterval van den Nijl toe, zeer duidelijk het zelfde bleef, en dat men niet zelden bij de landbouwende bevolking van Opper-Egypte (de Fellah’s) dat type terugvond. Zij die het onveranderd blijven van sommige diersoorten sedert de tijden der oudste dynastieën (zooals Mr. Snellen van Vollenhoven in zijn overigens zoo uitnemend werk: „Gedaanteverwisseling en Levenswijze der Insekten”, „Natuurhistorische Bibliotheek”, Haarlem, A. C. Kruseman, 1870) als een bewijs tegen Darwin aanvoeren, moeten dus van hun standpunt besluiten, dat ook de verschillende menschenrassen (b.v. Egyptenaars, Semieten, Negers) afzonderlijke scheppingen zijn, hetgeen zij juist van hun standpunt wel niet zullen willen. Daarenboven kan niemand bewijzen, dat het door Mr. S. v. V. bedoelde dier (de zoogenaamde heilige kever of scarabaeus Ateuchus sacer) werkelijk volkomen onveranderd is gebleven.70 [372]Wij weten op hoe geringe verschillen de entomologen, wier grootste roem dikwijls bestaat in het vinden van ééne of meer nieuwe soorten, soms zulk een nieuwe soort baseeren! En wat beteekent de tijd, verloopen sedert de oudste Egyptische dynastieën, in vergelijking van de eeuwigheid, die even goed achter als voor ons ligt! Tijd voor de grootste ontwikkeling is in overvloed verloopen, al ging die ontwikkeling zoo langzaam, dat in een 7000tal jaren de resultaten onmerkbaar waren. Ach! hoezeer had Huxley gelijk, toen hij zeide, „dat het meeste dat tegen Darwin is aangevoerd, het papier niet waard is, waarop het is geschreven.”
In het „Album der Natuur”, 1856, vindt men op blz. 16, fig. 10 en 11, een paar afbeeldingen van Negers, blz. 18, fig. 12, een dergelijke van een Nubiër, blz. 15, fig. 7 en 8, een paar dergelijke van Semieten, allen naar afbeeldingen op Egyptische monumenten. Op blz. 15, fig. 6, vindt men Joodsche krijgsgevangenen uit Lachish (II Kon. XVIII, 14; Jesaia XXXV, 2), volgens afbeeldingen, gevonden in het paleis van den Assyrischen koning Sennacherib te Kouyunjik. „Niemand zal”, zegt Dr. Lubach, „in deze afbeeldingen den Joodschen typus miskennen, en aarzelen daaruit te besluiten, dat de Joden, omstreeks 700 jaren voor Christus, er even zoo hebben uitgezien, als thans.”
Noch de Egyptenaars, noch de Assyriërs zouden den wansmaak hebben gehad om, als zij voorstellingen uit onzen Bijbel hadden moeten maken, Jezus, Maria en de Apostelen, of Mozes en andere Joodsche personen uit het Oude Testament af te beelden met de gelaatstrekken van Egyptenaars of Assyriërs, evenals onze beste schilders en graveurs die personen in hun schilderijen en gravures gewoonlijk teekenen met Europeesche, zuiver Indo-Germaansche gelaatstrekken! Wat b.v. te zeggen van een schilderij, als de „Vierge au Singe” van Albrecht Dürer, wat het schilderwerk zelf aangaat een meesterstuk, waarop Maria afgebeeld is als een Duitsche vrouw, met een Duitsch kind op den schoot, een in Palaestina niet voorkomend dier (een aap) aan een touw vasthoudende, terwijl op den achtergrond een middeleeuwsch kasteel wordt gezien!
(5) Er zijn meer oude menschenschedels in Amerika gevonden en goed onderzocht, welke het type van het Amerikaansche ras vertoonen. Zoo vond men nabij Nieuw-Orleans in het Mississippi-delta bij diepe boringen 10 boven elkander liggende voormalige bosschen, waarin boomen van 10 voet diameter voorkwamen; men telde bij die boomen 95–120 jaarringen op elken Eng. duim, zoodat zulk een boom minstens 5700 jaar oud zou wezen. In het vierde dier bosschen vond men onder de wortels van een cypres een menschenschedel, waarvan de ouderdom door Dowler op 57600 jaar wordt geschat. Deze schedel vertoonde den typischen vorm van het Amerikaansche ras. Ook vond men in een mijnschacht bij Altaville in Calaveras County in Californië, een menschenschedel in een zandlaag op een diepte van 130 voet. Deze zandlaag, waarin ook beenderen van neushoorns en andere uitgestorven diersoorten voorkomen, lag onder vier lagen vulkanische asch van verschillende dikte, die met zandlagen afwisselden. „De basis van den schedel was in een beenderbreccie met rapilli en druipsteen samengebakken en gelijkt zeer op den schedel van een Digger-Indiaan” (J. D. Whitney, in „A Human Skull, discovered in California”, Anthrop. Review N°. 20, blz. 119). Ook bij dezen schedel, de oudste die tot nog toe in Amerika is gevonden, vindt men dus het type van het Amerikaansche ras terug!
Emil Schmidt zou onlangs het bewijs hebben geleverd („Humboldt”, Maart 1890, blz. 109), dat deze schedel uit onaangeroerde tertiaire lagen is [373]opgedolven (wat dikwijls was betwijfeld) terwijl het bestaan van den mensch in het tertiaire tijdvak in Europa nog niet volkomen is bewezen.
In 1889 vond men in Butte County (Californië) bij de bewerking der mijnen aldaar in pliocene grintlagen steenen mortieren, die blijkbaar producten van menschelijke kunstvlijt zijn. Zij zijn uitgehold in blokken metamorphisch gesteente, de uitholling is gemiddeld 24 c.M. lang, 18 c.M. breed en 16 c.M. diep. Deze mortieren geven een nieuw bewijs voor het bestaan van den mensch in Californië in het tertiaire tijdvak. Sedert zij werden gevonden, heeft de 60 mijlen van Cherokee verwijderde vulkaan Lassens Peak het door het water aangespoelde zand met lavastroomen bedekt en opgehouden te werken. De Sacramento, San Joaquin en andere rivieren bestonden nog niet toen de mensch deze mortieren bewerkte. Dalen van 600 M. diep zijn sedert in het basalt uitgehold. Beenderen van den mastodon werden in de nabijheid dezer steenen mortieren gevonden.71
Wat de menschenbeenderen aangaat, die de Deensche natuuronderzoeker Lund den 21sten Maart 1844 in de holen bij Lagoa Santa, provincie Minas Geraes, in Brazilië, te samen met de overblijfselen van uitgestorven diersoorten uit het diluviale tijdvak heeft gevonden, is het echter eenigszins twijfelachtig of zij de kenmerken van het Amerikaansche roode ras vertoonen. Quatrefages kwam omtrent die beenderen tot de volgende resultaten, die hij in de zitting van de Fransche Académie des Sciences van den 28sten November 1881 mededeelde:
1. Evenals in Europa heeft in Brazilië de voorhistorische mensch met zoogdieren samengeleefd, die in de fauna van den tegenwoordigen tijd ontbreken. 2. De fossiele Braziliaan die Lund in de holen van Lagoa-Santa ontdekte, leefde op zijn laatst gedurende onze rendierperiode, doch hij leefde (volgens Gaudry) misschien nog niet in het tijdperk van den mammouth. 3. Van alle fossiele Europeanen onderscheidt zich de fossiele mensch van Lagoa Santa door een reeks van kenmerken, waarvan het meest in het [374]oogvallende de vereeniging der dolichocephalie met hypsisthenocephalie is. 4. In Brazilië, zoowel als in Europa, heeft de fossiele mensch nakomelingen nagelaten, die tot de vorming der tegenwoordige bevolking hebben bijgedragen. 5. Met recht hebben Lacerda en Peinoto de Botocuden als resultaat van een vermenging van het Lagoa-Santa-type beschouwd. 6. De aard van dit laatste moet nog worden bepaald, en tevens of men onder de Lagoa Santa gevonden overblijfselen niet meer dan één type moet onderscheiden, maar ten minste één daarvan was brachycephaal. 7. Dit Lagoa-Santa-type neemt ook deel aan de samenstelling der ando-peruaansche bevolkingen en komt meer of minder duidelijk voor tot aan de kust van den Grooten Oceaan. 8. In Peru en Bolivia toont dit type zijn tegenwoordigheid menigmaal even duidelijk als in Brazilië. 9. Toch schijnt dit element een minder algemeene werking in Peru als in Brazilië te hebben uitgeoefend. 10. Naar het schijnt, vindt men het ook nog in andere deelen van Zuid-Amerika dan Peru en Brazilië.
In 1889 heeft echter de Deensche anthropoloog Soren Hanssen een uitvoerige beschrijving van bovengenoemde beenderen uit de holen van Lagoa-Santa gegeven.72 De meeste daarvan zijn uit het Samiroudohol afkomstig; er werden daar echter geen dierenbeenderen er bij gevonden, door welke een bepaald besluit zou kunnen worden gemaakt omtrent de geologische periode waarin de menschen, waarvan de beenderen afkomstig waren, hebben geleefd. Evenmin vond men er werktuigen of wapenen bij. De beenderen zijn echter blijkbaar zeer oud, zij zijn gecalcineerd en meer of min met ijzerconglomeraten geïncrusteerd. Hun kleur varieert van bleekgeel tot donkerbruin. Zij zijn afkomstig van een zeer krachtig ras, dat echter klein van gestalte was. De 16 schedels uit voornoemde holen, waarvan er zich 14 op het museum te Kopenhagen bevinden, vertoonen een opmerkelijke gelijkvormigheid; zij zijn zeer hoog en tevens lang met afgeronde schedelwelving. Het gelaat is van middelbare grootte, het voorhoofd geenszins achteruitwijkend, maar veeleer van pyramidalen vorm, de wenkbrauwbogen en de streek tusschen de oogholten zijn goed ontwikkeld. Het prognathisme komt bij de onder de neusopening gelegen deelen der bovenkaak bijzonder duidelijk te voorschijn. De doorsnede van den schedel, van jukbeen tot jukbeen gemeten, is groot, de basis van den jukboog breed, de boven de tepelvormige uitsteeksels van het slaapbeen gelegen streek van den schedel aanmerkelijk ontwikkeld. De omtrek der schedels is van middelmatige grootte; zij zijn dolichocephaal, een nauwkeurige bepaling van hun inhoud was wegens hun beschadigden toestand onmogelijk.
Soren Hanssen en de Quatrefages hebben beiden op de opmerkelijke overeenstemming tusschen deze schedels en die der tegenwoordige Papoea’s gewezen, en ook de theorie van de Quatrefages, dat er in Zuid-Amerika een oorspronkelijk dolichocephaal ras heeft bestaan, dat zich over een groot gedeelte van het Zuid-Amerikaansche vasteland uitstrekte, en zich met brachycephale elementen heeft vermengd, ontvangt door hen een sterken steun. Dat de beenderen van Lagoa-Santa aan een op lagen trap staand ras behoorden, wordt ook bewezen door het bewaardblijven der lumbo-sacraalgewrichten aan het heiligbeen (onvolkomen versmelting van de heiligbeenwervels tot één been), verder door de doorboring der onderste gewrichtsuiteinden van het opperarmbeen, door de inbuiging der ellebogen, door de ontwikkeling der „ruwe lijn” (linea aspera) en de aanwezigheid van een derden trochanter [375]aan het bovendijbeen. In ’t oog vallend is de aanmerkelijke zijdelingsche afplatting (platycnemie) der scheenbeenderen.
In nauwe betrekking tot de quaestie van de oorspronkelijke bevolking van Amerika staan ook Soren Hanssen’s onderzoekingen omtrent de inboorlingen van Groenland.73 Tijdens een verblijf aldaar mat hij 1200 individu’s en vond, dat zij onderling verschilden. Terwijl de Eskimogroep aan den Angmasalikfjord (Oostkust van Groenland) uit krachtige, intelligente en energieke menschen bestaat, die 1,647 meter lang zijn, op de hoogte van de borst een omtrek van 93,7 c.M. hebben, een zelfstandige beschaving en verrassende kunstvaardigheid bezitten, schijnen andere Eskimostammen, die onder minder gunstige omstandigheden leven,—zooals bovenal het grootste gedeelte van stammen aan de westkust van Groenland,—gedegenereerd. Tegenwoordig zijn de Eskimo’s van de Indianen in het zuiden en de Mongolen in het westen scherp gescheiden; hun uitbreiding moet echter vroeger veel grooter zijn geweest dan thans74; zij moeten volgens Soren Hanssen als laatste overblijfsel van een oorspronkelijk Amerikaansch ras worden beschouwd, waarvan de voorvaders met de tegenwoordige Papoea’s verwant waren. Dit oorspronkelijke ras verspreidde zich over geheel Amerika, en nog thans bestaan er enkele onvermengde overblijfselen van. Dit is de oorzaak van de verrassende gelijkenis tusschen de Eskimo’s en enkele Indianenstammen (o.a. van Zuid-Amerika). Dit oorspronkelijke Amerikaansche ras heeft later voor een ander ras moeten wijken, dat allengs naar het zuiden doordrong en zich met de oudere bevolking vermengde, uit welke vermenging de roodhuiden ontstonden, die in hun uiterlijk en oorsprong veel minder één zijn dan men gewoonlijk aanneemt. Door dit gemengde ras werden de Eskimo’s naar het noorden gedrongen, hoewel ook zij eenigszins met het ingedrongen ras zijn vermengd.
De Markies de Saporta schrijft echter sommige in Mexico en de Vereenigde Staten gevonden vuursteenwerktuigen toe aan het ras van Chelles (of Cannstatt), dat volgens hem gelijktijdig in Europa en in Amerika als oudste bevolking optrad.
(6) Vergelijk de fraaie kaart, gevoegd bij Deel I van „Insulinde: het Land van den Orang-oetan en den Paradijs-vogel”, door A. R. Wallace, Ned. vert. van Prof. P. J. Veth, 1870. De grenslijn tusschen de beide menschenrassen ligt echter iets oostelijker dan die tusschen de zoölogische gewesten, hetgeen, volgens de zeer aannemelijke verklaring van Wallace, is toe te schrijven aan de zucht van het Maleische ras voor de zeevaart en zijn hoogere ontwikkeling, waardoor het in staat werd gesteld zich over een deel van het aangrenzend gebied te verbreiden en de oorspronkelijke Papoea-bevolking te verdringen. [376]
Dr. K. Martin, Hoogleeraar te Leiden, hield voor eenige jaren bij gelegenheid der koloniale tentoonstelling te Amsterdam eene redevoering, getiteld: „Wissenschaftliche Aufgaben, welche der geologischen Erforschung des Indischen Archipels gestellt sind”, waarin hij o.a. zocht aan te toonen, dat Wallace ten onrechte beweerde, dat de grenslijn tusschen het Aziatische en het Australische zoölogische gewest van Insulinde met de oorspronkelijke grens tusschen het Aziatische en Australische vasteland samenvalt.
Dr. H. van Cappelle („Over de grenslijn van Wallace”, Album der Natuur 1886, blz. 299) is van het zelfde gevoelen, en komt tot het besluit, dat het als hoogstwaarschijnlijk kan worden aangenomen:
1o. dat de grenslijn van Wallace niet als een continentale grens moet worden beschouwd; dat deze laatste zeer waarschijnlijk met de door den Indischen Archipel loopende reeks vulkanen samenvalt.
2o. dat de soorten van Australisch type, die men op de oostelijk van genoemde grenslijn gelegen eilanden aantreft, deze laatste niet oorspronkelijk bewoonden, doch er zich eerst later over hebben verspreid, toen de toenadering van het Australische tot het Aziatische continent hoe langer hoe grooter werd.
Is dit juist, dan verklaart zich het feit, dat de grenslijn tusschen de beide menschenrassen iets oostelijker ligt dan die tusschen de zoölogische gewesten, op nog eenvoudiger wijze, namelijk doordat de strijdbaarder Maleiers zich niet door de minder strijdbare Papoea’s lieten terugdringen, gelijk de Aziatische fauna door de Australische.
De verdringing der dier- en plantsoorten van het groote vasteland van Azië door die van het kleine vasteland van Australië is echter in strijd met wat wij in Amerika, Nieuw-Holland en Nieuw-Zeeland zien gebeuren, waar de inlandsche soorten voor de uit het grootere vasteland (Europa-Azië) ingevoerde terugwijken!
(7) Daar de eigenlijke Eskimo’s slechts in de poollanden van Amerika voorkomen, is dit alleen waar, als men de Mongoloïdische bewoners der noordelijke poolstreken van Azië en Europa de Kamschadalen, Tschoektschen, Koriaken, Joekagiren, Toengoezen, Ostiaken, Samojeden, Laplanders enz. met hen tot een „Arctisch ras” vereenigt. Deze volken worden echter, evenals de Eskimo’s, door de meeste schrijvers als takken van het Mongoolsche ras beschouwd. In taalkundig opzicht schijnen van al de genoemde volken alleen de Kamschadalen en Tschoektschen met de Eskimo’s verwant te zijn.
(8) In het Duitsche tijdschrift „Globus”, Bd XVII, N°. 1, blz. 10, vinden wij in een artikel van Karl Andree, „Zur Kennzeichnung der Mischlinge aus verschiedenen Menschenracen”, het volgende over de bastaarden tusschen blanken en van Diemenslanders en Nieuw-Hollanders opgeteekend: „Met recht noemt Bonwick hen in zijn, aan onze lezers bekend werk over het uitsterven der van Diemenslanders „ongelukkige voortbrengselen van den omgang in de struiken”, die slechts zelden bij den stam der zwarten eenigen tijd in het leven blijven. Dikwijls neemt de moeder, daar zij haar schande wil verbergen, een middel te baat om het schepsel voor de geboorte te vermoorden; baart zij echter een kind, dan bezorgt een bloedverwant daaraan door een knotsslag een vroegtijdigen dood. Al beweerde een uitnemend anthropoloog, Broca te Parijs, vroeger eens, dat het vermoorden der Nieuw-Hollandsche mulatten een fabel en de uitroeiing der half-bloedigen door de zwarten onnatuurlijk was, men is nu sinds lang beter onderricht kunnen worden. Dr. Story, die langen tijd een stam van van Diemenslanders gadesloeg, vond onder hen geen enkelen bastaard. Ook op het vasteland van Nieuw-Holland [377]zijn halfbloed-kinderen zeer zeldzaam geweest; de zendeling Schmidt in Queensland weet, „dat het een regel was, die dadelijk na de geboorte om te brengen.” Robinson en andere voorsprekers der inboorlingen getuigen, dat in de streek van Port Philip volkomen het zelfde het geval was. Tegenwoordig, nu de geboorte van een kind bij de Nieuw-Hollanders over het algemeen tot de zeldzaamheden behoort, heeft men, wel is waar, nu en dan een halfbloed-kind in het leven gelaten en zulk een geel voortbrengsel wel eens met een zekeren trots, of ook wel eens met een zekeren galgenhumor aan de blanken getoond. „That my picaninny,—you gib it sixpence?” zeide een zwarte lachend tot den heer Bonwick. Parker, een voorspreker der inboorlingen, getuigt echter, „dat ook die kinderen, ingeval men ze tot den manbaren leeftijd laat leven, dan op geheimzinnige wijze verdwijnen.
„De blanke, Christelijke vaders hebben zich steeds zeer onverschillig omtrent hun bastaarden getoond. De heer Karl Vogt heeft dit betwijfeld; maar Bonwick wederlegt hem met feiten.
„De heer G. A. Murray, politiemagistraat aan de rivier Murrumbidgee, werd officiëel verwittigd, dat elf halfbloed-knapen door de zwarten waren vermoord en dat men elk hunner op een afzonderlijk vuur tot asch had verbrand. Hij reed naar de hem aangewezen plaats, zag de overblijfselen van het vuur, doorzocht de asch en vond nog brokstukken van menschenbeenderen. In zijn procesverbaal merkt hij op, dat men in zijn district de halfbloed-meisjes somtijds in leven laat, doch de jongens zonder uitzondering doodt; de eersten worden slechts geduld, om als gemeenschappelijk goed aan de mannen van den stam tot bevrediging hunner dierlijke lusten te strekken, en tegen geld aan blanke mannen te worden prijsgegeven.”
In het eerste nummer van de „Memoirs of the Literature of the Imperial University of Japan”, komt een belangrijke verhandeling voor van R. H. Chamberlain over de Aino’s, de oorspronkelijke bevolking van Japan, die thans nog op het eiland Jesso voorkomt en buitengewoon harig is. Bij vermenging met Japanneezen zijn zij weinig vruchtbaar en de bastaarden sterven uit, hetgeen er volgens Chamberlain op wijst, dat ook bij het menschdom een neiging bestaat om zich in ware „soorten” te splitsen.
(9) Vergelijk echter onze aanteekening in Deel II, blz. 197, van „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten.”
(10) Hier wordt gedoeld op het eiland Pitcairn, dat in het jaar 1790 werd bevolkt door een deel der oproerige bemanning van het Engelsche schip de „Bounty”, bij welke zich eenige inboorlingen van Tahiti hadden gevoegd. Bij hun aankomst waren zij 15 mannen en 12 vrouwen sterk. Ten gevolge van twisten tusschen de Engelschen en de Tahitiërs stierven al deze personen, behalve twee Engelschen, Adams en Young genaamd, en eenige vrouwen uit Tahiti, een gewelddadigen dood. Van deze weinige overgeblevenen is de geheele bevolking van Pitcairn en het eiland Norfolk afkomstig, omtrent welke Darwin blz. 359 eenige nadere bijzonderheden mededeelt.
(11) Deze kenmerken hebben vooral betrekking op de geslachtsdeelen. Zoo zijn de kleine schaamlippen (nymphae) bij de Hottentotsche vrouwen aanmerkelijk verlengd (tot meer dan 2 decimeter toe) en vormen het bekende tablier. Verder ontbreekt bij haar het frenulum, zoodat elke groote schaamlip in de overeenkomstige bil overgaat, zooals o.a. door een praeparaat op het museum te Breslau wordt aangetoond. Deze inrichting, die derhalve bij een der laagste menschenrassen normaal voorkomt, vertoont zich soms ook bij Europeesche pasgeboren kinderen (als atavisme?). Vergelijk Hyrtl, „Handboek der Top. Ontleedkunde”, Ned. vert. van Hanlo, 2de druk, deel II, blz. 147 [378]en 150. Ook onderscheiden zich de Hottentotsche en Bosjesmannen-vrouwen door haar zoogenaamde steatopygie, d.i. door verbazend groote vetkussens die zich bij haar, vooral nadat zij kinderen hebben gehad, op de billen ontwikkelen. Zie Virey, „Histoire Naturelle du Genre Humain”, tome I, pl. 2.
Over deze zoogenaamde steatopygie van de vrouwen der Hottentotten en Bosjesmannen hebben J. Deniker en P. Topinard75 onderzoekingen ingesteld bij gelegenheid, dat er vertegenwoordigers dier beide rassen in den acclimatatietuin te Parijs te zien waren. Volgens Deniker komt de steatopygie bij alle Hottentotsche vrouwen voor, maar in verschillende graden van ontwikkeling. De vetafzetting begint geregeld eerst aan het bovenste achterste gedeelte der billen, daarop strekt zij zich verder over de zijdelingsche gedeelten en naar onderen, en ook over de aan de trochanters van het dijbeen grenzende streek uit. Verderop ontwikkelt zich fibreus weefsel, dat aan het vetkussen van het onderste gedeelte der billen ten steun strekt. De steatopygie blijft in den regel zelfs bestaan, als het individu overigens vermagert. Bij Kaffervrouwen komt de steatopygie evenmin voor als bij blanke vrouwen; bij de eersten bedraagt het uitsteken der billen slechts 3,6% der geheele lichaamslengte (bij Europeesche vrouwen 3,4%), en bij twee vrouwen van Bosjesmannen daarentegen 8,5%, bij ééne Hottentotsche vrouw zelfs 10%. Evenals Deniker beschouwt Topinard de steatopygie als een monsterachtigen vergrooting der billen, die niet slechts massiever en van grooteren omvang dan gewoonlijk zijn, maar ook den indruk maken, alsof zij naar boven omgebogen waren. Zij vormen van boven een horizontaal vlak, waarop groote voorwerpen gemakkelijk kunnen liggen. Naar onderen eindigen de steatopyge billen plotseling met een huidplooi. Bij enkele Hottentotsche vrouwen strekt zich de hypertrophie en vetontwikkeling over de geheele beenen uit tot aan de enkels, waar zij met een ringvormige opzwelling eindigen. Zulk een persoon ziet er dan uit alsof zij een wijde, geplooide broek aan had. Volgens Topinard is het niet onwaarschijnlijk, dat de steatopygie bij de vrouwen der Hottentotten en Bosjesmannen door seksueele teeltkeus is ontstaan, daar de mannen bij die volken een voorliefde voor vrouwen met sterk ontwikkelde billen hebben, terwijl deze laatsten door melkdiëet en volstrekte rust de vetontwikkeling trachten te bevorderen.
Dr. M. Alsberg, die in „Humboldt” van Juni 1890 een referaat over Deniker’s en Topinand’s onderzoekingen geeft, en zich vele jaren in Zuid-Afrika ophield, verklaart de steatopygie door de gewoonte der bedoelde vrouwen om haar kinderen in rijdende positie op de billen, of daarop vastgebonden te dragen. Dan zouden wij hier een erfelijke verworven eigenschap hebben, daar toch wel niemand zal aannemen, dat zich in ééne generatie bij vrouwen van ander ras, die aldus de kinderen droegen, steatopygie zou ontwikkelen.
Tusschen de steatopygie en de eeltplekken op de billen van sommige apen zou volgens Topinard geen verband bestaan.
Topinard heeft nog een andere tot dusver nauwelijks opgemerkte bijzonderheid van de vrouwen der Bosjesmannen en Hottentotten beschreven. Vóór, buiten en iets boven den trochanter vindt men bij haar namelijk een afgeronde opzwelling, die langzamerhand in de aangrenzende deelen overgaat en tevens den omvang der heupen aanmerkelijk vergroot. De geheele aesthetische [379]indruk dien de vorm eener vrouw maakt, gaat hierdoor verloren. Terwijl bij de volwassen Europeesche vrouw de romp op de hoogte der schouders de grootste breedte bezit, is bij de vrouwen der Bosjesmannen en Hottentotten het gedeelte tusschen de taille en het benedenste gedeelte der dijen het breedst. Toch bezitten die vrouwen een even smal bekken als de vrouwen der meeste lagere rassen, zoodat die in onze oogen wanstaltige vorm door de ontwikkeling der weeke deelen wordt veroorzaakt.
(12) Virey onderscheidt het menschelijk geslacht in twee soorten, die zes rassen omvatten. De eerste soort, die zich o.a. door een gelaatshoek van 85° tot 90° onderscheidt, bestaat uit: 1o. het blanke ras (Europeanen en Oosterlingen), 2o. het gele ras (Kalmukken en Mongolen), 3o. het koperkleurige ras (Amerikanen), 4o. het bruine ras (Maleiers). De tweede soort, die zich o.a. door een gelaatshoek van 75°–80° onderscheidt, bestaat uit: 1o. het zwarte ras (Negers, Kaffers), 2o. het zwartachtige ras (Hottentotten, Papoea’s). Het is dus eigenlijk onjuist om te zeggen, dat volgens Virey de mensch twee soorten of rassen zou vormen. Vergelijk: Virey „Histoire Naturelle du Genre Humain”, Livr. I, Sect. II, Art. 3.
(13) De nieuwste ons bekende indeeling is die van Haeckel („Natürliche Schöpfungsgeschichte”). Haeckel neemt de volgende twaalf hoofdrassen of menschensoorten aan: 1o. het Papoearas (Homo Papua); 2o. het Hottentotsche ras (Homo Hottentotus); 3o. het Kafferras (Homo Cafer); 4o. het Negerras (Homo niger); 5o. het Maleische ras (Homo Malayus), de eigenlijke Maleiers en Sundanesiërs omvattende; 6o. het Mongoolsche ras (Homo mongolicus); 7o. het Poolras (Homo arcticus), de Eskimo’s en de bewoners van Noord-oostelijk Azië (niet die van Noordwestelijk Azië en Noord-Europa) omvattende; 8o. het Amerikaansche ras (Homo Americanus), de oorspronkelijke inwoners van Amerika, met uitzondering der Eskimo’s, omvattende; 9o. het Australische (Nieuw-Hollandsche) ras (Homo australis)76; 10o. het Dravida-ras (Homo Dravida), gevormd door de niet-Arische oorspronkelijke bewoners van Voor-Indië (Dekhanvolken) en Ceylon; 11o. Het Nubische ras (Homo Nuba), gevormd door de eigenlijke Nubiërs, die de landen aan den Boven-Nijl (Dongola, Schangalla, Barabra, Kordofan) bewonen, en door de Foela’s of Fellata’s (ook Peul, Poehl, Poelar, Foehl, Foelbe, Foelan, Fallah, Fellan of Fellatin genaamd), die een breede strook land ten zuiden van de westelijke Sahara bewonen, roodbruin van kleur zijn en volstrekt niet met de negers moeten worden verward; 12o. het Middellandsche ras (Homo mediterraneus), overeenkomende met het Kaukasische ras van andere schrijvers, en uit de Ariërs of Indo-Germanen, de Semieten, de oude Egyptenaren (Kopten), de Basken, de Berbers (Kabylen, Guanchen), en de eigenlijke Kaukasische volken (Daghestaners, Circassiërs, Mingreliërs en Georgiërs) bestaande. Op blz. 749 van de achtste uitgaaf van Haeckel’s „Natürliche Schöpfungsgeschichte” vindt men het volgende [380]
SYSTEMATISCH OVERZICHT DER 12 MENSCHENSOORTEN.
N.B. De kolom A geeft bij benadering het aantal individu’s in millioenen aan; de kolom B geeft het phyletische ontwikkelingsstadium der soort aan; Pr beteekent: voortgaande uitbreiding, Co: ongeveer gelijkblijven, Re: achteruitgang en uitsterving. De kolom C geeft de verhouding der oorspronkelijke taalstammen aan; Mn (Monoglottonisch) beteekent een enkelen oorspronkelijken taalstam; Pl (Polyglottonisch) meer dan éénen oorspronkelijken taalstam.
| Tribus. | Menschensoort. | A. | B. | C. | Vaderland. |
| LOPHOCOMI (omtrent 2 millioenen). | 1. Papoea’s. | 2 | Re | Mn | Nieuw-Guinea en Melanesië, Philippijnsche eilanden, Malakka. |
| 2. Hottentotten. | 1⁄20 | Re | Mn | Zuidpunt van Afrika (Kaapland). | |
| ERIOCOMI (omtrent 150 millioenen). | 3. Kaffers. | 20 | Pr | Mn | Zuid-Afrika (tusschen 30° Zuiderbreedte en 5° Noorderbreedte). |
| 4. Negers. | 130 | Pr | Mn | Midden-Afrika (tusschen den aequator en 30° Noorderbreedte). | |
| EUTHYCOMI (bijna 600 millioenen). | 5. Maleiers. | 30 | Co | Mn | Malakka, Sundanesië, Polynesië, Madagascar. |
| 6. Mongolen. | 550 | Pr | Mn? | Het grootste deel van Azië en noordelijk Europa. | |
| 7. Poolmenschen. | 1⁄25 | Co | Pl? | Noord-oostelijk Azië en het Noorden van Amerika. | |
| 8. Amerikanen. | 12 | Re | Mn? | Geheel Amerika met uitzondering van het noordelijk gedeelte. | |
| 9. Australiërs. | 1⁄12 | Mn | Australië (Nieuw-Holland). | ||
| EUPLOCAMI (bijna 600 millioenen). | 10. Dravida’s. | 34 | Co | Mn | Zuid-Azië (Voor-Indië en Ceylon). |
| 11. Nubiërs. | 10 | Co | Mn? | Midden-Afrika (Nubië en Foelaland). | |
| 12. Middellanders. | 550 | Pr | Pl | In alle werelddeelen, eerst uit Zuid-Azië(?) naar Noord-Afrika en Zuid-Europa getrokken. | |
| 13. Bastaarden tusschen de soorten. | 11 | Pr | Pl | In alle werelddeelen, doch hoofdzakelijk in Amerika en Azië. |
[381]
Verder vindt men op blz. 727 van de achtste uitgaaf der „Natürliche Schöpfungsgeschichte” den volgenden
STAMBOOM DER TWAALF MENSCHENSOORTEN.
STAMBOOM DER TWAALF MENSCHENSOORTEN.[382]
Op blz. 751 van de achtste uitgaaf der „Natürliche Schöpfungsgeschichte” vindt men den volgenden
STAMBOOM VAN HET INDO-GERMAANSCHE RAS.
STAMBOOM VAN HET INDO-GERMAANSCHE RAS.[383]
Zooals men ziet, zijn wij Nederlanders, volgens den Duitschen geleerde Haeckel, nader verwant met de Angel-Saksers dan met de eigenlijke Hoogduitschers.
Ik vond het gepast in een der aanteekeningen dezen en den volgenden stamboom te geven, daar in een boek over de afstamming van den mensch en in een hoofdstuk over de menschenrassen wel iets over de lijnen van afstamming der tegenwoordige menschenrassen mocht worden verwacht, en Darwin dit, trouwens gedeeltelijk nog zeer hypothetische punt niet aanroert. Ik geloof, dat Haeckel’s stamboomen, schoon ongetwijfeld later enkele wijzigingen zullende ondergaan, op het standpunt der tegenwoordige wetenschap over het algemeen (met uitzondering o.a. van de Australiërs) vrij juist mogen worden geacht. Volkomen zekerheid en juistheid zal hierin wel steeds onbereikbaar blijven!
(14) Zeer verschillend is het maaksel van den larynx echter bij den neger en den blanke. Bij den blanke liggen de stembanden en de ventriculi Morgagnii horizontaal, bij den neger bijna verticaal; bij den laatste bezit de larynx daarenboven twee kraakbeenderen (cartilagines Wrisbergianae), die bij den blanke niet of ten minste slechts als hooge uitzondering en dan nog veel minder ontwikkeld dan bij den neger, voorkomen.77 Zie: G. Duncan Gibb, „Essential points of difference between the Larynx of the Negro and that of the White Man”, „Memoirs read before the Anthropological Society of London”, vol. II, 1865, 66. Londen, 1866. Men kan zich ternauwernood bij twee nauw verwante soorten homologe deelen voorstellen, die meer van elkander verschillen dan de larynx van een neger en die van een blanke, door middel van den keelspiegel gezien! Ten bewijze lasschen wij hier een viertal afbeeldingen in (Fig. 12, 13, 14, 15.)
Fig. 12.
Strottenhoofd (larynx) van een blanke met den keelspiegel (laryngoskoop) gezien.
Fig. 13.
Strottenhoofd (larynx) van den neger met den keelspiegel (laryngoskoop) gezien.
a. Stembanden; b. Bekervormige kraakbeenderen (cartilagines arytaenoideæ); c. Wigvormige kraakbeenderen (cartilagines Wrisbergianae); d. Strotklepje (epiglottis); e. Ingang in de zijdelingsche holten van het strottenhoofd (ventriculi Morgagnii).
[384]
Fig. 14.
Frontale doorsnede van het strottenhoofd (larynx) van een blanke.
Fig. 15.
Frontale doorsnede van het strottenhoofd (larynx) van een neger.
a. Stembanden; b. Zijdelingsche holten van het strottenhoofd (ventriculi Morgagnii).
Chudzinsky („Quelques notes sur la Splanchnologie des races humaines” in „Revue d’Anthropologie”, 16e Année, Serie III, T. 2, blz. 158) heeft vergelijkende metingen der ingewanden van verschillende menschenrassen gedaan. Terwijl de lengte der darmen van den blanke volgens Sappey gemiddeld 9600 m.M. bedraagt (waarvan 8000 op den dunnen, 1600 op den dikken darm komen), bedroeg die bij negers gemiddeld slechts 8667 m.M. De dunne darm van den neger was ruim 1000 m.M. korter dan die van den blanke, de dikke darm iets korter. De dikte van de lever (van voren naar achteren) bedraagt bij den blanke gemiddeld 200 m.M., bij den neger slechts 165, bij den orang oetan 150 m.M. De breedte van de lever bij den blanke gemiddeld 280, bij den neger 273, bij den orang-oetan 260 m.M. De lever van den blanke weegt gemiddeld 1450, die van den neger 1266 gram. Gemiddeld is de lengte van de milt bij den blanke (volgens Sappey) 123 m.M., bij den neger (Chudzinsky) [385]98 m.M., haar dikte, bij den blanke 82, bij den neger 60 m.M., haar gewicht bij den blanke 195, bij den neger 171 gram. Ook de nieren zijn bij den blanke grooter en zwaarder dan bij den neger, die van den orang zijn veel kleiner en lichter, en meer bolvormig dan bij den mensch. Bij negers is de linker nier altijd grooter en zwaarder dan de rechter; zijn bijnieren zijn grooter dan die van den blanke. In menige bijzonderheid van zijn ingewanden nadert dus de neger merkbaar tot de anthropomorphen en in enkele staat hij in dit opzicht dichter bij den orang dan bij den blanke.
(15) „Megalithische monumenten.” Onder dezen algemeenen naam omvat men de uit groote, ruwe steenen gebouwde gedenkteekenen die men in Frankrijk Dolmen, Menhir en Cromlech, in Duitschland Hünengräber, in onze provincie Drenthe Hunebedden en Steenen Grafkelders noemt.
De Dolmen (Hünengräber, Hunebedden) bestaan uit zware steenblokken die overeind in den grond zijn geplaatst, en een meestal ovale ruimte insluiten. Deze ruimte is met andere, nog zwaardere steenblokken overdekt. Dikwijls worden deze dolmen voorafgegaan door een op de zelfde wijze vervaardigden gang; vele zijn van boven open, andere worden omringd door een of meer concentrische cirkels van rechtopstaande ruwe steenen, die men in Frankrijk Peulvan of Menhir noemt en die ook wel afzonderlijk of in lange rijen geschaard (b.v. te Carnac in Bretagne) worden aangetroffen. De dolmen hebben, blijkens de overblijfselen die men er onder aantreft, meestal, zoo niet altijd, tot begraafplaatsen gediend. De Cromlech zijn eveneens uit ruwe, ongehouwen steenen gebouwde, cirkelvormige gedenkteekenen die tot tempels schijnen te hebben gediend, en waarvan de grootste te Stonehenge in Engeland wordt gevonden. Ook de Steenen Grafkelders (grottes aux fées der Franschen) behooren tot deze klasse van gedenkteekenen.
De Megalithische monumenten (waaraan de Franschen verkeerdelijk den naam van Monuments Celtiques78 geven) zijn in de Oude Wereld over een zeer groote uitgestrektheid verspreid. Men vindt ze in de Krim, Koerland, Pruisen, Mecklenburg, Denemarken, Zuid-Zweden, Westphalen, Oldenburg, Nederland, in Engeland, aan den Ticino in Italië, in Spanje, in Portugal, in de Barbarijsche Staten (vooral ook in Algerië en Tunis) en Palaestina, langs de kusten der Roode Zee en van de Perzische Golf tot in Britsch-Indië toe. Noch in de Nieuwe Wereld, noch in het Noorden en Oosten van Azië, noch in Centraal- en Zuid-Afrika, noch in Australië vindt men daarentegen, voor zoover ons bekend is, eigenlijke megalithische monumenten. Een steenhoop op den top van een heuvel opgeworpen, zooals Darwin in Zuid-Amerika heeft aangetroffen, verdient geenszins dien naam.
De megalithische monumenten dagteekenen in de verschillende landen der Oude Wereld, waar men ze aantreft, uit zeer verschillende, meestal voorhistorische tijden. Men heeft toch in de dolmen verschillende werktuigen aangetroffen. In het noorden van Duitschland, in het zuiden van Skandinavië, in Denemarken en Drenthe zijn deze van steen, hoe verder men naar het zuiden van Europa komt, hoe menigvuldiger men naast de steenen ook bronzen werktuigen aantreft. In Algerië is het brons regel, de steen uitzondering. In Britsch-Indië vindt men, volgens een mededeeling door J. Hooker, president van de „British Association for the Advancement of Science” aan die [386]vereeniging op haar vergadering van 1868 te Norwich gedaan, een halfwild Mongoloïdisch volk dat den naam van Khasia’s draagt, en dat nog heden ten dage dergelijke megalithische monumenten bouwt. Zij doen zulks het geheele jaar door behalve gedurende den regentijd. Dr. Thomson zag bij hen een pas gebouwden dolmen, waarvan de deksteen bijna 10 meter lang, meer dan 4½ meter breed en meer dan 6 decimeter dik was. Om dergelijke zeer zware steenblokken te verplaatsen, gebruiken zij slechts hefboomen en touwen (hetgeen de onderstellingen van velen onzer oudheidkundigen, b.v. van Picardt, over de wijze waarop de Drenthsche hunebedden zouden zijn gebouwd, overbodig maakt).79 Hun doel met het oprichten dier gedenkteekenen is een graf aan te duiden, of wel de plaats waar de eene of andere gewichtige gebeurtenis plaats greep. In den naam dien zij aan die monumenten geven, komt meestal de wortel men voor, die men in het Fransche Dolmen en Menhir terugvindt, doch in die laatste taal geen beteekenis heeft. In de taal der Khasia’s beteekent men steen.80
Zoowel de geographische verspreiding der megalithische monumenten, als de aard der werktuigen die men er in heeft gevonden, en van die gedenkteekenen zelven, maar vooral de medegedeelde taalkundige bijzonderheid maken het onzes inziens hoogst waarschijnlijk, dat zij, althans de groote meerderheid daarvan, afkomstig zijn van één volk, en dat men ze niet kan verklaren door aan te nemen, dat zij zijn gesticht door verschillende volken die gelijksoortige uitvindende of verstandelijke vermogens bezaten. Dat volk, het zoogenaamde Volk der Dolmen, schijnt in den jongsten steentijd van de kusten der Oostzee te zijn opgebroken en, langzaam langs de kusten voortrukkende, voor een gedeelte over de Anglo-Normandische eilanden naar Engeland te zijn overgestoken, terwijl het grootste deel zich zuidwaarts begaf. In den bronstijd kwamen deze laatsten in Noord-Afrika en trokken vervolgens langs de Middellandsche Zee, Roode Zee en Perzische Golf naar Indië, in welk laatste land hun afstammelingen nog heden schijnen te leven. Er bestaat reden om aan te nemen, dat een andere tak van het Volk der Dolmen gedurende den steentijd noordwaarts Skandinavië is ingetrokken, en zich in den bronstijd tot Stokholm, in den ijzertijd tot Drontheim heeft verspreid. Een derde tak trok in zuid-oostelijke richting van de kusten der Oostzee naar de Krim. [387]
(16) Dit is niet volkomen juist. Zoo behooren b.v. de oorspronkelijke bewoners van Noord-Afrika, de zoogenaamde Berbers, tot het Kaukasische ras, waartoe ook het grootste deel der bewoners van Europa en een groot deel van die van Azië behooren. De Eskimo’s behooren tot het zelfde ras, als de Tschoektschen en Kamschadalen van Noord-oostelijk Azië en worden door de meesten met dezen te zamen als een tak van het Mongoolsche ras beschouwd. Rassen die in historischen tijd naar andere continenten zijn verhuisd, zooals de Kaukasiërs en Negers in Amerika, de Semieten (Arabieren) in Afrika enz., komen hier natuurlijk niet in aanmerking. Wanneer een zelfde ras zich over ver uiteengelegen streken verspreidt en elk der zoo ontstane afdeelingen op zich zelve voort blijft leven, kan het niet wel anders, of elk dier afdeelingen moet na eenigen tijd van de andere gaan verschillen, en wel na langen tijd zoo sterk, dat uit die twee afdeelingen twee zelfstandige rassen ontstaan. Een sterk bewijs hiervoor is, dat de burger der Vereenigde Staten zich nu reeds door verschillende kenmerken dadelijk van den Europeaan onderscheidt, niettegenstaande zijn voorouders eerst sedert hoogstens twee of drie eeuwen in dat land zijn gevestigd en de landverhuizing onophoudelijk versch Europeesch bloed in de bevolking der Vereenigde Staten brengt. De twee tot zelfstandige rassen ontwikkelde afdeelingen zullen echter steeds een sterken familietrek behouden. En nu vinden wij juist over verschillende, door wijde zeeën gescheiden werelddeelen verschillende rassen verspreid, die zulk een familietrek hebben, b.v. de oorspronkelijke Amerikanen en de Aziatische Mongolen, de Afrikaansche Negers en de Nieuw-Hollanders, de Hottentotten en de Papoea’s. Hieruit blijkt o.i., dat de stamouders van elk dier groepen van rassen reeds aanmerkelijk van elkander verschilden, voor zich nog de tegenwoordige rassen hadden gevormd, en waarschijnlijk ook reeds voor de menschenrassen zich over hun tegenwoordige woonplaatsen hadden verspreid.
(17) Dit feit schijnt ons niet zoo merkwaardig. De volken waarmede de Grieken en Romeinen in aanraking kwamen, behoorden allen (of bijna allen) tot het Kaukasische of blanke ras, dat meer en meer blijkt in den strijd om het bestaan de overwinning over alle andere rassen weg te dragen. Evenmin zijn de Franschen (die nog geheel de kenmerken vertoonen, door Caesar aan de Galliërs toegeschreven) voor de Angel-Saksers geweken, niettegenstaande gedurende zeer langen tijd het grootste gedeelte van Frankrijk in de macht der Engelschen was; evenmin hebben de Duitschers de Franschen (Galliërs), of de Franschen (Galliërs) de Duitschers sedert Caesar’s tijd teruggedrongen; wanneer men op een kaart van het oude Gallië de zuidelijke en westelijke grenzen van de op den linker-Rijnoever wonende Germanen nagaat, zal men zien, dat die grenzen nagenoeg samenvallen met de zuidelijke en westelijke grenzen van den Elzas, Duitsch Lotharingen en de Rijn-Provincie; evenmin zijn de Arabieren en Kabylen in Algerië verdwenen voor de Franschen. De onbeschaafde rassen die tegenwoordig voor de blanken terugwijken en uitsterven, zijn hoofdzakelijk de oorspronkelijke Amerikanen, Nieuw-Hollanders en Polynesiërs, de Papoea’s en de Hottentotten (en niet de Mongolen, noch de Maleiers, noch de Kaffers, noch de Negers, noch de Dravida’s, noch de Nubiërs); met de oorspronkelijke Amerikanen, Nieuw-Hollanders en Polynesiërs, met de Papoea’s en de Hottentotten, kwamen echter noch de Grieken, noch de Romeinen ooit in aanraking.
Veel merkwaardiger vinden wij het, dat de oorspronkelijke Amerikanen wel terugwijken voor en worden uitgeroeid door het Angel-Saksische, maar geenszins of veel minder door het Spaansche ras, niettegenstaande de Spanjaarden hen steeds veel onmenschelijker hebben bejegend dan de Angel-Saksers. [388]
Dat de voorouders van het blanke ras (en dus ook van de Graeco-Romeinen) werkelijk op de oorspronkelijke wilde, niet tot het blanke ras behoorende bevolking van Europa den zelfden invloed uitoefenen, als de tegenwoordige blanken op de wilden van Amerika en Nieuw-Holland, blijkt uit het spoorloos verdwijnen van de Australoïde81, Negroïde82 en Mongoloïde83 stammen die voor de aankomst der blanken, in den steentijd, Centraal- en Zuid-Europa bevolkten, en van wier voormalig bestaan slechts de ruwe voortbrengselen hunner kunstvlijt en enkele bewaard gebleven schedels getuigen.
(18) Zie echter ook onze aanteekening in „Var. d. Huisd. & Cultuurpl.”, Deel II, blz. 82.
(19) De in Noord-Amerika gedurende den secessie-oorlog ten behoeve van het recruteeren van troepen bij 605,000 individu’s van 18 tot 45 jaar gedane onderzoekingen hebben bewezen, dat van elke 1000 personen van blond type (blond haar, blauwe oogen en lichte huidskleur) gemiddeld 385 wegens lichaamsgebreken en ziekte moesten worden afgekeurd, terwijl van 1000 brunette personen (zwart haar, donkere oogen en donkere huidskleur) gemiddeld slechts 332 werden afgekeurd. Hoewel deze statistiek zekere gebreken bezit, meent De Candolle er toch uit te mogen afleiden, dat het blonde type, hoewel in verstandelijk opzicht boven het brunette staande, toch, wat zijn gezondheidstoestand en wêerstandsvermogen tegen ziekten aangaat, daarvoor onderdoet. Verder meent De Candolle te hebben ontdekt, dat de vrouwen van blond ras in Noord-Amerika een talrijker contingent tot de brunette bevolking leveren dan de mannen, en dat waar in een huwelijk de man donkere en de vrouw lichte oogen heeft, of omgekeerd, de meerderheid der kinderen altijd donkere oogen bezit.
Volgens de sterftestatistiek komen in de Vereenigde Staten op 1000 personen bij de blanke bevolking gemiddeld 14,7, bij de kleurlingen (negers en bastaarden van negers en blanken) 17,3 en bij de Indianen 23,6 sterfgevallen voor. De Noord-Amerikaansche levensverzekeringsmaatschappijen eischen daarom van de kleurlingen een hoogere premie dan van blanken van den zelfden leeftijd. Dat schijnt te bewijzen, dat de grootere sterfte bij de kleurlingen niet het gevolg is van ongunstige levensomstandigheden—want die kleurlingen welke hun leven verzekeren, behooren toch stellig tot diegenen van hun klasse, welke in de gunstigste omstandigheden verkeeren—maar in het ras ligt. (Zie „Humboldt”, April 1889, L. Heimann in het „Zeitschrift für Ethnologie”, 1888.) [389]