1History of India”, 1841, vol. I, blz. 323. Pater Ripa maakt volkomen de zelfde opmerking ten opzichte van de Chineezen. 

2 Een zeer groot aantal metingen van blanken, zwarten en Indianen worden medegedeeld in de „Investigations in the Military and Anthropolog. Statistics of American Soldiers”, door B. Gould, 1859, blz. 228–358; over de grootte der longen, blz. 471. Zie ook de talrijke en belangrijke tabellen, door Dr. Weisbach, van de waarnemingen van Dr. Scherzer en Dr. Schwarz in de „Reise der Novara; Anthropolog. Theil”, 1867. 

3 Zie, bij voorbeeld, de mededeeling van den heer Marshall over de hersenen van een vrouwelijke Bosjesman, in „Phil. Transact.” 1864, blz. 519. 

4 Wallace, „The Malay Archipelago”, vol. II, blz. 178. 

5 Ten opzichte der beelden in de beroemde Egyptische grotten van Aboe Simbel, zegt de heer Pouchet („The Plurality of the Human Races”, Eng. vert. 1864, blz. 50), dat hij ver was van herkenbare afbeeldingen te vinden van de twaalf of meer volken welke sommige schrijvers beweren te kunnen herkennen. Zelfs sommigen van de meest sterk geteekende rassen kunnen niet tot thans levende worden teruggebracht met die mate van eenstemmigheid, die men zou mogen verwachten na hetgeen over dit onderwerp is geschreven. Zoo getuigen de heeren Nott en Gliddon („Types of Mankind”, blz. 148), dat Rhamses II, of de Groote, prachtige Europeesche gelaatstrekken heeft, terwijl Knox, een ander krachtig voorstander van het soortelijk verschil der menschenrassen, („Races of Man”, 1850, blz. 201), van den jongen Memnon sprekende (de zelfde persoon als Rhamses II, naar de heer Birch mij verzekert), er zeer sterk op drukt, dat hij in uiterlijk voorkomen gelijkt op de Antwerpsche Joden. Toen wij in het Britsch Museum met twee bevoegde rechters, die aan die inrichting waren geplaatst, het standbeeld van Amenophis III beschouwden, waren wij het allen daarover eens, dat de vorm van zijn gelaat zeer met dien van een neger overeenkwam. De heeren Nott en Gliddon (ibid., blz. 146, fig. 53) beschrijven hem echter als: „een bastaard, doch zonder inmenging van negerbloed.” (4) 

6 Aangehaald door Nott en Gliddon, „Types of Mankind”, 1854, blz. 439, Zij bekrachtigen dit ook met bewijzen; maar C. Vogt meent, dat dit punt nog nader onderzoek vereischt. 

7Diversity of Origin of the Human Races”, in de „Christian Examiner”, Juli 1850. 

8Transact. R. Soc. of Edinburg”, vol. XXII, 1861, blz. 567. 

9On the Phenomena of Hybridity in the Genus Homo”, Eng. vert. 1864. 

10 Zie den belangwekkenden brief van den heer T. A. Murray in de „Anthropolog. Review”, April, 1868, blz. LIII. In dezen brief wordt de juistheid der bewering van Graaf Strzelecki, dat Nieuw-Hollandsche vrouwen die kinderen hebben voortgebracht bij blanke mannen, daarna onvruchtbaar zijn met haar eigen ras, ontkend. De heer A. de Quatrefages heeft („Revue des Cours Scientifiques”, Maart 1869, blz. 239) ook vele bewijzen verzameld, dat Nieuw-Hollanders en Europeanen niet onvruchtbaar zijn, als zij zich met elkander kruisen. 

11An Examination of Prof. Agassiz’s Sketch of the Nat. Provinces of the Animal World”, Charleston, 1855, blz. 44. 

12Military and Anthopolog. Statistics of American Soldiers” door B. A. Gould, 1869, blz. 319. 

13 „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 371, 224, Deel II, blz. 97. Ik moet hier den lezer herinneren, dat de onvruchtbaarheid van soorten bij kruising geen afzonderlijk verkregen hoedanigheid is; maar evenals de onvatbaarheid van sommige boomen om op elkander te worden geënt, van andere verkregen verschillen afhangt. De aard van deze verschillen is onbekend, maar zij hebben meer in het bijzonder op het voortplantingsstelsel en veel minder op het uitwendig maaksel of gewone verschillen in gestel betrekking. Eén belangrijk element voor de onvruchtbaarheid van gekruiste soorten ligt blijkbaar daarin, dat een of beide lang zijn gewend aan vaste levensvoorwaarden; want wij weten, dat veranderde levensvoorwaarden een bijzonderen invloed hebben op het voortplantingsgestel, en wij hebben goede gronden om aan te nemen (zooals vroeger is opgemerkt), dat de afwisselende levensvoorwaarden bij de temming een neiging doen geboren worden tot opheffing van die onvruchtbaarheid, welke zoo algemeen is bij de kruising van soorten in den natuurstaat. Elders (ibid. Deel II, blz. 185–191, en „Ontstaan der Soorten”, 3de Ned. Uitgaaf, blz. 425) is door mij aangetoond, dat de onvruchtbaarheid van gekruiste soorten niet is verkregen door natuurlijke teeltkeus (9); wij kunnen inzien, dat het, wanneer twee vormen reeds zeer onvruchtbaar zijn gemaakt, nauwelijks mogelijk is, dat hun onvruchtbaarheid zou toenemen door het behouden blijven of het overleven der meer en meer onvruchtbare individu’s; want als de onvruchtbaarheid vermeerdert, zullen er hoe langer hoe minder nakomelingen worden geboren, die zich kunnen voortplanten, en ten laatste zullen er slechts enkele individu’s met groote tusschenruimten worden geboren. Er bestaat echter nog een grooter graad van onvruchtbaarheid. Zoowel Gärtner als Kölreuter hebben bewezen, dat bij geslachten van planten, die talrijke soorten bevatten, een reeks kan worden [337]gevormd van soorten die bij kruising hoe langer hoe minder zaden voortbrengen, tot soorten die nimmer een enkel zaad voortbrengen, maar op welke toch het stuifmeel van de andere soorten nog invloed uitoefent; want de kiem zwelt op. Hier is het klaarblijkelijk onmogelijk om de onvruchtbaarste individu’s, die reeds hebben opgehouden zaden te geven, voor de voortplanting uit te kiezen; zoodat het toppunt van onvruchtbaarheid, waarbij alleen de kiem wordt aangedaan, niet door teeltkeus kan worden verkregen. Dit toppunt, en ongetwijfeld ook de andere graden van onvruchtbaarheid, zijn toevallige gevolgen van zekere onbekende verschillen in den aard van het voortplantingsstelsel der soorten die worden gekruist. 

14 „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 75–78. 

15 De heer Quatrefages heeft („Anthropological Review”, Jan. 1869, blz. 22) een belangwekkende mededeeling gedaan over het succes en de energie van de Paulista’s in Brazilië, die een gekruist ras van Indianen en Portugeezen zijn met inmenging van het bloed van andere rassen. 

16 Bij voorbeeld bij de inboorlingen van Amerika en Nieuw-Holland. Prof Huxley zegt („Transact. Internat. Congress of Prehist. Arch.”, 1868, blz. 105), dat „de schedels van vele Zuid-Duitschers en Zwitsers even kort en breed zijn als die der Tartaren” enz. 

17 Zie een goede beschouwing hierover bij Waitz, „Introduct. to Anthropology”, Eng. translat. 1863, blz. 198–208, 227. Ik heb eenige der bovenvermelde mededeelingen ontleend aan H. Tuttle’s „Origin and Antiquity of Physical Man”, Boston, 1866, blz. 35. 

18 Prof. Nägeli heeft verschillende treffende gevallen zorgvuldig beschreven in zijn „Botanische Mittheilungen”, Bd. II, 1866, blz. 291–369. Prof. Asa Gray heeft overeenkomstige opmerkingen gemaakt omtrent sommige tusschenvormen bij de Saâmgesteldbloemige Planten (Compositae) van Noord-Amerika. 

19 „Ontstaan der Soorten”, 3de Ned. Uitgaaf, blz. 101. 

20 Zie hierover Prof. Huxley in de „Fortnightly Review”, 1865, blz. 275. 

21Lectures on Man”, Eng. vert. 1863, blz. 468. 

22Die Racen des Schweines”, 1860, blz. 46. „Vorstudiën für Geschichte, enz. Schweineschädel”, 1864, blz. 104. Ten opzichte van het vee, de Quatrefages, „Unité de l’Espèce Humaine”, 1861, blz. 119. 

23 Tylor’s „Early History of Mankind”, 1865; omtrent het bewijs ten opzichte van gebarentaal, zie blz. 54, Lubbock’s „Prehistoric Times”, 2nd edit. 1869. 

24The Primitive Inhabitants of Scandinavia”, Eng. vert., uitgegeven door Sir J. Lubbock, 1868, blz. 104. 

25 Hodder W. Westropp, „On Cromlechs”, enz., „Journal of Ethnological Soc.”, aangehaald in „Scientific Opinion”, 2 Juni 1862, blz. 3. 

26Journal of Researches: Voyage of the „Beagle””, blz. 46. 

27Prehistoric Times”, 1869, blz. 574. 

28 Vertaling in „Anthropological Review”, Oct. 1866, blz. 431. 

29Transact. Internat. Congress of Prehistoric Arch.”, 1866, blz. 172–175. Zie ook Broca (vertaling) in „Anthropological Review”, Oct. 1886, blz. 410. 

30 Dr. Gerland, „Ueber das Aussterben der Naturvölker”, 1868, blz. 82. 

31 Gerland (ibid. blz. 12) geeft feiten tot ondersteuning van deze bewering. 

32 Zie opmerkingen hierover in Sir H. Holland’s „Medical Notes and Reflections”, 1839, blz. 390. 

33 Ik heb („Journal of Researches, Voyage of the „Beagle””, blz. 435) een aanmerkelijk aantal gevallen verzameld, die op dit onderwerp betrekking hebben. Zie ook Gerland, ibid. blz. 8. Poeppig spreekt van den „voor wilden vergiftigen adem der beschaving”. 

34 Sproat, „Scenes and Studies of Savage Life”, 1868, blz. 284. 

35 Bagehot, „Physics and Politics”, „Fortnightly Review”, 1 April, 1868, blz. 455. 

36 Alle hier gegeven bijzonderheden zijn ontleend aan „The last of the Tasmanians” door J. Bonwick, 1870. 

37 Volgens een mededeeling van den gouverneur van Tasmania, Sir W. Denison, „Varieties of Vice Regal Life”, 1870, vol. I, blz. 67. 

38 Voor deze gevallen, zie Bonwick’s „Daily Life of the Tasmanians”, 1870, blz. 90; en de „Last of the Tasmanians”, 1870, blz. 386. 

39Observations on the Aboriginal Inhabitants of New-Zealand” uitgegeven door de Regeering, 1859. 

40New-Zealand”, door Alex. Kennedy, 1873, blz. 47. 

41Life of J. C. Patterson”, door C. M. Younge, 1874; zie meer in het bijzonder vol. I, blz. 530. 

42 De bovenstaande opgaven zijn hoofdzakelijk ontleend aan de werken: Jarves, „History of the Hawaiian Islands”, 1843, blz. 400–407. Cheever, „Life in the Sandwich Islands”, 1851, blz. 277. Ruschenberger wordt aangehaald door Bonwick, „Last of the Tasmanians”, 1870, blz. 378. Bishop wordt aangehaald door Sir E. Belcher, „Voyage Round the World”, 1843, vol. I, blz. 272. Ik ben de resultaten van de volkstelling der verschillende jaren verschuldigd aan de vriendelijkheid van den heer Coan, door tusschenkomst van Dr. Youmans van New-York; en in de meeste gevallen heb ik de cijfers van Youmans vergeleken met die, welke in verschillende der bovengenoemde werken werden medegedeeld. Ik sloeg de volkstelling van 1850 over, daar ik zag, dat er twee zeer verschillende getallen werden opgegeven. 

43The Indian Medical Gazette”, Nov., 1871, blz. 40. 

44 Over de nauwe verwantschap tusschen de Norfolk-eilanders, zie Sir W. Denison, „Variaties of Vice-Regal Life”, vol. I, 1870, blz. 410. Voor de Toda’s, zie Kolonel Marshall’s werk, 1873, blz. 110. Voor de eilanden bewesten Schotland, Dr. Mitchell, „Edinburgh Medical Journal”, Maart tot Juni, 1865. 

45 Voor bewijzen hiervan, zie „Varieeren der Huisdieren” enz., Deel II, blz. 100, 147–166. 

46 „Varieeren der Huisdieren” enz., Deel I, blz. 162. 

47 Deze bijzonderheden zijn ontleend aan „The Mutineers of the „Bounty””, door Lady Belcher, 1870; en aan „Pitcairn Island”, tot het drukken waarvan het House of Commons den 29sten Mei last gaf. De daarop volgende opgaven omtrent de Sandwich-eilanden zijn uit de „Honolulu Gazette” en van den heer Coan. 

48On Anthropology”, Eng. vertaling, „Anthropolog. Review”, Jan. 1868, blz. 38. 

49The Annals of Rural Bengal”, 1868, blz. 134. 

50 „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 67–73 (18). 

51 Pallas, „Act. Acad. St. Petersburgh”, 1870, part II, blz. 69. Hij werd gevolgd door Rudolphi in zijn „Beiträge zur Anthropologie”, 1812. Een uitnemend overzicht der bewijzen wordt gegeven door Godron, „De l’Espèce”, 1859, vol. II, blz. 146 enz. 

52 Sir Andrew Smith, aangehaald bij Knox, „Races of Man”, 1850, blz. 473. 

53 Zie hierover Quatrefages, „Revue des Cours Scientifiques”, Oct. 17, 1868, blz. 731. 

54 Livingstone’s „Travels and Researches in S. Africa”, 1857, blz. 338, 329. D’Orbigny, aangehaald bij Godron, „De l’Espèce”, vol II, blz. 266. 

55 Zie een verhandeling, voorgedragen in de Royal Soc. in 1813 en in zijn „Essays” uitgegeven. Ik heb een overzicht van de beschouwingen van Dr. Wells gegeven in de „Historische Schets” (blz. XVI) die bij mijn „Ontstaan der Soorten” behoort (zie „Ontstaan der Soorten”, 3de Ned. Uitg., blz. 28). Verschillende voorbeelden van het verband tusschen kleur en bijzonderheden van gestel zijn gegeven in mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 389–391. 

56 Zie b.v. Nott en Gliddon, „Types of Mankind”, blz. 68. 

57 Majoor Tulloch in een verhandeling, voorgedragen voor de „Statistical Society”, 20 April 1848, en uitgegeven in het „Athenaeum”, 1840, blz. 353. 

58The Plurality of the Human Races”, Eng. vertaling, 1864, blz. 60. 

59 Quatrefages, „Unité de l’Espèce Humaine”, 1861, blz. 205. Waitz, „Introduct. to Anthropology”, vertaling vol. I, 1863, blz. 124. Livingstone geeft overeenkomstige gevallen in zijn „Travels.” 

60 In de lente van het jaar 1862 kreeg ik verlof van den Directeur-Generaal van het Geneeskundig Departement van het Leger, om aan de Officieren van Gezondheid van de verschillende regimenten die voor den dienst in het buitenland waren bestemd, een oningevulde tabel te zenden met bijvoeging der volgende opmerking, maar ik kreeg er geen terug: „Daar bij onze huisdieren verschillende sterk sprekende voorbeelden zijn opgeteekend van een samenhang tusschen de kleur der huidaanhangsels en het gestel; en daar het bekend is, dat er een beperkte mate van betrekking bestaat tusschen de kleur der menschenrassen en het door hen bewoond klimaat, schijnt het volgend onderzoek der overweging waardig. Of er namelijk bij Europeanen eenige betrekking bestaat tusschen de kleur van het haar en hun vatbaarheid voor de ziekten van tropische landen. Indien de Officieren van Gezondheid van de verschillende regimenten, als zij in ongezonde tropische streken verblijf houden, zoo goed wilden zijn, eerst, als maatstaf van vergelijking, te [365]tellen, hoevele manschappen bij de militaire macht, waarvan de zieken afkomstig zijn, donker en licht gekleurd haar en haar van tusschenbeide liggende of twijfelachtige kleur hadden, en indien dan een dergelijke aanteekening werd gehouden door de zelfde heeren geneeskundigen van al de manschappen die aan moeraskoortsen en gele koorts of aan dissenterie leden, zou het spoedig blijken, nadat eenige duizenden gevallen in tabel waren gebracht, of er eenig verband bestaat tusschen de kleur van het haar en de constitutioneele vatbaarheid voor tropische ziekten. Wellicht zou geen dergelijke betrekking worden ontdekt, maar het onderzoek is wel waard om te worden ingesteld. In geval het eene of andere positieve resultaat werd verkregen, zou zulks eenig praktisch nut kunnen hebben bij het uitkiezen van manschappen voor den eenen of anderen bijzonderen dienst. Theoretisch zou het resultaat van hoog belang zijn, daar het een der oorzaken zou aanwijzen, waardoor een menschenras dat sinds zeer langen tijd een ongezond tropisch klimaat bewoonde, donker gekleurd zou kunnen zijn geworden, doordat de individu’s met donkere haren of donkere huid gedurende een langer opeenvolging van generaties beter zouden zijn bewaard gebleven.” 

61Anthropological Review”, Jan. 1866, blz. XXI. Dr. Sharpe zegt ook ten opzichte van Indië („Man a Special Creation”, 1873, blz. 118), dat door sommige officieren is opgemerkt, „dat Europeanen met licht haar en blozende aangezichten minder hebben te lijden van ziekten der tropische gewesten dan personen met donker haar en bleeke gelaatskleur; en zoover ik weet, schijnen er goede gronden voor deze opmerking te zijn.” Daarentegen is de heer Heddle, van Sierra Leone, „onder wien meer klerken zijn gestorven dan onder eenig ander”, door het klimaat der westkust van Afrika (W. Reade, „African Sketch Book”, vol. II, blz. 522), van een juist tegenovergestelde meening, evenals ook Kapitein Burton. 

62Man a Special Creation”, 1873, blz. 119. 

63 „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 242 v.v., 389–391. 

64 Zie, bij voorbeeld, Quatrefages (Revue des Cours Scientifiques”, 10 Oct. 1868, blz. 724) over de gevolgen van een verblijf in Abessinië en Arabië en andere dergelijke gevallen. Dr. Rolle („Der Mensch, seine Abstammung”, enz. 1865, blz. 99) deelt op autoriteit van Khanikof mede, dat het grootste gedeelte der in Georgië gevestigde Duitsche familiën in den loop van twee generaties donker haar en donkere oogen hebben verkregen. De heer D. Forbes deelt [367]mij mede, dat de Quichua’s der Andes zeer in kleur verschillen, al naar de ligging der valleien die zij bewonen. 

65 Harlan, „Medical Researches”, blz. 532. Quatrefages („Unité de l’Espèce Humaine”, 1861, blz. 128) heeft vele bewijzen daarvoor bijeengezameld. 

66 Zie Prof. Schaaffhausen, Eng. vertaling, in „Anthropological Review”, Oct. 1868. 

67 De heer Catlin getuigt („N. American Indians”, 3de edit. 1842, vol. I, blz. 49) dat bij den geheelen stam der Mandanen ongeveer één van elke tien of twaalf leden van alle leeftijden en beide seksen glanzig zilverachtig grijs haar had, hetgeen erfelijk was. Dit haar nu was even grof en hard als paardenhaar, terwijl het haar van andere kleuren fijn en zacht was. 

68 Over den geur der huid, Godron, „Sur l’Espèce”, tom. II, blz. 217. Over de poriën der huid, Dr. Wilckens, „Die Aufgaben der landwirth. Zootechnik”, 1869, blz. 7. 

69 Deze personen zijn vergezeld van hun kudden, die uit ezels, antilopen en steenbokken bestaan; 3000 jaren v. Chr. bestonden dus de kudden grootendeels uit diersoorten die thans niet in getemden toestand voorkomen of niet meer in kudden worden gehouden, terwijl schapen, geiten, runderen, paarden en kameelen ontbraken, dat thans de voornaamste tamme dieren uit Egypte zijn. 

70 Ofschoon dit a priori hoogst waarschijnlijk is, daar de omstandigheden waaronder het dier leefde, sedert de oudste dynastieën wel degelijk geheel dezelfde zijn gebleven! Ieder die Egypte, vooral Opper-Egypte, heeft bezocht, in welke laatste streek het bouwland slechts een smalle strook vormt tusschen twee woestijnen, die nimmer bebouwd zijn geweest, en geheel in het klimaat dier woestijnen deelt, zal zulks toegeven. 

71 Men vergelijke S. B. Sketchley, „On the Occurrence of Stone Mortars in the ancient river-gravels of Butte-County (California)”, in „Journ. of the Anthrop. Institute of Great Britain and Ireland”, 1889, blz. 332. De geheele tertiaire steentijd wordt tegenwoordig door de Mortillet eolithische periode genoemd, een slecht gekozen naam! Wij zouden liever spreken van een pliolithische, miolithische en eolithische periode, al naar de bewerkte vuursteenen in pliocene of eventueel in miocene of eocene lagen waren gevonden.

Omtrent de in onze aanteekening 22, blz. 43, vermelde indeeling der voorhistorische tijden in steen-, brons- en ijzertijd (in 1836 in de wetenschap ingevoerd door den Deenschen oudheidkundige Thomsom, op grond zijner studiën in het rijke museum van oudheden te Kopenhagen), wenschen wij hier nog mede te deelen, dat in de laatste jaren van verschillende zijden in twijfel is getrokken, of zelfs ontkend, dat men van een bepaalden bronstijd mag spreken, en beweerd, dat de kennis van het ijzer ouder was dan die van het brons. Men vergelijke: R. Andree, „Die Metalle bei den Naturvölkern”, Leipzig, 1884; Dr. L. Beck, „Die Geschichte des Eisens”, Braunschweig, Vieweg, 1885; Dr. M. Alsberg, „Die Anfänge der Bronzecultur”, Berlin, 1885; Dr. A. J. C. Snijders, „De oorsprong der menschelijke nijverheid” (Slot), in den „Tijdspiegel” van Maart, 1891. Men zie omtrent den bronstijd en den tusschen dezen en den steentijd te plaatsen kopertijd echter ook Prof. R. S. Tjaden Modderman in „Album der Natuur”, 1891, blz. 81. 

72Revue d’Anthropologie”, 1889, blz. 75. 

73Archiv für Anthropologie”, 1889, blz. 375. 

74 Omstreeks 1000 n. Chr. vonden de Noormannen aan den Atlantischen Oceaan in het tegenwoordige Canada en de noordelijke Vereenigde Staten de zoogenaamde „Skraelinger”, naar de beschrijving stellig Eskimo’s. Na het terugvinden van Amerika door Columbus vonden de Franschen en Engelschen in die zelfde streken Roodhuiden, die dus tusschen 1000 en 1500 de Eskimo’s daar moeten hebben verdrongen.

Soren Hanssen onderstelt, dat de Eskimo’s over den Stillen Oceaan, de stamouders der Roodhuiden over de Behringstraat Amerika zijn binnengedrongen. Met deze stellingen kan ik mij, om later te vermelden redenen, volstrekt niet vereenigen, vooral met de eerste niet. 

75Les Hottentots au Jardin d’Acclimatation”, en „La Stéatopygie des Hottentots”, beide in de „Revue d’Anthropologie”, 1889, blz. 15 en 194. 

76 Deze wordt wegens den aard van zijn haar door Haeckel als nauwer met de Dravida’s, Nubiërs en zelfs Middellanders verwant beschouwd dan met de wolharige Papoea’s, Hottentotten, Kaffers en Negers. Wij zouden eer geneigd zijn hem als nauw verwant met deze laatsten, vooral met de Papoea’s te beschouwen en achten de geaardheid van het haar alleen niet zulk een belangrijk kenmerk als de kleur, schedelvorm, schedelgrootte enz te zamen. 

77 In het laatste geval zijn zij wellicht te verklaren als terugslag (atavisme) [384]tot het type van een voorvader van het blanke ras, en zijn gelijk te stellen met de in Hoofdstuk II van dit werk vermelde aapachtige afwijkingen van het spierstelsel. Op het merkwaardige feit van de algemeene dolichocephalie der oorspronkelijke Afrikanen en der Afrikaansche anthropomorphen, in tegenoverstelling van de brachycephalie der Maleiers en Mongolen en der Aziatische anthropomorphen is reeds vroeger, aant. 10, blz. 294, gewezen. 

78 Zij komen in grooten getale voor in landen waar nimmer Kelten hebben gewoond, en de Fransche zijn zeker ouder dan de Keltische tijd. Zie mijn artikel: „Wie waren de stichters der Drenthsche hunebedden?” in den „Nieuwen Drenthschen Volksalmanak”, jaargang 1886. 

79 Men vergelijke over de wijze, waarop de hunebedden zijn gebouwd, ook het slot van mijn artikel: „Hunebedden in Noordwest-Duitschland” in „Nieuwe Drenthsche Volksalmanak”, 1891, blz. 152. 

80 De overste Yole, die in 1844, en de botanist J. Hooker, die in 1866 deze Khasia’s bezocht, vermelden beiden ook hun megalithische monumenten. Het woord men komt menigmaal in den naam hunner dorpen voor, evenzeer als dit het geval is in Bretagne, Wales en Cornwallis. Mensmaï duidt in het Khasiaansch een eed of zweersteen aan; menflong een begraasden steen; memloe een zoutsteen. De Khasia’s bewonen een deel der bergstreken die ten oosten van de Brahmapoetra liggen. Zij zijn nimmer in gemeenschap met de Hindoe’s geweest en behooren tot de vóór-Arische bewoners van Indië. Zij hebben zeer geringe en verwarde godsdienstige begrippen en staan op een zeer lagen trap van ontwikkeling. Hun uit steen en bamboes samengestelde hutten zijn even armoedig als zij zelven zijn.

Witkamp vermeldt in zijn Geschiedenis der XVII Nederlanden deze Khasia’s en schat den ouderdom onzer hunebedden op minstens 2500 jaren, mogelijk zelfs op 30, 35 of meer eeuwen. Naar mijn gevoelen zijn zij echter waarschijnlijk nog veel ouder, hetgeen daarmede samenhangt, dat Witkamp het Volk der Dolmen uit Indië naar Europa laat trekken, juist omgekeerd als ik. 

81 Schedels van Engis, Neanderthal, Eguisheim, Gibraltar enz. (ras van Chelles, oudste steentijd). 

82 Schedel van Florence (oudste steentijd). 

83 Schedels van Eyzies, Cro Magnon, Furfooz enz. (middelste steentijd); Borreby enz. (jongste steentijd).