| JAREN. | INLANDSCHE BEVOLKING.
(Uitgezonderd gedurende 1832 en 1836, toen de weinige vreemdelingen die op de eilanden waren, er bij werden opgenomen.) |
Jaarlijksche vermindering in percenten, onderstellende, dat die gelijkmatig is geweest tusschen twee opeenvolgende volkstellingen, daar deze tellingen met onregelmatige tusschenruimten werden gehouden. | ||||
| 1832 | 130313 | |||||
| 4,46 | ||||||
| 1836 | 108579 | |||||
| 2,47 | ||||||
| 1853 | 71019 | |||||
| 0,81 | ||||||
| 1860 | 67084 | |||||
| 2,18 | ||||||
| 1866 | 58765 | |||||
| 2,17 | ||||||
| 1872 | 51531 | |||||
Wij zien hieruit, dat in het verloop van veertig jaren, tusschen 1832 en 1872, de bevolking niet minder dan acht-en-zestig percent is afgenomen! Dit is door de meeste schrijvers toegeschreven aan de ongebondenheid der vrouwen, aan vroegere bloedige oorlogen, aan den harden arbeid aan overwonnen stammen opgelegd, en aan nieuw ingevoerde ziekten, die bij verschillende gelegenheden uiterst veel slachtoffers hebben gemaakt. Zonder twijfel hebben deze en andere dergelijke oorzaken krachtdadig gewerkt, en kunnen zij wellicht de buitengewoon sterke vermindering tusschen 1832 en 1836 verklaren; maar de krachtigst werkende van alle oorzaken schijnt de afneming der vruchtbaarheid te zijn. Volgens Dr. Ruschenberger, van de Marine der Vereenigde Staten, die deze eilanden tusschen 1835 en 1837 bezocht, hadden in één district van Hawaii, slechts vijf-en-twintig mannen van 1884, en in een ander district slechts tien van 637 een huisgezin met drie of meer kinderen. Van tachtig gehuwde vrouwen hadden slechts negen-en-dertig ooit een kind gebaard; en „het officiëele rapport geeft een gemiddelde van een [355]half kind op elk gehuwd paar in het geheele eiland.” Dit is bijna volkomen het zelfde gemiddelde als bij de Tasmaniërs te Oyster Cove. Jarves die zijn „Geschiedenis der Hawaii-eilanden” in 1843 uitgaf, zegt, „huisgezinnen die drie kinderen hebben, zijn vrij van alle belastingen; die welke er meer hebben, worden beloond door landschenkingen en andere aanmoedigingen.” Dit ongeëvenaarde besluit van de regeering toont goed aan, hoe onvruchtbaar het ras was geworden. De weleerw. heer A. Bishop getuigde in den „Hawaiischen Spectator” in 1839, dat een groot gedeelte der kinderen vroegtijdig sterven, en Bisschop Staley meldt mij, dat dit nog het geval is, juist als in Nieuw-Zeeland. Dit is toegeschreven aan het veronachtzamen der kinderen door de vrouwen, maar het is waarschijnlijk grootendeels het gevolg van aangeboren zwakheid van gestel der kinderen, die in betrekking staat met de verminderde vruchtbaarheid hunner ouders. Er is daarenboven nog een punt van overeenkomst met Nieuw-Zeeland in het feit, dat er veel meer jongens dan meisjes worden geboren; de volkstelling van 1872 geeft 31650 mannen tegen 25247 vrouwen van allerlei leeftijd, dat is 125.36 mannen op elke 100 vrouwen, terwijl in alle beschaafde landen de vrouwen talrijker zijn dan de mannen. Ongetwijfeld kan de ongebondenheid der vrouwen gedeeltelijk haar geringe vruchtbaarheid verklaren; maar de verandering in haar levenswijze is een veel waarschijnlijker oorzaak, die tevens rekenschap kan geven van de toeneming der sterfte, voornamelijk onder de kinderen. De eilanden werden in 1779 door Cook, in 1794 door Vancouver, en later dikwijls door walvischvaarders bezocht. In 1819 kwamen er zendelingen, en bevonden, dat de afgodendienst reeds was afgeschaft en meer andere veranderingen door den Koning waren gemaakt. Na dezen tijd had een snelle verandering in de geheele levenswijze der inboorlingen plaats, en werden zij spoedig „de meest beschaafde eilandbewoners van den Stillen Oceaan.” Een van mijn zegslieden, de heer Coan, die op de eilanden werd geboren, merkt op, dat de inboorlingen een grooter verandering in hun levenswijze hadden ondergaan in den loop van vijftig jaren, dan de Engelschen gedurende een duizendtal jaren. Volgens inlichtingen ontvangen van Bisschop Staley, schijnt het, dat er nooit veel verandering is gekomen in de voedingsmiddelen der arme klassen, hoewel vele nieuwe soorten van vruchten zijn ingevoerd, en het suikerriet in algemeen gebruik is. Ten gevolge van hun hartstocht om de Europeanen na te volgen, veranderden zij echter hun wijze van zich te kleeden reeds vroeg, en werd het gebruik [356]van alcoholische dranken zeer algemeen. Hoewel deze veranderingen niet groot schijnen, kan ik wel gelooven, in aanmerking genomen wat omtrent dieren bekend is, dat zij voldoende konden zijn om de vruchtbaarheid van de inboorlingen te verminderen.42
Eindelijk getuigt de heer Macnamara43, dat de laag staande en ontaarde bewoners der Andaman-eilanden, in het oostelijk gedeelte van de golf van Bengalen, „bij uitnemendheid gevoelig zijn voor elke verandering van klimaat; als men hen wegvoert uit de eilanden die zij bewonen, sterven zij bijna altijd en dat onafhankelijk van het voedsel en van uitwendige invloeden.” Hij getuigt verder, dat de bewoners van de vallei van Nepaul, die in den zomer uiterst heet is, en ook de verschillende bergstammen van Engelsch-Indië, aan dyssenterie en koorts lijden, als zij in het vlakke land komen, en sterven, als zij het geheele jaar daar trachten door te brengen.
Wij zien dus, dat velen van de meer wilde menschenrassen onderhevig zijn om veel in hun gezondheid te lijden, als zij aan veranderingen van levensvoorwaarden of leefwijze worden onderworpen, en niet uitsluitend, als zij in een nieuw klimaat worden overgebracht. Eenvoudige veranderingen van gewoonten die op zich zelf niet nadeelig schijnen te zijn, schijnen de zelfde uitwerking te hebben, en in verscheidene gevallen zijn vooral de kinderen vatbaar om daardoor te lijden. Men heeft, gelijk de heer Macnamara opmerkt, dikwijls gezegd, dat de mensch ongestraft weêrstand kan bieden aan de meest verschillende klimaten en andere veranderingen, maar dat is alleen waar van de beschaafde rassen. De mensch schijnt in den wilden staat bijna even gevoelig te zijn als zijn naaste verwanten, de anthropomorphe apen, die nooit lang zijn blijven leven, als zij uit hun geboorteland werden verwijderd.
Vermindering der vruchtbaarheid door veranderde levensvoorwaarden, [357]gelijk in het geval der Tasmaniërs, Maori’s, Sandwich-eilanders en, naar het schijnt, ook der Nieuw-Hollanders, is nog belangwekkender dan hun vatbaarheid voor ziekte en dood; want zelfs een geringe mate van onvruchtbaarheid zou, verbonden met die andere oorzaken welke er naar streven om de toeneming van elke bevolking tegen te gaan, vroeger of later tot uitsterving leiden. De vermindering in vruchtbaarheid kan in sommige gevallen worden verklaard door de ongebondenheid der vrouwen (gelijk tot voor korten tijd bij de bewoners van Tahiti), doch de heer Fenton heeft aangetoond, dat deze verklaring in geenen deele voldoende is bij de Nieuw-Zeelanders, en evenmin is zij zulks bij de Tasmaniërs.
In de boven aangehaalde verhandeling geeft de heer Macnamara redenen op om te gelooven, dat de bewoners van streken waar moeraskoortsen heerschen, neiging hebben onvruchtbaar te worden; maar dit kan in vele der bovengenoemde gevallen niet van toepassing zijn. Sommige schrijvers hebben de onderstelling uitgesproken, dat de inboorlingen van eilanden in gezondheid en vruchtbaarheid achteruitgaan wegens het lang voortgezette huwen van nauw met elkander verwante personen; maar in de bovengenoemde gevallen viel de onvruchtbaarheid te nauwkeurig samen met de aankomst der Europeanen, dan dat wij met deze verklaring zouden kunnen instemmen. Ook hebben wij tot dusver volstrekt geen reden om te gelooven, dat de mensch in hooge mate gevoelig is voor de slechte gevolgen van huwelijken tusschen nauwverwante personen, vooral in landen zoo groot als Nieuw-Zeeland en den Sandwich-archipel met zijn verschillende eilanden. Daarentegen is het bekend, dat de tegenwoordige bewoners van Norfolk allen neven of elkander naaste bloedverwanten zijn, gelijk ook het geval is met de Toda’s in Indië en de bewoners van sommige eilanden bewesten Schotland; en toch schijnen zij niet in hun vruchtbaarheid te hebben geleden.44
Tot een veel meer waarschijnlijke onderstelling wordt men geleid door de analogie der lagere dieren. Het kan worden bewezen, dat het voortplantingsstelsel (ofschoon wij niet weten waarom) in buitengewone mate gevoelig is voor verandering in de levensvoorwaarden; en deze gevoeligheid leidt zoowel tot heilzame als tot slechte resultaten. Een groote [358]verzameling feiten omtrent dit onderwerp is medegedeeld in hoofdstuk XVIII van deel II van mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”; ik kan hier slechts een zeer kort uittreksel daarvan geven; ieder die in dit onderwerp belang stelt, kan bovengenoemd werk raadplegen. Zeer geringe veranderingen vermeerderen de gezondheid, kracht en vruchtbaarheid van bijna alle organische wezens, terwijl men weet, dat andere veranderingen een groot aantal dieren onvruchtbaar maken. Een van de meest bekende gevallen is, dat tamme olifanten zich in Engelsch-Indië niet voortplanten, hoewel zij zich dikwijls voortplanten in Ava, waar men de wijfjes tot op zekere hoogte toestaat in de bosschen rond te zwerven, en zij dus onder meer natuurlijke voorwaarden leven. Het geval van onderscheiden Amerikaansche apen waarvan beide seksen langen tijd bij elkander gevangen werden gehouden in hun eigen vaderland, en die zich toch zelden of nooit hebben voortgeplant, is een meer geschikt voorbeeld, wegens hun verwantschap met den mensch. Het is opmerkelijk, hoe gering een verandering in de levensvoorwaarden dikwijls onvruchtbaarheid veroorzaakt bij een wild dier, wanneer het gevangen wordt; en dit is des te vreemder, omdat al onze huisdieren vruchtbaarder zijn dan zij in den natuurstaat waren, en sommige van hen kunnen de meest onnatuurlijke levensvoorwaarden weêrstaan, zonder dat hun vruchtbaarheid vermindert.45 Sommige groepen van dieren zijn er veel meer dan andere aan onderhevig om door gevangenschap te worden aangedaan; en over het algemeen worden alle soorten van de zelfde groep op de zelfde wijze aangedaan. Soms wordt echter een enkele soort van een groep daardoor onvruchtbaar gemaakt, terwijl de andere zulks niet worden; van den anderen kant behoudt soms een enkele soort haar vruchtbaarheid, terwijl de meeste andere zich niet voortplanten. Van sommige soorten paren de mannetjes nooit met de wijfjes, als zij zijn opgesloten, of als men hun in hun vaderland veroorlooft bijna, maar niet geheel en al vrij te leven; andere paren onder die omstandigheden dikwijls maar brengen nooit jongen voort; nog weêr andere brengen wel jongen voort, maar minder dan in den natuurstaat; en als toepasselijk op bovenvermelde gevallen bij den mensch, is het van belang op te merken, dat die jongen meestal zwak en ziekelijk of misvormd zijn, en dikwijls op jeugdigen leeftijd sterven. [359]
Als ik zie, hoe algemeen deze wet van de gevoeligheid van het voortplantingsstelsel voor veranderde levensvoorwaarden is, en dat zij doorgaat bij onze naaste verwanten, de Vierhandige Zoogdieren, kan ik moeielijk betwijfelen, dat zij ook toepasselijk is op den mensch in zijn oorspronkelijken toestand. Als dus wilden van het eene of andere ras er toe worden gebracht om plotseling hun levenswijze te veranderen, worden zij min of meer onvruchtbaar en lijdt hun jong kroost in gezondheid, op de zelfde wijze en om de zelfde oorzaak als de olifant en jachtluipaard van Indië, vele apen in Amerika, en een groote menigte dieren van allerlei soort, als zij aan hun natuurlijke levensvoorwaarden worden onttrokken.
Wij kunnen inzien hoe het komt, dat in het bijzonder inboorlingen die lang eilanden hebben bewoond en lang aan bijna volkomen gelijke levensvoorwaarden moeten zijn onderworpen geweest, zullen worden aangedaan door elke verandering in hun levenswijze, gelijk het geval schijnt te zijn. Beschaafde rassen kunnen zeker allerlei soort van veranderingen veel beter weêrstaan dan wilden, en in dit opzicht gelijken zij op tamme dieren; want, hoewel deze laatste soms in hun gezondheid lijden (bij voorbeeld Europeesche honden in Indië), worden zij toch zelden onvruchtbaar gemaakt, hoewel daarvan toch enkele voorbeelden zijn opgeteekend.46 Het niet aangedaan worden van beschaafde rassen en tamme dieren wordt waarschijnlijk veroorzaakt, omdat zij in meerdere mate onderworpen zijn geweest en daarom wat meer zijn gewend aan verschillende en afwisselende levensvoorwaarden dan de meeste wilde dieren, en omdat zij in vroeger tijd uit andere landen overgebracht of van het eene land naar het andere medegevoerd zijn, en dat verschillende families of onder-rassen met elkander zijn gekruist. Het schijnt, dat een kruising met beschaafde rassen dadelijk een inlandsch ras beveiligt tegen de kwade gevolgen van de verandering van levensvoorwaarden. Zoo vermeerderde de gekruiste nakomelingschap van Tahitiërs en Engelschen, die zich op het eiland Pitcairn hadden gevestigd, zoo snel, dat het eiland spoedig overbevolkt was en in Juni 1856 werden zij naar het eiland Norfolk overgebracht. Zij bestonden toen uit 60 gehuwde personen en 134 kinderen, een totaal van 194 uitmakende. Hier vermeerderden zij eveneens zoo snel, dat, hoewel zestien van hen in 1859 naar het eiland Pitcairn terugkeerden, zij in [360]Januari 1868 300 zielen telden, waaronder juist evenveel mannen als vrouwen. Welk een tegenstelling vormt dit geval met de Tasmaniërs; de Norfolk-eilanders vermeerderden in slechts twaalf en een half jaar van 194 tot 300, terwijl de Tasmaniërs in vijftien jaar van 120 tot 46 afnamen, van welk laatste getal slechts tien kinderen waren.47
Evenzoo namen in den tijd tusschen de volkstellingen van 1866 en 1872 de inboorlingen van vol bloed op de Sandwich-eilanden met 8081 af, terwijl de half-bloedigen, die men voor gezonder houdt, met 847 vermeerderden; ik weet echter niet of dit laatste getal de kinderen van de half-bloedigen insluit, of alleen de half-bloedigen van de eerste generatie omvat.
De gevallen die ik hier heb medegedeeld, hebben allen betrekking tot inboorlingen die aan nieuwe levensvoorwaarden zijn onderworpen ten gevolge van de immigratie van blanke menschen. Maar onvruchtbaarheid en slechte gezondheid zouden waarschijnlijk volgen, indien wilden door de eene of andere oorzaak, zooals een inval van een veroverenden stam, werden genoodzaakt hun woonplaats te verlaten en hun gewoonten te veranderen. Het is een belangwekkende omstandigheid, dat de voornaamste hinderpaal tegen het temmen van wilde diersoorten (hetgeen insluit dat zij, toen zij voor het eerst werden gevangen, het vermogen bezaten om zich onbelemmerd voort te planten) en ééne voorname hinderpaal voor wilde menschen om, als zij in aanraking met de beschaving komen, te blijven leven en een beschaafd ras te vormen, de zelfde is, namelijk de onvruchtbaarheid ten gevolge van verandering in de levensvoorwaarden.
Ten slotte: hoewel de trapsgewijze afneming en eindelijke uitsterving der menschenrassen een duister vraagstuk zijn, kunnen wij toch inzien dat zij van vele oorzaken afhangen en op verschillende plaatsen en in verschillende tijden verschillen. Het is het zelfde moeielijke vraagstuk als dat, hetwelk ons het uitsterven van een der hoogere dieren oplevert—bij voorbeeld die van het fossiele paard, dat in Zuid-Amerika verdween om spoedig daarna in de zelfde streken door tallooze kudden van Spaansche paarden te worden vervangen. De Nieuw-Zeelander [361]schijnt die overeenkomst te begrijpen; want hij vergelijkt zijn toekomstig lot met dat van de inlandsche rat, die door de Europeesche rat bijna is uitgeroeid. De moeilijkheid, hoewel groot in onze verbeelding en inderdaad groot wanneer wij de juiste oorzaken wenschen uit te vorschen, behoeft zulks voor onze rede niet te zijn, zoolang wij voortdurend bedenken, dat de vermeerdering van elke soort en van elk ras onophoudelijk wordt tegengegaan door verschillende hinderpalen, zoodat, wanneer de eene of andere nieuwe hinderpaal of oorzaak van verderf, al is zij ook gering, er bij komt, het ras zeker in aantal zal afnemen, en daar men overal heeft opgemerkt dat wilden een grooten afkeer hebben van elke verandering van gewoonten, waardoor nadeelige hinderpalen zouden kunnen worden opgewogen, zal de afneming van hun getal vroeger of later tot uitsterving leiden, terwijl het einde in de meeste gevallen snel wordt beslist door de invallen van vermeerderende veroverende stammen.
Over het Ontstaan der Menschenrassen.—Wij mogen vooropzetten, dat, wanneer wij het zelfde ras, hoewel in afzonderlijke stammen verdeeld, over een groote oppervlakte, zooals over Amerika, verspreid vinden, wij hun gemeenschappelijke gelijkenis mogen toeschrijven aan afstamming van een gemeenschappelijken stamvorm. In sommige gevallen heeft de kruising van rassen die reeds verschillend waren, aanleiding gegeven tot de vorming van nieuwe rassen. Het vreemde feit, dat Europeanen en Hindoe’s, die tot den zelfden Arischen stam behooren en een taal spreken, die in den grond der zaak de zelfde is, sterk in uiterlijk verschillen, terwijl de Europeanen slechts weinig verschillen van de Joden die tot den Semietischen stam behooren en een geheel andere taal spreken, is door Broca48 daaraan toegeschreven, dat de takken der Ariërs zich gedurende hun verre verspreiding op groote schaal met onderscheidene stammen van inboorlingen hebben gekruist. Als twee stammen die in elkanders onmiddellijke nabijheid wonen, zich met elkander kruisen, is het eerste gevolg daarvan een ongelijksoortig (heterogeen) mengsel: zoo zegt de heer Hunter, de Santali’s of heuvelstammen van Indië beschrijvende, dat men honderden onmerkbare overgangen kan waarnemen „van de zwarte, gedrongen gebouwde bergstammen af tot den grooten olijfkleurigen Brahmaan, met zijn verstandig aangezicht, kalmen blik en [362]hoog maar smal hoofd, toe”, zoodat het bij gerechtshoven noodig is aan de getuigen te vragen, of zij Santali’s of Hindoe’s zijn.49 Of een ongelijksoortig (heterogeen) volk, zooals de bewoners van sommige Polynesische eilanden, gevormd door de kruising van twee verschillende rassen, waarvan weinig of geen zuivere leden overbleven, ooit gelijksoortig (homogeen) zou worden, is door geen directe bewijzen bekend. Daar echter bij onze huisdieren een gekruist ras zeker in den loop van weinige geslachten door een zorgvuldige teeltkeus50 standvastig en eenvormig kan worden gemaakt, mogen wij hieruit afleiden, dat de vrije en verlengde kruising van een ongelijksoortig (heterogeen) mengsel gedurende vele generaties de plaats der teeltkeus zou vervangen, en elke neiging tot atavisme overwinnen, zoodat een gekruist ras ten laatste gelijksoortig (homogeen) zou worden, al deelde het ook niet in gelijke mate in de kenmerken der beide stamrassen.
Van alle verschillen tusschen de menschenrassen loopt de kleur der huid het meest in het oog en is ook een der meest kenmerkende. Men dacht vroeger, dat men verschillen van deze soort kon verklaren door langdurige blootstelling aan verschillende luchtstreken (klimaten); maar Pallas was de eerste die aantoonde, dat deze meening niet houdbaar is, en hij is door bijna alle anthropologen gevolgd.51 Deze meening is hoofdzakelijk daarom verworpen, omdat de geographische verspreiding der verschillend gekleurde rassen, van welke de meeste lang hun tegenwoordige woonplaatsen moeten hebben bewoond, niet samenvalt met overeenkomstige verschillen van klimaat. Er moet ook gewicht worden gehecht aan zulke gevallen, als die der Nederlandsche familiën, welke, zooals wij van een uitnemende autoriteit hooren52, na een verblijf van drie eeuwen in Zuid Afrika niet de minste verandering in kleur hebben ondergaan. Het eenvormig uiterlijk in verschillende deelen der wereld van Heidens (Zigeuners) en Joden, hoewel de eenvormigheid dezer laatsten wat overdreven is geworden53, is eveneens een bewijs voor het [363]zelfde. Men heeft ondersteld, dat een zeer vochtige of zeer droge dampkring meer invloed had op de wijziging der huidskleur, dan de hitte alleen; maar daar d’Orbigny in Zuid-Amerika en Livingstone in Afrika ten opzichte van vochtigheid en droogte tot lijnrecht tegenovergestelde besluiten zijn gekomen, moet elk besluit daaromtrent als hoogst twijfelachtig worden beschouwd.54
Verschillende feiten, die ik elders heb medegedeeld, bewijzen, dat de kleur van de huid en het haar soms op verwonderlijke wijze samenhangt met een volstrekt beveiligd zijn voor de werking van zekere plantaardige vergiften en voor de aanvallen van zekere woekerdieren (parasieten). Het viel mij daarom in, of negers en andere donkergekleurde rassen ook soms hun donkere kleur hadden verkregen, doordat gedurende een lange reeks van geslachten de donkerste individu’s aan den doodelijken invloed der miasmen van hun geboorteland waren ontsnapt.
Ik vond later, dat het zelfde denkbeeld reeds lang te voren bij Dr. Wells was opgekomen.55 Dat negers en zelfs mulatten bijna volkomen bevrijd blijven van de gele koorts, die in tropisch Amerika zoo groote verwoestingen aanricht, is reeds lang bekend geweest.56 Zij blijven ook grootendeels vrij van de noodlottige tusschenpoozende (intermitteerende) koortsen, die langs minstens 2600 mijlen van de kusten van Afrika heerschen en jaarlijks een vijfde gedeelte der blanke kolonisten doen sterven, terwijl een ander vijfde gedeelte met geknakte gezondheid naar het vaderland moet terugkeeren.57 Deze vrijdom van den neger schijnt gedeeltelijk aangeboren en van de eene of andere onbekende bijzonderheid van het gestel afhankelijk, en gedeeltelijk het gevolg van acclimatisatie te zijn. Pouchet58 getuigt, dat de negerregimenten, van den Onderkoning van Egypte voor den Mexicaanschen oorlog geleend, die in de nabijheid [364]van Soedan waren aangeworven, bijna even goed aan de gele koorts ontsnapten als de negers die oorspronkelijk uit verschillende deelen van Afrika waren aangevoerd en aan het klimaat der West-Indiën gewend. Dat acclimatisatie in het spel komt, wordt aangetoond door verschillende gevallen waarin negers, na eenigen tijd in een kouder klimaat te hebben doorgebracht, tot op zekere hoogte vatbaar voor tropische koortsen zijn geworden.59 De aard van het klimaat waarin de blanke rassen lang hebben geleefd, heeft eveneens eenigen invloed op hen; want gedurende de verschrikkelijke epidemie van gele koorts in Demerary in het jaar 1837, vond Dr. Blair, dat de sterfte der landverhuizers evenredig was aan de breedte van het land van waar zij waren gekomen. Bij den neger onderstelt de vrijdom, voor zoover hij het gevolg van acclimatisatie is, blootstelling aan het klimaat gedurende een verbazende lengte van tijd; want de inboorlingen van tropisch Amerika, die daar sedert onheugelijke tijden hebben gewoond, zijn niet gevrijwaard voor de gele koorts, en de weleerw. heer B. Tristram getuigt, dat er in Noord-Afrika streken zijn, welke de inboorlingen jaarlijks genoodzaakt zijn te verlaten, hoewel de negers er veilig kunnen blijven. (19)
Dat de vrijdom van den neger eenigermate samenhangt met de kleur van zijn huid, is een bloote onderstelling; hij kan ook samenhangen met een of ander verschil in zijn bloed, zenuwstelsel of andere weefsels. Toch scheen mij wegens de feiten waarop hierboven is gedoeld, en wegens het verband dat er schijnt te bestaan tusschen de gelaatskleur en den aanleg voor tering, deze onderstelling niet onwaarschijnlijk. Ik trachtte mij daarom te vergewissen, maar met weinig succes60, in [365]hoever zij steek hield. Wijlen Dr. Daniell, die lang op de westkust van Afrika had gewoond, zeide mij, dat hij volstrekt niet aan een dergelijke betrekking geloofde. Hij was zelf buitengewoon blond en had het klimaat verwonderlijk goed weêrstaan. Toen hij het eerst als een jongen op de kust kwam, had een oud en ondervindingrijk negerhoofd uit zijn uiterlijk voorspeld, dat dit het geval zou zijn. Dr. Nicholson, van Antigua, schreef mij, na op dit onderwerp te hebben acht gegeven, dat hij niet dacht, dat donker gekleurde Europeanen beter aan de gele koorts ontsnapten, dan diegenen welke licht gekleurd waren. De heer J. M. Harris ontkent volstrekt, dat Europeanen met donker haar een heet klimaat beter weêrstaan dan andere menschen; de ondervinding heeft hem integendeel geleerd om bij het uitkiezen van manschappen voor den dienst op de Afrikaansche kust, diegenen uit te zoeken, welke rood haar hebben.61 Zoover derhalve uit deze kleine aanwijzingen valt op te maken, schijnt er geen grond te zijn voor de onderstelling, die door onderscheidene schrijvers is gemaakt, dat de kleur der zwarte rassen daarvan het gevolg zou zijn, dat de donkerste individu’s telkens in grooter getal in leven bleven gedurende hun blootstelling [366]aan de koorts-voortbrengende miasmen van hun geboortelanden.
Dr. Sharpe merkt op62, dat een tropische zon, die een blanke huid brandt en er blaren op doet ontstaan, een zwarte volstrekt niet benadeelt; en, gelijk hij er bijvoegt, dit komt niet omdat het individu er aan gewend is; want kinderen van zes of acht maanden worden naakt overal heêngedragen, en worden niet aangedaan. Een arts heeft mij verzekerd, dat eenige jaren geleden, elken zomer, maar niet gedurende den winter, op zijn handen lichtbruine plekken ontstonden, gelijkende op sproeten, hoewel grooter, en dat deze plekken niet werden aangedaan door het branden van de zon, terwijl de blanke deelen van zijn huid bij verschillende gelegenheden zeer ontstoken en met blaren bedekt werden. Ook bij de lagere dieren bestaat er een constitutioneel verschil in vatbaarheid voor de werking van de zon tusschen de deelen die met wit haar zijn bedekt, en andere deelen.63 Of de beschutting van de huid tegen het branden der zon van genoegzaam belang is om te doen onderstellen, dat een donkere tint door den mensch trapsgewijze door natuurlijke teeltkeus is verkregen, kan ik niet beoordeelen. Indien dit zoo ware, zouden wij moeten aannemen, dat de inboorlingen van tropisch Amerika daar gedurende veel korter tijd hebben geleefd dan de negers in Afrika, of de Papoea’s in de zuidelijke gedeelten van den Maleischen archipel, juist gelijk de lichter gekleurde Hindoe’s gedurende korter tijd in Engelsch Indië hebben gewoond, dan de donkerder inboorlingen van de centrale en zuidelijke gedeelten van dat schiereiland.
Hoewel wij ons met onze tegenwoordige kennis van de sterk sprekende verschillen in kleur tusschen de menschenrassen geen rekenschap kunnen geven, noch door samenhang met constitutioneele bijzonderheden, noch door directe werking van het klimaat, zoo moeten wij toch deze laatste niet geheel buiten rekening laten; want er zijn goede redenen om te gelooven, dat daardoor eenige overgeërfd wordende uitwerking wordt voortgebracht.64 Wij hebben in ons vierde hoofdstuk gezien, dat de [367]levensvoorwaarden, zooals overvloedig voedsel en over het algemeen de aangenaamheden des levens, op de zelfde wijze terugwerken op het maaksel van ons lichaam, en dat de gevolgen daarvan erfelijk zijn. Door den vereenigden invloed van het klimaat en de veranderde levenswijze ondergaan Europeesche kolonisten in de Vereenigde Staten, naar men algemeen aanneemt, een geringe, maar buitengewoon snelle verandering van uiterlijk. Er zijn ook een aanzienlijk aantal bewijzen, dat in de Zuidelijke Staten de huisslaven van de derde generatie in uiterlijk merkbaar van de veldslaven verschilden.65
Indien wij echter de menschenrassen beschouwen, zooals zij over de wereld zijn verspreid, moeten wij daaruit afleiden, dat men zich van hun kenmerkende verschillen geen rekenschap kan geven door de directe werking van verschillende levensvoorwaarden, zelfs nadat zij daaraan gedurende verbazend langen tijd onderworpen waren geweest. De Eskimo’s leven uitsluitend van dierlijk voedsel, gaan in dikke pelzen gekleed, en zijn blootgesteld aan vinnige koude en langdurige duisternis; toch verschillen zij niet uitermate veel van de bewoners van zuidelijk China, die geheel van plantaardig voedsel leven en bijna naakt zijn blootgesteld aan een heet, schitterend klimaat. De ongekleede Vuurlanders leven van de voortbrengselen der zee op hun ongastvrije stranden; de Botocudo’s van Brazilië doorkruisen de heete bosschen van het binnenland en leven voornamelijk van plantaardig voedsel; toch gelijken deze stammen zoozeer op elkander, dat de Vuurlanders aan boord van de „Beagle” door sommige Brazilianen voor Botocudo’s werden aangezien. De Botocudo’s en de overige inboorlingen van tropisch Amerika zijn daarentegen geheel verschillend van de Negers, die de tegenovergestelde kusten van den Atlantischen Oceaan bewonen, aan een ongeveer gelijksoortig klimaat zijn blootgesteld en ongeveer de zelfde levenswijze leiden.
Wij kunnen ons van de verschillen tusschen de menschenrassen ook geen rekenschap geven, behalve tot op een volkomen onbeteekenende hoogte, door middel van de overgeërfde gevolgen van vermeerderd of verminderd gebruik van deelen. Menschen die gewoonlijk in kano’s leven, kunnen wat korter beenen, zij die hooge streken bewonen, wat [368]grooter borstkassen hebben verkregen; en bij hen die sommige zintuigen voortdurend gebruiken, kunnen de holten waarin deze zijn geplaatst, een weinig in grootte toegenomen, en hun gelaatstrekken derhalve een weinig gewijzigd zijn. Bij beschaafde volken hebben de afneming van de grootte der kaken wegens vermindering van het gebruik, de gewoonten van verschillende spieren in beweging te brengen om verschillende gemoedsaandoeningen uit te drukken en de toeneming in grootte van de hersenen ten gevolge van grootere verstandelijke werkzaamheid, allen te zamen een aanmerkelijke uitwerking gehad op hun algemeen uiterlijk aanzien in vergelijking met wilden.66 Het is ook mogelijk, dat toeneming in lichaamsgrootte zonder overeenkomstige vermeerdering van de grootte der hersenen aan sommige rassen (te oordeelen naar de vroeger gemelde gevallen van konijnen) een langwerpigen schedel van het dolichocephale type heeft gegeven.
Eindelijk zal bijna zeker het nog weinig begrepen beginsel van correlatie in werking zijn gekomen, zooals in het geval van groote ontwikkeling der spieren en sterk vooruitstekende wenkbrauwbogen. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de aard van het haar, die bij de onderscheidene rassen veel verschilt, in de eene of andere soort van correlatie staat met het maaksel der huid; want tusschen de kleur van het haar en die van het vel bestaat zeker correlatie, evenals tusschen de kleur en den aard van het haar bij de Mandanen.67 De kleur der huid en de door dezelve ontwikkelde geur staan eveneens op de eene of andere wijze met elkander in verband. Bij de schapenrassen staan het aantal haren binnen een gegeven ruimte en het aantal afscheidende poriën in eenige betrekking tot elkander.68 Indien wij mogen oordeelen naar de analogie onzer huisdieren, behooren vele wijzigingen in maaksel bij den mensch waarschijnlijk te worden verklaard door het beginsel van correlatie van groei.
Wij hebben nu gezien, dat men zich van de kenmerkende verschillen [369]tusschen de menschenrassen niet op voldoende wijs rekenschap kan geven door de rechtstreeksche werking der levensvoorwaarden, noch door de uitwerkselen van het voortdurend gebruik van deelen, noch door het beginsel van correlatie. Wij hebben daarom aanleiding om te onderzoeken, of niet kleine individueele verschillen, die den mensch bij uitnemendheid eigen zijn, door natuurlijke teeltkeus gedurende een lange reeks van jaren zijn bewaard gebleven en vermeerderd. Hier stuiten wij echter eensklaps op de tegenwerping, dat alleen voordeelige wijzigingen op die wijze kunnen worden bewaard; en zoover wij er over kunnen oordeelen (hoewel het altijd mogelijk blijft, dat wij daarin dwalen) strekt geen van de uitwendige verschillen tusschen de menschenrassen hun tot eenig direct of bijzonder voordeel. De verstandelijke en zedelijke of sociale vermogens moeten natuurlijk van deze opmerking worden uitgezonderd, maar verschillen in deze vermogens kunnen weinig of geen invloed hebben gehad op uitwendige kenmerken. De vroeger vermelde variabiliteit van al de kenmerkende verschillen tusschen de rassen toont eveneens aan, dat deze verschillen niet van veel belang kunnen zijn; want, waren zij belangrijk geweest, dan zouden zij reeds lang geleden hetzij standvastig gemaakt en bewaard, of geëlimineerd zijn. In dit opzicht gelijkt de mensch op die vormen, welke door de natuuronderzoekers proteïsch of polymorphisch worden genoemd en uiterst variabel zijn gebleven, naar het schijnt ten gevolge daarvan, dat hun veranderingen van indifferenten aard waren en bijgevolg aan de werking der natuurlijke teeltkeus zijn ontsnapt.
Wij zijn tot dusver teleurgesteld in al onze pogingen om ons rekenschap van de verschillen tusschen de menschenrassen te geven; er blijft echter nog één belangrijke invloed over, namelijk die der Seksueele Teeltkeus, die op den mensch even machtig schijnt te hebben ingewerkt als op vele andere dieren. Ik wil niet beweren, dat de seksueele teeltkeus rekenschap kan geven van al de verschillen tusschen de rassen. Er blijft een onverklaard overschot achter, waarvan wij in onze onwetendheid slechts kunnen zeggen, dat, daar de individu’s voortdurend worden geboren, bij voorbeeld, met een weinig ronder of smaller hoofden en een weinig langer of korter neuzen, dergelijke geringe verschillen wellicht standvastig en eenvormig zouden kunnen worden gemaakt, indien de onbekende invloeden, die ze veroorzaakten, op meer standvastige wijze bleven werken en door lang voortgezette kruisingen werden geholpen. Dergelijke variaties behooren tot de voorloopige [370]afdeeling waarop in ons vierde hoofdstuk is gedoeld, die wegens gebrek aan een betere uitdrukking spontane variaties zijn genoemd. Ik beweer evenmin, dat de uitwerkselen der seksueele teeltkeus met wetenschappelijke nauwkeurigheid kunnen worden aangetoond; maar het kan worden bewezen, dat het een onverklaarbaar feit zou zijn, als de mensch niet was gewijzigd door den invloed daarvan, die zoo machtig op tallooze dieren, zoowel hoog als laag op de ladder staande, heeft ingewerkt. Verder kan worden bewezen, dat de verschillen tusschen de menschenrassen, zooals die in kleur, behaardheid, gelaatsvorm enz, van zulk een aard zijn, als men zou mogen hebben verwacht, dat het gevolg van de inwerking der seksueele teeltkeus zou zijn. Om echter dit onderwerp op gepaste wijs te behandelen, heb ik het noodig gevonden om het geheele dierenrijk te beschouwen; ik heb daarom het Tweede Gedeelte van dit werk daaraan gewijd. Aan het einde zal ik tot den mensch terugkeeren, en, na beproefd te hebben om aan te toonen, in hoever hij door seksueele teeltkeus is gewijzigd, zal ik een kort overzicht van de hoofdstukken van dit Eerste Gedeelte geven.