Hij die wil beslissen, of de mensch een gewijzigde afstammeling is van dezen of genen vorm die vroeger heeft bestaan, zal waarschijnlijk eerst onderzoeken, of er bij den mensch verschillen bestaan, in hoe geringen graad dan ook, ten opzichte van het maaksel van zijn lichaam en van zijn geestvermogens; zoo ja, of die verschillen op zijn afstammelingen worden overgeplant volgens de zelfde wetten, die zich bij de lagere diersoorten doen gelden; zooals b.v. het overplanten van kenmerken op den zelfden ouderdom, de zelfde sekse. Verder nog, of die verschillen, zoover wij daarover bij onze geringe kennis kunnen oordeelen, het gevolg zijn van de zelfde algemeene oorzaken, of zij worden beheerscht door de zelfde wetten als bij andere organismen; b.v. door correlatie(6), door de overgeërfde gevolgen van gebruik en onbruik, enz.? Is de mensch onderhevig aan gelijksoortige misvormingen, die het gevolg zijn van stilstand in de ontwikkeling(7), van reduplicatie van deelen(8) enz., en blijkt uit een van zijn anomalieën het terugkeeren tot eenig vroeger en ouder type van organisatie?(9) Men zou natuurlijk ook moeten vragen, of de mensch, evenals zoovele andere dieren, het aanzijn heeft gegeven aan verscheidenheden en onder-rassen, [12]die maar weinig van elkander verschillen, of aan rassen, die zooveel verschil opleveren, dat men moet betwijfelen, of het geen onderscheidene soorten zijn? Hoe zijn die rassen over de wereld verspreid; en hoe wijzigen zij elkander, zoowel in de eerste als in de volgende generaties, wanneer zij zich vermengen? En evenzoo is het met vele andere punten.
Hij die dit onderzoekt, zou dan tot de volgende gewichtige vraag komen: streeft de mensch naar een zoo snelle vermenigvuldiging, dat daardoor somtijds een hevige strijd voor het leven ontstaat, en dus de voordeelige wijzigingen, hetzij van lichaam of ziel, behouden blijven en de schadelijke uitsterven? Benadeelen de rassen of soorten van menschen (welken naam men daarvoor ook wil gebruiken) elkander en verdringt het ééne het andere, zoodat er eenigen ten laatste geheel worden uitgeroeid? Wij zullen zien, dat al deze vragen, zooals ook duidelijk is ten opzichte van de meesten daarvan, bevestigend moeten worden beantwoord, op de zelfde wijze als bij de lagere diersoorten. De verschillende bovenvermelde beschouwingen kunnen echter zeer gepast tot later worden uitgesteld; en eerst willen wij zien, in hoeverre het maaksel van het menschelijk lichaam meer of minder duidelijke sporen van zijn afstamming van dezen of genen lageren vorm vertoont. In de twee volgende hoofdstukken zullen wij de geestvermogens van den mensch met die van de lagere diersoorten vergelijken.
Maaksel van het menschelijk lichaam.—Het is algemeen bekend, dat de mensch is gebouwd volgens den zelfden grondvorm of type als de andere zoogdieren. Al de beenderen van zijn geraamte kunnen worden vergeleken met de overeenkomstige beenderen in een aap, vleêrmuis of zeehond. Evenzoo is het met zijn spieren, zenuwen, bloedvaten of ingewanden. De hersenen, het belangrijkste van alle organen, volgen de zelfde wet, zooals Huxley en andere ontleedkundigen hebben aangetoond. Bischoff1, een getuige die tot onze tegenpartij behoort, geeft toe, dat elke hoofd-spleet en winding in de hersenen van den mensch overeenstemt met een spleet of winding in de hersenen van een orang-oetan, maar, voegt hij er bij, er is geen tijdstip van hun ontwikkeling, waarop zij volmaakt overeenkomen; dit kon men ook niet verwachten; want dan zouden hun geestvermogens de zelfde moeten zijn. Vulpian2 [13]merkt op: „Les différences réelles, qui existent entre l’encéphale de l’homme et celui des singes supérieurs, sont bien minimes. Il ne faut pas se faire d’illusions à cet égard. L’homme est bien plus près des singes anthropomorphes par les caractères anatomiques de son cerveau, que ceux-ci ne le sont non seulement des autres mammifères, mais même de certains quadrumanes, des guenons et des macaques.”(10) Het zou echter overtollig zijn hier verdere bijzonderheden op te geven omtrent de overeenkomst, die tusschen den mensch en de hoogere zoogdieren in het maaksel der hersenen en van alle andere lichaamsdeelen bestaat.
Het is echter wellicht de moeite waard eenigszins meer in het bijzonder enkele punten te behandelen, die niet rechtstreeks of niet zoo duidelijk in verband staan met het maaksel, doch waardoor deze overeenstemming of verwantschap goed wordt aangetoond.
De mensch kan zekere ziekten, zooals watervrees, koepokken, droes, enz., van de lagere diersoorten overnemen of ze aan hen mededeelen; en dit feit bewijst de groote gelijkvormigheid van hun weefsel en bloed, zoowel in den fijneren bouw als in samenstelling, veel duidelijker dan de vergelijking ervan onder het beste mikroskoop, of door middel van de beste scheikundige ontleding. Apen zijn vatbaar voor vele niet-besmettelijke ziekten, waaraan ook wij onderhevig zijn; zoo vond Rengger3, die lang en zorgvuldig den Cebus Azarae in zijn vaderland gadesloeg, dat dit dier voor verkoudheid vatbaar was, met de gewone verschijnselen, en dat, wanneer die verkoudheid zich dikwijls herhaalde, zij aanleiding gaf tot tering. Deze apen leden ook aan beroerten, ontsteking in de ingewanden en grauwe staar. De jongen stierven dikwijls aan de koorts, wanneer zij hunne melktanden verloren. Geneesmiddelen hadden bij hen de zelfde uitwerking als bij ons. Vele soorten van apen houden zeer veel van thee, koffie en geestrijke dranken; ook rooken ze, zooals ik zelf heb gezien, met smaak tabak. Brehm beweert, dat de inboorlingen van Noord-Oost-Afrika de wilde bavianen vangen door bakken met zwaar bier neêr te zetten, waardoor zij dronken worden gemaakt. Hij heeft er eenigen, die hij in gevangen staat bezat, in dien toestand gezien, en hij geeft een lachwekkend verhaal van hun gedrag en wonderlijke grimassen. Den volgenden dag waren ze zeer verdrietig en neêrslachtig; zij hadden hoofdpijn, hielden hun kop met beide handen vast en zagen er beklagenswaardig uit; [14]als men hun bier of wijn voorhield, wendden zij zich met walging af, maar limoen-sap dronken zij met smaak.4 Een Amerikaansche aap, een Ateles-soort, die van brandewijn dronken was geweest, wilde dien nooit meer aanraken en handelde dus verstandiger dan menig mensch. Deze kleine feiten bewijzen hoeveel overeenkomst er moet zijn tusschen de smaakzenuwen van apen en menschen, en hoeveel overeenkomst er is in de wijze, waarop hun geheele zenuwstelsel wordt aangedaan.
De mensch wordt gekweld door inwendige parasieten en soms met noodlottig gevolg; hij wordt ook geteisterd door uitwendige parasieten, die allen tot de zelfde genera of families behooren, als die waarmede andere zoogdieren zijn behept. De mensch is evenals andere zoogdieren, vogels en zelfs insekten5 aan die geheimzinnige wet onderworpen, die zekere normale processen zooals de zwangerschap en evenzoo de ontwikkeling en den duur van vele ziekten volgens tijdperken doet plaats hebben, die van de schijngestalten der maan afhankelijk zijn. (11) Zijn wonden herstellen door het zelfde genezingsproces; en de stompen, die bij afzetting van zijn ledematen overblijven, hebben, voornamelijk in een vroege embryonale periode, een zeker regeneratievermogen, evenals bij de laagste diersoorten.6
Bij alle zoogdieren is er in het geheele verloop van de voortplanting der soort, die hoogst belangrijke functie, een treffende overeenkomst van het oogenblik af, dat het mannetje het eerst zijn begeerlijkheid toont7 [15]tot aan de geboorte en de voeding van de jongen toe. De apen komen bijna even hulpeloos ter wereld als onze eigene kinderen (13) en bij zekere genera is er in het uiterlijk aanzien evenveel verschil tusschen de jongen en de volwassenen, als tusschen onze kinderen en hun volwassen ouders.8 Sommige schrijvers hebben als een belangrijk verschil aangevoerd, dat bij den mensch de jongen veel later volwassen worden dan bij eenig ander dier; maar, wanneer wij de menschenrassen beschouwen die tusschen de keerkringen wonen, is het verschil niet groot; want van den orang wordt algemeen aangenomen, dat hij niet volwassen is voor zijn 10de of 15de jaar.9 De man verschilt van de vrouw in grootte, lichaamskracht, behaardheid enz. zoowel als in inborst op de zelfde wijze, als de beide seksen van vele andere zoogdieren. Kortom men kan bijna niet te ver gaan in het aannemen van een zeer nauwe overeenkomst in het algemeene maaksel, in de fijnere structuur der weefsels, de chemische samenstelling en in constitutie bij den mensch en de hoogere diersoorten, voornamelijk de anthropomorphe apen. (14)
Embryonale ontwikkeling.—De mensch ontwikkelt zich uit een eitje dat ongeveer 1⁄50 centimeter middellijn heeft en in geen enkel opzicht van de eitjes van andere dieren verschilt. De embryo zelf kan in een zeer vroeg tijdperk van zijn ontwikkeling nauwelijks van dien van andere gewervelde dieren worden onderscheiden. In dat tijdperk vormen de slagaderen boogsgewijze takken, als ware het om het bloed naar kieuwen te voeren, die bij de hoogere gewervelde dieren niet aanwezig zijn, hoewel aan beide zijden van den hals nog spleten voorkomen (f, g, Fig. 1) waardoor hun vroegere plaats wordt aangegeven. In een eenigszins later tijdperk, waarop de ledematen zich ontwikkelen, „ontstaan”, zooals de beroemde Von Baer opmerkt, „de pooten der hagedissen en zoogdieren, de vleugels en pooten der vogels en evenzoo de handen en voeten van den mensch, allen uit den zelfden grondvorm.” „Alleen in de latere tijdperken van zijn ontwikkeling”, zegt Prof. Huxley10, „vertoont het jonge menschelijke wezen bepaalde verschillen met een jongen aap, terwijl deze laatste in de wijze van zijn ontwikkeling [16]evenveel van den hond verschilt, als de mensch. Hoe onaangenaam deze laatste bewering ons ook moge verrassen, zij is volkomen juist en onwederlegbaar te bewijzen.”
Fig. 1. Bovenste figuur menschelijke embryo, naar Ecker. Onderste figuur die van een hond, naar Bischoff.
a. Voorhersenen (halfronden der groote hersenen, enz.). b. Middelhersenen (vierdubbele lichamen). c. Achterhersenen (kleine hersenen, verlengde merg). d. Oog. e. Oor. f. Eerste kieuwboog. g. Tweede kieuwboog. H. Zich ontwikkelende beenderen en spieren van de wervelkolom. i. Voorste ledematen. K. Achterste ledematen. L. Staart of koekoeksbeen.
Daar sommigen mijner lezers wellicht nimmer een afbeelding van een embryo hebben gezien, geef ik er hier een van dien van den mensch en een andere van dien van den hond, beide ongeveer in het zelfde vroege tijdperk hunner ontwikkeling, zorgvuldig gekopiëerd uit twee werken van onbetwistbare nauwkeurigheid.11 (Fig. 1)
Na de voorgaande getuigenissen, afgelegd door zoo groote autoriteiten, zou het overtollig zijn, als ik van mijn zijde een groot aantal nageschreven bijzonderheden mededeelde om aan te toonen, dat de menschelijke embryo zeer veel op dien van andere zoogdieren gelijkt. Er dient echter te worden bijgevoegd, dat de menschelijke embryo eveneens in verschillende bijzonderheden van zijn maaksel gelijkt op sommige lagere vormen, wanneer deze volwassen zijn. Zoo bestaat b.v. het hart eerst slechts [17]uit een eenvoudig kloppend vat; de uitwerpselen worden door een cloaca (15) ontlast, en het koekoeksbeen (os coccyx) steekt uit als een ware staart, „zich aanmerkelijk voorbij de rudimentaire beenen uitstrekkende.”12 Bij de embryo’s van alle luchtademende gewervelde dieren komen zekere klieren, de corpora Wolffiana genaamd, overeen met de nieren van volwassen visschen en hebben de zelfde functie.13 Zelfs in een later tijdperk van de embryonale ontwikkeling kan men sommige treffende punten van overeenkomst tusschen den mensch en de lagere dieren opmerken. Bischoff zegt, dat de hersenwindingen bij een menschelijken foetus aan het einde van de zevende maand ongeveer de zelfde mate van ontwikkeling bezitten, als bij een volwassen baviaan.14 Prof. Owen merkt op15, dat de groote teen, „die bij het staan of loopen het steunpunt vormt, wellicht de meest karakteristieke bijzonderheid in het maaksel van den mensch is”; maar in een embryo van ongeveer 2.5 c.M. lengte vond Prof. Wyman16, „dat de groote teen korter dan de anderen was, en in plaats van evenwijdig met hen te loopen, aan de zijde van den voet met een hoek uitstak, op deze wijze overeenkomende met den blijvenden toestand van dit deel bij de vierhandige zoogdieren.” Ik wil besluiten met een aanhaling van Huxley17, die na te hebben gevraagd of de mensch op een andere wijze ontstaat dan een hond, vogel, kikvorsch of visch, zegt: „Het antwoord is geen oogenblik twijfelachtig; zonder quaestie zijn de wijze van ontstaan en de vroege ontwikkelingstrappen van den mensch gelijk aan die van de dieren die op de ladder onmiddellijk beneden hem staan: zonder twijfel staat hij in dit opzicht veel dichter bij de apen, dan de apen bij den hond.” [18]
Rudimentaire organen.—Dit onderwerp, hoewel eigenlijk niet belangrijker dan de twee laatsten, zal om verscheidene redenen hier uitvoeriger worden behandeld.18 Men kan niet ééne van de hoogere diersoorten noemen, die niet een of ander in rudimentairen toestand verkeerend deel bezit, en de mensch maakt geen uitzondering op dien regel. De rudimentaire organen moet men onderscheiden van die, welke in wordenden toestand verkeeren, hoewel in sommige gevallen de onderscheiding niet gemakkelijk is. De eersten zijn òf bepaald nutteloos, zooals de tepels der mannelijke zoogdieren of de snijtanden der herkauwende dieren, die nooit door het tandvleesch komen; òf zij bewijzen zoo weinig dienst aan hun tegenwoordige bezitters, dat wij niet kunnen onderstellen, dat zij onder de tegenwoordig bestaande voorwaarden tot ontwikkeling zijn gekomen. De organen die in den laatstgenoemden toestand verkeeren, zijn strikt genomen niet rudimentair, maar zij streven er naar het te worden. Wordende organen integendeel, hoewel niet geheel ontwikkeld, zijn voor hun bezitters van groot nut, en voor verdere ontwikkeling vatbaar. Rudimentaire organen zijn in hooge mate variabel, en dit is gedeeltelijk te begrijpen, daar zij nutteloos of bijna nutteloos, en dus niet langer aan den invloed van de natuurlijke teeltkeus onderworpen zijn. Zij verdwijnen dikwijls geheel. Wanneer dit gebeurt, kunnen zij evenwel nu en dan opnieuw verschijnen door atavisme; en deze bijzonderheid is zeer opmerkenswaardig.
Het niet-gebruiken gedurende dat tijdperk in het leven, waarin een orgaan hoofdzakelijk gebruikt wordt, en dit is meestal de volwassen leeftijd, gepaard aan overerving in een overeenkomstig levenstijdperk, schijnen de hoofdoorzaken te zijn geweest van het rudimentair worden van organen. De term „niet-gebruiken” heeft niet alleen betrekking op de verminderde werking der spieren, maar sluit ook in zich een verminderden toevoer van bloed naar een deel of orgaan, omdat het aan minder afwisseling van drukking onderworpen, of omdat het in een of ander opzicht op den duur minder in werking is gebracht. Bij de ééne sekse kunnen echter deelen in rudimentairen toestand voorkomen, die bij de andere sekse in normalen toestand te vinden zijn; en zulke [19]rudimentaire organen zijn, zooals wij later zullen zien, dikwijls op een andere wijze ontstaan. In sommige gevallen zijn organen kleiner geworden door natuurlijke teeltkeus, omdat zij voor de diersoort, die een andere levenswijze had aangenomen, nadeelig werden. Het verkleiningsproces wordt waarschijnlijk dikwijls in de hand gewerkt door de twee beginselen van compensatie (16) en spaarzaamheid van groei; maar de laatste stadiën van de verkleining, nadat onbruik alles heeft gedaan, wat men er billijkheidswijze aan kan toeschrijven, en wanneer de besparing, die door spaarzaamheid van groei kan worden verkregen, zeer gering is, zijn moeilijk te begrijpen.19 Het voorgoed en geheel en al verdwijnen van een deel, dat reeds nutteloos en zeer in omvang verminderd was, in welk geval noch compensatie noch spaarzaamheid in het spel kunnen komen, is misschien verklaarbaar met behulp van de hypothese van de pangenesis, en waarschijnlijk op geen andere wijze. Maar, daar het geheele onderwerp der rudimentaire organen uitvoerig is behandeld en toegelicht in mijn vorige werken20, behoef ik daarover niets meer te zeggen.
Men heeft in vele deelen van het menschelijk lichaam rudimenten van verschillende spieren opgemerkt21; en niet weinige spieren die bij de eene of andere lagere diersoort steeds aanwezig zijn, kan men nu en dan bij den mensch in zeer verkleinden toestand waarnemen. Iedereen moet hebben opgemerkt, dat verscheidene dieren, vooral paarden, het vermogen bezitten om hun huid te bewegen of te doen trillen; dit wordt veroorzaakt door den panniculus carnosus. Overblijfsels van deze spier, en in werkzamen toestand, worden in verschillende deelen van ons lichaam gevonden; b.v. op het voorhoofd dat—waardoor de wenkbrauwen worden in de hoogte gebracht. De platysma myoides, die in den hals zeer ontwikkeld voorkomt, behoort ook tot dit stelsel, maar kan niet willekeurig in beweging worden gebracht. Prof. Turner te Edinburgh heeft nu en dan, naar hij mij [20]meêdeelde, op vijf verschillende plaatsen, namelijk in de oksels, bij de schouders enz., spierbundels ontdekt, die allen tot het stelsel van den panniculus moeten worden teruggebracht. Hij heeft ook aangetoond22, dat de musculus sternalis of sternalis brutorum, die geen verlenging van den rectus abdominalis, maar zeer nauw met den panniculus verwant is, over meer dan 600 lichamen berekend, in een verhouding van ongeveer 3 perct. voorkwam. Hij voegt er bij, dat „deze spier een uitstekend voorbeeld geeft van het feit, dat toevallig voorkomende en rudimentaire organen bijzonder onderhevig zijn aan verscheidenheid in hun ligging.
Enkele menschen bezitten het vermogen om de spieren die onder hun schedelhuid liggen, te kunnen samentrekken, en deze spieren verkeeren in een veranderlijken en gedeeltelijk rudimentairen slaat. M. A. De Candolle heeft mij een merkwaardig voorbeeld medegedeeld van het lang voortbestaan of de overerving van dat vermogen, en tevens van een ongewone ontwikkeling daarvan. Hij kent een familie, waarvan één lid, nu het hoofd van een huisgezin, toen hij jong was, alleen door de beweging van zijn schedelhuid, verscheidene zware boeken van zijn hoofd kon werpen; dikwijls won hij weddenschappen door het verrichten van dit kunststuk. Zijn vader, zijn oom, zijn grootvader en zijn drie kinderen bezitten allen het zelfde vermogen in buitengewone mate. Acht generaties te voren was deze familie in twee takken verdeeld geworden, zoodat het hoofd van bovengenoemden tak een neef in den zevenden graad was van het hoofd van den anderen tak. Die verre neef woont in een ander gedeelte van Frankrijk, en toen men hem vroeg, of hij het zelfde vermogen bezat, toonde hij dadelijk, dat dit het geval was. Dit voorbeeld geeft een duidelijke toelichting van het feit, hoe standvastig een geheel nutteloos vermogen kan worden overgeërfd.
De uitwendige spieren die dienen om het geheele uitwendige oor te bewegen, en de inwendige spieren die de verschillende deelen ervan in beweging brengen, en die allen tot het stelsel van den panniculus behooren, verkeeren bij den mensch in een rudimentairen toestand. Zij vertoonen ook verschillen in ontwikkeling of ten minste in functie. Ik heb iemand gezien, die zijn ooren naar voren kon trekken, en een ander die ze naar achteren kon trekken23; en uit hetgeen een [21]van die menschen mij meêdeelde, is het waarschijnlijk, dat de meesten van ons na herhaalde proefnemingen het vermogen om de ooren te bewegen min of meer terug zouden krijgen, wanneer wij ze dikwijls aanraakten en er onze aandacht op vestigden. Het vermogen om de ooren te bewegen en ze naar alle kanten te kunnen richten, bewijst zonder twijfel aan vele dieren den grootsten dienst, omdat zij daardoor kunnen bemerken van welken kant het gevaar hen bedreigt; maar ik heb nooit gehoord van iemand die het vermogen bezat om zijn ooren omhoog te steken—de eenige beweging die een mensch van nut kon zijn. Men kan het geheele uitwendige oor als rudimentair beschouwen met al zijn plooien en uitstekende punten (helix en anti-helix, tragus en anti-tragus enz.), die bij de lagere diersoorten het oor, wanneer het omhoog staat, kracht en steun geven, zonder het veel zwaarder te maken. Sommige schrijvers denken evenwel, dat het kraakbeen van het oor dient om trillingen over te brengen op de gehoorzenuw; maar de heer Toynbee24 komt, na al de bewijzen die hiervoor worden aangevoerd, te hebben nagegaan, tot het besluit dat het uitwendige oor geen bepaald nut heeft. De ooren van den chimpanzee en den orang gelijken opmerkelijk veel op die van den mensch; en de oppassers in den Londenschen dierentuin hebben mij verzekerd, dat deze dieren ze nooit bewegen of omhoog steken, zoodat zij, wat hun functie betreft, in even rudimentairen staat verkeeren als bij den mensch. Waarom deze dieren, evenals de voorouders van den mensch, het vermogen om hun ooren omhoog te steken verloren hebben, kunnen wij niet zeggen. Het kan zijn, hoewel deze beschouwingswijze mij niet geheel voldoet, dat zij door hun gewoonte om in boomen te leven en door hun groote kracht maar weinig aan gevaren waren blootgesteld, en dus gedurende vrij langen tijd hun ooren maar weinig bewogen, waardoor langzamerhand het vermogen om ze te bewegen verloren ging. Dit zou een dergelijk geval zijn als dat van die groote logge vogels, die, oceanische eilanden (17) bewonende en daar niet blootgesteld zijnde aan de aanvallen van roofdieren, het vermogen hebben verloren om hun vleugels tot vliegen te gebruiken.
Fig. 2. Oor van een mensch, gemodelleerd en geteekend door den heer Woolner.
a. De vooruitstekende punt.
De beroemde beeldhouwer Woolner deelt mij een kleine bijzonderheid mede van het uitwendige oor, die hij dikwijls zoowel bij vrouwen als bij mannen heeft opgemerkt, en waarvan hij de beteekenis [22]volkomen begreep. Zijn aandacht werd er het eerst op gevestigd toen hij aan het beeld van een kabouter werkte, waaraan hij puntige ooren had gegeven. Daardoor werd hij er toe gebracht de ooren van verschillende aapsoorten, en vervolgens nog zorgvuldiger die van den mensch te beschouwen. De bijzonderheid bestaat uit een kleine, stompe punt, die op den naar binnen omgevouwen rand of helix uitsteekt. De heer Woolner maakte een nauwkeurig model van zulk een geval, en zond mij nevensgaande teekening (Fig. 2). Deze punten steken niet alleen naar binnen uit, maar dikwijls ook een weinig naar buiten, zoodat zij zichtbaar worden wanneer men het hoofd recht van voren of van achteren ziet. Zij verschillen in grootte en ook een weinig in stand, daar zij nu eens iets hooger, dan weder iets lager staan; ook komen zij soms voor aan het eene oor en niet aan het andere. (18) Zij zijn niet beperkt tot den mensch; want ik nam ze eens waar bij een der spinapen (Ateles Beelzebuth) in den Londenschen dierentuin, en Dr. E. Ray Lankester deelt mij een ander geval mede bij een chimpanzee in den Hamburgschen dierentuin. De helix bestaat duidelijk uit den uitersten rand van het oor, die naar binnen omgevouwen is; en dit omvouwen schijnt eenigszins in verband te staan met het voortdurend naar achteren drukken van het geheele uitwendige oor. Bij vele apen die in hun orde geen hooge plaats innemen, zooals bavianen en sommige soorten van het geslacht Macacus25, is het bovendeel van het oor een weinig gepunt en de rand in het geheel niet naar binnen omgevouwen; maar werd de rand op die wijze omgevouwen, dan zou noodzakelijk een kleine punt naar binnen en waarschijnlijk ook een weinig naar buiten uitsteken; en dit geloof ik, dat in vele gevallen hun oorsprong is. Daarentegen houdt Prof. L. Meyer in een dergelijke, onlangs gepubliceerde verhandeling26 vol, dat het geheele geval slechts een toevallige [23]afwijking is; en dat de uitsteeksels werkelijk niet als rudimenten moeten worden opgevat, maar alleen zijn ontstaan, doordat het inwendige kraakbeen ter weêrszijden van deze punten niet tot volkomen ontwikkeling is gekomen. Ik ben bereid aan te nemen, dat dit in vele gevallen de juiste verklaring is, zooals in die, welke door Prof. Meyer zijn afgebeeld en waarin er verscheidene kleine puntjes zijn of de geheele rand gegolfd is. In heb zelf, door de vriendelijkheid van Dr. L. Down, het oor gezien van een microcephalen idioot, bij ’t welk er een uitsteeksel is aan de buitenzijde van de helix, en niet op den naar binnen omgevouwen rand, zoodat deze punt in geen betrekking kan staan tot een vroegere punt van het oor. Toch komt mijn oorspronkelijke meening, dat de punten sporen zijn van de spitsen van vroegere overeindstaande en gepunte ooren, mij in sommige gevallen nog waarschijnlijk voor. Ik denk zulks wegens het veelvuldig voorkomen daarvan, en omdat hun plaats algemeen overeenstemt met die van de spits van een gepunt oor. In één geval, waarvan mij een photogram is gezonden, is het uitsteeksel zoo groot, dat, wanneer men onderstelt, in overeenstemming met de meening van Prof. Meyer, dat het oor volkomen werd gemaakt door de gelijkmatige ontwikkeling van het kraakbeen over de geheele uitgebreidheid van den rand, het ten volle een derde van het geheele oor zou bedekken. Twee gevallen zijn mij medegedeeld, één uit Noord-Amerika en het andere uit Engeland, waarin het bovengedeelte van den rand volstrekt niet naar binnen omgevouwen, maar gepunt is, zoodat de omtrek ervan zeer sterk gelijkt op dien van het gepunte oor van een gewoon viervoetig dier. In één dezer gevallen, dat bij een jong kind was, vergeleek de vader het oor met de teekening27 welke ik heb gegeven van het oor van een aap, den Cynopithecus niger, en zegt, dat hun omtrekken nauwkeurig overeenstemmen. Indien in deze beide gevallen de randen op de gewone wijze waren omgevouwen, moest er een naar binnen loopend uitsteeksel zijn gevormd. Ik mag er bijvoegen, dat in twee andere gevallen de omtrek nog eenigszins gepunt blijft, hoewel de rand van het bovenste gedeelte van het oor op de gewone wijze naar binnen is omgevouwen—bij één daarvan echter zeer weinig. De volgende houtsnede (Fig. 3.) is een nauwkeurige copie van een photogram van den foetus van een orang (die Dr. Nitsche zoo vriendelijk was mij te zenden), waarop men [24]kan zien hoe verschillend de gepunte omtrek van het oor in dit tijdperk is van het oor van een volwassen orang, dat over het algemeen zeer sterk op een menschenoor gelijkt. Het is duidelijk dat als de spits van zulk een oor werd omgevouwen, als het gedurende zijn verdere ontwikkeling niet sterk veranderde, een naar binnen uitstekende punt zou ontstaan. Over het algemeen komt het mij waarschijnlijk voor, dat de punten in quaestie in sommige gevallen, zoowel bij den mensch als bij de apen, rudimenten van een vroegeren toestand zijn.
Fig. 3. Foetus van een orang. Nauwkeurige copie van een photogram, den vorm van het oor op dien vroegen leeftijd aantoonende.
De membrana nictitans of het derde ooglid (19) met zijn bijbehoorende spieren en andere deelen, is bijzonder goed ontwikkeld bij vogels, en door zijn functie voor hen van groot gewicht, daar het snel over den geheelen oogbol kan worden getrokken. Men vindt het bij sommige reptielen en amphibieën en bij sommige visschen, zooals de haaien. In de twee lagere afdeelingen van de klasse der zoogdieren, namelijk bij de snaveldieren (Monotremata) en bij de buideldieren, en ook bij enkele hoogere zoogdieren, zooals bij den walrus, komt het eveneens goed ontwikkeld voor. Maar bij den mensch, de apen en de meeste andere zoogdieren, bestaat het, naar door alle ontleedkundigen wordt aangenomen, alleen rudimentair en vormt de zoogenaamde plica semilunaris.28
De reukzin is voor de meeste zoogdieren van het hoogste gewicht—sommigen, zooals de herkauwende dieren, waarschuwt hij voor gevaar; anderen, zooals de verscheurende dieren, helpt hij hun prooi vinden; bij nog anderen, zooals het wilde zwijn, dient hij voor beide die doeleinden. [25]Maar de reukzin is, zoo van eenig, dan toch van zeer weinig nut, zelfs voor de wilden, bij wie hij in ’t algemeen meer ontwikkeld is dan bij de beschaafde rassen. Hij waarschuwt hen niet voor gevaren, en doet hun hun voedsel niet vinden; hij verhindert niet, dat de Eskimo’s in de meest bedorven lucht leven, noch dat vele wilden half verrot vleesch eten. Zij die gelooven aan het beginsel van trapsgewijze ontwikkeling, zullen niet gereedelijk toegeven, dat de mensch dien zin oorspronkelijk slechts in die mate heeft verkregen, waarin hij hem tegenwoordig bezit. Ongetwijfeld heeft hij dien zin in verzwakten en dus gedeeltelijk rudimentairen toestand van den eenen of anderen voorouder geërfd, die er zeer veel nut van had en hem voortdurend gebruikte. Wij kunnen daaruit misschien de zeer juiste opmerking van Dr. Maudsley29 begrijpen, als hij zegt, dat de reuk bij den mensch „bijzonder dienstig is om de gedachte aan en het beeld van vergeten tooneelen en plaatsen levendig in het geheugen terug te roepen”; want bij dieren waarbij dit zintuig ontwikkeld is, zooals honden en paarden, zien wij, dat oude herinneringen van personen en plaatsen in nauw verband staan met hun reuk.
De mensch verschilt zeer van al de andere Primaten, doordat hij bijna geheel onbehaard is. Over het grootste gedeelte van het lichaam vindt men bij den man slechts enkele korte haren, hier en daar verspreid; bij de vrouw slechts fijn dons. Bij individu’s, die tot het zelfde ras behooren, vindt men veel verschil in behaardheid, niet alleen wat het getal der haren aangaat, maar ook in de plaats waar zij groeien; zoo zijn de schouders van sommige Europeanen geheel kaal, terwijl zich daarop bij andere dikke bossen haar vertoonen.30 (20) Het valt bijna niet te betwijfelen, of de haren, die zoo ongelijk over het lichaam verspreid zijn, zijn slechts rudimenten van het harig bekleedsel, dat de lagere diersoorten geheel bedekt. Deze voorstelling krijgt te meer waarschijnlijkheid, wanneer men bedenkt, dat fijne, korte, licht gekleurde haren op armen en beenen en andere lichaamsdeelen nu en dan overgaan in „dicht opeenstaande, lange, eenigszins grove, donkere haren”, wanneer zij abnormaal worden gevoed dicht bij plekken, die zich sinds lang in ontstoken toestand bevinden. [26]
De heer Paget31 deelt mij mede, dat menschen die tot de zelfde familie behooren, dikwijls in hun wenkbrauwen enkele haren hebben, die langer zijn dan de overige, zoodat deze kleine bijzonderheid schijnt te worden overgeërfd. Deze haren vertegenwoordigen klaarblijkelijk de vibrissae (21), die bij velen van de lagere diersoorten als tastorganen worden gebruikt. Bij een jongen chimpanzee heb ik opgemerkt, dat enkele rechtopstaande, vrij lange haren boven de oogen uitstaken, op de plaats waar de ware wenkbrauwen zouden hebben gestaan, wanneer zij aanwezig waren geweest.
Het fijne, wollige haar, het zoogenaamde lanugo, waarmede de menschelijke foetus gedurende de zesde maand dicht bedekt wordt, levert een nog opmerkenswaardiger geval op. Het ontwikkelt zich eerst in de vijfde maand, op de wenkbrauwen en op het gelaat, voornamelijk rondom den mond, waar het veel langer is dan op het hoofd. Eschricht32 vond een knevel van deze soort bij een vrouwelijken foetus; dit is evenwel niet zoo verwonderlijk, als men op het eerste gezicht zou denken, want de twee seksen hebben, wat uiterlijke kenmerken aangaat, gedurende het eerste tijdperk van hun ontwikkeling over het algemeen veel overeenkomst met elkander. De richting en rangschikking der haren zijn op alle deelen van het lichaam van den foetus de zelfde als bij den volwassen mensch, maar zijn aan veel verschil onderhevig. De geheele oppervlakte, zelfs voorhoofd en ooren daaronder begrepen, is dicht met haar bezet; maar het is een veelbeteekenend feit, dat de palmen der handen en de voetzolen geheel kaal zijn, evenals de onderste deelen van alle vier de ledematen bij de meeste lagere dieren. Daar dit alles moeielijk aan een toevalligen samenloop van omstandigheden kan worden toegeschreven, moeten wij de wollige bedekking van den foetus beschouwen als de rudimentaire vertegenwoordiger van het blijvende harige bekleedsel der zoogdieren, die behaard ter wereld komen. Er zijn drie of vier gevallen opgeteekend van personen, die bij hun geboorte hun geheele lichaam en gelaat dik bedekt hadden met fijne, lange haren; en deze vreemde toestand is in hooge mate erfelijk en gaat gepaard met een abnormalen toestand der tanden.33 Prof. Alex. [27]Brandt bericht mij, dat hij het haar van een zoodanig man, vijf-en-dertig jaren oud, heeft vergeleken met het wolhaar van een foetus, en het geheel gelijksoortig heeft bevonden; daarom kan, naar hij opmerkt, het geval worden toegeschreven aan een stilstand in de ontwikkeling van het haar, gepaard met het voortdurend groeien daarvan. Een dokter van een kinderhospitaal heeft mij verzekerd, dat bij vele teêre kinderen de rug met vrij lange zijdeachtige haren bedekt is; en zulke gevallen behooren waarschijnlijk tot de zelfde categorie.
Het schijnt, dat de achterste maaltanden of kiezen van verstand bij de meer beschaafde menschenrassen een neiging bezitten om rudimentair te worden. Deze kiezen zijn iets kleiner dan de andere maaltanden, zooals ook het geval is met de overeenkomstige tanden van den chimpanzee en den orang; en zij hebben slechts twee afzonderlijke wortels. Zij komen niet voor het zevende jaar door het tandvleesch heên, en tandmeesters hebben mij verzekerd, dat zij veel meer aan verrotting onderhevig zijn en vroeger uitvallen dan de andere tanden. Het is ook opmerkelijk, dat bij die tanden meer verschil bestaat, zoowel in vorm als in het tijdperk van hun ontwikkeling, dan bij de andere.34 Bij de Melanesische rassen daarentegen hebben de kiezen van verstand gewoonlijk drie afzonderlijke wortels en zijn ze doorgaans gezond; in grootte verschillen zij bij deze minder van de andere maaltanden dan bij de Kaukasische rassen.35 Prof. Schaaffhausen geeft van dit verschil tusschen genoemde rassen de volgende reden: „het gedeelte van de kaak, waar de laatste kiezen komen, wordt bij de beschaafde rassen voortdurend korter”36, en dit steeds korter worden, geloof ik, dat men veilig daaraan kan toeschrijven, dat beschaafde menschen zich steeds met zachte, gekookte spijzen voeden en dat zij dus hun kaken minder gebruiken. Van den heer Brace heb ik vernomen, dat het tegenwoordig in de Vereenigde Staten een vrij algemeene gewoonte is geworden, den kinderen eenige maaltanden uit te trekken, omdat de kaak niet groot genoeg wordt voor de volledige ontwikkeling van het normale getal.37 [28]
Wat het darmkanaal betreft, heb ik slechts één rudimentair deel vermeld gevonden, namelijk het wormvormige aanhangsel van den blinden darm. De blinde darm is een tak of diverticulum van het darmkanaal, die blind eindigt, en is bij velen van de lagere plantetende zoogdieren buitengewoon lang. Bij de tot de buideldieren behoorende koala is hij zelfs meer dan driemaal zoo lang als het lichaam.38 Somtijds loopt hij in een trapsgewijze dunner wordende punt uit, en somtijds wordt hij ook door vernauwingen in deelen verdeeld. Het schijnt, dat ten gevolge van een veranderden leefregel of van andere gewoonten de blinde darm bij vele dieren veel korter is geworden, terwijl het wormvormig aanhangsel als een rudiment van het verkorte deel is overgebleven. Dat dit aanhangsel een rudiment is, kunnen wij afleiden uit zijn geringe grootte en de verschillen, die het, zooals Prof. Canestrini39 heeft bewezen, bij den mensch vertoont. Somtijds ontbreekt het geheel en al, andere malen is het daarentegen bijzonder ontwikkeld. De opening ervan is somtijds over de helft, somtijds over twee derden van de lengte gesloten; het uiteinde is dan plat en zonder inwendige holte. Bij den orang is dit aanhangsel lang en samengerold; bij den mensch neemt het zijn oorsprong aan het uiteinde van den korten blinden darm, is gewoonlijk 10 tot 12.5 c.M. lang en heeft slechts 8 m.M. middellijn. Niet alleen is dit aanhangsel nutteloos, maar het veroorzaakt somtijds den dood; hiervan heb ik onlangs twee gevallen gehoord: dit wordt veroorzaakt door kleine, harde voorwerpen, zooals zaadjes, die in de opening ervan dringen en daar ontsteking veroorzaken.40
Bij de vierhandigen en eenige andere orden van zoogdieren, in het bijzonder bij de verscheurende dieren, is er een opening aan het benedeneinde van het opperarmbeen, foramen supra-condyloïdeum genaamd, door welke de groote zenuw en dikwijls ook de groote slagader van het voorste lid heêngaan. In het opperarmbeen van den mensch is er, zooals Dr. Struthers41 en anderen hebben aangetoond, doorgaans [29]een spoor van deze opening en somtijds is zij vrij goed ontwikkeld en wordt dan door een haakvormig uitsteeksel van het been en een daaraan verbonden band gevormd. Wanneer deze opening er is, gaat de groote zenuw er altijd door, en dit bewijst duidelijk, dat zij homoloog met een rudiment van het foramen supra-condyloïdeum der lagere diersoorten is. Prof. Turner schat, naar hij mij mededeelde, dat zij aanwezig is bij één percent van de skeletten uit onzen tijd; in oude tijden schijnt zij veelvuldiger te zijn geweest. De heer Busk42 heeft hiervan de volgende bewijzen bijeengebracht: Prof. Broca „vond deze opening bij vier en een half percent van de armbeenderen, die in het „Cimétière du Sud” te Parijs werden verzameld; en in het hol van Orrony, waarvan de inhoud tot den Bronstijd (22) moet worden gebracht, bezaten acht opperarmbeenderen van de twee-en-dertig haar; hij gelooft echter dat deze buitengewone verhouding daaraan is toe te schrijven, dat het een soort van familiegraf was.” De heer Dupont vond, dat 30 percent van de beenderen uit de holen van de Lesse, die tot het Rendiertijdperk (23) behooren, deze opening bezaten; terwijl de heer Leguay in een soort van dolmen te Argenteuil beenderen vond, waarvan vijf-en-twintig percent aldus waren doorboord. De heer Pruner-Bey vond, dat bij de beenderen van Vauréal 26 percent de opening bezaten. Wij mogen hier niet onvermeld laten, dat de heer Pruner-Bey mededeelt, dat die bijzonderheid bij de Guanche-skeletten wordt opgemerkt. (24) Het feit, dat oude rassen in dit en vele andere gevallen, veelvuldiger voorbeelden opleveren van vormen welke op die van lagere diersoorten gelijken, dan de nieuwere rassen, verdient opmerking. (25) Een van de hoofdredenen schijnt te wezen, dat in de lange rij van afstammelingen de oude rassen iets nader bij hun verwijderde op dieren gelijkende voorouders staan dan de tegenwoordige.
Hoewel het koekoeksbeen bij den mensch niet tot staart dient, vertegenwoordigt het bij hem met eenige wervels, die wij later zullen beschrijven, volkomen dat deel van de overige gewervelde dieren. In een vroeg embryonaal tijdperk is het vrij, en strekt zich, zooals men in Fig. 1, een menschelijk embryo voorstellende, kan zien, tot voorbij de onderste ledematen uit. In sommige zeldzame en abnormale gevallen, [30]heeft men volgens Isidore Geoffroy en anderen opgemerkt, dat het zelfs na de geboorte een klein uitwendig rudiment van een staart vormde.43 (26) Het koekoeksbeen is kort, bestaat gewoonlijk slechts uit vier wervels en deze verkeeren in een rudimentairen toestand; want met uitzondering van den bovensten bestaan zij alleen uit het wervellichaam.44 Zij zijn voorzien van eenige spieren, waarvan er een, naar mij door Prof. Turner is medegedeeld, door Theile uitdrukkelijk is beschreven als een rudimentaire herhaling van de uitstrekkende spier van den staart, die bij vele zoogdieren zoo bijzonder ontwikkeld is.
Het ruggemerg strekt zich bij den mensch benedenwaarts slechts tot de laatste rug- of eerste lendenwervels uit; maar een op een draad gelijkend deel (het filum terminale) loopt door de as van dat gedeelte van het wervelkanaal, dat in het heiligbeen is gelegen, en zelfs over den rug van de koekoeksbeentjes naar beneden. Het bovenste gedeelte van dezen draad is, naar Prof. Turner mij mededeelt, ongetwijfeld homoloog met het ruggemerg, maar het onderste gedeelte bestaat waarschijnlijk alleen uit de pia mater of het vaatachtige bekleedende vlies. Zelfs in dit geval kan men zeggen, dat het koekoeksbeen een overblijfsel bezit van zulk een belangrijk deel als het ruggemerg, al is het dan ook niet langer in een beenig kanaal omsloten. Het volgende feit, dat ik ook aan Prof. Turner ben verschuldigd, toont hoe volkomen het koekoeksbeen met den waren staart der lagere dieren overeenkomt. Luschka heeft onlangs aan het uiteinde der koekoeksbeenderen een zeer eigenaardig samengerold lichaam ontdekt, dat een voortzetting vormt van den middelsten slagader van het heiligbeen, en deze ontdekking gaf aan Krause en Meyer aanleiding om den staart van een aap (Macacus) en van een kat te onderzoeken: in beide vonden zij, hoewel niet aan het uiteinde, een dergelijk samengerold lichaam.
Het voortplantingsstelsel vertoont verschillende rudimentaire deelen, maar deze verschillen in één belangrijk opzicht van de voorgaande gevallen. Wij hebben hier niet te doen met een overblijfsel dat bij de [31]soort in haar tegenwoordigen toestand doelloos is, maar met een deel dat bij de ééne sekse altijd tegenwoordig en noodig is, terwijl het bij de andere slechts rudimentair is ontwikkeld. Toch is het voorkomen van zulke rudimentaire deelen, als men uitgaat van het geloof aan de afzonderlijke schepping van elke soort, even moeilijk te verklaren, als in de voorgaande gevallen. Later zal ik op deze rudimentaire deelen moeten terugkomen, en zal aantoonen, dat hun tegenwoordigheid over het algemeen uitsluitend van overerving afhangt, dat namelijk deelen, door de ééne sekse verkregen, gedeeltelijk op de andere zijn overgeplant. Ik wil hier slechts eenige voorbeelden van dergelijke rudimentaire deelen geven. Het is algemeen bekend, dat bij de mannetjes van alle zoogdieren, de mensch niet uitgezonderd, rudimentaire tepels worden gevonden; er bestaan verschillende voorbeelden, dat deze zich goed ontwikkeld en overvloedig melk opgeleverd hebben. (27) Een wezenlijke identiteit bij de twee seksen wordt ook daardoor aangetoond, dat zij bij beide somtijds sympathetisch opzwellen gedurende een aanval van de mazelen. Het is tegenwoordig algemeen erkend, dat de vesicula prostatica (28), die bij vele mannelijke zoogdieren is opgemerkt, homoloog is met de vrouwelijke baarmoeder en den daarmede verbonden doorgang. Het is onmogelijk Leuckart’s uitnemende beschrijving van dit orgaan en zijn redeneering te lezen, zonder te worden overtuigd van de juistheid van zijn besluit. Dit is vooral duidelijk in het geval van die zoogdieren, bij welke de ware vrouwelijke baarmoeder tweehoornig is, want bij de mannetjes van deze is ook de vesicula vorksgewijze verdeeld.45 Nog enkele andere, tot het voortplantingsstelsel behoorende rudimentaire deelen zouden hierbij kunnen worden gevoegd.46
De beteekenis van de drie bovenvermelde groote klassen van feiten is onmiskenbaar. Het zou echter overtollig zijn den keten van bewijzen, in het breede in mijn „Ontstaan der Soorten” gegeven, hier uitvoerig te herhalen. De homologe bouw van het geheele geraamte der ledematen in de zelfde dierklasse kan worden begrepen, als wij aannemen, dat zij afstammen van een gemeenschappelijken stamvader, en daarna door langzame verandering voor gewijzigde levensvoorwaarden geschikt zijn geworden. Bij elke andere beschouwingswijze is de typische overeenkomst [32]tusschen de hand van een mensch en een aap, den poot van een paard, den zwempoot van een zeehond, den vleugel van een vledermuis volkomen onverklaarbaar. Het is geen wetenschappelijke verklaring te beweren, dat zij allen volgens het zelfde ideale plan zijn gevormd. Ten opzichte van de ontwikkeling kunnen wij duidelijk begrijpen, uitgaande van het beginsel, dat verschillen in een vrij laat embryonaal tijdperk ontstonden en in een overeenkomstig tijdperk werden overgeërfd, hoe het komt, dat embryo’s van hoogst verschillende diervormen, toch meer of minder volkomen het maaksel van hun gemeenschappelijken stamvader hebben kunnen bewaren. Geen andere verklaring is ooit gegeven van het verwonderlijke feit, dat de embryo’s van een mensch, een hond, een zeehond, een vledermuis, een reptiel enz. in den beginne nauwelijks van elkander kunnen worden onderscheiden. Om het bestaan van rudimentaire organen te begrijpen, hebben wij slechts te onderstellen, dat een vroegere voorvader die deelen in volkomen staat bezat, en dat zij onder veranderde levensvoorwaarden zeer werden verkleind, hetzij alleen doordat zij niet werden gebruikt, hetzij doordat de natuur die individu’s voor de voortplanting uitkoos, welke het minst waren overladen met een overtollig deel, geholpen door de overige boven aangegeven middelen.
Op die wijze kunnen wij begrijpen, wat de reden is van het feit, dat de mensch en al de overige gewervelde dieren volgens het zelfde algemeene type zijn gevormd, waarom zij de zelfde vroege ontwikkelingstrappen doorloopen en waarom sommige rudimentaire deelen bij hen allen voorkomen. Bij gevolg moeten wij onbewimpeld hun gemeenschappelijke afstamming aannemen; aan een andere beschouwingswijze de voorkeur geven, is aannemen, dat ons eigen maaksel en dat van alle ons omringende dieren slechts een valstrik is, gespannen om ons oordeel van den goeden weg af te brengen. Dit besluit wordt zeer versterkt, als wij de leden van de geheele dierlijke reeks beschouwen, en letten op de bewijzen, afgeleid van hun verwantschappen of klassificatie, hun geographische verspreiding en geologische opeenvolging. (29) Het zijn alleen ons natuurlijk vooroordeel en die hoogmoed, die onze voorouders deed verklaren, dat zij van halfgoden afstamden, die er ons toe leiden dit besluit te betwijfelen. De tijd zal echter weldra aanbreken, dat men het vreemd zal vinden, dat natuuronderzoekers, die goed bekend waren met de vergelijkende ontleedkunde en met de ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch en van andere zoogdieren, hebben kunnen gelooven, dat elke soort door een afzonderlijke scheppingshandeling was voortgebracht. [33]