1Grosshirnwindungen des Menschen”, 1868, blz. 96. 

2Leç. sur la Phys.”, 1866, blz. 890, aangehaald door M. Daily, „L’Ordre des Primates et le Transformisme”, 1868, blz. 29. 

3Naturgeschichte der Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 50. 

4 Brehm „Thierleben”, B. I., 1864, blz. 75, 86. Over den Ateles, blz. 105. Voor andere overeenkomstige opgaven, zie blz. 25, 107. 

5 Over insekten, zie Dr. Laycock: „On a General Law of Vital Periodicity”, British Association, 1842; Dr. Macculloch, „Silliman’s North American Journal of Science”, vol. XVI, blz. 305, heeft een hond gezien, die aan derdendaagsche koorts leed. 

6 Ik heb het bewijs hiervan gegeven in mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” Ned. vertaling, Deel I, blz. 512. (In de tweede in het Ned. vertaalde uitgave laat Darwin zich hieromtrent lang zoo sterk niet uit als in de eerste Engelsche uitgaaf, vol. II, blz. 15, die hier eigenlijk wordt aangehaald. Dr. H. H. H. v. Z.). 

7 „Mares e diversis generibus Quadrumanorum sine dubio dignoscunt feminas humanas a maribus. Primum credo, odoratu, postea aspectu. Mr. Youatt, qui diu in Hortis Zoologicis (Bestiariis) medicus animalium erat, vir in rebus observandis cautus et sagax, hoc mihi certissime probavit, et curatoris ejusdem loci et alii e ministris confirmaverunt. Sir Andrew Smith et Brehm notabant idem in Cynocephalo. Illustrissimus Cuvier etiam narrat multa de hac re quâ ut opinor nihil turpius potest indicari inter omnia hominibus et Quadrumanis communia. Narrat enim Cynocephalum quemdam in furorem incidere aspectu feminarum aliquarum, sed nequaquam accendi tanto furore ab omnibus. Semper eligebat juniores, et dignoscebat in turba et advocabat voce gestuque.”(12) 

8 Deze opmerking wordt gemaakt ten opzichte van den Cynocephalus en de anthropomorphe apen door Geoffroy Sint-Hilaire en F. Cuvier, „Hist. Nat. des Mammifères”, tome I, 1824. 

9 Huxley, „Man’s Place in Nature”, 1863, blz. 34. 

10Man’s Place in Nature”, 1863, blz. 67. 

11 De menschelijke embryo (bovenste fig.) is naar Ecker, „Icones Phys.”, [17]1851–1858, tab. XXX, fig. 2. Deze embryo was 21 m.M. lang, zoodat de teekening veel vergroot is. De embryo van den hond is naar Bischoff, „Entwicklungsgeschichte des Hunde-Eies”, 1845, tab. XI, fig. 42 B. Deze teekening is vijfmalen vergroot; de embryo was 25 dagen oud. De ingewanden zijn niet geteekend, en de aanhangsels die in den uterus met den embryo zijn verbonden, bij beide teekeningen weggelaten. Ik werd op deze figuren gebracht door Prof. Huxley, aan wiens boek „Man’s Place in Nature” het denkbeeld om ze te geven is ontleend. Ook Haeckel heeft in zijne „Schöpfungsgeschichte” dergelijke teekeningen gegeven. 

12 Prof. Wyman in „Proc. of American Acad. of Sc.”, vol. IV, 1860, blz. 17. 

13 Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. I, blz. 533. 

14Die Grosshirnwindungen des Menschen”, 1868, blz. 95. 

15Anatomy of Vertebrates”, vol. II, blz. 533. 

16Proc. Soc. Nat. Hist.”, Boston, 1863, vol. IX, blz. 185. 

17Man’s Place in Nature”, blz. 65. 

18 Ik had dit hoofdstuk in het ruwe geschreven, voordat ik een gewichtig stuk had gelezen: „Caratteri rudimentali in ordine all’origine del uomo” („Annuario della Soc. de Nat.”, Modena, 1867, blz. 81), door G. Canestrini, aan welk stuk ik veel verschuldigd hen. Haeckel heeft bewonderenswaardige verhandelingen gegeven over dit geheele onderwerp, onder den titel van Dysteleologie, in zijn „Generelle Morphologie” en „Schöpfungsgeschichte.” 

19 De HH. Murie en Mivart hebben eenige goede kritische opmerkingen hieromtrent gemaakt in „Transact. Zoolog. Soc.”, 1869, vol. VI, blz. 92. 

20 „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., deel II, blz. 357–359 en 455. Zie ook het „Ontstaan der Soorten”, 3de Ned. Uitgaaf, blz. 196, 627, 637. 

21 M. Richard („Annales des Sciences Nat.”, 3e Série, Zoolog. 1852, tome XVIII, blz. 13) geeft b.v. beschrijvingen en afbeeldingen van rudimenten, van hetgeen hij noemt de „muscle pédieux de la main”, die, zegt hij, somtijds „infiniment petit” is. Een andere spier, „le tibial posterieur” genaamd, ontbreekt in de hand gewoonlijk geheel, maar komt soms in meer of min rudimentairen toestand voor. 

22 Prof. W. Turner, „Proc. Royal Soc. Edinburgh”, 1866–67, blz. 65. 

23 Canestrini haalt een dergelijk voorbeeld uit Hyrtl aan („Annuario della Soc. de Naturalisti”, Modena, 1867, blz. 97). 

24The Diseases of the Ear”, door J. Toynbee, F. R. S., 1860, blz. 12. 

25 Zie ook eenige opmerkingen en afbeeldingen van de ooren der Lemuroidea in de uitstekende verhandeling van de HH. Murie en Mivart in „Transact. Zoolog. Soc.”, vol. VII, 1869, blz. 6 en 90. 

26Ueber das Darwin’sche Spitzohr”, „Archiv für Path., Anat. und Phys.”, 1871, blz. 485. 

27 „Het Uitdrukken der Gemoedsaandoeningen”, Ned. Vert. Tweede uitgaaf, blz. 136. 

28 Müller’s „Elements of Physiology”, Eng. vertaling, 1842, blz. 1117. Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 260; de zelfde over den walrus, „Proc. Zoolog. Soc.” van 8 November 1854. Zie ook R. Knox’ „Great Artists of Anatomists”, blz. 106. Dit rudimentaire deel is bij negers en Nieuw-Hollanders naar het schijnt iets grooter dan bij de Europeanen, zie Carl Vogt, „Lectures on Man”, Engelsche vertaling, blz. 129. 

29The Physiology and Pathology of Mind”, 2nd. edit. 1868, blz. 134. 

30 Eschricht, „Ueber die Richtung der Haare am menschlichen Körper”. „Muller’s Archiv für Anat. und Phys.”, 1837, blz. 47. Dikwijls zal ik naar dit zeer belangrijke stuk moeten verwijzen. 

31 Paget, „Lectures on Surgical Pathology”, 1853, vol. II, blz. 71. 

32 Eschricht, ibid., blz. 40, 47. 

33 Zie mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., deel II, blz. 379. Prof. Alex. Brandt heeft mij onlangs nog een nieuw geval medegedeeld van een vader en een zoon, in Rusland geboren, die de zelfde bijzonderheden vertoonden. Ik heb afbeeldingen van beiden uit Parijs ontvangen. 

34 Dr. Webb, „Teeth in Man and the Anthropoid Apes”, aangehaald door Dr. D. Carter Clake in „Anthropological Review”, Juli 1867, blz. 299. 

35 Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 320, 321 en 325. 

36On the Primitive Form of the Skull”, Eng. vertaling in „Anthropological Review”, Oct. 1868, blz. 426. 

37 Professor Mantegazza schrijft mij uit Florence, dat hij onlangs de achterste kiezen bij de verschillende menschenrassen heeft bestudeerd, en tot het [28]zelfde besluit is gekomen, als ik in den tekst heb medegedeeld, namelijk, dat zij bij de hoogere rassen op weg zijn om te atrophieeren en te verdwijnen. 

38 Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 416, 434, 441. 

39 Annuario della Soc. d. Nat.”, Modena, 1867, blz. 94. 

40 M. C. Martins („De l’Unité Organique”, in „Revue des deux Mondes”, 15 Juni 1862, blz. 16) en Haeckel („Generelle Morphologie”, B. II, blz. 278), hebben beiden het zonderlinge feit opgemerkt, dat dit rudiment soms den dood veroorzaakt. 

41The Lancet”, 24 Jan. 1863, blz. 83. Dr. Knox („Great Artists and Anatomists”, [29]blz. 63). Zie ook een gewichtig stuk hierover door Dr. Grube, in het „Bulletin de l’Acad. Imp. de St. Pétersbourg”, tome XII, 1867, blz. 448. 

42On the Caves of Gibraltar”. „Transact. Internat. Congress of Prehist. Arch.Third Session, 1860, blz. 54. 

43 Quatrefages heeft eenige jaren geleden de bewijzen hiervoor bijeenverzameld, „Revue des Cours Scientifiques”, 1867–1868, blz. 625. In 1840 vertoonde Fleischmann een menschelijken foetus, die een vrijen staart bezat, welke, hetgeen niet altijd het geval is, wervellichamen insloot; en deze staart werd critisch onderzocht door de vele ontleedkundigen die tegenwoordig waren op de bijeenkomst van natuuronderzoekers te Erlangen (zie Marshall in het „Niederländisches Archiv für Zoölogie”, December 1871). 

44 Owen, „On the Nature of Limbs”, 1847, blz. 140. 

45 Leuckart in Todd’s „Cyclop. of Anat.”, 1849–1851, vol. IV, blz. 1415. Bij den mensch heeft dit orgaan slechts 6½–12½ m.M. lengte, maar evenals vele andere rudimentaire deelen, verschilt het in ontwikkeling zoowel als in andere kenmerken. 

46 Zie over dit onderwerp Owen, „Anatomy of Vertebrates,” vol. III, blz. 675, 676, 706. 

47 Dat de vleugels der vlinders geen bloote uitbreidingen der huid, maar werkelijk vervormde pooten zijn, blijkt uit een monster van Zygaena filipendulae, dat vijf pooten en vijf vleugels bezat, omdat één der pooten door een vleugel was vervangen. Dr. Lubach („Alb. d. Nat.”, 1890, Wet. Bijbl. blz. 5) trekt hieruit ten onrechte het besluit, dat de vleugels der vlinders niet slechts analoog, maar ook homoloog zijn met die der vogels. Er blijkt slechts uit, dat bij beide groepen de vleugels homoloog zijn met de pooten, maar er volgt geen homologie van de ledematen der eene groep met die der andere groep uit. 

48 H. W. de Graaf, „Bijdrage tot de kennis van den bouw en de ontwikkeling der Epiphyse bij Amphibieën en Reptielen”, Leiden, Adriani, 1886. 

49Nature”, 13 Mei 1886. 

50 Zie hoofdstuk VI en de aanteekeningen daarop. 

51Proceedings of the American Association for the Advancement of Science”, New-York, 1889. 

52 Linnaeus nam in zijn Orde der Primaten ook de vledermuizen op. Deze moeten echter van de apen en den mensch als afzonderlijke orde gescheiden blijven. 

53 De chimpanzee wordt den mensch hoe langer hoe ongelijker, naarmate hij meer tot den volwassen toestand nadert. 

54 Een ras van duiven. Zie „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel I, blz. 173. 

55 Zie: „Sur les Caractères Anatomiques de l’Homme Préhistoriquepar M. Paul Broca, professeur à la faculté de médecine, secrétaire général de la société d’anthropologie, Paris, 1868, blz. 32. 

56 Apophyses genianae (Fransch: apophyses géni). Vier knobbeltjes die soms de plaats innemen van de inwendige kinlijst (spina mentalis interna). 

57 Liever mediaanvlak; het is het vlak, dat het lichaam in twee symmetrische helften verdeelt. 

58 Ofschoon de tanden van de onderkaak van la Naulette waren uitgevallen, heeft men uit de grootte, vorm en plaatsing der tandkassen tot hun betrekkelijke grootte en plaatsing kunnen besluiten. 

59 „Mémoire sur les Ossements des Eyzies” („Époque du Mammouth”) par M. Paul Broca, professeur à la faculté de médecine, secrétaire général de la Société d’anthropologie, Paris, 1868, blz. 12. 

60 La Race Humaine de Neanderthal ou de Cannstatt en Belgique. Recherches Ethnographiques sur des Ossements Humains. Gand 1887.