[Inhoud]

AANTEEKENINGEN.

(1) „Homologe structuur.” Er bestaat in het wetenschappelijk taalgebruik een groot verschil tusschen homologie en analogie. Homoloog noemt men die deelen, welke volgens het zelfde algemeene type gebouwd en op de zelfde wijze met de overige deelen verbonden zijn, en dus uit een vergelijkend anatomisch oogpunt met elkander overeenkomen, al verschilt hun gebruik geheel. Zoo zijn b.v. de hand van een mensch, de vleugel van een vledermuis, de graafpoot van een mol homoloog, evenzoo de zwemblaas van een visch en de longen van een zoogdier. Twee soorten vertoonen dus een homologe structuur, wanneer de deelen waaruit het lichaam van de eene bestaat, homoloog zijn met de deelen van het lichaam van de andere. Bij eene en de zelfde soort merkt men tusschen de beide seksen een homologe structuur op. Analoog noemt men die deelen, welke tot de zelfde functie dienen, al komen zij uit een vergelijkend anatomisch oogpunt volstrekt niet overeen. Zoo zijn b.v. de vleugels van een vogel analoog met die van een vlinder, daar beide dienen om te vliegen, en is, hoewel beide pooten zijn, de poot van een vogel volstrekt niet homoloog met die van een vlinder47; evenzoo zijn de longen van een zoogdier analoog met de kieuwen van een visch, daar beide ademhalingswerktuigen zijn, enz. Twee deelen kunnen natuurlijk ook tegelijkertijd homoloog en analoog zijn, b.v. de armen van een mensch en de voorpooten van een aap, de vleugels van een vogel en die van een vledermuis, enz.

Ook in één en het zelfde dierlijke lichaam merkt men op, dat sommige deelen, volgens het zelfde type gebouwd, op de zelfde wijze met andere deelen verbonden en dus homoloog zijn. Zoo zijn b.v. de wervels homologe deelen, evenzoo de ribben. In dezen zin zijn de voorste ledematen van een gewerveld dier homoloog met de achterste, en de linkerhelft van het lichaam met de rechterhelft. R. Owen noemt deze soort van homologie homotypie en bezigt het woord homologie alleen bij vergelijking van overeenkomstige deelen van verschillende soorten of seksen.

(2) „Rudimentaire organen.” Gelijk aan de lezers van het „Ontstaan der Soorten” en van het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” bekend is, merkt men dikwijls op, dat organen, die bij de eene diersoort in geheel ontwikkelden toestand voorkomen en tot bepaalde functiën dienen, bij andere soorten in groei achtergebleven en door onvolledige ontwikkeling ook in vorm veranderd zijn. Somtijds hebben zij dan bij die tweede soort geen of gering nut, ja kunnen in enkele gevallen zelfs schadelijk worden; zij zijn om zoo te zeggen slechts daar als vertegenwoordigers der ontwikkelde organen en bewijzen de eenheid van type der twee soorten. Dergelijke onvolledig ontwikkelde deelen noemt men rudimentaire organen. Evenzoo komen sommige organen die bij de eene sekse goed ontwikkeld zijn, bij de andere [34]gewoonlijk slechts in rudimentairen toestand voor (b.v. de zogklieren bij den mensch). Ook vindt men bij volwassen individu’s organen, die gedurende het foetale leven goed ontwikkeld waren, in rudimentairen staat terug. Zoo zijn de vasa aberrantia van de ballen bij den man en de zoogenaamde lichamen of organen van Rosenmüller bij de vrouw rudimenten van de corpora Wolffiana of primordiaalnieren van den embryo. Evenzoo zijn, wanneer men bij een en het zelfde individu homotype organen vergelijkt, bij het eene sommige deelen slechts rudimentair aanwezig, die bij het andere volkomen ontwikkeld zijn. Zoo zijn de beentjes van het staartbeen slechts rudimenten van wervels.

Ten vorigen jare heeft W. Pfitsner een anatomische verhandeling, „Die kleine Zehe”, uitgegeven, waarin hij er op wijst, dat de kleine teen bij den mensch rudimentair begint te worden. Deze teen behoort eigenlijk uit drie kootjes te bestaan, maar bij 36% der Duitschers zijn de beide laatste kootjes met elkander vergroeid (hoewel de grens er tusschen nog zichtbaar is) en wel in den regel aan beide voeten, bij ruim 41% der vrouwen en 31% der mannen. De druk van het schoeisel kan de oorzaak hiervan niet zijn (tenzij men hier aan de overerving eener verworven eigenschap mag denken), daar deze vergroeiing even veelvuldig voorkomt bij embryo’s (van de vijfde maand af) en bij kinderen van 1–7 jaar als bij volwassenen, en daarenboven behooren de personen, wier lijken op de snijkamers kunnen worden onderzocht, zelden tot die kringen der maatschappij, welke gewoon zijn nauwe schoenen te dragen. Het eindresultaat zal wel zijn, dat op den duur de kleine teen bij allen slechts uit twee kootjes zal bestaan, en naar schrijver meent, zou dit de eerste stap zijn tot volkomen rudimentair worden van den kleinen teen. Schrijver acht het terecht wenschelijk, dat deze in dit opzicht ook bij volken die geen schoenen of sandalen dragen, wordt onderzocht. Hij wijst er op, dat men ook bij levenden door strekking en buiging van den kleinen teen gemakkelijk kan onderzoeken of de laatste kootjes daarvan al dan niet met elkander vergroeid zijn.

Een der merkwaardigste rudimentaire organen, dat ook bij den mensch voorkomt, is de zoogenaamde pijnappelklier, door Descartes nog voor „de verblijfplaats der redelijke ziel” gehouden.

In 1886 is door de Graaf48 en Spencer49 gelijktijdig aangetoond, dat de zoogenaamde pijnappelklier (epiphyse) in de hersenen het rudiment is van een derde oog, dat bij de vroege voorouders der gewervelde dieren als zoodanig werd gebruikt. Bij sommige fossiele amphibieën (Labyrinthodonten) en hagedissen komt in den schedel een gat voor (een rudiment daarvan is bij de levende dieren dezer klasse de zoogenaamde parietaalopening), waar de gezichtszenuw met de epiphyse was verbonden. Bij de embryo’s der tegenwoordige amphibieën en reptielen begint het derde oog zich als een blaas aan het uiteinde van een veelal lang uitgegroeiden steel te ontwikkelen, maar wordt later door de hersenvliezen geheel van zijn steel gescheiden. De steel verandert daarna in de epiphyse en uit het oog wordt bij de amphibieën de zoogenaamde Stiedasche voorhoofdsklier gevormd, die bij de geboorte onder de epidermis in de lederhuid ligt, terwijl het bij de reptielen als een uit cellen bestaande blaas, die nog pigment en een soort van lens bezit, tusschen de hersenvliezen blijft liggen. Uit den steel ontwikkelt zich na [35]de afsnoering de pijnappelklier. Bij den hazelworm (Anguis fragilis) herinnert de genoemde blaas zeer aan het oog van hoogontwikkelde ongewervelde dieren (b.v. inktvisschen).

Spencer vond bij Hatteria punctata (een Nieuw-Zeelandsch reptiel) en later ook bij Iguana, Cameleon vulgaris en Lacerta agilis het derde oog, klein maar duidelijk herkenbaar en volkomen ontwikkeld, ofschoon de lens troebel is, en door een gezichtszenuw met de epiphyse verbonden, in de zoogenaamde parietaalopening liggen. Een dikke laag bindweefsel scheidt het van de huid, die de parietaalopening bedekt. Ofschoon die huid ter plaatse der opening naar binnen gedrukt is, kan het derde oog ook bij deze dieren dus niet meer tot zien dienen. Ook Spencer merkt de gelijkenis met het oog van sommige ongewervelde dieren op („Nature”, 13 Mei 1886).

Uitvoeriger besprak Spencer zijn ontdekking in „Quart. Journ. of Microsc. Science”, vol. 27, waar hij de resultaten van zijn onderzoek bij 29 soorten van hagedissen mededeelt en bewijst, dat men hier zeer zeker met een rudimentair, tegenwoordig in ontwikkeling achteruitgegaan orgaan te doen heeft.

Reeds vroeger had Rabl. Rückhard er op gewezen, dat bij de reusachtige zeehagedissen uit de liasformatie in de parietaalopening een zintuig had gelegen, dat ongetwijfeld met de epiphyse in betrekking stond en volgens hem waarschijnlijk tot waarneming der stralende warmte had gediend.

De Zwitsersche geleerde Béraneck geeft toe, dat het parietaalorgaan bij de reptielen eens als derde oog heeft gefungeerd, maar houdt het er voor, dat het alleen bij die klasse der gewervelde dieren zich tot een gezichtswerktuig heeft ontwikkeld en bij de overigen een andere functie heeft.

Leydig, die reeds zeventien jaren geleden het bedoelde orgaan waarnam, hield het niet voor een gezichtswerktuig, maar rekende het tot de huidzintuigen, hetgeen door Spencers ontdekking van een directe zenuwverbinding daarvan met de epiphyse bij Hatteria enz., wat de reptielen aangaat, voor weêrlegd mag worden gehouden. Leydig wijst daarbij op de bijzondere ontwikkeling der voorhoofdsklier bij de visschen uit de groep der Scopeliden, waar die geheel gelijkt op de zoogenaamde „nevenoogen”, welke ook bij andere visschen, gelijk Chauliodus, voorkomen en op de bij de enkelvoudige oogen der arthropoden en de bij andere ongewervelde dieren aangewezen gevallen, waarbij gezichtsorganen en beker- of knopvormige organen zoo kunnen samenhangen, dat men, om zich deze betrekking duidelijk te maken, zijn toevlucht heeft genomen tot de uitdrukking overgangszintuigen.

Er bestaan ongetwijfeld bij sommige andere dieren zintuigen, die de mensch mist (zie J. Lubbock, „Sense in Animals”, 1889), en zulke zintuigen kunnen ook bij de stamouders der gewervelde dieren hebben bestaan. Van de indrukken en wijze van werking van zintuigen die wij missen, kunnen wij ons evenmin een heldere voorstelling maken als een blindgeborene van het licht of een geboren doofstomme van het geluid.

Bij de Scopeliden zijn de nevenoogen zeker geen gezichtsorganen, maar dienen als lichtgevende organen, waardoor haar in de duistere diepten van den Oceaan het zien mogelijk wordt gemaakt (Emery, „Die augenähnlichen Organe der Fische”, Bonn, 1881; „Reports of the Scientific Results of the Expedition of the Challenger, Zoology”, vol. XXII).

Waarschijnlijk zal eens blijken, dat het derde oog homoloog is met de pigmentvlek van Amphioxus en het oog der Ascidiënlarven.50 Het feit, dat er [36]in de pijnappelklier zelfs bij den mensch nog een rudiment van bewaard is gebleven, is een sterk bewijs voor den samenhang der gewervelde dieren en van ’s menschen afstamming van een lageren vorm.

(3) „te beginnen met den heer Boucher de Perthes.” De Fransche geleerde Boucher de Perthes was de eerste, die de aandacht vestigde op voortbrengselen van menschelijke nijverheid, die tot een geologisch tijdvak, ouder dan het tegenwoordige (het postpliocene tijdvak of diluvium) opklimmen. Hij gaf in 1847 in zijn „Antiquités Celtiques et Antédiluviennes” beschrijvingen en afbeeldingen van zeer ruw bewerkte vuursteenen wapenen uit het diluvium der Somme-vallei, na in 1846 in zijn werk „De l’Industrie Primitive ou les Arts et leur Origine” reeds te hebben medegedeeld, dat hij dergelijke wapenen aldaar gevonden had. Men sloeg eerst weinig geloof aan zijne bewering, tot de waarheid daarvan in 1853 door Dr. Rigollot en later door de Engelsche geleerden Dr. Falconer, Joseph Evans en Joseph Prestwich, die een onderzoek op de plaats zelve instelden, boven allen twijfel verheven werd. Deze vuursteenen wapenen zijn voor ons even ontwijfelbare bewijzen van ’s menschen bestaan in de voorwereld, als de voetstappen der wilden het voor Robinson Crusoë waren van het bezoeken van zijn eiland door andere menschen. Zij zijn, om met een Engelsch hoogleeraar te spreken, even duidelijke producten van menschelijke nijverheid, als de messen van Sheffield. Boucher de Perthes had ook het geluk de eerste te zijn, die een deel van een menschelijk geraamte—de beroemde onderkaak van Moulin-Quignon—in een gestratifieerde diluviale laag ontdekte. Merkwaardige en overtuigende bewijzen voor het bestaan van den mensch gedurende het postpliocene tijdvak zijn de later gevonden, door tijdgenooten vervaardigde, afbeeldingen van diluviale dieren, onder anderen van den holenbeer (Fig. 4) en van den mammouth (zie de steendrukplaat in het Album der Natuur 1867, blz. 366).

Fig. 4.

Fig. 4.

Afbeelding van den holenbeer, gevonden in de grot van Massat (Fransche dep. Ariège). Halve grootte.

[37]

Dat niet alleen in de Oude Wereld, maar ook in Amerika de mensch reeds gedurende het diluvium tegelijk met uitgestorven diersoorten leefde, is volkomen zeker. In mijn artikelen over „De Voorhistorische Menschen in Amerika” („Album der Natuur”, 1870 en 71) heb ik daaromtrent reeds het een en ander medegedeeld. In 1889 heeft Dr. Abbott op de vergadering van de „American Association for the Advancement of Science” een overzicht gegeven van de tot het jaar toe in Noord-Amerika gevonden wapens en werktuigen uit den oudsten steentijd of palaeolithische periode.51 De gewichtigste vondsten zijn bij Trenton aan de „Little Falls” (Minnesota) en in het dal van de kleine Miami bij Loveland (Ohio) gedaan. Op het ras, waaraan deze steenen wapens en werktuigen moeten worden toegeschreven, komen wij later terug. Abbott bewijst, dat het eind der ijsperiode slechts het minimum van tijd aangeeft, die tusschen het tijdvak der palaeolithischen mensch in Noord-Amerika en den tegenwoordigen tijd is verstreken. De erosie van de rotskloof waardoor de Niagara stroomt, is eerst begonnen, nadat de ruw bewerkte vuursteenen van Trenton en Madisonville in den bodem bedolven waren. Gedurende den ijstijd werden gedeelten van Noord-Amerika door den mensch bewoond, wiens tijdgenooten o.a. de mastodon, de mammouth en het sedert veel verder naar het noorden terug geweken rendier waren.

Op nog ouder sporen van den mensch in Californië, die tot het tertiaire tijdvak opklimmen, komen wij later terug.

(4) Zie Charles Lyell’s beroemd werk over de oudheid van den mensch, door Dr. T. C. Winkler in onze taal overgezet, onder den titel van „De Geologische Bewijzen voor de Oudheid van het Menschelijk Geslacht”, Zalt-Bommel, bij Joh. Noman en Zoon, 1864.

(5) Het uitvoerigst, duidelijkst en grondigst bespreekt Haeckel den oorsprong, de afstamming en ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch in zijn „Anthropogenie oder Entwickelungsgeschichte des Menschen. Gemeinverständliche wissenschaftliche Vorträge über die Grundzüge der menschlichen Keimes- und Stammes-geschichte”, waarvan de derde omgewerkte uitgaaf in 1877, bij W. Engelmann te Leipzig verscheen. Een achtste omgewerkte en uitgebreide uitgaaf van de „Natürliche Schöpfungsgeschichte” verscheen in 1889.

(6) „Correlatie.” Hieronder verstaat men, gelijk aan de lezers der drie vorige deelen van Darwin’s Biologische Meesterwerken bekend is, het feit, dat zoowel bij den mensch als bij de dieren sommige deelen in zoo innig verband met elkander staan, dat wanneer het eene zekere wijzigingen vertoont of abnormaal ontwikkeld is, zulks ook met het andere het geval is, zonder dat wij ons in de meeste gevallen rekenschap van de oorzaak kunnen geven. Vooral homotype deelen vertoonen correlatie; wanneer een individu b.v. aan de linkerhand meer dan vijf vingers heeft, zal het meestal ook aan de rechterhand een even groot aantal bezitten (Correlatie tusschen de beide homotype lichaamshelften), en daarenboven ook aan de voeten dikwijls een abnormaal aantal teenen hebben (Correlatie tusschen de homotype voorste en achterste ledematen). Een voorbeeld hiervan vindt men in de achtste aanteekening op dit hoofdstuk. Ook het feit, dat een abnormaal ontwikkeld lichaamsdeel meestal in zijn afwijking den normalen bouw van een ander daarmede homotyp deel teruggeeft, draagt den naam van correlatie. Als b.v. de spieren van den arm abnormaal ontwikkeld zijn, vindt men er dikwijls den normalen bouw van de spieren van het been in terug en omgekeerd [38]ook niet-abnormaal ontwikkelde deelen vertoonen correlatie, daar bepaalde wijzigingen in het eene met overeenkomstige wijzigingen in het andere gepaard gaan. Zoo bestaat er bij den mensch correlatie tusschen het haar, de huid en de oogen. Personen met donker gekleurde huid hebben toch gewoonlijk donker haar en donkere oogen, terwijl blond en vooral rood haar gepaard gaan met bijzonder blanke huid en lichte oogen. Evenzoo gaat groote lengte der ledematen gewoonlijk gepaard met groote lengte van het hoofd en van het lichaam, en het geheele dier neemt rankere vormen aan, zooals wij aan onze windhonden kunnen opmerken. Zie verder over Correlatie: Hoofdstuk II van dit werk en het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel II, blz. 370.

(7) Misvorming ten gevolge van „stilstand in de ontwikkeling.” De Duitschers noemen dit „Hemmungsbildung.” Wanneer volwassen individuen misvormingen vertoonen, die bij den embryo of den foetus op zeker tijdstip zijner ontwikkeling normaal voorkomen, dan wordt zulks toegeschreven aan een storing, een stilstand in de ontwikkeling van het misvormde orgaan, die begonnen is op het tijdstip, waarop den embryo of de foetus normaal den waargenomen vorm vertoont. Op elke 500 menschen vindt men er b.v. gemiddeld één met een hazenlip, nog minder vindt men er, die een dubbele hazenlip hebben; eindelijk zijn er nog zeldzamer voorbeelden van verhemelten, die zoo zijn gespleten, dat de neusholte met de mondholte samenhangt. Dit zijn allen echter vormen, die ieder mensch gedurende het foetale leven heeft doorloopen. De enkele en dubbele hazenlip, het gespleten verhemelte van sommige menschen zijn derhalve misvormingen ten gevolge van stilstand in de ontwikkeling (Hemmungsbildungen).

(8) „Reduplicatie van deelen.” Er worden soms, zoowel bij de dieren als bij den mensch individu’s geboren, die zekere deelen in grooter getal bezitten, dan zulks in normalen toestand bij de soort waartoe zij behooren, wordt waargenomen. Zoo zijn dikwerf kinderen waargenomen, die aan handen of voeten een grooter aantal vingers of teenen bezaten, dan gewoonlijk. Het sterkst mij hiervan bekende geval is dat van een persoon, die aan elken voet 12 teenen en aan elke hand tevens 12 vingers had (Hyrtl, „Handboek der Topographische Ontleedkunde”, Ned. Vertaling van Dr. E. Hanlo, Deel II, blz. 626). Een ander voorbeeld van een dergelijke reduplicatie van deelen leveren ons de tepels. „De gevallen van overtallige borsten of tepels naast de normale, of in de okselholte, in de lies, op den rug enz. zijn bij het vrouwelijke geslacht zeer dikwijls waargenomen” (ibid., Deel I, blz. 529). Soms heeft ééne klier zelfs meer dan éénen tepel.

(9) „Terugkeer tot een vroeger en ouder type van organisatie.” Het atavisme berust meestal op een stilstand in de ontwikkeling (Hemmungsbildung). Volgens de denkbeelden van de voorstanders der ontwikkelingstheorie toch beantwoordt de reeks van ontwikkelingsphasen, welke een diersoort gedurende het foetale leven doorloopt, verkort aan die, welke de soort zelve bij haar ontwikkeling heeft doorloopen. Een merkwaardig voorbeeld van atavisme door stilstand in de ontwikkeling bij den mensch leveren de zoogenaamde microcephalen, waarover Carl Vogt een uitnemende verhandeling heeft geschreven. Op zeker tijdstip van zijn ontwikkeling bezit de menschelijke foetus hersenen, die niet meer ontwikkeld zijn dan die van een aap. Heeft op dit tijdstip een stilstand in de ontwikkeling plaats, dan wordt er een kind geboren, dat de laatste ontwikkelingsphase van den menschelijken typus niet heeft medegemaakt, een kind, dat atavisme, dat in zijn hersenen den normalen toestand der hersenen van de naaste stamouders van het [39]menschelijk geslacht vertoont, een microcephaal of aapmensch (deze laatste uitdrukking is door den volksmond gevonden). Zijn de hersenen van dergelijke microcephalen aapachtig ontwikkeld, hun gelaat is menschelijk, maar vertoont het type van een zoo laag en dierlijk menschenras, dat de laagste Papoea van den tegenwoordigen tijd in vergelijking zeer ontwikkeld mag heeten. De zoogenaamde Azteken, ook hier te lande rondgevoerd, waren niets anders dan dergelijke microcephalen, die een roodhuid tot vader en een negerin tot moeder hadden. (Zie over de Microcephalen de bekroonde prijsverhandeling van Carl Vogt in „Archiv für Anthropologie”, Bd. II, Brunswijk, 1867, blz. 129–285, met 26 groote steendrukplaten, 74 afbeeldingen van schedels bevattende.)

(10) Hoogst merkwaardig zijn in dit opzicht de afbeeldingen, die Vogt in het eerste deel zijner „Vorlesungen über den Menschen”, Giessen, 1863, geeft. Zie aldaar Fig. 36, 37, 61, 62, 67, 69. Het zal wellicht niet ongepast zijn, hier een kort overzicht te geven van den strijd, die voor ettelijke jaren over het maaksel der hersenen bij den mensch en de apen tusschen Professor Owen aan de eene en Prof. Huxley en vele andere geleerden aan de andere zijde plaats had, een strijd, waarin de Nederlandsche hoogleeraren Schroeder van der Kolk en Vrolik zich bijzonder onderscheidden. Tot het jaar 1857 waren alle beroemde ontleedkundigen, die zich met het maaksel der hersenen van de apen hadden bezig gehouden, Cuvier, Tiedeman, Sandifort, Vrolik, J. G. St. Hilaire, Schroeder van der Kolk, Gratiolet enz. het daarover eens, dat die hersenen volgens het zelfde type waren gebouwd als die van den mensch. In 1857 echter beweerde Owen in een in het tijdschrift van de Linnean Society afgedrukte verhandeling, dat de hersenen van de apen zich van die van den mensch zouden onderscheiden, doordat de groote hersenen bij de eersten de kleine niet geheel overdekken (als men ze van boven beschouwde) en door het gemis van den achtersten hoorn der zijdelingsche hersenholte en van den Hippocampus minor. Huxley kwam hier tegen op, en het bleek dat Owen ongelijk had. Owen beriep zich onder anderen op een afbeelding, door Schroeder van der Kolk en Vrolik van de hersenen van den chimpanzee gegeven, doch waarvan de onnauwkeurigheid door Gratiolet was aangetoond. Schroeder van der Kolk en Vrolik verklaarden echter, dat zij, hoewel groote tegenstanders van alle vormen van de leer der trapsgewijze ontwikkeling, de waarheid boven alles lief hadden; dat zij daarom, op gevaar af van steun te geven aan theorieën, die zij bestreden, het hun plicht achtten openlijk te protesteeren tegen het misbruik, dat Owen van hun autoriteit maakte, en de volkomen juistheid van de kritiek van Gratiolet erkenden. Zij gaven daarenboven nieuwe en juiste afbeeldingen van de hersenen van den orang en toonden het werkelijk bestaan van de betwiste deelen in een der zittingen van de Academie van Wetenschappen te Amsterdam aan, met het gevolg, dat „la présence des parties contestées y a été universellement reconnue par les anatomistes présents à la séance.” De onjuistheid der beweringen van Owen werd daarenboven door meerdere dissecties van hersenen van vele verschillende aapsoorten door Prof. Huxley zelf, door Prof. Rolleston F. R. S., de heeren Marshal F. R. S., Flower en Turner, allen ontleedkundigen, volkomen bewezen. De onnauwkeurigheid der eerste afbeelding van Schroeder van der Kolk en Vrolik was daaraan te wijten dat het nageteekende voorwerp in alcohol werd bewaard, en daardoor de deelen waren misvormd.

(11) „Man is subject like other animals, birds and even insects to that mysterious law, which causes certain normal processes, such as gestation as [40]well as the maturation and duration of various diseases to follow lunar periods.

Het beste voorbeeld van een normaal proces dat aan maandelijksche perioden is gebonden, leveren ons de maandstonden der vrouw. Zwangere vrouwen lijden soms, ten tijde dat de maandstonden zouden moeten plaats hebben, aan witten vloed. Men heeft ook maandelijks periodiek terugkeerende neusbloedingen en maagbloedingen waargenomen, die dan de plaats der maandstonden bekleeden. Darwin schijnt echter werkelijk aan een geheimzinnig verband tusschen den loop der hemellichamen en de lichaamsverrichtingen van menschen en dieren te hebben geloofd en het periodiek terugkeeren van sommige normale en abnormale verschijnselen met de omwenteling der maan om de aarde in verband te hebben gebracht. Hij tracht daarvan in Hoofdstuk VI zelfs een verklaring te geven. Deze meening komt ons hoogst onwaarschijnlijk, ja onhoudbaar voor. Die perioden toch zijn bij verschillende individu’s van verschillende lengte. Zoo zijn er vrouwen, die elke veertien dagen, andere, die slechts om de zes weken menstrueeren. Ook bij het zelfde individu zijn die perioden niet altijd volkomen regelmatig.

(12) Boitard (aangehaald door Houzeau, „Facultés mentales des Animaux”, 1872, tome I, blz. 399) verhaalt, dat in den Jardin des Plantes te Parijs, een choak-kama (Cynocephalus porcarius) uit zijn kooi ontsnapte en den oppasser Richard gevaarlijk verwondde, zoodat niemand hem durfde naderen. De dochter van Richard, die de voorliefde van den aap voor haar kende, liep naar den anderen kant van de kooi, riep een jongen die dicht daarbij aan het werk was en verzocht dezen haar een kus te geven. Toen de aap hem dit zag doen, uitte hij een verschrikkelijken kreet van jaloerschheid en sprong in de kooi om den jongen door de tralies heen te straffen.

Leo quoque odoratu mulieres a viris distinguit, atque his illas praeferre videtur. Narravit mihi domitor quidam animalium, se leonis in caveam non ingredi solere, antequam mulieris menstruantis pollutum panniculum sub veste sua abscondidisset; qua re leonis animum adeo leniri dixit, ut leonis (non esurientis) caveam intrare minime periculosum esset. Panni odor igitur, superans odorem masculinum, efficere videtur ut leo virum odorari nequeat, atque domitorem, ut ita dicam, feminam oleat. Misschien beweerde derhalve ook Plinius niet ten onrechte, dat een leeuw mannen meer dan vrouwen aanbrult. (Plin., „Hist. Nat”, lib. VIII, cap. XIX, 16).

(13) Merkwaardig zijn in dit opzicht de waarnemingen van A. R. Wallace, die gedurende meer dan drie maanden een levend jong van een orang-oetan bezat. Zie: „Insulinde: het Land van den Orang-Oetan en den Paradijsvogel”, door Alfred Russel Wallace; uit het Engelsch vertaald en van aanteekeningen voorzien door Prof. P. J. Veth, Amsterdam, P. N. van Kampen, 1870, Deel I, blz. 73 v.v.

(14) De dieren, die het meest op den mensch gelijken, zijn de apen. Elk spiertje of zenuwtje van den mensch vindt zijn homoloog deel bij den aap. Niet alleen komt het skelet om zoo te zeggen beentje voor beentje overeen; of liever, niet alleen verschillen de skeletten der verschillende aapsoorten onderling meer, dan zij van dat van den mensch verschillen, maar ook in alle andere deelen van de bewerktuiging vindt men de meest merkwaardige overeenkomst. Zoo vindt men b.v. de fijne ribbetjes op de binnenzijde onzer vingers op die der apen weder, en de rangschikking dier ribbetjes gelijkt bij hen meer op die bij den mensch, naarmate de aapsoort in andere kenmerken meer tot den mensch nadert. Van alle dieren zijn behalve den mensch de apen de eenigen, die aan de extremiteiten, zoogenaamde tastlichaampjes (corpuscula [41]tactus), de organen van onzen tastzin, bezitten, de eenigen, wier oog de fovea centralis en de gele vlek op het netvlies (macula lutea) vertoont; ook het wezenlijk deel van het inwendig gehoorwerktuig stemt bij de ware apen in alle belangrijks punten volkomen overeen met dat van den mensch; bij de halfapen of Lemuriden daarentegen, en bij de overige dieren wijkt het daarvan geheel af. Het tandstelsel, een zoo belangrijk zoölogisch kenmerk, gelijkt bij de apen der Oude Wereld meer op dat van den mensch, dan op dat van de apen der Nieuwe Wereld. De wijfjes van sommige apen zijn de eenige dieren die maandstonden hebben, evenals de vrouw.

De apen die het meest op den mensch gelijken, en zich o.a. door het volkomen gemis van een staart kenmerken, noemt men de anthropomorphen (van ἄντηρωπος mensch, en μορφὴ vorm). Tot de anthropomorphen worden gebracht: de Gorilla en de Chimpanzee, die alleen in het westen van tropisch Afrika worden gevonden, de Orang oetan, tot Borneo en Sumatra beperkt, en de langarmige apen of Gibbons, die in Achter-Indië en in het Aziatisch gewest van Insulinde leven. (Zie: Insulinde, door A. R. Wallace, Nederl. vertaling van Prof. Veth, Deel I, blz. 12).

De apen zijn vierhandig, dat wil zeggen, dat zij vier handen hebben. Op het eerste gezicht zou men denken, dat hierin de apen hooger zijn georganiseerd, dan de mensch, daar de hand een hooger ontwikkeld orgaan is, dan de voet. Maar ook hier geldt de oeconomische wet van de verdeeling van den arbeid; twee functies in één orgaan vereenigd, wijzen op een lager staand organisme. De voet is het werktuig van het gaan, de hand is een grijpwerktuig. Hierin is dus de mensch den aap vooruit.

Echter is de scheiding tusschen mensch en aap hierin niet zoo scherp, als men wellicht gelooft. De voet van den mensch vormt een veêrkrachtigen boog, waarop het gewicht van geheel het lichaam rust; maar op dezen regel zijn vele uitzonderingen. Men weigert in onze legers vele zoogenaamde platvoeten en de voet van den neger vormt geen ontwikkelden boog. Er zijn ook overgangen ten opzichte van het gebruik van den grooten teen: bij de lagere rassen kunnen de voeten bijna als handen worden gebruikt; de Nieuw-Hollanders sleepen bv. met hun voet lansen van 10 voet lengte achter zich. Bij den gorilla begint de voet zich te welven, de vingers der achterhanden worden een soort van teenen, en Huxley merkt terecht op, dat de voet van den gorilla minder verschilt van dien van den mensch, dan van die der andere apen.

Het valt eigenlijk te betwijfelen, of men wel het recht heeft, een enkele aapsoort vierhandig te noemen. Neemt men als kenmerkend verschil tusschen hand en voet aan, dat bij den laatsten de groote teen niet opponibel aan de overige teenen is, dan zijn de achterhanden der apen geen voeten. Neemt men echter de inwendige anatomische structuur als kenmerk aan, dan zijn de achterhanden der apen evenmin handen als de voeten van den mensch. De menschelijke voet onderscheidt zich van de hand door de volgende anatomische verschillen.

1o. Door de rangschikking der beenderen van den voetwortel.

2o. Doordat de buigende en uitstrekkende spieren der teenen kort zijn, dat wil zeggen, dat de vleezige deelen dier spieren niet liggen in het been, dat met den voorarm overeenkomt, maar in den rug en de zool van den voet, die met den rug en de palm van de hand overeenkomen.

3o. Door het uitsluitend bezit der spier, die men peronaeus longus noemt.

Nu heeft Huxley aangewezen, dat de achterhanden der apen in deze drie kenmerken met de voeten van den mensch overeenkomen. De tegenwerping [42]van Lucae, dat de twee laatstgenoemde kenmerken ook aan de achterpooten van den leeuw worden waargenomen, kan het feit niet ontzenuwen, dat de achterste ledematen van den aap werkelijk op de zelfde wijze van de voorste ledematen onderscheiden zijn als die van den mensch. De term vierhandig is dus eigenlijk verkeerd, en de zoölogen, die zoo verschillende wezens als den zeehond, den leeuw en den beer tot de zelfde orde brengen, hebben niet het minste recht om den mensch, als tweehandig, van de orde der vierhandigen te scheiden. Deze laatsten zijn ook tweehandig, en wij moeten dus terugkeeren tot het denkbeeld van Linnaeus, en den mensch met de apen in ééne orde, die der Primaten, vereenigen.52 Zie over dit punt Huxley, „Evidence as to Man’s Place in Nature.

In 1886 verscheen te Parijs het werk van J. Deniker, „Recherches anatomiques et embryologiques sur les singes anthropoïdes.” De schrijver kwam ook daarin tot het resultaat, dat zoowel bij den embryo als bij het volwassen individu, de verschillen tusschen den mensch en de hoogere apen niet grooter zijn dan die tusschen deze laatsten en de lagere apen.

(15) „Cloaca.” Hieronder verstaat men de gemeenschappelijke holte, waardoor bij de Monotremata (de laagste orde der zoogdieren), de vogels, reptielen en amphibieën en ook bij sommige visschen (de Selachieërs en Lepidosiren) zoowel de vaste als de vloeibare uitwerpselen worden afgevoerd, omdat daarin zoowel het uiteinde van het darmkanaal als de pisleiders en de geslachtsopeningen uitmonden.

(16) „Compensatie van groei.” Hierdoor verstaat men, dat, als een deel zich buitengewoon ontwikkelt, andere deelen doorgaans slecht zijn ontwikkeld. Zoo gaat b.v. een buitengewone ontwikkeling der lichaamsharen bij den mensch dikwijls gepaard met onvolkomenheden in het tandstelsel (vergelijk aanteekening 20, blz. 48); mannen, wier zogklieren zoo ontwikkeld zijn, dat zij melk geven, hebben weinig ontwikkelde geslachtsdeelen (vergelijk aanteekening 27, blz. 50). Evenzoo schijnt de ontwikkeling van den schedel en van de hersenen die van den staart en zelfs van het aangezicht te belemmeren en sleept de ontwikkeling van een hoornachtigen bek de verdwijning der tanden met zich. De buitengewoon sterke ontwikkeling der achterste ledematen gaat dikwijls gepaard met bijzonder kleine voorste ledematen (b.v. bij den Kangoeroe, de Struisachtige Vogels, enz.)

(17) „Oceanische eilanden.Oceanische eilanden zijn die, welke in den ruimen Oceaan verre van het vasteland liggen en van dit laatste door diepe zeeën zijn gescheiden. Men noemt ze aldus ter onderscheiding van de Continentale, welke laatsten in de nabijheid van het vasteland zijn gelegen en gewoonlijk door ondiepten daarmede samenhangen, zoodat men ze als door natuuromwentelingen daarvan afgescheurde stukken kan beschouwen. De continentale eilanden zijn meestal langwerpig van gedaante, bezitten geologisch dikwijls het karakter van de naburige kusten van het vasteland en hun fauna vertoont met die van dit laatste een grootere of geringere overeenkomst. De oceanische eilanden zijn òf boven den zeespiegel uitstekende toppen van onderzeesche gebergten en van vulkanischen aard, òf koraaleilanden; zij bezitten soms eigene diersoorten en hun fauna kenmerkt zich door volkomen gebrek of groote armoede aan zoogdieren (behalve vledermuizen) en vorschachtige dieren (Batrachii); zij zijn meestal rondachtig van gedaante en [43]liggen gewoonlijk ook in cirkelvormige groepen bijeen, terwijl de continentale eilanden dikwijls reeksen vormen.

(18) Ik heb opgemerkt, dat als men het oor van personen die dit uitwas niet bezitten, op de aangeduide plaats bevoelt, men aldaar dikwijls nog als laatste spoor er van, een klein kraakbeenig knobbeltje kan bemerken.

Deze punten aan het oor schijnen de verbeeldingskracht van het publiek sterk te hebben getroffen. Een recensent in „Nature” (April 6, 1872) stelt voor ze angulus Woolnerianus te noemen. Darwin schreef aan Woolner („Life and Letters”, chapt. VIII), dat zeker Duitscher trotsch was ze zeer ontwikkeld te bezitten, en Darwin een photogram van zijn ooren wilde zenden!

(19) „De membrana nictitans of het derde ooglid.” Bij de dieren, waarbij het goed ontwikkeld is, is het zichtbaar als een verticaal geplaatst vlies aan den binnenhoek van het oog, aan de achterzijde van de twee horizontale oogleden.

(20) Nog sterker worden deze verschillen in behaardheid, wanneer men verschillende menschenrassen met elkander vergelijkt. Het is bekend, dat er stammen bestaan, die geen of bijna geen baard bezitten. Daarentegen leeft aan de monden van den Amoer en vooral op de Kurilische eilanden en het Japansche eiland Jesso, een volksstam, de Aino’s genaamd, wier geheele lichaam bijzonder ruig en met zwarte of rosse haren bedekt is. De zeer dichte, dikwijls twee voet lange baard van de mannen van dezen stam bedekt om zoo te zeggen het geheele gelaat met uitzondering van neus en oogen.

De dwergstammen, die Stanley op zijn tocht tot ontzet van Emin pacha in het groote woud aan den Congo aantrof, zijn met haren van meer dan een centimeter lengte bedekt.

In Birma leeft een sterk behaarde familie, (door Darwin in het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” vermeld) die op den rug nog langer en zwaarder haar bezit dan op de borst, en zoo een hoofdkenmerk van de beharing der zoogdieren teruggeeft. Wallace („Contributions to the Theory of Natural Selection”. London, 1870) beschouwt dit echter eerder als een monstruositeit, dan als een echt atavisme, omdat ook het aangezicht, het voorhoofd en de ooren geheel met haar bedekt, en de tanden zeer onvolkomen ontwikkeld zijn. Wij moeten tegen het eerste argument aanvoeren, dat bij de zoogdieren die nog lager dan de apen staan, en ook onder deze zijn er ongetwijfeld, die aan een voormaligen toestand van het type mensch beantwoorden (vergelijk Hoofdstuk VI van dit werk), het aangezicht, het voorhoofd, en het grootste gedeelte der ooren met haren bedekt zijn.

(21) „Vibrissae.” Eigenlijk zijn dit lange, stijve, dikke haren, die aan de lippen van vele zoogdieren gehecht zijn, en tot wier wortel takken van het vijfde zenuwpaar (nervus trigeminus) loopen. Het zijn tastorganen en men heeft waargenomen, dat katten ongeschikt worden om muizen te vangen, als men ze wegsnijdt, en dat konijnen zich zonder behulp der oogen door middel van deze haren in enge gangen een weg weten te banen. Soms komen dergelijke tastharen in de wenkbrauwen voor.

(22) „Bronstijd.” Ten einde de voortgaande ontwikkeling der menschheid, van haar eerste verschijning in Europa af tot den historischen tijd toe, goed te kunnen uiteenzetten, hebben de archaeologen drie hoofdtijdperken aangenomen, die echter onmogelijk scherp begrensd en vaneengescheiden kunnen worden, maar integendeel allengs in elkander overgaan en altijd onderling door overgangstijdperken zijn verbonden. Deze drie hoofdtijdvakken zijn: 1o. De Steentijd, gekenschetst door volkomen onbekendheid met de metalen; 2o. De Bronstijd, zoo genoemd, daar het metaal, dat voornamelijk [44]werd gebruikt, het brons was en men het ijzer nog niet kende; 3o. De IJzertijd, die den overgang vormt tot de historische tijden.

(23) „Rendiertijdperk.” Daar de steentijd zeer lang geduurd heeft en overgangen tot zeer verschillende trappen van beschaving bevat, wordt hij in drie afdeelingen onderscheiden, waarvan de beide eersten tot in het postpliocene of diluviale tijdvak (het geologische tijdvak, dat het onze voorafgaat) reiken. Deze drie afdeelingen zijn: 1o. De Oudste Steentijd of het Tijdperk van den Mammouth en den Holenbeer; 2o. De Middelste Steentijd of het Tijdperk van het Rendier en de overige Noordsche Dieren; 3o. De Jongste Steentijd of het Tijdperk der Huisdieren en Geslepen Steenen Werktuigen. Men noemt dezen laatsten Steentijd ook wel Neolithische Periode en wat daaraan voorafgaat Palaeolithische Periode.

Aan den jongsten steentijd sluit zich de Bronstijd aan. Het wordt meer en meer zeker, dat men vóór het tijdperk van den mammouth een nog ouderen, Tertiairen Steentijd moet aannemen. Zie over dat alles: le Hon, „l’Homme Fossile en Europe”, Paris et Bruxelles, 1868 (liefst niet de zeer slechte Nederl. Vertaling), Ch. Lyell, „De Geol. Bewijzen voor de Oudheid van het Menschelijk Geslacht”, Nederl. Vertaling van Winkler, mijn brochure, „De Voorhistorische Mensch in Europa”, ’s Gravenhage, 1869 en mijn bewerking van Dr. Büchners „Feiten en Theorieën”, Amsterdam, Warendorf, 1888.

(24) De Guanchen waren de oorspronkelijke bewoners der Canarische eilanden en met de Berbers (Kabylen) verwant. Ook bij Egyptische mummiën komt de hier besproken opening zeer veelvuldig voor.

(25) Dit schijnt vooral in hooge mate het geval te zijn geweest bij de menschenrassen, die gedurende het postpliocene of diluvatie tijdvak Europa bevolkten. Bijna alle menschelijke geraamten of onderdeelen van geraamten uit dat tijdvak die tot dusverre gevonden zijn, vertoonen in het eene of andere opzicht toenadering tot lagere, en wel meer bepaald tot aapachtige vormen. Als voorbeelden daarvan zullen wij hier iets omtrent een zestal dergelijke overblijfselen mededeelen, namelijk omtrent het menschelijk geraamte uit de grot in het Neanderdal, omtrent den schedel van Eguisheim, de onderkaak van la Naulette, de onderkaak uit het Schipkahol in Moravië, de menschelijke geraamten uit de grot van Eyzies in Périgord en die uit de grot „Betche aux Roches” bij Spy (provincie Namen) in België, die allen worden gebracht tot den tijd, dat de mammouth en vele andere uitgestorven diersoorten nog in Centraal Europa leefden.

Nabij Dusseldorf ligt een diepe bergkloof, het Neanderdal geheeten. In een in dat dal gelegen kleine grot ontdekte Dr. Fühlrott in 1857 een menschelijken schedel, die door een leemlaag van anderhalf meter diepte werd bedekt. Waarschijnlijk lag het geheele geraamte aldaar bedolven, maar de werklieden hebben bij het uitgraven door onoplettendheid waarschijnlijk een groot deel der beenderen weggeworpen; want men heeft slechts de grootste kunnen verzamelen.

Er zijn geleerden geweest, die betwijfelden, of de Neanderdalbeenderen werkelijk van een mensch uit het postpliocene tijdperk afkomstig waren, omdat men in de grot volstrekt geen beenderen van uitgestorven diersoorten vond. De leem in de grot kwam echter volkomen overeen met die, waarin men in andere grotten beenderen van uitgestorven diersoorten aantreft; de beenderen van den Neanderdalmensch kleven sterk aan de tong en zijn met kleine puntjes bezet, die, met de loupe onderzocht, dendriten bleken te zijn; in de nabijheid van de grot eindelijk heeft men in den zelfden leem beenderen van den mammouth en den holenbeer gevonden. De meeste geologen hielden het er daarom steeds voor, dat zij wel degelijk aan een tijdgenoot [45]van deze dieren hebben toebehoord, en sedert het bekend worden der beenderen uit de grot bij Spy kan zulks niet meer worden betwijfeld.

Van den Neanderdalschedel (Fig. 5) zijn slechts het voorhoofdsbeen, de beide wandbeenderen, een gedeelte van een slaapbeen en het bovenste gedeelte van het achterhoofdsbeen bewaard gebleven. Hij kenmerkt zich door een buitengewone ontwikkeling der voorhoofdsboezems, dat wil zeggen, door het sterk vooruitspringen der wenkbrauwbogen, die door een diepe groeve van het voorhoofd gescheiden zijn (dit is ook een kenmerk der anthropomorphe apen), de schedelbeenderen zijn buitengewoon dik, het voorhoofd is smal en zoo weinig ontwikkeld, dat het bijna de helft overschrijdt van den afstand, die in dit opzicht tusschen een hedendaagsch Europeaan en een volwassen53 chimpanzee bestaat (Fig. 6); zulk een mensch zou, bij zijn leven gezien, bijna geen voorhoofd hebben vertoond; de indrukken der kauwspieren op de slaapbeenderen zijn zeer ontwikkeld, hetgeen op een groote ontwikkeling der kaken wijst.

Fig. 5.

Fig. 5.

Afgietsel van een gedeelte van een menschenschedel, uit een hol in het Neanderdal bij Dusseldorf.

Prof. Schaaffhausen, die in Müller’s Archiv etc. 1858 een hoogst interessante verhandeling, getiteld: „Zur Kenntniß der ältesten Rassenschädel”, heeft geplaatst, merkt daarenboven op, dat de beenderen der armen en beenen van den Neanderdalmensch naar verhouding even lang zijn als die van een hedendaagsch Europeaan van de zelfde lengte (de Neanderdalbeenderen hebben aan een individu van middelbare grootte toebehoord), maar dat ze veel dikker zijn dan deze, terwijl daarenboven de sterke ontwikkeling der spierindruksels op die beenderen bewijst, dat het individu, waarvan het skelet afkomstig is, in de noodzakelijkheid verkeerde zijn spieren veel meer te gebruiken en te oefenen dan wij.

Fig. 6.

Fig. 6.

Omtrekken van drie schedels in profiel gezien op de zelfde relatieve grootte en in den zelfden stand geteekend, om hunne relatieve verschillen voor te stellen.

  • 1. Schedel van een volwassen chimpanzee.
  • 2. Neanderdalschedel.
  • 3. Hedendaagsche Europeesche schedel.

Prof. Schaaffhausen meent, dat de Neanderdalschedel een minder ontwikkeld verstand aanduidt, dan dat van de door de natuur het meest misdeelde negerstammen, met andere woorden, dat het de bestiaalste van alle bekende menschenschedels is.

Huxley zegt van dezen schedel o.a. het volgende: „Hoe men dezen schedel ook moge beschouwen, overal zien wij apen-kenmerken, die hem tot den aapachtigsten [46]van alle bekende schedels maken”; en wat verder: „De Neanderdalbeenderen kunnen echter op geenerlei wijze worden beschouwd als overblijfselen van een menschelijk wezen, dat het midden houdt tusschen mensch en aap. Zij bewijzen het bestaan van een mensch, van wiens schedel men kan zeggen, dat hij eenigermate tot den apentypus terugkeert, zooals bij sommige tuimelaars54 de vederen van hun oorspronkelijk ras, de wilde duif (Columba livia) zich opnieuw vertoonen.”

Fig. 7.

Fig. 7.

Omtrekken van twee gedeelten schedels op de zelfde relatieve grootte en in den zelfden standen stand geteekend.

  • 1. Neanderdalschedel.
  • 2. Schedel van Eguisheim.

De schedel van Eguisheim bestaat uit een menschelijk voorhoofdsbeen en wandbeen, die door Dr. Faudel in het löss (een diluviale kleilaag) van de Rijn-vallei te Eguisheim nabij Colmar zijn gevonden. Deze overblijfselen waren vergezeld van beenderen van het reuzenhert, den mammouth en den Europeeschen bison (Bison Europaeus). Hij komt in zijn kenmerken bijna volkomen met den Neanderdalschedel overeen, maar is nog veel minder gewelfd (Fig. 7).

Fig 8.

Fig 8.

Gedeelte van een menschelijke onderkaak, in de grot van la Naulette nabij Dinant gevonden. Natuurlijke grootte.

P. Belsanti („Studi sur alcuni Carratteri Regressive del Cranio Humano”, „Archivio per l’Anthropologia”, 1888) heeft de volgende kenmerken, die bij de lagere menschenrassen veelvuldig en bij de hoogere slechts zeldzaam voorkomen, als de [47]gewichtigste aapachtige kenmerken van den menschelijken schedel aangegeven: 1. Duidelijke veelhoekigheid van den schedel; 2. Atrophie der neusbeenderen; 3. Hoefijzervorm van het beenig verhemelte; 5. Zeer ontwikkelde beenlijsten; 6. Eenvoudigheid der schedelnaden; 7. Groote ontwikkeling van het voorhoofduitsteeksel des slaapbeens; 8. Achterovergebogen vleugels van het wiggebeen; 9. Wormsche beentjes in het wiggebeen; 10. Naar achteren toe geregeld in grootte toenemen der kiezen.

De onderkaak van la Naulette (Fig. 8) is door den heer Edouard Dupont in 1866 in de grot van la Naulette nabij Dinant gevonden. De bekende anthropoloog Broca heeft in een der zittingen (30 Aug.) van het palaeo-anthropologische Congres te Parijs van 1867 een merkwaardig betoog over deze onderkaak gehouden, waaraan wij het volgende ontleenen55:

„Het lichaam van de onderkaak der anthropomorphe apen onderscheidt zich van dat van menschelijke onderkaken door de volgende kenmerken: 1o. Het volstrekt ontbreken van de kin; als men de streek van de kin in profil beziet, beschrijft zij, in plaats van vooruit te steken, een sterk naar achteren buigende bocht; 2o. Het volstrekt ontbreken der vier apophyses genianae56; en niet alleen ontbreken deze, maar zij worden vervangen door een holte, in welke de kintongspier (musculus genioglossus) zich vasthecht; 3o. Zeer groote dikte van het lichaam van de kaak in vergelijking met zijn hoogte; 4o. Elliptische vorm van den tandboog, wiens beide takken in plaats van parabolisch, dat wil zeggen divergent te zijn, zooals bij den mensch, integendeel naar achteren toe op de wijze van een hoefijzer convergent worden, zoodat de laatste kies dichter bij de mediaanlijn57 ligt, dan de eerste; 5o. Aanmerkelijke grootte en breedte van den hoektand, in vergelijking met de afmetingen der naburige tanden; 6o. Eindelijk is, juist andersom als bij den mensch, waar het volumen der ware kiezen afneemt van de eerste tot de tweede en van de tweede tot de kies van verstand, de eerste ware kies der apen kleiner dan de tweede en deze wederom kleiner dan de derde.”

„Al deze aapachtige kenmerken vindt men aan de onderkaak van la Naulette terug …”58

„Het is dan ook niet te verwonderen, dat de vereeniging van al deze aapachtige kenmerken wel eens heeft doen betwijfelen, of het werkelijk een menschelijke onderkaak was, en dat zelfs Pruner-Bey daarover een oogenblik heeft geaarzeld. Tegenwoordig is, ik herhaal het, echter geen twijfel meer mogelijk, vooral sedert men aan andere kaken van oude rassen, of van hedendaagsche lagere rassen afkomstig, eenigen der kenmerken van de onderkaak van la Naulette heeft waargenomen.”

„Zelfs Pruner-Bey is getroffen geworden door de vele punten van overeenkomst, die bestaan tusschen deze onderkaak en die, welke de Marquis de Vibraye in de grot van Arcy heeft gevonden, en die ook van het tijdperk van [48]den mammouth dagteekent. Verscheidene andere onderkaken, in de dolmens van het tijdperk der geslepen steenen werktuigen gevonden, vormen overgangen tusschen de type van la Naulette en die der hedendaagsche Europeanen.”

Ook in het Schipkahol in Moravië is een stuk van een diluviale menschelijke onderkaak, op die van la Naulette gelijkende, gevonden (K. J. Maska, „Der diluviale Mensch in Möhren”, Neutitscheim, 1886). Over deze kaak schreef ik een artikel, „Een Aapachtige Menschelijke Onderkaak” in „Isis”, 1881, blz. 120, waaraan het volgende is ontleend:

„De zelfde laag bevatte mammouthsbeenderen en ruwe steenen werktuigen. Slechts het voorste gedeelte der kaak met drie snijtanden, den hoektand en de beide valsche kiezen der rechterzijde waren voorhanden. De laatste drie tanden steken nog onontwikkeld in de kaak, maar zijn zichtbaar, omdat de voorste wand der kaak ontbreekt. Wat vooreerst aan deze kaak opvalt, is haar grootte en dikte. De ontwikkeling der tanden komt overeen met die bij een kind van acht jaar, doch de kaak en de tanden zijn zoo groot als die van een volwassen mensch. Slechts de snijtanden hebben gewisseld, de na deze wisselende tanden ontwikkelen zich in de kaak, gelijk dat bij den mensch de regel is; eerst zou de eerste valsche kies, dan de hoektand, eindelijk de tweede valsche kies zijn doorgebroken. De hoogte van de kaak in de mediaanlijn is tot aan den rand der tandkassen 30, tot aan het boveneinde der snijtanden 39 m.M. Aan den schedel van een zevenjarig kind bedragen deze maten 23 en 30, bij een negenjarig meisje 24 en 33, bij een twaalfjarigen knaap 22 en 31, bij acht onderkaken van volwassen mannen bedroeg de hoogte der kaak tot aan den rand der tandkassen gemiddeld 31 m.M. Het stuk onderkaak is aan zijn onderkant in de mediaanlijn 14 m.M. dik, onder den hoektand is de dikte 15 m.M. Aan een gewone volwassen onderkaak bedraagt de dikte op eerstgenoemde plaats omstreeks 11 m.M. Als men de slijtvlakte der snijtanden horizontaal plaatst, wijkt het onderste gedeelte van de prognathe kaak zoozeer naar achteren, dat een kin niet voorhanden is. Het achtervlak der symphysis is schuin geplaatst, gelijk zulks in hoogere mate bij de anthropomorphe apen het geval is, en in minderen graad bij wilden voorkomt, doch ook bij fossiele menschelijke overblijfselen reeds is waargenomen, gelijk bij de kaak van la Naulette, met welke de kaak uit het Schipkahol vele punten van overeenkomst vertoont.

„De vorm der snijtanden stemt overeen met de meerdere dikte van de prognathe kaak, de breedste plaats der wortels meet van voren naar achteren 8½ m.M., terwijl de gewone breedte op deze plaats omstreeks 6 m.M. is. Ook zijn de tanden naar voren convex gekromd, de kromming komt overeen met een straal van 27 m.M. lengte. De spina mentalis interna ontbreekt, in de plaats daarvan is, evenals bij de anthropomorphe apen, een holte aanwezig, aan den ondersten rand waarvan men nauwelijks eenige oneffenheden kan voelen. Sterk ontwikkeld zijn de ruwe plaatsen, waar zich de m. digastrici aanhechten, hetgeen tot een overeenkomstig sterke ontwikkeling van hun antagonisten, de kauwspieren aan den schedel, doet besluiten. Al deze kenmerken zijn aan de kaak van la Naulette voorhanden, doch sterker ontwikkeld. Het is waarschijnlijk, dat de kaak van het Schipkahol ook die aapachtige eigenaardigheid had, dat haar tandlijn niet horizontaal was, maar van de valsche kiezen naar de snijtanden omhoog liep, en haar lichaam van voren hooger was dan aan de zijden, omdat de snede der buitenste snijtanden naar buiten schuin afloopt. Opmerkelijk is nog de grootte van den hoektand, waarvan de emailkroon 13,5 m.M. lang is. Bij de fossiele onderkaak van Helde steekt de hoektand 3,5 m.M. boven de valsche kiezen uit. Volgens meting [49]aan tien mannelijke Europeesche volwassen schedels met niet of nauwelijks afgesleten tanden kreeg men voor de emailkroon van den hoektand 11.5 m.M. Slechts eens vond men onder meer dan 50 schedels de kroon van den hoektand 14 m.M. lang.

„Met lagere organisatie stemt altijd een snellere ontwikkeling overeen. Alle zoogdieren komen met tanden ter wereld. Reeds uit de omstandigheid, dat een orang van 0.4 M hoogte nog zijn geheele melkgebit, een van 0.7 M. echter reeds 14 blijvende tanden heeft, kan men besluiten, dat ook bij deze dieren het wisselen der tanden vroeger plaats heeft dan bij den mensch. De grootte van het voorste gedeelte van de kaak kan eenvoudig als een aapachtig kenmerk worden opgevat, en dat des te eer, omdat onafhankelijk daarvan nog andere aapachtige kenmerken aan die kaak voorhanden zijn. Het uiterlijk van het grijsgele been met daarop zittende kleine zwarte vertakte vlekjes vindt men vaak bij holenbeenderen. Het email der tanden gelijkt geheel op dat der diluviale holendieren, het vertoont overlangsche scheuren met zwarte infiltraties; naast deze vertoonen zich blauwachtige en op andere plaatsen gele vlekken.”

In de grot van Eyzies (Périgord) zijn door Lartet fils menschenbeenderen uit het tijdperk van den mammouth gevonden, die voor het meerendeel van drie individu’s afkomstig waren, en ook door Broca onderzocht zijn. Vooral de scheenbeenderen en ellepijpen van deze individu’s zijn hoogst merkwaardig. „Deze scheenbeenderen”, zegt Broca59, „vertoonen in de hoogste mate dien op het lemmet van een sabel gelijkenden vorm, welke het gevolg is van een zijdelingsche afplatting, en de scheenbeenderen der groote apen kenmerkt. Wij kennen dit kenmerk reeds, dat wij voor het eerst in Mei 1864 hebben opgemerkt aan de scheenbeenderen uit het dolmen van Chamant (Oise), vervolgens bij die van het dolmen van Maintenon (Eure-et-Loir) en dat men overigens, zoowel in Frankrijk als in den vreemde, bij een groot aantal scheenbeenderen uit het tijdperk der geslepen steenen werktuigen heeft teruggevonden …”

… „Herinneren wij ons ten laatste, dat de heer Busk, wiens onderzoekingen van 1863 dagteekenen, heeft opgemerkt, dat alle scheenbeenderen in groot aantal in de grotten van Gibraltar gevonden, op de zelfde wijze afgeplat zijn als die uit de grot van Eyzies. Deze vorm, zoo verschillend van dien der hedendaagsche scheenbeenderen, schijnt dus aan vele voorhistorische rassen eigen te zijn geweest.”

De ellepijpen uit de grot van Eyzies vertoonen onder de halvemaansgewijze insnijding een eigenaardige kromming, waarvan Broca (l. l. blz. 22) zegt: „Deze kromming komt overeen met die, welke men aan het boveneinde van de ellepijp van sommige anthropomorphe apen waarneemt.”

De opmerkingen van Broca over de onderkaak van la Naulette en de beenderen van Eyzies kunnen volstrekt niet van partijdigheid ten voordeele van ’s menschen afstamming uit lagere vormen worden beschuldigd, daar zij van een beslist tegenstander der Darwinistische begrippen afkomstig zijn.

Drie jaren geleden beschreven de Belgische geleerden M. Fraipont en M. Lohest60 twee menschelijke skeletten, in Juni 1868 in het hol „Betche aux [50]Roches” bij Spy (provincie Namen) met beenderen van diluviale zoogdieren (mammouth, neushoorn, holenhyena enz.) gevonden en wier schedels geheel overeenkwamen met den Neanderdalschedel. De onderkaken dezer skeletten komen zeer goed overeen met den vorm, dien Schaaffhausen aan de onderste helft van het gelaat van den door hem gereconstrueerden Neanderdalmensch heeft gegeven. Zij hebben geen kin, zijn plomp, van voren 41 m.M. hoog, de naar boven gaande tak vormt met het lichaam der onderkaak een rechten hoek. In haar voornaamste kenmerken stemmen die onderkaken geheel met die van la Naulette en Schipkahol overeen. Uit den eigenaardigen vorm van het dijbeen en het kniegewricht besluiten Fraipont en Lohest, dat de Spymenschen, en ongetwijfeld ook de Neanderdalmensch niet volkomen rechtop hebben geloopen, maar veeleer op de wijze der anthropomorphe apen met eenigszins gebogen knieën. Armen en beenen waren kort, de lichaamshoogte ongeveer die der tegenwoordige Laplanders.

Deze skeletten van Spy zijn daarom zoo belangrijk, omdat daaraan deelen bewaard waren gebleven, die aan de menschelijke overblijfselen van het Neanderdal enz. ontbraken.

De stelling van de Quatrefages, Hauy en de Mortillet, dat de Neanderdalschedel met dien van Cannstatt (een dergelijke schedel, die vroeger gevonden maar later beschreven is), Eguisheim, de kaken van la Naulette, het Schipkahol enz. van een bepaald menschenras—het ras van Cannstatt of Neanderdal, ook wel ras van Chelles genoemd—afkomstig zijn, dat van alle thans levende menschenrassen verschilt en beneden deze staat, wordt door de geraamten van Spy op schitterende wijze bevestigd. De meening van Virchow, die in den Neanderdalschedel een pathologisch gewijzigden individueelen vorm wilde zien, wordt daardoor geheel onhoudbaar.

(26) In „Kosmos” V. Jahrg. (1881), Heft 7, blz. 13, vindt men hierover een merkwaardig artikel van Dr. E. Krause met afbeeldingen van gestaarte menschen, hun staarten afzonderlijk op grooter schaal, enz. getiteld: „Die schwanzartigen Bildungen beim Menschen. Nach den Untersuchungen von Dr. Bartels, Prof. Ecker, Dr. Ornstein u. a.” Meer algemeen dan een werkelijken staart vindt men als laatste spoor daarvan een sterke beharing in de kruis- en stuitstreek (Trichosis sacralis). Vooral bij Grieksche recruten wordt die veelvuldig opgemerkt. Deze „staart„haren kunnen soms zoo lang worden, dat men ze vlechten en om het lichaam heên van voren samenknoopen kan! Dr. Krause meent, dat aan dergelijke gevallen de voorstellingen der faunen en van Silenus in de Oud-Grieksche kunst zijn ontleend.

(27) Humboldt en Bonpland zagen in Zuid-Amerika in Arenas, een arbeider, met name Francisco Lucano, 32 jaar oud, die zijn kind met eigen borst voedde, daar de moeder kort na de geboorte was overleden. Een tweede geval wordt door Dr. Schmelzer („Wurtemburg, Correspondenzblatt”, Bd. VI, no. 33) medegedeeld, en betrof een 22jarigen jongen man, die dagelijks twee ons zuivere melk afscheidde, en Jarjavay beroept zich op de geschiedenis (die door Carpentier-Méricourt bekend is geworden) van dien matroos, bij wien het zuigen van zijn kind, dat hij in wanhoop over den dood zijner vrouw tegen de naakte borst drukte, een zoo overvloedige afscheiding van melk teweegbracht, dat hij het kind zelf zoogde. Mannen met vrouwelijke borsten zouden geen levendige geslachtsdrift vertoonen, en weinig ontwikkelde geslachtsdeelen bezitten. Bédor wil hun zelfs daarom van regeeringswege het huwelijk laten verbieden. (Hyrtl, „Handboek der Topogr. Ontleedkunde”, Nederl. vertaling van Dr. E. Hanlo. Deel I, blz. 530, Burdach. „Die Physiologie als Erfahrungswissenschaft”, Humboldt, April 1888, blz. 158.) [51]

(28) „Vesicula prostatica.” Een blind zakje, dat bij den mensch tusschen de openingen van de afvoerende buizen der ballen in de pisblaas uitmondt, en later bij verschillende andere zoogdieren is opgemerkt. Door de onderzoekingen van Weber en Huschke heeft het als overblijfsel van een in de vrucht aanwezige mannelijke baarmoeder, waarvoor genoemde ontleedkundigen het verklaarden, een gewichtige morphologische beteekenis verkregen. Zie: E. H. Weber in het „Bericht der Versamml. der Naturforscher in Braunschweig”, 1842, blz. 64; Huschke in zijn uitgave van „S. T. von Soemmering’s Lehre von dem Eingeweide”, Leipzig, 1844, enz.

(29) Men vergelijke over deze en andere „Bewijzen vóór de theorie van Darwin” ook het aldus getitelde werkje van G. J. Romanes, in het Nederl. vertaald door P. F. Spaink, Amsterdam, J. F. Sikken, 1884. [52]