1 Apatura Iris: „The Entomologist’s Weekly Intelligencer”, 1859, blz. 139. Voor de kapellen van Borneo zie C. Collingwood, „Rambles of a Naturalist”, 1868, blz. 183. 

2 Zie mijn „Journal of Researches”, 1845, blz. 33. De heer Doubleday („Proc. Ent. Soc.”, 3 Maart, 1845, blz. 123) heeft een bijzonderen vliezigen zak ontdekt aan de basis der voorvleugels, die waarschijnlijk met de voortbrenging van het geluid in verband staat. 

3The Scottish Naturalist”, Juli 1872, blz. 213. 

4Zoölogical Record”, 1869, blz. 347. 

5 Zie ook de verhandeling van den heer Bates in „Proc. Ent. Soc. of Philadelphia”, 1855, blz. 206. Ook den heer Wallace over het zelfde onderwerp, ten opzichte van Diadema, in „Transact. Entomolog. Soc. of London”, 1869, blz. 278. 

6The Naturalist on the Amazons”, vol. I, 1863, blz. 19. 

7 Zie het belangwekkende artikel in de „Westminster Review”, Juli, 1867, [581]blz. 10. Een houtsnede, Kallima voorstellende, is door den heer Wallace gegeven in „Hardwicke’s Science Gossip”, Sept. 1867, blz. 196. 

8 Zie de belangwekkende waarnemingen van den heer T. W. Wood, „The Student”, Sept. 1868, blz. 81. 

9 De heer Wallace in „Hardwicke’s Science Gossip”, Sept. 1867, blz. 193. 

10 Zie hierover ook de verhandeling van den heer Weir in „Transact. Ent. Soc.”, 1869, blz. 23. 

11Westminster Review”, Juli 1867, blz. 16. 

12 Bij voorbeeld, Lithosia; Prof. Westwood („Modern Class. of Insects”, vol. II, blz. 390) schijnt over dit geval verwonderd. Over de betrekkelijke kleuren van Dag- en Nachtvlinders, zie ibid., blz. 333 en 392; ook Harris, „Treatise on the Insects of New England”, 1842, blz. 315. 

13 Dergelijke verschillen tusschen de boven- en ondervlakten der vleugels van verschillende soorten van Papilio kan men zien op de fraaie platen bij de verhandeling van den heer Wallace over de Papilionidae van Insulinde in „Transact. Linn. Soc.”, vol. XXV, part I, 1865. 

14Proc. Ent. Soc.”, 2 Maart, 1868. 

15 Zie ook een mededeeling omtrent het Amerikaansche geslacht Erateina (een der Geometrae) in „Transact. Ent. Soc.”, new series, vol. V, pl. XV en XIV. 

16Proc. Ent. Soc. of London”, 6 Juli, 1868, blz. XXVII. 

17 Harris, „Treatise” enz., uitgegeven door Flint, 1862, blz. 395. 

18 Ik merk bij voorbeeld in de insektenverzameling van mijn zoon op, dat de mannetjes bij Lasiocampa quercus, Odonestis potatoria, Hypogymna dispar, Dasychira pudibunda en Cycnia mendica veel donkerder zijn dan de wijfjes. Bij deze laatste soort is het verschil in kleur tusschen de beide seksen sterk sprekend; en de heer Wallace meldt mij, dat wij hier naar hij gelooft, een voorbeeld hebben van tot ééne sekse beperkte beschermende nabootsing („mimickry”), zooals later uitvoeriger zal worden verklaard. Het witte wijfje van de Cycnia gelijkt op de zeer algemeene Spilosoma menthastri, van welke beide seksen wit zijn; en de heer Stainton nam waar, dat deze laatste nachtvlinder met de grootste walging werd weggeworpen door een geheel broedsel jonge kalkoenen die andere nachtvlinders gaarne aten; zoodat, als Cycnia door de Britsche vogels gewoonlijk voor Spilosoma werd aangezien, zij zou ontsnappen aan het gevaar van te worden verslonden, en op die wijze zou haar bedriegelijke witte kleur haar in hooge mate voordeelig zijn. 

19Rambles of a Naturalist in the Chinese Seas”, 1868, blz. 132. 

20Nature”, 27 April 1871, blz. 508. De heer Meldola haalt Donzel aan, in „Soc. ent. de France”, 1837, blz. 77, over het vliegen der kapellen bij het paren. Zie ook den heer G. Fraser in „Nature”, 20 April 1871, blz. 489, over de seksueele verschillen van verschillende Britsche kapellen. 

21 Wallace, over de Papilionidae van Insulinde, in „Transact. Linn. Soc.”, vol. XXV, 1865, blz. 8, 36. Een treffend geval van een zeldzame verscheidenheid die juist tusschen twee andere goed uitgedrukte verscheidenheden van wijfjes in staat, wordt door den heer Wallace vermeld. Zie ook den heer Bates, in „Proc. Entomolog. Soc.”, 19 Nov. 1866, blz. XL. 

22 De heer R. MacLachlan, „Transact. Ent. Soc.”, vol. II, part 6th., 3rd series; 1866, blz. 459. 

23 H. W. Bates, „The Naturalist on the Amazons”, vol. II, 1863, blz. 228, A. R. Wallace, in „Transact. Linn. Soc.”, vol. XXV, 1865, blz. 10. 

24 Zie over dit geheele onderwerp, „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., deel II, hoofdstuk XXIII. 

25 A. R. Wallace in „Journal of Travel”, vol. I, 1868, blz. 88. „Westminster Review”, Juli, 1867, blz. 37. Zie ook de heeren Wallace en Bates in „Proc. Ent. Soc.”, 19 Nov. 1866, blz. XXXIX. 

26 „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., deel I, hoofdstuk XII, blz. 513. 

27Transact. Linn. Soc.”, vol. XXIII, 1862, blz. 495. 

28Proc. Ent. Soc., Dec. 1866, blz. XLV. 

29Transact. Linn. Soc.”, vol. XXV, 1865, blz. 1; ook „Transact. Ent. Soc.”, vol. IV (3rd series), 1867, blz. 301. Trimen, „Linn. Transact.”, vol XXVI, 1869, blz. 497. Riley, „Third Annual Report on the Noxious Insects of Missouri”, 1871, blz. 163–168. Deze laatste verhandeling is belangrijk, omdat de heer Riley daarin alle tegenwerpingen bespreekt, die tegen de theorie van den heer Bates zijn gemaakt. 

30 Zie een vernuftig artikel, getiteld, „Difficulties of the Theory of Natural Selection”, in de „Month”, 1869. Het is vreemd, dat de schrijver veronderstelt, dat ik de variaties in kleur van de Schubvleugeligen (Lepidoptera), waardoor zekere soorten tot verschillende familie’s behoorende, er toe zijn gekomen om op elkander te gelijken, aan terugkeer tot de type van een gemeenschappelijken stamvader (atavisme) toeschrijf; er is echter niet meer reden om deze variaties aan atavisme toe te schrijven, dan in het geval van elke gewone variatie. 

31The Naturalist in Nicaragua”, 1874, blz. 385. 

32Proc. Entomolog. Soc.”, 3 Dec. 1866, blz. XIV en 4 Maart 1867, blz. LXXX. 

33 Zie de verhandeling van den heer J. Jenner Weir over insekten en insektenetende vogels, in „Transact. Ent. Soc.”, 1869, blz. 21; ook de verhandeling van den heer Butler, ibid., blz. 27. 

34 Ik schreef reeds in de eerste uitgaaf dezer bewerking van de Afstamming van den Mensch, dat ik niet volkomen overtuigd was, dat het geluid van A. atropos werkelijk op de door Landois aangegeven wijze wordt voortgebracht; want Dr. M. C. Verloren heeft mij verzekerd, ook de pop, ja zelfs de rups van dezen vlinder een gelijksoortig, ofschoon zwakker geluid dan het volkomen insekt te hebben hooren voortbrengen. Is de door Landois gegeven verklaring onjuist, dan vervallen natuurlijk de gevolgtrekkingen omtrent andere Sphingidae die ribbetjes op de palpen bezitten.

De heer R. T. Maitland zeide mij reeds in 1873, dat het geluidgevend orgaan van A. atropos de kropsgewijs gedilateerde oesophagus is; hij vond daarenboven, dat het geheele achterlijf (abdomen) met lucht gevuld en door een spiraalsgewijs gedraaid vlies als het ware in verschillende compartimenten verdeeld is; hij kon echter geen gemeenschap tusschen deze luchtreservoirs en den oesophagus ontdekken.

In zijn „Thierstimmen” (Freiburg i/B., 1874) geeft Landois zelf ook een andere verklaring en zegt: „De doodshoofdvlinder heeft een stijf met lucht gevulde zuigblaas welke dicht vóór de eigenlijke maag ligt, het voorste gedeelte van het achterlijf inneemt en in het einde der spijsbuis uitmondt. Dit orgaan speelt wellicht een rol bij het opzuigen van honig en ander vloeibaar voedsel. De beide helften van de roltong sluiten van voren niet volkomen tegen elkander, maar laten een fijne spleet tusschen zich open. De toon ontstaat, doordat de lucht uit de zuigbuis door deze spleet wordt gedreven. Men kan zulks bewijzen door een dooden, maar nog niet verstijfden doodshoofdvlinder door den zuiger lucht in te blazen, waardoor het achterlijf opzwelt; drukt men dan op het achterlijf, dan houdt de toon aan, zoo lang men drukt.”

Swinton vond in de mondholte van dezen vlinder, na den zuiger ver naar beneden te hebben gedrukt, een neêrhangend vlies dat bij het klinken van den toon sterk trilde, evenals de stembanden der hoogere dieren.

Volgens deze laatste verklaringen kan men dus zeggen, dat de doodshoofdvlinder niet alleen sjirpt, maar een werkelijke stem, evenals de hoogere dieren, bezit. 

35 Dr. M. C. Verloren deed mij echter terecht opmerken, dat deze verklaring niet gemakkelijk is overeen te brengen met het feit, dat A. atropos alleen geluid geeft als men haar aanraakt.