(1) De Doodshoofd-uil (Acherontia atropos) maakt een eigenaardig piepend geluid dat volgens Landois (in zijn door Darwin meermalen aangehaalde verhandeling) door het wrijven van de voelers (palpi) tegen den zuiger wordt voortgebracht. Deze voelers bezitten aan de onbehaarde binnenzijde zeer fijne ribbetjes.34
De heeren Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, Dr. M. C. Verloren en R. T. Maitland antwoordden op mijn vraag, of er ten opzichte van dit geluidgevend vermogen ook eenig verschil tusschen de seksen van A. atropos werd waargenomen, dat zij zulks niet geloofden. Dit neemt niet weg, dat ik het toch zeer mogelijk acht, dat het vermogen om geluid voort te brengen, door A. atropos is verkregen ten gevolge van seksueele teeltkeus op de zelfde wijze waarop Darwin zulks verklaart bij torren van welke de beide seksen sjirpen.35
Ook bij andere Sphingidae vond Landois ribbetjes op de palpen, en wel in veel grooter aantal met betrekking tot de oppervlakte die zij innemen, zooals blijkt uit het volgende staatje: [608]
| SOORTEN. | Lengte der wrijfplaat (in millimeters). | Breedte der wrijfplaat (in millimeters). | Aantal ribbetjes. |
| A. atropos | 2 | 0.75 | 35 |
| Sphinx convolvuli | 2 | 1 | 92 |
| S. ligustri | 1.1 | 0.38 | 30 |
| Deilephila elpenor | 1.16 | 0.41 | 36 |
| Sphinx pinastri | 1.33 | 0.5 | 39 |
Daar nu bij gelijke wrijvingssnelheid een grooter aantal ribbetjes op een even lang gedeelte van de wrijfplaat noodzakelijk moet overeenkomen met een grooter aantal trillingen, dus met een hoogeren toon, ligt de gevolgtrekking voor de hand, dat al deze vlinders geluiden voortbrengen, doch dat wij slechts dat van A. atropos hooren, omdat die der andere te hoog zijn om door onze ooren te kunnen worden waargenomen. Wanneer wij verder aannemen, dat het geluidgevend vermogen door A. atropos is verkregen ten gevolge van de werking der seksueele teeltkeus, dan valt dit ook voor het overige niet te betwijfelen. Op die wijze komen wij er toe te bepalen op welke wijze deze laatsten een vermogen hebben verkregen, van welks bestaan wij ons door directe waarnemingen niet kunnen overtuigen.
Men kan nog verder gaan. Reuter („Zool. Anz.”, blz. 288, 17 Sept. 1888) onderzocht eenige honderden soorten van vlinders uit Finland, en vond bij allen zulk een onbehaarde plek aan de binnenzijde der voelers als Landois bij de Sphingiden had gevonden, en die plek schijnt voor de geheele orde der Schubvleugeligen typisch te zijn. Bij bijna alle onderzochte vlinders vond Reuter de door Landois ontdekte ribbetjes, bij vele soorten wel is waar vrij onduidelijk en onvolkomen, maar bij slechts weinige geheel ontbrekende. Steeds was de ligging zoo, dat de met een verhoogde lijst voorziene basis van den zuiger er gemakkelijk kon worden tegenaan gedrukt. Bij alle vlinders komt derhalve zulk een sjirporgaan of een rudiment daarvan voor. Naast de ribbetjes vond Reuter een eigenaardig zintuig, over de functie waarvan hij geen zeker besluit meende te kunnen trekken. Het bestaat uit een kegelvormig met een ringvlies omgeven orgaan, waarin zich haarvormige deeltjes bevinden, die met zenuwen in verbinding staan. De analogie hiervan met sommige deelen van ons eigen inwendig oor doet schrijver dezes vermoeden, dat wij hier wel met een gehoororgaan zullen hebben te doen.
Bij de dagvlinders waren zoowel de ribbetjes op de wrijfplaat als het zintuig aanmerkelijk grooter bij de mannetjes dan bij de wijfjes, hetgeen o.i. duidelijk bewijst, dat die deelen met de seksueele teeltkeus in verband staan.
Romanes, Mr. Sachlan, Buchanan White en Cunningham hebben in „Nature”, Jan. en Febr. 1877, blz. 177, 293, verscheidene mededeelingen gedaan omtrent geluidgevende vlinders. Verscheidene soorten van Vanessa maken een dergelijk geluid als Ageronia feronia, ofschoon zwakker, en het geluid wordt voortgebracht door een als een vijl getanden ader van den bovenvleugel, die strijkt over een uitpuilenden ader aan den ondervleugel, terwijl er bovendien daar ook een schubloos plekje is, door een lijstje omsloten. Ook in de geslachten Euprepia en Chelonia komen geluidgevende vlinders [609]voor. Bij Chelonia pudica wordt het geluid voortgebracht door een soortgelijk orgaan als bij Setina, en gelijkt op het tikken van een horloge.
Dionychopus niveus Mén. bezit volgens Dönitz („Berl. Entomol. Zeitschrift”, 1887, Heft 1) een eigenaardig stemorgaan. Aan de bovenzijde van den achtervleugel en aan de onderzijde van den voorvleugel, daar waar de vleugels elkander bedekken, bevinden zich namelijk omstreeks 2 m.m. lange en 1 m.m. breede uit sterk gechitiniseerde dorens bestaande borstels. Door het tegen elkander wrijven daarvan brengt de vlinder een sjirpend geluid voort. Bij de Spinners (Bombycidae) zou de stemtoestel meestal aan de borst liggen en bestaan uit een over een holte gespannen vlies dat waarschijnlijk door wrijving met de achterpooten in trilling wordt gebracht.
(2) Wij zullen in Hoofdstuk XII, XIII en XVIII zien, dat Darwin den muskusachtigen geur welken de krokodillen, de Australische muskuseend (Bizura lobata) en vele zoogdieren verspreiden, met hun seksueele functiën in verband brengt, en de ontwikkeling der klieren waardoor de riekende stof wordt afgescheiden, ten minste bij sommige dezer dieren, door seksueele teeltkeus verklaart. Het bevreemdt mij, dat in dit hoofdstuk alleen, en dan nog maar ter loops, wordt gerept van den geur dien twee pijlstaartvlinders verspreiden, daar het zelfde bij zeer vele andere vlinders is opgemerkt.
Fritz Müller („Ausland”, 7 Oct. 1878) doet omtrent den geur van mannelijke vlinders eenige mededeelingen. (Vergelijk ook boven aant. 1).
De schubben welke op de vleugels der vlinders als dakpannen over elkander liggen, vertoonen, gelijk men weet, bij de mannetjes dikwijls kleinere of grootere onregelmatigheden door tusschenschubben.
Deze tusschenschubben zijn volgens F. Müller’s waarnemingen de zetel van den eigenaardigen geur welken bijna alle mannelijke vlinders in meerdere of mindere mate bezitten. Deze waarnemingen zijn later door verschillende andere natuuronderzoekers bevestigd.
Slechts die soorten welke tusschenschubben bezitten, verspreiden geur, en deze geur is vooral bij de door aanmerkelijke grootte uitmuntende Zuid-Amerikaansche soorten sterk, en werkt op den mensch dikwijls als de geur eener welriekende bloem. Daarbij is aangetoond, dat het steeds slechts aangename geuren, zooals vanille, muskus, jasmijn, citroen enz. zijn.
Gelijk sinds lang bekend is, kenmerken zich ook onder de Europeesche vlinders Charaxes jasius, Sphinx ligustri en Sphinx convolvuli, vooral de laatste, door een muskusgeur, Papilio Machaon door een venkelgeur.
De bedoelde geurschubben komen in den meest verschillenden vorm en op de meest verschillende plaatsen bij de dieren voor. Nu eens liggen zij in grootere of kleinere hoedanigheid tusschen de vleugelschubben verspreid, dan weder zijn zij in de nabijheid van den kop op één punt gelocaliseerd. Hier liggen zij aan de zijde van het lichaam in een soort van knobbel verborgen, ginds omhult ze aan den rand van den vleugel een soort van omslag die zich slechts bij het uitspreiden der vleugels opent; zelfs aan de pooten heeft men ze waargenomen. Zij zijn evenzoo verschillend van vorm, schildvormig, gestrekt, rondachtig, lancetvormig, gewonden enz., doch van boven eindigt de schub bijna altijd in een bos fijne haartjes, aan wier punten, evenals bij uitzweetende hars of oliën, kleine bolletjes hangen. Kanaalachtige strengen loopen van den klierachtigen wortel der schubben naar de haartjes.
Bij Hepiolus Humuli ontbreekt volgens Bertkau („Humboldt”, Mai 1885) het derde paar pooten en wordt vervangen door een peervormige plaat, uit welker verdiepte oppervlakte een dicht penseel van geelachtige borstels oprijst. [610]In het binnenste van dezen rudimentairen poot ziet men reeds bij zwakke vergrooting groote van kernen voorziene kliercellen door de huid heên schijnen. Zij hebben den vorm eener flesch waarvan de hals uitmondt in een huidporie waaruit de met een kanaal doorboorde gele borstels ontspringen. Deze klieren scheiden een zwak aromatisch riekende aetherische olie af, die geelachtig groen van kleur is en droppelsgewijs aan de spits der borstels te voorschijn komt. Ter beschutting van dezen toestel bezit het dier aan weêrszijden van den eersten ring van het achterlijf een dunhuidig zakje waarin het steeds zijn vervormde achterste pooten tracht te verbergen.
Vraagt men naar den oorsprong van den geur der mannelijke vlinders en houdt men daarbij in het oog, dat het uitstroomen van den geur van den wil van het dier afhankelijk is, gelijk verschillende proeven onweêrlegbaar hebben bewezen, dan leidt ons dit ook hier tot de seksueele teeltkeus. Men kan aannemen, dat het mannetje zich door zijn geur aan het wijfje aangenaam wil maken, het koketteert daarmede als het ware, en het wijfje geeft van den anderen kant de voorkeur aan het mannetje dat het aangenaamst riekt. Aan het wijfje ontbreekt de geur, daar deze haar schadelijk is, omdat daardoor slechts vijanden zouden worden gelokt.
In zijn „Studien über Descendenztheorie” toont Professor Weissman iets dergelijks bij de ontwikkeling van de kleuren der vlinders. Bovengenoemde onderstelling wint nog meer aan waarschijnlijkheid, als men de soorten van één geslacht met betrekking daartoe nauwkeuriger onderzoekt. Het gebeurt vaak, dat niet bij alle soorten de mannelijke vlinders de geurschubben en den geur bezitten, en de soorten bij welke zij ontbreken, behooren dan ook ten opzichte van de kleur en teekening der vleugels tot de meest ontwikkelde van het geslacht. Dit is b.v. het geval bij de „blauwtjes.”
Eerst langzamerhand is hun oorspronkelijk bruine kleur door teeltkeus in blauw overgegaan; er zijn zelfs soorten welke eerstgenoemde kleur nog bezitten. Juist bij deze ontbreken nu ook de geurschubben.
De Schubvleugeligen zijn overigens niet de eenige Orde van Insekten, die welriekende soorten bevat. Ook onderscheidene Schildvleugeligen verspreiden een aangenamen geur; zoo riekt Aromia moschata naar Oostersche rozenolie, Velleius dilatatus naar muskus, Staphylinus olens naar renetappels of aether nitricus; Cicindela campestris en hybrida verspreiden eveneens een welriekenden geur, naar dien van rozen zweemende en ook eenigszins overeenstemmende met dien der producten welke men somtijds verkrijgt, als men essentia terebinthinae met mengsels van zwavel- en salpeterzuur behandelt. Wanneer men nu den geur van sommige vlinders voor een gevolg van seksueele teeltkeus houdt, zal men er van zelf toe komen om dit ook bij bovengenoemde Kevers aan te nemen. Moeilijker schijnt, oppervlakkig beschouwd, deze verklaring toe te passen op een aantal soorten van Mieren die een sterken muskusgeur verspreiden, vooral als men haar nesten omwoelt; want de meeste individu’s zijn hier geslachtloozen of zoogenaamde arbeiders. Men kan echter aannemen, dat die geur, oorspronkelijk door de mannelijke mieren door seksueele teeltkeus verkregen zijnde, later ook op hun niet mannelijke nakomelingschap is overgebracht. Evenzoo kan men aannemen, dat bij insekten bij welke beide seksen rieken, de geur oorspronkelijk tot ééne sekse was beperkt, maar later, doordat de wet van gelijke overerving op beide seksen de overhand kreeg boven die van seksueel beperkte erfelijkheid, de oorspronkelijk tot ééne sekse beperkte geur ook op de nakomelingschap van de andere sekse werd overgeplant.
Wat den stank aangaat, dien vele insekten (b.v. wantsen) verspreiden, [611]zoo zal deze in de meeste gevallen wel, als een beschermingsmiddel, door seksueele teeltkeus zijn verkregen. In sommige gevallen kan hij echter ook een seksueele aantrekkelijkheid uitmaken en zich derhalve door seksueele teeltkeus hebben ontwikkeld; want wij moeten niet vergeten, dat het aangename of onaangename van een geur zeer subjectief is, zoodat iets dat wij een stank noemen, op een anders georganiseerd wezen een welriekenden indruk kan maken. Vele insekten worden b.v. aangetrokken door den reuk van rottend vleesch, faecalia, enz. Zelfs onder menschen zijn er individu’s die welriekend noemen hetgeen anderen voorkomt stinkend te zijn, en bij voorbeeld gaarne Asa foetida ruiken. Het is immers met andere zintuigen evenzoo. Wat den een heerlijk smaakt, lust de ander niet. De muziek waarin wilde volksstammen behagen scheppen, schijnt ons wanluidend; een schilderij die een Chinees fraai zal vinden, komt ons zeer leelijk voor; de Abessiniër vindt een stuk rauw vleesch, uit het levende rund gesneden, het heerlijkste gerecht, terwijl wij het liever gebraden, en uit een geslacht dier gesneden, eten. Hoe mogelijk is het derhalve, dat geuren die wij stank noemen, sommige insekten aangenaam aandoen! [612]