De mensch is tegenwoordig ongetwijfeld zeer variabel. Geen twee individu’s van het zelfde ras zijn volkomen aan elkander gelijk. Als wij millioenen personen met elkander vergelijken, zal elk hunner gelaatstrekken vertoonen, welke van die der overige verschillen. Een even groote verscheidenheid heerscht in de verhoudingen en afmetingen der verschillende lichaamsdeelen; vooral in de lengte der beenen bestaat veel verschil.1 Hoewel in sommige deelen der wereld een lange, in andere een korte schedel het meest voorkomt, bestaat er toch een groote verscheidenheid van schedelvorm, zelfs binnen de grenzen van één en het zelfde ras, b.v. onder de inboorlingen van Amerika en van Zuid-Australië, welke laatste waarschijnlijk een ras zijn, „even zuiver en homogeen van bloed, gewoonten en taal als eenig ander ter wereld”,—en zelfs onder de bewoners van een zoo beperkt [53]grondgebied als de Sandwich-eilanden.2 Een uitstekend tandmeester verzekert mij, dat er bijna evenveel verschil is tusschen de tanden van verschillende personen als tusschen hun gelaatstrekken. De voornaamste slagaderen loopen zoo dikwijls in abnormale richtingen, dat men het voor chirurgale doeleinden nuttig heeft gevonden om te berekenen, hoe dikwijls bij 12000 personen elke richting voorkomt.3 De spieren zijn bij uitstek variabel: zoo vond prof. Turner4, dat onder vijftig lijken er geen twee waren waarbij de spieren van den voet volkomen overeenstemden, en bij sommigen daarvan waren de afwijkingen zeer groot. Prof. Turner merkt hierbij op, dat het vermogen om doelmatige bewegingen te maken in overeenstemming met deze verschillende afwijkingen moet zijn gewijzigd. De heer J. Wood5 heeft het voorkomen van 295 verscheidenheden in het spierstelsel van 36 individu’s opgeteekend, en in een ander stel van 36 personen vond hij niet minder dan 558 verscheidenheden, de beide zijden van het lichaam voor één rekenende. In dit laatste stel bevond hij, dat niet een der 36 lichamen „geheel vrij was van afwijkingen van de standaardbeschrijving van het spierstelsel, zooals die in ontleedkundige boeken wordt gegeven.” Een enkel lichaam vertoonde het buitengewone aantal van 25 afwijkingen. Ééne en de zelfde spier verschilt soms op vele wijzen; zoo beschrijft prof. Macalister6 niet minder dan 20 verscheidenheden van den palmaris accessorius.

De beroemde oude ontleedkundige Wolff7 wijst er met nadruk op, dat de ingewanden veel meer verschillen opleveren dan de uitwendige deelen: Nulla particula, quae non aliter et aliter in aliis se habeat hominibus. Hij heeft zelfs een verhandeling geschreven over de keus van typische voorbeelden voor afbeeldingen van ingewanden. Een onderzoek naar den idealen vorm van de lever, de longen, de nieren enz., alsof het ’s menschen goddelijk gelaat ware, klinkt ons vreemd in de ooren. [54]

De variabiliteit of verscheidenheid der geestvermogens bij menschen van het zelfde ras, om van de grootere verschillen tusschen de menschen van verschillende rassen niet te spreken, is zoo algemeen bekend, dat hierover geen woord behoeft te worden gezegd. Evenzoo is het bij de lagere dieren, zooals in het laatste hoofdstuk met enkele voorbeelden is aangetoond. Brehm wijst er met nadruk op, dat onder de apen die hij in Afrika in gevangen staat bezat, elk individu zijn bijzonderen aanleg en karakter had; hij vermeldt éénen baviaan, die merkwaardig was wegens zijn hoog ontwikkeld verstand; en evenzoo wezen mij de oppassers in den Londenschen dierentuin een Amerikaanschen aap aan, die zich door zijn verstand onderscheidde. Ook Rengger wijst met nadruk op de verscheidenheid in de verschillende geestvermogens bij apen van eene en de zelfde soort, die hij in Paraguay bezat, en deze verscheidenheid, zegt hij, is gedeeltelijk aangeboren en gedeeltelijk het gevolg van de wijze, waarop zij zijn behandeld en opgevoed.8

Ik heb elders9 zoo uitvoerig over de erfelijkheid gesproken, dat het nauwelijks noodig is daarover iets hieraan toe te voegen. Ten opzichte der overerving zoowel van de geringste als van de meest belangrijke kenmerken is bij den mensch een grooter aantal feiten bekend, dan bij een der lagere dieren; hoewel ten opzichte dezer laatste het aantal feiten al groot genoeg is. Zoo is ten opzichte van de geestvermogens bij onze honden, paarden en andere huisdieren, de erfelijkheid duidelijk genoeg. Behalve bijzondere smaken en gewoonten zijn ook verstand in het algemeen, moed, een goed of een slecht karakter enz. ongetwijfeld erfelijk. Bij den mensch zien wij dergelijke feiten in bijna elke familie; wij weten tegenwoordig door de bewonderenswaardige onderzoekingen van den heer Galton10, dat het genie, hetwelk een verwonderlijk samengestelde vereeniging van hooge vermogens in zich sluit, neiging tot erfelijkheid bezit; en van den anderen kant is het maar al te zeker, dat krankzinnigheid en zwakke geestvermogens eveneens bij bepaalde families veelvuldig voorkomen.

Ten opzichte van de oorzaken van de variabiliteit zijn wij in allen gevalle zeer onwetend; maar zoowel bij den mensch als bij de lagere dieren kunnen wij zien, dat zij eenigszins in verband staan met [55]de levensvoorwaarden waaraan elke soort gedurende verscheidene generaties is blootgesteld geweest. Tamme dieren vertoonen grooter verschillen dan die, welke in den natuurstaat leven; en dit schijnt te worden veroorzaakt door den verschillenden en veranderden aard van hun levensvoorwaarden. De verschillende menschenrassen gelijken in dit opzicht op tamme dieren, en het zelfde is het geval met individu’s van één en het zelfde ras, die over een zeer groot grondgebied zijn verspreid, zooals b.v. het Amerikaansche ras. Wij zien den invloed van de verscheidenheid der levensvoorwaarden bij de meer beschaafde volken, waarvan de leden tot verschillende rangen en standen behooren en verschillende beroepen uitoefenen, en daardoor ook minder op elkander gelijken dan de leden van onbeschaafde volksstammen. De onderlinge gelijkenis der wilden is echter dikwijls overdreven, ja, kan in sommige gevallen nauwelijks worden gezegd te bestaan.11 Zelfs indien wij alleen de levensvoorwaarden beschouwen waaraan hij onderworpen is geweest, is het desniettemin toch een dwaling om den mensch „in veel grooter mate getemd”12 te noemen, dan eenig ander dier. Sommige wilde rassen, zooals de Nieuw-Hollanders zijn niet aan meer verschillende levensvoorwaarden blootgesteld dan menige diersoort, die een zeer groote geographische verspreiding heeft. In een ander en veel belangrijker opzicht verschilt de mensch zeer van alle eigenlijke tamme dieren; want men heeft nooit door stelselmatige of onbewuste teeltkeus toezicht gehouden op zijn voortplanting. Geen menschenras en geen vereeniging van menschen is ooit door andere menschen zoo volkomen onder het juk gebracht, dat sommige individu’s gespaard bleven en dus onbewust voor de voortplanting werden uitgekozen, omdat zij op de eene of andere wijze nuttiger waren voor hun meesters. Evenmin zijn sommige mannelijke en vrouwelijke individu’s met voordacht uitgekozen en met elkander gepaard, behalve in het welbekende geval van de Pruisische grenadiers, en in dit geval gehoorzaamde de mensch, zooals te verwachten was aan de wet der stelselmatige teeltkeus; want men verzekert, dat vele lange mannen werden voortgebracht in de dorpen die de grenadiers [56]met hun lange vrouwen bewoonden. Te Sparta was ook een vorm van teeltkeus in gebruik; want de wet schreef voor, dat men alle kinderen kort na de geboorte moest onderzoeken, de welgemaakte en krachtige bewaren, en de andere aan hun lot overlaten en zoo laten omkomen.13 (1)

Indien wij alle menschenrassen beschouwen als tot eene enkele soort behoorende, dan is de geographische verspreiding dier soort verbazend groot; maar ook sommige afzonderlijke rassen, zooals het Amerikaansche en Polynesische, hebben een groote geographische verspreiding. Het is een bekende wet, dat soorten die een groote geographische verspreiding hebben, veel meer verscheidenheden vertoonen, dan soorten die tot een klein grondgebied beperkt zijn; en de verscheidenheden van den mensch kunnen meer naar waarheid worden vergeleken met die van dieren, welke een groote geographische verspreiding bezitten, dan met die van getemde dieren.

Niet alleen schijnt de veranderlijkheid bij den mensch en de lagere dieren het gevolg te zijn van de zelfde algemeene oorzaken, maar bij beiden worden de zelfde kenmerken op geheel overeenkomstige wijze [57]aangedaan. Dit is door Godron en Quatrefages tot in zulke kleine bijzonderheden bewezen, dat ik hier slechts naar hun werken behoef te verwijzen.14 De monstruositeiten, die trapsgewijze overgaan in geringe afwijkingen, zijn eveneens bij den mensch en de lagere dieren zoo overeenkomstig, dat voor beide de zelfde klassificatie en de zelfde uitdrukkingen kunnen worden gebezigd, zooals men in Isidore Geoffroy St.-Hilaire’s groot werk15 kan zien. Dit is een noodwendig gevolg daarvan, dat in het geheele dierenrijk de veranderingen door de zelfde wetten worden beheerscht. In mijn werk over het varieeren der huisdieren heb ik de wetten der variatie in het grove tot de volgende rubrieken trachten te brengen:—De rechtstreeksche en bepaalde werking van de levensvoorwaarden, die wordt aangetoond, doordat alle individu’s van eene en de zelfde soort onder de zelfde omstandigheden op de zelfde wijs varieeren. De uitwerkselen van lang voortgezet gebruik of onbruik van deelen. De samenhang tusschen homotype deelen. De variabiliteit van deelen die in een zeker aantal voorkomen. Compensatie van groei, maar van deze wet heb ik in het geval van den mensch geen goede voorbeelden gevonden. De uitwerkselen van mechanischen druk van het eene deel op het andere, zooals van de bekkenbeenderen der moeder op den schedel van de ongeboren vrucht. Stilstand in ontwikkeling, leidende tot de verkleining of het geheel verdwijnen van deelen. Het opnieuw verschijnen van lang verloren kenmerken door atavisme. Eindelijk correlatieve variatie. Al deze zoogenaamde wetten zijn even goed op den mensch als op de lagere dieren en de meesten er van zelfs op planten toepasselijk. Het zou overbodig zijn ze hier allen te bespreken16; maar verscheidenen daarvan zijn zoo belangrijk voor ons, dat er een aanmerkelijke ruimte aan moet worden gewijd.

De rechtstreeksche en bepaalde werking van veranderde levensvoorwaarden.—Dit is een zeer moeilijk onderwerp. Het kan niet worden [58]ontkend, dat veranderde levensvoorwaarden eenige, en soms groote uitwerking hebben op organismen van alle soorten en het komt op het eerste gezicht waarschijnlijk voor, dat, indien een daartoe voldoende tijdruimte gegeven was, dit steeds het geval zou zijn. Het is mij echter niet gelukt duidelijke bewijzen voor de waarheid van deze gevolgtrekking te vinden; en er kunnen geldige redenen tegen worden aangevoerd, voor zoover ten minste de tallooze deelen aangaat, die tot bepaalde doeleinden zijn ingericht. Ongetwijfeld veroorzaken echter veranderde levensvoorwaarden een bijna onbepaald bedrag van vlottende variabiliteit, waardoor de geheele organisatie eenigszins plastisch wordt gemaakt.

In de Vereenigde Staten werden meer dan 1.000.000 soldaten die in den laatsten oorlog dienden, gemeten, en daarbij de Staten opgeteekend waarin zij waren geboren en opgevoed.17 Door dit verbazende aantal waarnemingen is bewezen, dat sommige plaatselijke invloeden rechtstreeks terugwerken op de lengte van het lichaam; en verder leeren wij er uit, dat „de Staat, waarin de groei grootendeels heeft plaats gevonden, en de Staat van de geboorte, die de afkomst aanwijst, een kennelijken invloed op de lichaamsgrootte schijnt uit te oefenen.” Zoo is b.v. bewezen „dat het verblijf in de Westelijke Staten gedurende het tijdperk van den groei gewoonlijk een toeneming der lichaamsgrootte ten gevolge heeft.” Van den anderen kant is het zeker, dat bij matrozen hun levenswijze den groei belemmert, zooals blijkt „uit het groote verschil in lengte tusschen soldaten en matrozen op den leeftijd van 17 en 18 jaar.” De heer B. A. Gould beijverde zich om den aard te bepalen van de invloeden, die aldus op de lichaamsgrootte werken; maar hij verkreeg slechts negatieve resultaten, namelijk, dat zij in geen betrekking stonden tot het klimaat, de hoogte van het land, den aard van den bodem, noch zelfs „in eenige merkbare mate” tot de overvloedigheid van of het gebrek aan de gemakken van het leven. Dit laatste besluit is in volkomen tegenspraak met dat, waartoe Villermé werd geleid door de statistiek van de lengte der lotelingen in verschillende deelen van Frankrijk. Als wij de verschillen in lichaamsgrootte vergelijken tusschen de Polynesische opperhoofden en de lagere volksklassen van de zelfde eilanden, of tusschen de bewoners van de vruchtbare vulkanische en de lage dorre koraaleilanden van den zelfden [59]oceaan18, of eindelijk tusschen de Vuurlanders op de oostelijke en westelijke kusten van hun land, waar de middelen van bestaan zeer verschillend zijn, dan is het bijna onmogelijk om niet tot het besluit te komen, dat beter voedsel en grooter levensgemakken wel degelijk van invloed zijn op de lichaamsgrootte. De boven aangehaalde getuigenissen bewijzen echter, hoe moeilijk het is tot eenig nauwkeurig resultaat te komen. Dr. Beddoe heeft onlangs bewezen, dat bij de bewoners van Groot Brittannië het verblijf in steden en sommige ambachten een nadeeligen invloed op de lichaamsgrootte uitoefenen; en hij komt tot het besluit, dat de gevolgen daarvan tot op zekere hoogte erfelijk zijn, zooals eveneens in de Vereenigde Staten het geval is. Dr. Beddoe gelooft verder, dat overal waar een „ras zijn maximum van physische ontwikkeling bereikt, het ook tot zijn toppunt van energie en zedelijke kracht klimt.”19

Of uitwendige toestanden eenige verdere rechtstreeksche uitwerking op den mensch hebben, is niet bekend. Men zou hebben mogen verwachten dat klimatologische verschillen een kennelijken invloed zouden hebben gehad, daar de longen en nieren door een lagere temperatuur, en de lever en de huid door een hoogere, tot grooter werkzaamheid worden gebracht.20 Men dacht vroeger, dat de kleur der huid en de aard van het haar door licht of warmte werden bepaald; en hoewel het moeilijk valt te loochenen, dat daardoor eenige invloed wordt uitgeoefend, zijn toch bijna alle waarnemers het tegenwoordig eens, dat die invloed zeer gering is geweest, zelfs na een gedurende vele generaties voortgezette inwerking. Dit onderwerp zal echter meer in het bijzonder worden behandeld, wanneer wij over de verschillende menschenrassen zullen spreken. Er bestaan gronden om aan te nemen, dat bij onze huisdieren koude en vochtigheid rechtstreeks op den haargroei inwerken, maar bij den mensch ken ik daarvoor volstrekt geen bewijzen.

Gevolgen van vermeerderd gebruik of onbruik van deelen.—Iedereen weet, dat het gebruik de spieren van het individu versterkt, terwijl volkomen onbruik, of de vernieling van haar zenuwen ze verzwakt. Als het [60]oog wordt vernield, neemt dikwijls de gezichtszenuw in omvang af. Als een slagader wordt afgebonden, neemt niet slechts de middellijn der zijdelingsche kanalen, maar ook de dikte en sterkte van hun weefsel toe. Als door een ziekte de eene nier ophoudt te werken, neemt de andere in grootte toe en doet dubbel werk. Beenderen nemen niet alleen in dikte, maar ook in lengte toe; wanneer zij een grooter gewicht dragen.21 Het geregeld uitoefenen van sommige bedrijven veroorzaakt veranderingen in de verhoudingen van verscheidene lichaamsdeelen. Zoo bewees de door de regeering der Vereenigde Staten benoemde commissie22 ten duidelijkste, dat de beenen der matrozen, die in den oorlog aldaar werden gebruikt, 0.65 centimeter langer waren dan die der soldaten, hoewel de gemiddelde lichaamslengte der matrozen kleiner was, terwijl hun armen 2.76 centimeter korter en daarom met betrekking tot hun lichaamslengte naar evenredigheid nog veel korter waren. De kortheid van hun armen is blijkbaar het gevolg van het grooter gebruik, dat zij er van maken, en is een onverwacht resultaat; matrozen gebruiken echter hun armen voornamelijk om te trekken en niet om gewichten te dragen. De omtrek van den hals en de diepte van de wreef zijn grooter, de omtrek van de borstkas, van het middel en de heupen daarentegen kleiner bij matrozen, dan bij soldaten.

Of de verschillende bovengemelde wijzigingen erfelijk zouden worden, wanneer de zelfde levenswijze gedurende vele generaties werd voortgezet, is niet bekend, doch is waarschijnlijk. Rengger23 schrijft de dunne beenen en de dikke armen van de Payaguas-Indianen daaraan toe, dat opeenvolgende generaties bijna hun geheele leven in kano’s hebben doorgebracht, waarbij hun onderste ledematen zonder beweging bleven. Andere schrijvers zijn in andere dergelijke gevallen tot het zelfde besluit gekomen. (2) Volgens Cranz24, die langen tijd bij de Eskimo’s leefde, „gelooven de inboorlingen, dat vernuft en behendigheid in het zeehonden vangen (hun hoogste kunst en deugd) erfelijk is; en werkelijk is daar iets waars in, want de zoon van een vermaard zeehondenvanger onderscheidt zich daarin gewoonlijk, zelfs al verloor hij zijn vader, [61]toen hij nog slechts een klein kind was.” In dit geval schijnt echter geestelijke aanleg evenzoo goed te worden overgeërfd als lichamelijk maaksel. Men beweert, dat de handen van Engelsche boeren bij de geboorte grooter zijn, dan die van de hoogere burgerklasse.25 Wegens de correlatie die ten minste in sommige gevallen26 bestaat tusschen de ontwikkeling der ledematen en die der kaken, is het mogelijk, dat bij klassen welke niet met hun handen en voeten werken, de kaken daardoor in grootte zouden afnemen. Dat de kaken over het algemeen kleiner zijn bij ontwikkelde en beschaafde menschen dan bij menschen, die hard moeten werken, en bij wilden, is zeker. Bij wilden werkt echter, zooals de heer Herbert Spencer27 heeft opgemerkt, het grooter gebruik van de kaken bij het kauwen van grof ongekookt voedsel op rechtstreeksche wijze op de kauwspieren en de beenderen, waaraan deze zijn vastgehecht, in. Bij kinderen is lang voor de geboorte de huid aan de voetzolen dikker dan op eenige andere plaats van het lichaam28; en het valt moeilijk te betwijfelen, dat dit het gevolg is van de overgeërfde gevolgen der drukking gedurende een lange reeks van geslachten.

Iedereen weet, dat horlogemakers en graveurs een neiging hebben om bijziende te worden, terwijl zeelieden en vooral wilden over het algemeen verziende zijn.29 Bijziendheid en verziendheid nu hebben ongetwijfeld een neiging tot erfelijkheid.30 De minderheid van Europeanen, in vergelijking met wilden, in scherpte van het gezicht en van de andere zinnen, is ongetwijfeld het opeengestapeld en overgeërfd gevolg van verminderd gebruik gedurende vele generaties; want Rengger31 verzekert, dat hij herhaaldelijk Europeanen heeft waargenomen, die met de wilde Indianen waren grootgebracht en hun geheele leven bij hen [62]hadden doorgebracht, en toch in scherpte van zinnen voor hen onderdeden. De zelfde dierkundige merkt op, dat de schedelholten, bestemd voor de opneming der verschillende zintuigen bij de inboorlingen van Amerika, grooter zijn dan bij Europeanen, en dit wijst ongetwijfeld op een overeenkomstig verschil in afmetingen der zintuigen zelven. Blumenbach heeft eveneens de aandacht gevestigd op den grooten omvang der neusholten in de schedels van Amerikaansche inboorlingen, en brengt dit feit in verband met de opmerkelijke scherpte van hun reukvermogen. De Mongolen der vlakten van Noord-Azië hebben, volgens Pallas, verwonderlijk volmaakte zinnen, en Prichard gelooft, dat de groote breedte hunner schedels, over de jukbeenderen gemeten, een gevolg is van hun hoog ontwikkelde zintuigen. (3)32

De Quechua-Indianen bewonen de hoogvlakten van Peru, en Alcide d’Orbigny getuigt33, dat zij, door onophoudelijk een zeer verdunde lucht in te ademen, borstkassen en longen van buitengewone afmetingen hebben verkregen. Ook de cellen van de longen zijn grooter en talrijker dan bij Europeanen. Men heeft de juistheid dezer waarnemingen betwijfeld; doch de heer Forbes mat zorgvuldig verscheidene Aymara’s, een verwanten stam, die op een hoogte van 3300 tot 5000 meter leeft; en hij deelt mij mede34, dat zij in den omtrek en de lengte van hun romp sterk afwijken van de menschen van alle rassen die hij heeft gezien. In de tabel van zijn metingen wordt de geheele lengte van elk persoon gelijk aan duizend gesteld, en de overige metingen tot dezen standaard herleid. Het blijkt dan, dat de uitgestrekte armen van de Aymara’s korter zijn dan die van Europeanen, en veel korter dan die van negers. De beenen zijn ook korter en vertoonen de merkwaardige bijzonderheid, dat bij elken opgemeten Aymara het dijbeen korter is dan het scheenbeen. Gemiddeld staat de lengte van het dijbeen tot die van het scheenbeen als 211 tot 252; terwijl bij twee tegelijkertijd gemeten Europeanen de dijbeenderen zich tot de scheenbeenderen verhielden als 244 tot 230, en bij drie negers als 258 tot 241. Het opperarmbeen is eveneens korter [63]in verhouding tot den voorarm. De heer Forbes bracht mij op het denkbeeld, dat deze verkorting van dat deel van het lid, hetwelk het dichtst bij het lichaam ligt, een geval van compensatie is met betrekking tot de sterke vermeerdering in lengte van den romp. De Aymara’s vertoonen in hun maaksel nog eenige andere eigenaardigheden, b.v. het zeer weinig uitsteken van den hiel.

Deze menschen zijn zoo volkomen geacclimatiseerd in hun koude en hooge woonplaats, dat, toen weleer de Spanjaarden hen naar de lage oostelijke vlakten brachten, en wanneer zij nu, door hoog loon in verzoeking gebracht, van hun bergen afdalen naar de goudwasscherijen, de sterfte onder hen tot een schrikbarende hoogte klimt. Toch vond de heer Forbes eenige weinige huisgezinnen van zuiver bloed, die gedurende twee generaties in leven waren gebleven; en hij merkte op, dat zij hun kenmerkende eigenaardigheden nog hadden geërfd. Het was echter duidelijk te zien, zelfs zonder meting, dat deze eigenaardigheden allen afgenomen waren; en bij meting bleek, dat hun romp niet zoo lang was als die hunner stamgenooten van de hooge bergvlakte, terwijl hun dijbeenderen een weinig langer waren geworden, evenals ook, hoewel in mindere mate, hun scheenbeenderen. De juiste afmetingen kan men vinden in de verhandeling van den heer Forbes. Na deze belangrijke waarnemingen kan het dunkt mij, niet worden betwijfeld, dat een gedurende vele generaties voortgezet verblijf op groote hoogte een directe en indirecte neiging tot erfelijke wijzigingen in de verhoudingen van het lichaam ten gevolge heeft.35

Hoewel de mensch gedurende de latere trappen zijner ontwikkeling niet moge zijn gewijzigd door het vermeerderde of verminderde gebruik van deelen, toonen de bovengemelde feiten, dat zijn vatbaarheid daarvoor niet verloren is gegaan, en wij weten met zekerheid, dat de zelfde wet bij lagere dieren doorgaat. Wij mogen daaruit bij gevolg afleiden, dat, toen in een lang geleden tijdperk de voorouders van den mensch, in een overgangstoestand verkeerden en bezig waren om van viervoetige in tweevoetige dieren te veranderen, de natuurlijke teeltkeus waarschijnlijk in groote mate werd geholpen door de overgeërfde gevolgen van het vermeerderde of verminderde gebruik van de verschillende deelen van het lichaam.

[64]

Stilstand in de ontwikkeling.Stilstand in de ontwikkeling verschilt daarin van stilstand in den groei, dat de deelen doorgaan met groeien, ofschoon zij hun vroegeren ontwikkelingstoestand behouden. Verschillende misvormingen behooren tot deze afdeeling, en van sommigen daarvan weet men, dat zij erfelijk zijn, zooals b.v. een gespleten verhemelte. Voor ons doel zal het genoeg zijn te verwijzen naar den stilstand in de ontwikkeling der hersenen bij microcephale idioten, zooals die in Vogt’s groote verhandeling worden beschreven.36 Hun schedels zijn kleiner en de hersenwindingen minder ingewikkeld, dan bij normale menschen. De voorhoofdsboezem, of het vooruitsteken der wenkbrauwbogen, is sterk ontwikkeld, en de kaken vertoonen een „schrikbarende” mate van prognathisme; zoodat deze idioten eenigszins gelijken op de laagste typen van het menschelijk geslacht. Hun verstand en hun meeste geestvermogens zijn uiterst zwak. Zij kunnen niet leeren spreken en zijn geheel buiten staat hun aandacht lang op iets te vestigen, daarentegen hebben zij veel neiging tot nabootsing. Zij zijn sterk en opmerkelijk bedrijvig, daar zij voortdurend springen en rondhuppelen, en grimassen maken. Zij klimmen dikwijls op handen en voeten de trap op; en houden merkwaardig veel van het klimmen op meubels en in de boomen. Dit herinnert ons, hoe gaarne de meeste jongens in de boomen klimmen, en dit laatste herinnert ons weder, met hoeveel vermaak lammeren en jonge geiten, oorspronkelijk in bergstreken levende dieren, op elk heuveltje, hoe klein ook, rondspringen. Idioten gelijken ook in sommige andere opzichten op de lagere dieren; zoo zijn er verscheidene voorbeelden aangeteekend, dat zij elken mondvol voedsel zorgvuldig beroken, voor zij hem opaten. Van éénen idioot wordt vermeld, dat hij dikwijls, als hij zich luisde, zijn mond gebruikte om zijn handen te helpen. Zij hebben dikwijls vuile gewoonten en geen begrip van wat betamelijk is, en er zijn verschillende gevallen opgeteekend van opmerkelijke behaardheid van hun lichaam.37

[65]

Atavisme.—Vele gevallen die hier moeten worden opgesomd, zouden tot de vorige afdeeling kunnen zijn gebracht. Wanneer een orgaan in zijn ontwikkeling blijft stilstaan, maar voortgaat met groeien totdat het nauwkeurig gelijkt op een overeenkomstig orgaan van een of ander lager en volwassen lid van de zelfde groep, mogen wij zulks altijd eenigermate als een geval van atavisme beschouwen. De lagere leden van een groep geven ons eenig denkbeeld van het maaksel van den gemeenschappelijken stamvader van de groep; en het is moeielijk te gelooven, dat een deel, in welks ontwikkeling een stilstand was ontstaan gedurende een vroeg tijdperk van het embryonale leven, in staat zou zijn om zoodanig met groeien voort te gaan, dat het ten laatste zijn bijzondere functie kon vervullen, wanneer het dit vermogen van voortgaanden groei niet had verkregen gedurende den eenen of anderen vroegeren toestand van bestaan, toen zijn thans exceptioneel en door stilstand in de ontwikkeling veroorzaakt maaksel normaal was. De eenvoudige hersenen van een microcephalen idioot kunnen, in zoover zij op die van een aap gelijken, worden gezegd een geval van atavisme te zijn.38 Er zijn andere gevallen, die nog volkomener in onze tegenwoordige afdeeling over atavisme passen. [66]Sommige vormen, die bij de lagere leden van de groep waartoe de mensch behoort, geregeld voorkomen, worden nu en dan ook bij dezen laatsten waargenomen, hoewel men ze niet bij den normalen menschelijken embryo aantreft, of, wanneer zij bij den normalen embryo worden gevonden, zich op abnormale wijze ontwikkelen, hoewel die wijze van ontwikkeling bij de lagere leden der zelfde groep normaal is. Deze opmerkingen zullen duidelijker worden gemaakt door de volgende voorbeelden.

Bij de verschillende zoogdieren klimt de baarmoeder van een dubbel orgaan met twee gescheiden openingen en twee doorgangen, zooals bij de buideldieren, trapsgewijze op tot een enkelvoudig orgaan, dat geen andere teekenen van tweevoudigheid vertoont dan een kleine inwendige [67]plooi zooals bij de apen en den mensch. De knaagdieren vertoonen een volledige rij van overgangen tusschen deze beide uitersten. Bij alle zoogdieren ontwikkelt zich de baarmoeder oorspronkelijk uit enkelvoudige buizen, waarvan de onderste deelen de hoornen vormen, en wordt, volgens de woorden van Dr. Farre, „door de samengroeiing van de beide hoornen aan hun benedenste uiteinden het lichaam van de baarmoeder bij den mensch gevormd; terwijl bij die dieren, bij welke geen middelste gedeelte of lichaam bestaat, de hoornen onverbonden blijven. Naarmate de ontwikkeling der baarmoeder voortgaat, worden de beide hoornen hoe langer hoe korter, tot zij ten laatste geheel verdwijnen, of zich als het ware in het lichaam van de baarmoeder oplossen.” Zelfs op zulk een hoogen ontwikkelingstrap als die der lagere apen en hun verwanten, de Lemuriden, zijn de hoeken van de baarmoeder nog tot hoornen verlengd.

Nu zijn bij vrouwen anomalieën niet zeer zeldzaam, waarbij de volwassen baarmoeder van hoornen voorzien of gedeeltelijk in twee organen verdeeld is; en dergelijke gevallen herhalen, volgens Owen, „in hun ontwikkeling den graad van concentratie” die door sommige knaagdieren wordt bereikt. Hier hebben wij misschien een voorbeeld van een eenvoudigen stilstand in de ontwikkeling van den embryo, met voortgaanden groei en volledige geschiktwording van het orgaan voor zijn functie; want elke zijde van de gedeeltelijke dubbele baarmoeder is geschikt om bij de zwangerschap haar eigenaardige taak te vervullen.

In andere en meer zeldzame gevallen worden twee afgescheiden baarmoederlijke holten gevormd, elk met haar eigen opening en doorgang.39 Deze ontwikkelingstrap wordt door een normaal embryo niet doorloopen, en het is moeielijk te gelooven, ofschoon het misschien niet onmogelijk is, dat twee eenvoudige, kleine, primitieve buisjes de kunst zouden verstaan (als ik mij zoo eens mag uitdrukken) om zich te ontwikkelen tot twee afgescheiden baarmoeders, elk met een goed gevormde opening en doorgang, en beide voorzien van talrijke spieren, zenuwen, klieren en vaten, als zij niet vroeger een dergelijken ontwikkelingsgang hadden doorloopen, zooals bij de tegenwoordig levende buideldieren het geval is. Niemand zal beweren, dat een zoo volkomen orgaan als de abnormale dubbele baarmoeder bij de vrouw alleen als [68]een gevolg van het toeval kan worden beschouwd. Het beginsel van atavisme, waardoor sinds lang verloren en om zoo te zeggen slapende kenmerken opnieuw in het leven worden teruggeroepen, zou echter de volkomen ontwikkeling van het orgaan kunnen verklaren, zelfs wanneer een ontzaglijk lange tijd was verloopen sedert die ontwikkelingswijze normaal bij de voorouders van den mensch voorkwam.

Professor Canestrini40 komt, na het voorgaande en verschillende dergelijke gevallen te hebben besproken, tot het zelfde besluit waartoe ik zooeven kwam. Hij voegt er, als een ander voorbeeld, het jukbeen bij, dat bij sommige vierhandige en andere zoogdieren normaal uit twee deelen bestaat. Dit is ook het geval bij den menschelijken foetus van twee maanden; en ook soms door stilstand in de ontwikkeling bij den volwassen mensch, meer in het bijzonder bij de lagere prognathische rassen. Hieruit besluit Canestrini, dat bij den eenen of anderen vroegeren voorvader van den mensch dit been normaal uit twee deelen bestond, die later met elkander tot één geheel vergroeiden. Bij den mensch bestaat het voorhoofdsbeen uit één stuk, maar bij den embryo en bij kinderen, en bij bijna alle lagere zoogdieren bestaat het uit twee stukken, die door een afzonderlijken naad worden gescheiden. Deze naad blijft soms bij den volwassen mensch min of meer duidelijk bestaan en veelvuldiger bij oude dan bij nieuwere schedels, vooral, zooals Canestrini heeft opgemerkt, bij die, welke uit het diluvium zijn opgegraven en tot het brachycephale type behooren. Hij komt hier weder tot het zelfde besluit als in het overeenkomstige geval van de jukbeenderen. In dit en in andere gevallen die wij hier [69]moeten mededeelen, schijnt de reden dat oude rassen in sommige kenmerken veelvuldiger tot de lagere dieren naderen dan de nieuwere rassen, te zijn, dat deze laatste in de lange lijn van afstamming op een iets grooter afstand staan van hun voormalige half-menschelijke voorouders.

Verschillende andere anomalieën bij den mensch, meer of min met de voorgaande overeenkomende, zijn door verschillende schrijvers41 voor atavismen verklaard; maar deze schijnen niet weinig twijfelachtig, want wij moeten uiterst laag in de reeks der zoogdieren afdalen, vóór wij dergelijke vormen normaal aanwezig vinden.

Bij den mensch zijn de hoektanden werktuigen die volkomen geschikt zijn voor het kauwen. Dat zij echter werkelijk met de hondstanden van andere zoogdieren overeenkomen, wordt, zooals Owen42 opmerkt, „aangetoond door de kegelvormige kroon, die in een stompe punt eindigt, aan de buitenzijde bol, aan de binnenzijde plat of eenigszins hol is, aan de basis van welk oppervlak een geringe verhevenheid is. De kegelvorm is het best uitgedrukt bij de Melanesische rassen, vooral bij het Nieuw-Hollandsche. De hoektand is dieper en met een sterker wortel ingeplant dan de snijtanden.” Desniettemin dient deze tand den mensch niet meer als een bijzonder wapen om zijn vijanden of zijn prooi vaneen te scheuren; hij kan dus, voor zoover zijn eigenlijke bestemming aangaat, als rudimentair worden beschouwd. In iedere groote verzameling van menschelijke schedels kan men er enkele vinden43, waarvan de hoektanden aanmerkelijk boven de andere [70]uitsteken op de zelfde wijze maar in mindere mate, dan bij de anthropomorphen. In deze gevallen bevinden zich tusschen de tanden van de eene kaak open plaatsen tot opneming van de hoektanden der andere kaak. Bij een door Wagner afgebeelden Kafferschedel merkt men een verbazend groote dergelijke tusschenruimte op.44 Wanneer men in aanmerking neemt, hoe weinig oude schedels in vergelijking met nieuwere schedels bestudeerd zijn, is het een belangrijk feit, dat in ten minste drie gevallen de hoektanden sterk uitsteken, en bij de kaak van la Naulette zijn zij, naar men zegt, zeer groot.45

Bij de anthropomorphe apen hebben alleen de mannetjes volkomen ontwikkelde hondstanden; maar bij den vrouwelijken gorilla en in mindere mate bij den vrouwelijken orang steken deze tanden aanmerkelijk boven de andere uit; het feit, dat vrouwen, zooals men mij heeft verzekerd, sterk uitstekende hoektanden hebben, is daarom geen ernstige tegenwerping tegen het geloof, dat hun nu en dan voorkomende groote ontwikkeling bij den mensch een geval van atavisme, van terugkeer tot de kenmerken van een op een aap gelijkenden voorvader is. Hij die met verachting het geloof verwerpt, dat de gedaante van zijn eigen hoektanden en hun nu en dan waargenomen groote ontwikkeling bij andere menschen daardoor worden veroorzaakt, dat onze vroegere voorouders van deze vreeselijke wapens voorzien zijn geweest, zal waarschijnlijk zijn afkomst duidelijk toonen door den neus op te trekken. Want hoewel hij noch het voornemen, noch het vermogen meer heeft om deze tanden als wapenen te gebruiken, zal hij onbewust zijn bromspieren, zooals Sir Bell46 ze noemt, optrekken, even alsof hij ze voor den aanval wilde ontblooten gelijk een hond, die zich voorbereidt tot het gevecht.

Vele spieren die aan de apen of andere zoogdieren eigen zijn, komen soms ook bij den mensch in ontwikkelden toestand voor. Professor Vlacovich47 onderzocht veertig mannelijke lijken, en vond bij negentien daarvan een spier, door hem musculus ischio-pubicus genoemd; bij drie andere was er een band welke deze spier vertegenwoordigde; en bij de overige achttien geen spoor daarvan. Dertig vrouwelijke lijken onderzoekende, vond hij, dat alleen bij twee daarvan deze spier aan [71]beide zijden ontwikkeld was, maar bij drie andere bestond de rudimentaire band. Deze spier schijnt daarom veel algemeener te zijn bij de mannelijke dan bij de vrouwelijke sekse, en wanneer men het beginsel der afstamming van den mensch van dezen of genen lageren vorm aanneemt, kan haar tegenwoordigheid worden begrepen; want zij is bij verschillende lagere dieren ontdekt, en bij deze allen dient zij uitsluitend om het mannetje bij de paring behulpzaam te zijn.

De heer J. Wood heeft in zijne gewichtige reeks verhandelingen48 een groot aantal wijzigingen van het spierstelsel bij den mensch, die op de normale inrichting daarvan bij lagere dieren gelijken, nauwkeurig beschreven.

Wanneer men alleen de spieren beschouwt welke volkomen gelijken op die, welke bij onze naaste verwanten, de apen, steeds voorkomen, zijn zij nog te talrijk om hier zelfs maar te worden opgenoemd. Bij een enkel mannelijk lijk, dat een sterken lichaamsbouw en welgevormden schedel bezat, werden niet minder dan zeven wijzigingen in het spierstelsel waargenomen, die allen geheel overeenkwamen met spieren welke aan verschillende soorten van apen eigen zijn. Deze man had b.v. aan beide zijden van zijn hals een waren en krachtigen „levator claviculae”, zooals die bij alle aapsoorten wordt gevonden, en welke, naar men zegt, bij één van de zestig menschen voorkomt.49 Daarenboven had die man „een bijzondere afvoerende spier van het middelhandsbeen der pink”, die, zooals Prof. Huxley en de heer Flower hebben aangetoond, bij de hoogere en lagere apen standvastig voorkomt. Ik wil er nog twee gevallen bijvoegen; de musculus acromio-basilaris wordt bij alle zoogdieren die beneden den mensch staan, gevonden, en [72]schijnt in verband te staan met een viervoetigen gang, en hij komt voor bij omstreeks één van de zestig menschen. In de onderste ledematen vond de heer Bradley een abductor ossis metatarsi quinti in beide voeten van den mensch; deze spier was tot dien tijd toe bij den mensch niet opgeteekend, maar is altijd aanwezig bij de anthropomorphe apen. De handen en armen van den mensch vertoonen in hooge mate een eigenaardig maaksel; maar hun spieren zijn uiterst onderhevig aan wijzigingen waardoor zij op de overeenkomstige spieren bij de lagere dieren gaan gelijken.50 Dergelijke gelijkenissen zijn of volledig en volmaakt of onvolmaakt, en vormen in dit laatste geval blijkbaar overgangen. Sommige wijzigingen zijn meer algemeen bij den man en andere bij de vrouw, zonder dat wij in staat zijn hiervan de oorzaak aan te wijzen. De heer Wood maakt, na verscheidene gevallen te hebben beschreven, de volgende belangrijke opmerking:

„Aanmerkelijke afwijkingen van het gewone type van het spierstelsel loopen in lijnen of richtingen, die men moet onderstellen, dat eenigen onbekenden factor aanduiden die hoogst belangrijk is voor een begrijpelijke kennis van algemeene en wetenschappelijke ontleedkunde.”51

Dat deze onbekende factor atavisme of terugkeer tot een vroegeren toestand van bestaan is, mag men voor hoogst waarschijnlijk houden. Het is volkomen ongeloofelijk, dat een mensch door zuiver toeval in de abnormale ontwikkeling van niet minder dan zeven zijner spieren op zekere apen zou gelijken, indien er geen bloedverwantschap tusschen hen bestond. Indien daarentegen de mensch afstamt van een [73]of ander op een aap gelijkend wezen, kan er geen gegronde reden worden opgegeven, waarom sommige spieren niet plotseling opnieuw zouden verschijnen na een tusschenruimte van vele duizenden generaties, op de zelfde wijze als bij paarden, ezels en muildieren donker gekleurde strepen plotseling opnieuw verschijnen op de pooten en schouders na een tusschenruimte van honderden of waarschijnlijker duizenden geslachten.

Deze verschillende gevallen van atavisme zijn zoo nauw verwant met die van rudimentaire organen, in het eerste hoofdstuk medegedeeld, dat het bij velen van hen onverschillig zou zijn geweest, in welk der beide hoofdstukken zij werden besproken. Zoo kan men zeggen, dat een van hoornen voorziene menschelijke baarmoeder in rudimentairen staat den normalen toestand van het zelfde orgaan bij sommige zoogdieren vertegenwoordigt. Sommige deelen die bij den mensch rudimentair zijn, zooals het koekoeksbeen bij beide seksen en de tepels bij de mannelijke sekse, zijn altijd tegenwoordig, terwijl andere, zooals het foramen supra condyloideum alleen nu en dan verschijnen, en daarom onder de afdeeling atavisme zouden kunnen zijn gebracht. Deze verschillende atavistische vormingen verraden, even goed als de strikt rudimentaire, ’s menschen afstamming van dezen of genen lagen vorm op onmiskenbare wijze. (6)

Correlatie.—Bij den mensch zoowel als bij de lagere dieren bestaat er een zoo innig verband tusschen vele organen, dat als het eene deel afwijkingen vertoont, ook het andere dit doet, zonder dat wij daarvan in de meeste gevallen de oorzaak kunnen aangeven. Wij kunnen niet zeggen of het eene deel het andere bestuurt, dan wel of beide door eenig vroeger ontwikkeld deel worden bestuurd. I. Geoffroy drukt er herhaaldelijk op, dat er tusschen verschillende monstruositeiten een dergelijk innig verband bestaat.

Vooral homotype deelen veranderen dikwijls tegelijkertijd, zooals wij zien aan de tegenovergestelde lichaamshelften, en aan de bovenste en onderste ledematen, Meckel merkte reeds voor langen tijd op, dat wanneer de spieren van den arm van haar gewoon type afwijken, zij bijna altijd die van het been nabootsen, en evenzoo gaat het omgekeerd met de spieren van het been. De zintuigen van het gezicht en het gehoor, de tanden en de haren, de kleur der huid en van het haar, de kleur en het gestel staan op de zelfde wijze min of meer met elkander in verband.52 [74]Prof. Schaaffhausen vestigde het eerst de aandacht op de betrekking, die er blijkbaar bestaat tusschen een gespierden lichaamsbouw en sterk ontwikkelde wenkbrauwbogen, die zoo kenmerkend zijn voor de lagere menschenrassen.

Behalve de wijzigingen, die met meer of minder waarschijnlijkheid tot de voorgaande afdeelingen kunnen worden gebracht, is er nog een groote klasse van wijzigingen, die men spontane zou kunnen noemen, want ten gevolge onzer onwetendheid ontstaan zij schijnbaar zonder eenige aanleidende oorzaken. Men kan echter bewijzen, dat dergelijke wijzigingen, hetzij zij bestaan in geringe individueele verschillen of in sterk in het oog vallende en plotselinge afwijkingen van maaksel, veel meer afhangen van het gestel van het organisme dan van den aard der levensvoorwaarden waaraan het onderworpen is geworden.53

Bedrag van den aanwas der bevolking.—Er zijn voorbeelden bekend van beschaafde volken, b.v. in de Vereenigde Staten, die hun aantal in vijf-en-twintig jaren hebben verdubbeld; en volgens een berekening van Euler zou dit in iets meer dan twaalf jaren kunnen geschieden.54 Volgens de eerste verhouding zou de tegenwoordige bevolking der Vereenigde Staten, namelijk dertig millioen menschen (7), in 657 jaar den geheelen aardbol, zoowel het land als den oceaan, zoo dicht bedekken, dat op elk viertal vierkante meters negentien menschen zouden moeten staan. Het voornaamste of fundamenteele beletsel tegen de voortdurende vermeerdering van het menschelijk geslacht is de moeielijkheid om zijn levensonderhoud te verkrijgen en op aangename wijze te leven. Dat dit het geval is, mogen wij afleiden uit hetgeen wij b.v. in de Vereenigde Staten zien, waar het levensonderhoud gemakkelijk te verkrijgen en waar overvloed van ruimte is. Indien in Groot-Brittannië plotseling het levensonderhoud tweemaal gemakkelijker was te verkrijgen en de ruimte verdubbelde, zou ook het aantal Engelschen en Schotten spoedig verdubbeld zijn. Bij beschaafde volken werkt het bovengenoemde voornaamste beletsel voornamelijk door het aantal huwelijken te beperken. Ook de groote sterfte van kinderen in de armste klassen is zeer [75]belangrijk, zoowel als de grootere sterfte op alle leeftijden en aan verschillende ziekten der bewoners van overbevolkte en slecht ingerichte huizen. De uitwerkselen van vreeselijke epidemieën en oorlogen worden spoedig vereffend, en meer dan vereffend, bij volken die onder gunstige voorwaarden zijn geplaatst. Bij de uiterst arme klassen werkt ook de landverhuizing als een tijdelijk beletsel, maar op niet zeer uitgebreide wijze.

Er bestaat reden om te vermoeden, zooals Malthus heeft opgemerkt, dat de vruchtbaarheid tegenwoordig geringer is bij wilde dan bij beschaafde rassen. Wij weten daarvan niets met zekerheid, want bij wilden bestaan geen volkstellingen; maar volgens de overeenstemmende getuigenissen van zendelingen en anderen, die lang bij dergelijke volken hebben gewoond, schijnen hun huisgezinnen gewoonlijk klein en slechts zelden groot te zijn. Dit moet, naar men beweert, wellicht daaraan worden toegeschreven, dat de vrouwen de kinderen gedurende zeer langen tijd zoogen; maar het is zeer waarschijnlijk, dat wilden, die dikwijls vele vermoeienissen doorstaan, en niet zooveel voedzame spijs krijgen als beschaafde menschen, tegenwoordig minder vruchtbaar zijn. Ik heb in een vroeger werk55 aangetoond, dat al onze tamme zoogdieren en vogels, en al de planten die wij verbouwen, vruchtbaarder zijn dan de overeenkomstige soorten in den natuurstaat. Het is geen gegronde tegenwerping tegen dit besluit, dat dieren als men ze plotseling van een overvloed van voedsel voorziet of vetmest, en dat de meeste planten, als men ze zeer plotseling uit een zeer schralen in een zeer vetten bodem overplant, min of meer onvruchtbaar worden. Wij konden daarom verwachten, dat beschaafde volken, die in zekeren zin in hooge mate getemd zijn, vruchtbaarder zouden zijn dan wilden. Het is ook waarschijnlijk, dat de vermeerderde vruchtbaarheid van beschaafde volken, evenals bij onze tamme dieren een erfelijk kenmerk zou worden; het is ten minste bekend, dat bij den mensch de aanleg om tweelingen voort te brengen, in sommige families erfelijk is.56

Niettegenstaande wilden minder kinderen schijnen voort te brengen dan beschaafde menschen, zouden zij ongetwijfeld snel vermeerderen, indien hun aantal niet door sommige oorzaken krachtig werd beperkt. De Santali-stammen, die de heuvels van Indië bewonen, hebben voor [76]korten tijd een goed bewijs daarvan geleverd; want de heer Hunter57 heeft aangetoond, dat hun aantal in buitengewone mate is toegenomen, sedert de koepokinenting bij hen is ingevoerd, andere besmettelijke ziekten zijn getemperd en de oorlog krachtig is bedwongen. Die toeneming zou echter niet mogelijk zijn geweest, wanneer deze ruwe menschen zich niet in de naburige districten verspreid en zich daar als werklieden hadden verhuurd. Wilden huwen bijna altijd, maar nemen daarbij een soort van voorzichtig zelfbedwang in acht; want zij huwen gewoonlijk niet op den jongstmogelijken leeftijd. Men eischt dikwijls van de jonge mannen het bewijs, dat zij een vrouw kunnen onderhouden, en over het algemeen moeten zij eerst den prijs verdienen, dien zij voor haar aan haar ouders moeten betalen. Bij wilden beperkt de moeielijkheid om voedsel te verkrijgen hun aantal op een veel meer rechtstreeksche wijze dan bij beschaafde menschen; want alle stammen hebben periodiek zware hongersnooden door te staan. In zulke tijden zijn de wilden genoodzaakt veel slecht voedsel te verslinden, en het kan bijna niet missen, dat hun gezondheid hierdoor wordt benadeeld. Vele verhalen zijn medegedeeld van hun hangbuiken en vermagerde ledematen na en gedurende hongersnooden. Zij zijn dan ook genoodzaakt veel rond te trekken, terwijl hun kinderen, naar men mij in Nieuw-Holland verzekerde, in grooten getale omkomen. Daar de hongersnooden periodiek zijn, omdat zij voornamelijk van de jaargetijden afhangen, moet het aantal zielen van alle stammen beurtelings af- en toenemen. Hun aantal kan niet voortdurend en regelmatig vermeerderen, omdat er geen kunstmatige vermeerdering van den voorraad voedsel plaats vindt. Door den nood gedrongen, overschrijden de wilden elkanders grondgebied, waarvan oorlog het gevolg is; maar zij zijn werkelijk bijna voortdurend in oorlog met hun naburen. Zij zijn aan vele ongelukken te land en te water blootgesteld bij hun zoeken naar hun voedsel, en in sommige landen hebben zij veel te lijden van de groote roofdieren. Zelfs in Indië zijn geheele districten ontvolkt geworden door de verwoestingen van tijgers.

Malthus heeft deze verschillende beletsels van hun vermeerdering besproken; maar hij hecht niet genoeg gewicht aan dat, hetwelk waarschijnlijk het belangrijkste van allen is, namelijk kindermoord, vooral van vrouwelijke kinderen, en de gewoonte om miskraam te [77]verwekken. Deze practijken heerschen nog heden in vele deelen der wereld, en in vroegeren tijd schijnt de kindermoord, zooals de heer M’Lennan58 heeft aangetoond, op nog uitgebreider schaal plaats te hebben gehad. De oorzaak van deze practijken schijnt te zijn geweest, dat de wilden de moeielijkheid of liever de onmogelijkheid inzagen om alle kinderen die werden geboren, te onderhouden. Bij de voorgaande beletsels kan ook de losbandigheid worden gevoegd, maar deze is niet het gevolg van het gebrek aan levensmiddelen; er bestaat echter reden om aan te nemen, dat zij in sommige gevallen (zooals in Japan) met voordacht is aangemoedigd als een middel om den aanwas der bevolking tegen te gaan.

Als wij terugzien tot een uiterst lang geleden tijdvak, moet de mensch, voor hij tot de menschelijke waardigheid was opgeklommen, meer door instinkt en minder door rede zijn geleid, dan de tegenwoordige wilden. Onze vroege half-menschelijke voorouders moeten geen kindermoord hebben bedreven; want de instinkten der lagere dieren zijn nooit zoo verdorven, dat zij hen geregeld leiden tot de vernietiging van hun eigen kroost. Geen voorzichtig zelfbedwang moet het aantal huwelijken hebben beperkt, en de beide seksen moeten zich op jeugdigen leeftijd vrijelijk hebben vermengd. Daartoe moet bij de voorouders van den mensch een streven naar snelle vermeerdering zijn ontstaan; maar beletsels van den eenen of anderen aard, hetzij periodiek of voortdurend werkende, moeten de toeneming van hun getal nog krachtiger hebben tegengegaan dan bij de tegenwoordige wilden. Van welken aard deze beletsels eigenlijk zijn geweest, kunnen wij evenmin zeggen als bij de meeste andere dieren. Wij weten, dat paarden en hoornvee, die geen zeer vruchtbare dieren zijn, toen zij voor het eerst in Z.-Amerika waren losgelaten, zich verbazend hebben vermeerderd. De olifant, die zich het langzaamst van alle bekende dieren voortplant, zou in weinige duizendtallen van jaren de geheele wereld bevolken. De vermeerdering van elke aapsoort moet door de eene of andere oorzaak worden tegengegaan, maar niet, zooals Brehm opmerkt, door de aanvallen van roofdieren. Niemand zal beweren, dat het voortplantingsvermogen der wilde paarden en van het hoornvee van Amerika in den beginne in eenige merkbare mate toenam, of dat, naarmate elke landstreek dicht werd bevolkt, dit zelfde vermogen afnam. Ongetwijfeld [78]werken in dit geval en in alle andere vele beletselen samen, en de aard dier beletsels verschilt naar omstandigheden; de belangrijkste van alle zijn waarschijnlijk periodieke hongersnooden, veroorzaakt door ongunstige jaargetijden. Evenzoo zal het zijn gegaan met de vroege voorouders van den mensch.

Natuurlijke teeltkeus.—Wij hebben nu gezien, dat de mensch variabel is naar lichaam en geest, en dat die veranderingen, hetzij direct of indirect, het gevolg zijn van de zelfde algemeene oorzaken en aan de zelfde algemeene wetten gehoorzamen als bij de lagere dieren. De mensch heeft zich wijd en zijd over den aardbodem verspreid en moet gedurende zijn onophoudelijke verhuizingen59 aan de meest verschillende levensvoorwaarden zijn onderworpen geweest. De bewoners van Vuurland, de Kaap de Goede Hoop en van Diemensland in het eene halfrond en die der poolstreken in het andere, moeten vele luchtstreken zijn doorgetrokken, en hun gewoonten vele malen hebben veranderd, voor zij hun tegenwoordige woonplaats bereikten.60 Bij de vroege voorouders van den mensch moet ook, evenals bij alle andere dieren, de neiging hebben bestaan om in sterkere mate te vermeerderen dan hun voedingsmiddelen; zij moeten daarom somtijds zijn blootgesteld geweest aan een strijd om het leven, en bijgevolg aan de strenge wet der natuurlijke teeltkeus. Voordeelige veranderingen van alle soorten zullen dus, hetzij somtijds, hetzij gewoonlijk, behouden zijn gebleven, en nadeelige te gronde zijn gegaan. Ik bedoel hier niet sterk in het oog springende afwijkingen van maaksel die slechts nu en dan met lange tusschenpoozen verschijnen, maar slechts eenvoudige individueele verschillen. Wij weten b.v., dat bij de spieren onzer handen en voeten die ons vermogen van beweging bepalen, evenals bij die der lagere dieren61 zeer vele individueele verschillen voorkomen. Indien derhalve de op apen gelijkende voorouders van den mensch, welke de eene of andere landstreek bewoonden, vooral wanneer die landstreek eenige verandering in haar toestand onderging, in twee even groote afdeelingen waren verdeeld, [79]dan zou die helft, waartoe al de individu’s behoorden welke door hun vermogen van beweging het best geschikt waren om hun levensonderhoud te verkrijgen of om zich te verdedigen, kans hebben om voor een grooter gedeelte te blijven leven en meer kroost voort te brengen dan de andere minder goed begaafde helft.

De mensch is in den wildsten staat waarin hij nu bestaat, het meest heerschende dier, dat ooit op aarde is verschenen. Hij heeft zich over een grootere uitgestrektheid verspreid dan eenige andere hooggeorganiseerde vorm, en alle andere zijn voor hem teruggeweken. Hij is deze verbazende meerderheid blijkbaar verschuldigd aan zijn verstandelijke vermogens, zijn sociale gewoonten, die er hem toe brengen om zijn makkers te helpen en te verdedigen, en aan zijn lichamelijk maaksel. De hooge belangrijkheid dezer kenmerken is bewezen door de einduitkomst van den strijd om het leven. Door zijn verstandelijke vermogens heeft zich de gearticuleerde spraak ontwikkeld; en hiervan heeft voornamelijk zijn verwonderlijke vooruitgang afgehangen. Hij heeft verschillende wapenen, werktuigen, vallen enz. uitgevonden, en is in staat die te gebruiken tot zijn verdediging, om zijn prooi te dooden of te vangen en zich op andere wijzen voedsel te verschaffen. Hij heeft vlotten of kano’s gemaakt om daarin te visschen of naar naburige vruchtbare eilanden over te steken. Hij heeft de kunst uitgevonden om vuur te maken, waardoor harde en vezelige wortels verteerbaar en vergiftige wortels en kruiden onschadelijk kunnen worden gemaakt. Deze laatste uitvinding, waarschijnlijk, met uitzondering der spraak, de grootste, die ooit door den mensch is gedaan, dagteekent van vóór de morgenschemering der geschiedenis. Deze verschillende uitvindingen, waardoor de mensch in den meest onbeschaafden staat zoo machtig is geworden, zijn het rechtstreeksche gevolg van de ontwikkeling zijner vermogens van waarneming, geheugen, nieuwsgierigheid, verbeeldingskracht en rede. Ik kan daarom niet begrijpen, hoe de heer Wallace62 kan volhouden, dat: [80]„de natuurlijke teeltkeus den wilde slechts zou hebben kunnen begiftigen met hersenen, niet veel meer ontwikkeld dan die van een aap.”

Hoewel de verstandelijke vermogens en sociale gewoonten van den mensch hoogst belangrijk voor hem zijn, moeten wij echter ook de belangrijkheid van zijn lichamelijk maaksel niet gering schatten, aan welk onderwerp het nog overige gedeelte van dit hoofdstuk zal zijn gewijd. De ontwikkeling van de verstandelijke en sociale of zedelijke vermogens zal in het volgende hoofdstuk worden besproken.

Zelfs om een hamer met juistheid te gebruiken, is geen gemakkelijke zaak, zooals ieder die timmeren heeft geleerd, zal toegeven. Om met een steenworp zoo juist het doel te treffen als zulks een Vuurlander kan, wanneer hij zich verdedigt of vogels doodt, vereischt de volledigste bedrevenheid in het gezamenlijk gebruik van de spieren, de hand, den arm en den schouder, om van fijn tastgevoel niet te spreken. Bij het werpen met een steen of speer en bij vele andere handelingen moet iemand vast op zijn voeten staan, en dit vereischt weder de volkomene samenwerking van verscheidene spieren. Uit een stuk vuursteen het ruwste werktuig te hakken, of met een been een van weêrhaken voorziene speer of haak te vormen, vereischt het gebruik van een volkomen gevormde hand; want, zooals een zeer bevoegd rechter, de heer Schoolcraft63 opmerkt, bewijst het vervaardigen van messen, lansen of pijlpunten uit stukjes steen: „buitengewone bekwaamheid en langdurige oefening.” Wij nebben een bewijs hiervan in het feit, dat de oorspronkelijke mensch de verdeeling van den arbeid toepaste; ieder man vervaardigde niet zijn eigen vuursteenen werktuigen of grof aardewerk, maar bepaalde individu’s schijnen zich met dergelijk werk te hebben beziggehouden, en ontvingen ongetwijfeld de opbrengst van de jacht in ruil. De oudheidkundigen zijn overtuigd, dat een verbazend lange tijd moet zijn verloopen vóór onze voorouders op het denkbeeld kwamen, hun ruw bewerkte vuursteenen werktuigen te slijpen en te polijsten. [81]Het valt moeielijk te betwijfelen, dat een op een mensch gelijkend dier, dat in het bezit was van een hand en arm, volkomen genoeg om een steen met juistheid te werpen of een vuursteen in een ruw werktuig te vervormen, als het zich voldoende oefende, bijna alles zou kunnen maken, voor zoover daarvoor slechts werktuigelijke behendigheid wordt vereischt, wat een beschaafd man kan maken. In dit opzicht zou men het maaksel der hand kunnen vergelijken met dat der stemorganen, welke bij de apen worden gebruikt tot het voortbrengen van verschillende signaalkreten, of, zooals bij één soort, van muzikale tonen, terwijl bij den mensch geheel overeenkomstige stemorganen door de overgeërfde gevolgen van het gebruik geschikt zijn geworden tot het voortbrengen van een gearticuleerde spraak.

Als wij ons nu wenden tot die dieren, welke het nauwst met den mensch verwant zijn en ons daarom het best een voorstelling geven van onze vroege voorouders, dan vinden wij, dat bij de apen de handen volgens het zelfde algemeene model gebouwd zijn als bij ons, maar dat zij veel minder volkomen ingericht zijn voor verschillende gebruiken. Hun handen zijn minder goed geschikt om te loopen dan de pooten van een hond, zooals men kan zien aan die apen, welke op den buitenrand van de inwendige vlakte hunner handen, of op de knokkels van hun omgebogen vingers loopen, zooals de chimpanzee en orang.64 Hun handen zijn echter bewonderenswaardig goed geschikt om de boomen te beklimmen. De apen grijpen dunne takken of touwen met den duim aan de eene zijde en de vingers en de binnenvlakte der hand aan de andere zijde, evenals wij zulks doen. Zij kunnen evenzoo ook tamelijk dikke voorwerpen, zooals den hals eener flesch, naar den bek brengen. De bavianen keeren met hun handen steenen om en graven er wortels mede op. Zij pakken noten, insekten en andere kleine voorwerpen tusschen hun duim en vingers en halen ongetwijfeld op de zelfde wijze eieren en de jongen uit de nesten der vogels. De Amerikaansche apen slaan de wilde oranjeappelen tegen de takken, tot de schil barst, en pellen die dan met de vingers van beide handen af. Andere apen openen mosselschelpen met hun beide duimen. Met hun vingers trekken zij dorens en stekels uit en maken zij jacht op elkanders luizen.

In den natuurstaat breken zij harde vruchten met behulp van steenen. Zij rollen steenen naar beneden, of werpen daarmede naar hun vijanden; [82]zij volbrengen echter deze verschillende handelingen hoogst onhandig, en zij zijn, zoo als ik zelf heb gezien, volstrekt niet in staat om een steen met juistheid te werpen.65

Het schijnt mij verre van waar, dat, omdat „de voorwerpen door apen op onhandige wijze worden aangegrepen, een veel minder volkomen grijpwerktuig” hun evenveel dienst zou hebben bewezen, als hun tegenwoordige handen. Van den anderen kant zie ik geen reden om te twijfelen, dat een op meer volkomen wijze ingerichte hand voordeelig voor hen zou zijn geweest, mits, en het is belangrijk dit aan te teekenen, hun handen daardoor niet minder geschikt werden gemaakt om in de boomen te klimmen. Wij mogen vermoeden, dat een volmaakte hand nadeelig voor het klimmen zou zijn geweest, daar die apen, welke het meest uitsluitend in de boomen leven, namelijk Ateles in Amerika en Hylobates in Azië, hetzij zeer verkleinde en zelfs rudimentaire duimen, of gedeeltelijk samengegroeide vingers hebben, zoodat hun handen in eenvoudige grijphaken zijn veranderd.66

Zoodra het eene of andere voormalige lid van de groote reeks der Primaten er door een verandering in zijn wijze om zich voedsel te verschaffen of door een verandering in den toestand van zijn geboorteland toe kwam om wat minder in de boomen en wat meer op den grond te leven, moest zijn manier van loopen worden gewijzigd, en in dit geval moest hij hetzij meer volkomen viervoetig of tweevoetig worden. De bavianen bezoeken dikwijls heuvelachtige en rotsachtige landstreken en beklimmen alleen uit noodzakelijkheid hooge boomen67; en zij hebben bijna den gang van een hond verkregen. De mensch alleen is tweevoetig geworden, en wij kunnen, dunkt mij, gedeeltelijk nagaan, hoe hij zijn opgerichten gang heeft verkregen, die een der meest aanmerkelijke verschillen tusschen hem en zijn naaste verwanten vormt. De mensch zou zijn tegenwoordige heerschersplaats in de wereld niet hebben kunnen verkrijgen zonder het gebruik zijner handen, die zoo bewonderenswaardig geschikt zijn om de bevelen van zijn wil [83]uit te voeren. Zooals Sir G. Bell opmerkt, „vervangt de hand alle werktuigen en geeft door haar gemeenschap met het verstand den mensch heerschappij over alles.”68 De handen en armen konden echter moeilijk volmaakt genoeg worden om er wapenen mede te vervaardigen, of om er steenen en speren met juistheid mede naar een doelwit te werpen, zoolang zij gewoonlijk werden gebruikt om op te loopen en het geheele gewicht van het lichaam te dragen, of zoolang zij, zooals reeds hierboven opgemerkt is, voornamelijk waren ingericht om goed in de boomen te klimmen. Zulk een ruwe behandeling zou ook het tastgevoel hebben verstompt, waarvan hun fijner gebruik grootendeels afhangt. Om deze oorzaken alleen zou het reeds een voordeel voor den mensch zijn geweest om een tweevoetig dier te zijn geworden, maar voor vele handelingen is het bijna noodzakelijk, dat beide armen en het geheele lichaam vrij zijn, en daarvoor moest hij stevig op zijn voeten staan. Om dit groote voordeel te verkrijgen, zijn de voeten plat gemaakt en heeft de groote teen een bijzondere wijziging ondergaan, hoewel dit het verlies van het grijpvermogen ten gevolge heeft gehad. Het is overeenkomstig het beginsel van de verdeeling van den physiologischen arbeid, dat in het geheele dierenrijk heerscht, dat, toen de handen zich tot volmaakte grijptuigen ontwikkelden, de voeten zich ontwikkelden tot volmaakte werktuigen om op te staan en te loopen. Bij sommige wilden heeft de voet echter zijn grijpvermogen nog niet geheel verloren, zooals blijkt uit hun wijzen om boomen te beklimmen en uit andere doeleinden, waartoe zij hun voeten gebruiken.69 (8)

Als het een voordeel is voor den mensch zijn handen en armen vrij te hebben en stevig op zijn voeten te staan, en dit kan niet betwijfeld worden wegens den uitnemenden uitslag, waarmede hij den strijd om het leven heeft gestreden, dan kan ik geen reden zien, waarom het voor de voorouders van den mensch niet voordeelig zou zijn geweest om meer en meer rechtopgaand of tweevoetig te worden. Zij zouden daardoor geschikter zijn geworden om zich met steenen of knuppels te [84]verdedigen, om hun prooi aan te vallen, of op andere wijze voedsel te verkrijgen. De best gebouwde individu’s zouden op den langen duur het best zijn geslaagd en in grooter aantal zijn blijven leven. Als de gorilla en eenige weinige verwante vormen waren uitgestorven, zou men met groote kracht en schijnbare waarheid hebben kunnen aanvoeren, dat een viervoetig dier niet trapsgewijze in een tweevoetig kon zijn veranderd, daar alle individu’s in een tusschen die beiden instaanden toestand allerellendigst slecht ingericht zouden zijn geweest voor het loopen. Wij weten echter, en dit is wel waard om er eens over na te denken, dat verschillende soorten van apen tegenwoordig in dien tusschenliggenden toestand verkeeren, en niemand betwijfelt, dat zij over het geheel goed zijn ingericht voor de voorwaarden waaronder zij leven. Zoo loopt de gorilla met een zijdelings wankelenden gang; maar gewoonlijk rust hij bij het loopen op zijn gesloten handen. De langarmige apen gebruiken soms hun armen als krukken, en slingeren hun lichaam tusschen dezelve vooruit, en sommige soorten van Hylobates kunnen, zonder het te hebben geleerd, tamelijk snel rechtop loopen. Zij bewegen zich echter onhandig en met veel minder zekerheid dan de mensch. Wij zien, om kort te gaan, bij de tegenwoordig levende apen verschillende overgangen tusschen een wijze van loopen, volkomen gelijk aan die van een viervoetig dier, en die van een tweevoetig dier of mensch. Toen de voorouders van den mensch rechtopgaande werden, doordat hun handen en armen meer en meer werden gewijzigd om te grijpen en voor andere doeleinden, terwijl hun voeten en beenen tegelijkertijd werden gewijzigd om er goed op te kunnen staan en te loopen, moeten tallooze andere veranderingen van maaksel noodig zijn geweest. Zoo was het noodig, dat het bekken werd verbreed, dat de ruggegraat op bijzondere wijze gekromd (9) en het hoofd in een gewijzigde stelling werd bevestigd, en al deze veranderingen heeft de mensch verkregen. Prof. Schaaffhausen70 beweert, dat „de sterk ontwikkelde tepelvormige uitsteeksels van den menschelijken schedel het gevolg zijn van zijn rechtopgaande houding”; en deze uitsteeksels ontbreken bij den orang, chimpanzee, enz., terwijl zij bij den gorilla kleiner zijn dan bij den mensch. Er zouden hier nog verscheidene andere inrichtingen kunnen worden opgegeven die in verband schijnen te staan met ’s menschen [85]rechtopgaande houding. Het is zeer moeielijk te beslissen, in hoeverre al deze met elkander in verband staande wijzigingen het gevolg der natuurlijke teeltkeus, en in hoeverre zij dat van de overgeërfde gevolgen van het vermeerderde gebruik van een dezer deelen of van de werking van het eene deel op het andere zijn. Ongetwijfeld werken deze oorzaken van verandering op elkander terug. Wanneer b.v. zekere spieren en de uitsteeksels der beenderen waaraan zij zijn bevestigd, door voortdurend gebruik worden vergroot, dan bewijst dit, dat zekere handelingen voortdurend worden volbracht en voordeel moeten aanbrengen. Daardoor zouden de individu’s, die ze het best volbrachten, kans hebben in grooter aantal te blijven leven.