[Inhoud]

AANTEEKENINGEN.

(1) Men zou nog eenige andere voorbeelden van kunstmatige teeltkeus bij den mensch kunnen aanhalen. Bij verscheidene stammen van Roodhuiden in Noord-Amerika heerscht de gewoonte om alle zwakke, ziekelijke of misvormde kinderen dadelijk na de geboorte te dooden, zoodat slechts de krachtige, gezonde en goedgevormde kinderen in leven blijven en zich later kunnen voortplanten. Krijgshaftigheid en krachtige lichamelijke ontwikkeling is het gevolg hiervan. Van de Goajiren, een Indiaanschen stam, die in de nabijheid van het meer van Maracaïbo woont, deelt Elisée Reclus („Revue des Deux Mondes”, 1860, 15 Maart, blz. 438) o.a. het volgende mede: „Comme pour tant d’autres nations sauvages, barbares et civilisées, le mariage n’est le plus souvent chez les Goajires qu’un contrat de vente; mais ce contrat ne s’opère que si l’homme et la femme se conviennent par l’âge et sont également forts et bien faits: les avortons et les infirmes, très rares d’ailleurs, sont impitoyablement condamnés au célibat .… Si le prétendant se fait remarquer entre tous ses compagnons par sa force, sa haute taille et sa grâce, ils lui accordent gratuitement une ou même plusieurs femmes; parfois ils vont jusqu’à lui faire un présent de boeufs, de chevaux, de perles ou de fusils, pour le remercier de l’insigne honneur qu’il leur fait d’entrer dans leur famille. Pour ces hommes la véritable aristocratie est celle de la beauté; la richesse et le pouvoir appartiennent à ceux que la nature a favorisés sous ce rapport. Lorsque le hasard des naufrages jette sur les côtes Goajires quelques matelots étrangers, les Indiens, qui n’ignorent pas l’importance callipédique des croisements bien entendus, retiennent les hommes grands et vigoureux et leur font payer par quelques années de mariage forcé avec deux ou trois belles Goajires l’hospitalité qu’ils leur accordent. Quant aux infortunés matelots affligés par le destin d’une apparence chétive, ils sont dépouillés de leurs vêtements et renvoyés de tribu en tribu jusqu’à Rio Hacha, poursuivis par les huées et les rires.

Ziehier dus een stam, die voorbedachtelijk een kunstmatige teeltkeus op zich zelf toepast, met het doel om schoone lichaamsvormen te verkrijgen, en ook in dit geval gehoorzaamt de mensch, zooals was te verwachten, aan de wetten der stelselmatige teeltkeus. Niet slechts vindt men onder de Goajiren slechts hoogst zeldzaam gebrekkige of misvormde menschen, maar Elisée Reclus geeft (ibid., blz. 437) van hen de volgende beschrijving: „Les Goajires sont admirablement beaux, et je ne crois pas que dans toute l’Amérique on puisse trouver des aborigènes ayant le regard plus fier, la démarche plus imposante et les formes plus sculpturales. Les hommes, toujours drapés à la manière des empereurs Romains dans leur manteau multicolore, attaché par une ceinture bariolée, ont en général la figure ronde comme le soleil, dont leurs frères, les Muyscas, se disent les descendants; ils regardent presque toujours en face d’un air de défi sauvage, et leur lèvre inférieure est relevée par un sourire sardonique. Ils sont forts et gracieux, très habiles à tous les exercices du corps. Leur teint dans la jeunesse est d’un rouge brique beaucoup plus clair que celui des Indiens de San-Blas et des côtes de l’Amérique Centrale; mais il noircit avec l’âge, et dans la vieillesse il ressemble à peu près à la belle couleur de l’acajou .…

.… „Les femmes ont sans exception et jusque dans la vieillesse la plus avancée des formes d’une admirable fermeté et d’une grande perfection de contours; leur démarche est vraiment celle de la déesse, ou plutôt celle de la femme qui vit dans la libre nature et dont la beauté carressée par le [100]soleil, se développe sans entraves. Leurs traits, qui ressemblent à ceux des belles Irlandaises, sont malheureusement défigurés par des bariolages, tracés sur les joues et sur le nez au moyen du roucou89 et simulant assez bien les bésicles de nos bisaieules; mais en dépit de ces grands tracés rouges les sauvages filles du désert n’en frappent pas moins par leur fière et rayonnante beauté, surtout quand elles lancent leurs chevaux rapides à travers la plaine et que le vent rejette en arrière leur longue chevelure.

Bij de hedendaagsche beschaafde naties werken twee soorten van kunstmatige teeltkeus, die, wel verre van de strekking te hebben het ras te verbeteren, het noodzakelijk hoe langer hoe meer moeten doen degenereeren. Haeckel („Natürliche Schöpfungsgeschichte”, 2te Auflage, blz. 153) onderscheidt deze als „Militaire” en „Medicinale” teeltkeus.

In die staten toch, waar de algemeene dienstplicht bestaat, worden jaarlijks alle krachtige, gezonde jonge mannen uit alle kringen der maatschappij uitgezocht en bij het leger ingelijfd, terwijl de zieke, zwakke en gebrekkige individu’s daarvan verschoond blijven. Hoe krachtiger, gezonder, normaler een jongeling is, des te grooter kans heeft hij door repeteergeweren, Kruppkanonnen en mitrailleuses in den bloeitijd zijns levens te worden omgebracht, en om dus niet te kunnen huwen en zich voort te planten. Een groot deel van de gezonde en krachtige mannelijke bevolking blijft, ook in vollen vrede, nog op lateren leeftijd vrijwillig bij het staande leger, huwt niet, en plant zich dus ook niet voort. De zieke, zwakke en gebrekkige individu’s daarentegen blijven gedurende den oorlog t’huis en nemen in vredestijd ook niet vrijwillig dienst bij het staande leger. Hoe ziekelijker, zwakker en misvormder dus een jongeling is, des te meer kans heeft hij om te kunnen huwen en kinderen te krijgen, die krachtens het beginsel der erfelijkheid dikwijls min of meer de gebreken huns vaders zullen overerven. „Wij behoeven ons daarom waarlijk niet te verwonderen”, zegt Haeckel (ibid. blz. 454), „dat werkelijk de lichamelijke en geestelijke zwakheid onzer hedendaagsche beschaafde naties voortdurend toeneemt, en met het sterke, gezonde lichaam ook de vrije, onafhankelijke geest hoe langer hoe zeldzamer wordt.”

Niet alleen de algemeene dienstplicht maar ook, schoon in geringer mate, de conscriptie, ja zelfs eenvoudig het bezit van een staand leger, moet noodwendig de zelfde uitwerking hebben. Hoe oorlogzuchtiger een volk daarenboven is, des te sterker moeten de noodlottige gevolgen van deze Militaire teeltkeus zich doen gevoelen.

Onder Medicinale teeltkeus verstaat Haeckel het feit, dat de geneeskunde, door zwakke en ziekelijke individu’s die volgens den gewonen loop der natuur zouden zijn gestorven, in het leven te houden, hen in de gelegenheid stelt zich voort te planten en hun kwalen en gebreken op hun nakomelingschap over te brengen. In de Geneeskundige Courant van 20 en 27 Febr. 1870 heb ik, zonder met de werken van Haeckel bekend te zijn, op het bestaan dezer medicinale teeltkeus gewezen, en de bijzonder moeilijke baring van vele blanke vrouwen verklaard uit de vorderingen der obstetrie. Ik ben thans van meening, dat ook de seksueele teeltkeus daarbij een groote rol heeft gespeeld.

Als dank zij de ontdekkingen van Prof. Koch de tuberculose, die thans een zevende der sterfgevallen veroorzaakt, en meer andere besmettelijke ziekten zullen zijn verdwenen, zal een groot aantal personen van zwakke constitutie [101]die thans sterven, in leven worden gehouden en een zwak nageslacht voortbrengen. Evenals graan, op allerlei soort van bodem gezaaid, slechts op bepaalde soorten van bodem opkomt en slechts op enkele zich welig ontwikkelt, worden natuurlijk thans veel meer personen onbewust met de kiemen der tuberkelbacillen enz. besmet, dan er werkelijk tuberculose enz. krijgen, juist bij de personen met erfelijke praedispositie tot die ziekten, en bij tuberculose zijn dit vermoedelijk meestal menschen met een zwak gestel, ontwikkelen zich de kiemen en treden de bacillen verwoestend op. Hoe zegenrijk ook voor de zieke individu’s en hun naaste verwanten zullen Koch’s ontdekkingen door de uitwieding (sit venia verba) van zwakke individu’s tegen te gaan die thans door de tuberkelbacillen enz. plaats heeft, o.i. op den duur waarschijnlijk niet bevorderlijk zijn aan de krachtige en gezonde ontwikkeling van het menschelijk geslacht. Zij schijnen ons een uitnemend voorbeeld van Medicinale teeltkeus, die niet tot verbetering maar tot achteruitgang van het ras leidt.

Nuchter en onbevooroordeeld beschouwd, is het dus twijfelachtig of die ontdekkingen een voordeel voor het menschdom als geheel beschouwd, zullen blijken te zijn.

Men zou de noodlottige gevolgen der Medicinale teeltkeus kunnen tegengaan door eenvoudig aan alle zwakke, ziekelijke en misvormde individu’s het huwelijk te verbieden.

(2) Men vergelijke wat in mijn aanteekening op Hoofdstuk XII van „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 529, wordt medegedeeld omtrent de Beronazono’s van Madagascar; men vergelijke echter tevens wat op blz. 530 en elders in mijn aanteekeningen op het Varieeren, omtrent de erfelijkheid van verworven eigenschappen wordt gezegd.

(3) Tot de merkwaardigste physiologische verschijnselen behooren de uitingen van den smaak- en den reukzin, hoezeer we hieraan door dagelijksche ondervinding gewoon zijn.

Het is vrijwel bekend, dat sommige personen een zeer fijnen smaak hebben en evenzoo, dat die door aanhoudende oefening nog buitengewoon verfijnd kan worden. Maar ook zonder opzettelijke vorming is de gevoeligheid der smaakzenuwen zeer groot. Men denke slechts aan de kieskeurigheid van kleine kinderen, die reeds op zeer jeugdigen leeftijd geitemelk van koemelk, gekookte van ongekookte melk onderscheiden, die dadelijk proeven als er geneesmiddelen in hun voedsel zijn gedaan, hoe weinig smaak deze ook mogen hebben, en het voedsel dan weigeren, en dit op een leeftijd dat andere geestelijke eigenschappen nog in ’t geheel niet zijn ontwikkeld.

Nog oneindig fijner dan de smaak is de reuk. Wij kunnen daarmede de aanwezigheid van stoffen waarnemen, die in zulke uiterst geringe hoeveelheden aanwezig zijn, dat in vergelijking van de ruikproef alle nadere chemische reacties niets beteekenen. Een kleine berekening zal dit duidelijk maken.

Tien kilogram rozen leveren bij destillatie ongeveer een gram rozenolie; daar één roos hoogstens 2 gram weegt, bevat zij slechts het 5000ste deel van een gram en dus een half milligram aetherische olie. Deze olie moet nu voortdurend vervluchtigen om voor onzen neus merkbaar te zijn. Nemen we aan dat een roos in 50 uur haar geur verliest, dan wordt het vervliegen van dat halve milligram rozenolie verdeeld over 3000 minuten. In elke minuut staat dus de roos 0.00017 milligram aetherische olie af. Nu weet ieder dat er veel minder dan een minuut noodig is om een roos aan haar geur te herkennen; ja wat meer zegt, het verschil in geur bij de rozenvariëteiten berust op de aanwezigheid van nog veel geringere hoeveelheden aetherische olie die met de rozenolie vermengd is, en toch ruiken wij dat onderscheid gemakkelijk. [102]Dit is dus een reactie, zoo fijn, dat zij met geen ander waarnemingsproces kan worden vergeleken.

Hoe lang de geur van kunst-muskus blijft aanhangen, is ook bekend. Iemand had de kurk van een flesch met die stof even aangeraakt en na herhaalde wasschingen met water en zeep gedurende drie dagen was hij de lucht nog niet kwijt. Door een kamer werd een toegesloten flesch met muskus slechts even heen gedragen en ook na dagen lang luchten was de stof nog door de reuk herkenbaar. De hoeveelheden, die hier worden waargenomen, zijn zoo uiterst gering, dat zij niet meer door berekening kunnen aangegeven worden.

Merkwaardig is het, dat ook bij de lagere dieren de reuk- en smaakzin buitengewoon ontwikkeld zijn. Hoe nauwkeurig bijen en hommels verschillende bloesems onderscheiden, is bekend. Zij worden door den reuk ook naar weinig in ’t oog vallende bloemen als die der linde van zeer ver aangetrokken. In een verffabriek werden door het dagelijks uitgieten van een aniline-houdende stof geregeld honderdduizenden bijen en wespen aangetrokken, die zich te goed deden aan den zeer verdunden, bloesemachtigen geur van de aniline.

Maar ook de fijnheid van den smaakzin der insekten schijnt door een zeer origineele proef van Dr. Rabow te Potsdam aangetoond te zijn. In een suikerbakkerij waar tallooze vliegen waren, liet hij een koek neerleggen, die niet met suiker maar met de bekende uit koolteer gewonnen saccharine was bestrooid. Terwijl alle andere koeken sterk door vliegen werden bezocht, bleef de koek met saccharine daarvan verschoond—de vliegen onderscheidden scherp tusschen de zoetheid van suiker en die van saccharine. Wellicht roken zij echter het verschil, in welk geval de proef niets omtrent den smaakzin zou bewijzen.

Hyrtl („Handboek der Top. Ontleedkunde”, Nederl. Vert. van Dr. Hanlo 2de druk, Deel I, blz. 289, 290 en 291) geeft verscheidene belangrijke voorbeelden van de verbazende hoogte, waartoe zich bij wilden de scherpte van den reukzin ontwikkelt. „Zij sporen”, zegt hij, „door den reuk het spoor hunner vijanden op, en Natterer, die 18 jaren lang in de bosschen van Brazilië leefde, verhaalde mij, dat de Indianen zelfs de pis der blanken door den reuk onderscheiden, en afzonderlijke woorden hebben voor het zweet van een neger en van een Europeaan. Mevrouw Pfeiffer gaf op haar laatste reis rondom de wereld aan een bewoner van Papeiti een vergulden tombakring ten geschenke. De wilde berook hem, en gaf hem met teekenen van afkeer terug, terwijl hij een echten met genoegen berook en niet wachtte, totdat men hem dien gaf .…” „De wilden van de eilanden van den Stillen Oceaan die den beroemden natuuronderzoeker Commerson op het fregat La Boudeuse een bezoek brachten, erkenden dadelijk door den reuk, dat zijn bediende, wiens geslacht door de overige schepelingen niet werd vermoed, een vrouw in mannenkleederen was—de bekende Hortense, te wier eer een plant die van deze reis was medegebracht, den naam van Hortensia draagt. Eveneens waren het de wilden van Tonga Taboe, die het eerst roken, dat er onder de bemanning van het Hollandsche schip Dordrecht een meisje aanwezig was, dat, als koksjongen verkleed, dienst in de kombuis deed.” Dat echter ook bij de Europeanen de reuk soms zeer scherp is, blijkt daaruit, dat Hyrtl op blz. 291 ook mededeelt, dat enkelen een zoo scherpen reuk hebben bezeten, dat zij „het tijdperk der maandelijksche reiniging der vrouw door den reuk waarnamen, en in de acta Hafniensia, vol. I, van Marcus Marci te Kroonland, toenmalig hoogleeraar in de geneeskunde aan de universiteit te Praag, wordt van een Boheemschen priester verhaald, die maagden en vrouwen door den reuk herkende. Volgens Seneca herkende de Romeinsche Senator Mammercus Scaurus [103]menstrueerende vrouwen en meisjes door den reuk, en op blz. 290: „De geneesheeren Mead en Heim herkenden de huiduitslagen op het zelfde oogenblik, als zij den neus in de kamer van den lijder staken.”

Kardinaal Alberoni kon, toen hij oud en blind was geworden, door den reuk oude dames van jonge onderscheiden. Rousseau had zulk een fijnen reuk, dat hij een „geurbotanie” had kunnen schrijven, als de taal zoovele uitdrukkingen had als er geuren in de natuur zijn. Kant kon geen armoedig levend student in zijn auditorium velen, daar hij de uitwasemingen van menschen die zich slecht voeden, niet kon verdragen: hij noemde menschen die veel zwart roggebrood eten, „gemeen volk.” Napoleon werd op de reis naar St. Helena van de teerlucht ziek, en bleef tijdens zijn ballingschap aldaar liever in een oud slecht ingericht huis wonen, dan een nieuw geriefelijk te betrekken, uit vrees voor den geur van versche olieverf.

Uit proeven van de Amerikaansche physiologen Nichols en Bailey90 volgt, dat de ontwikkeling van den reuk al naar het individu en de sekse zeer verschilt. Terwijl drie mannen blauwzuur roken in een mengsel van 1 gram daarvan op 2000 kilogram water, roken andere mannen het zelfs in een honderdmaal meer blauwzuur bevattend mengsel niet. Zij onderzochten 44 mannen en 39 vrouwen. De vrouwen hadden allen veel zwakker reukvermogen dan de mannen. Geen vrouw kon blauwzuur ruiken in een verdunning met 20000 deelen water, terwijl de meeste mannen het nog in een verdunning met 100000 deelen water roken. Citroenolie met 250000 deelen eener reukelooze stof vermengd, werd door de mannen nog geroken, terwijl de vrouwen een tweemaal zoo sterke vermenging noodig hadden. Het zelfde resultaat gaven knoflookextract en andere riekende stoffen.

Wellicht is hieruit de voorliefde van vrouwen voor sterke odeurs te verklaren. Zij hebben om die goed te ruiken een sterken prikkel noodig, die bij de mannen lastig is.

De verklaring is wellicht, dat de man, in de tijden dat de mensch nog van de jacht leefde, zijn reukorgaan meer noodig had dan de vrouw, het dus meer oefende, en de mannen die het beste reukvermogen bezaten, daardoor een voordeel hadden in den strijd om het bestaan, en hun beter reukvermogen op hun mannelijke nakomelingen overbrachten, terwijl de vrouwen, die door de mannen werden onderhouden, dien scherpen reuk zonder nadeel konden missen.

Uit onderzoekingen van W. Ramsay te Bristol blijkt, dat de reukgewaarwording waarschijnlijk het gevolg van uiterst snelle trillingen der gasmoleculen is. Evenals er bij het geluid tonen zijn, waarmede andere tot accoorden en harmonieën samensmelten, zijn er volgens hem ook geuren, die uit een grondgeur en een geheele reeks harmonische geuren, dus uit geuraccoorden bestaan, en ontstaat hieruit de verschillende hoedanigheid der geuren.

Geen ander zintuig heeft zooveel invloed op onze stemming, op ons gevoel van sympathie en antipathie, geen roept sterker vroegere indrukken in het geheugen terug dan de geur.

In vergelijking van de hooge volmaaktheid van den reuk bij vele dieren, is dit zintuig bij den mensch zeer weinig ontwikkeld.

(4) Wij hebben reeds in aanteekening 8, blz. 38 medegedeeld, dat overtallige tepels ook in de okselholte, de lies en den rug doorkwamen. Het zonderlingste geval dat wij opgeteekend hebben gevonden, was dat van een [104]vrouw, die een overtalligen tepel aan de dij had, welken men vroeger voor een moedervlek had gehouden, doch na haar zwangerschap zooveel melk opleverde, dat zij haar kind daaraan drie jaar lang kon zoogen (Hyrtl, „Handb. der Top. Ontleedk.”, Ned. Vert. van Dr. Hanlo, 2de druk, Deel I, blz. 529). De moeder van den Romeinschen Keizer Julius Severus, die daaraan den bijnaam van Julia Mammea verschuldigd was, en Anna Boleyn, een der gemalinnen van Hendrik VIII van Engeland, bezaten overtallige tepels.

In 1889 deed D. Hansemann aan het „Berliner anthr. Gesellschaft” mededeelingen omtrent eenige gevallen van overtallige zogklieren (polymastie) en overtallige tepels (polythelie).91 Een dezer gevallen betrof een man, bij welken omstreeks 13 c.M. onder de normale tepels, maar dichter naar de mediaanlijn toe, zich aan weêrszijden een kleine donkere vlek bevond, die een tepel in miniatuur bleek te zijn (van zogklieren was hierbij niets te voelen). Een tweede geval betrof een vrouw, die behalve twee zeer ontwikkelde normale borsten nog twee kleinere bezat, die wel tepels hadden maar geen hof om die tepels heen, en verder nog een tepel met slecht ontwikkelde zogklier in de okselholte. De vrouw, die 12 kinderen had gehad, had die wegens de gebrekkige ontwikkeling harer overtallige tepels alleen aan haar normale borsten kunnen zoogen, en daarbij veel last gehad van die overtallige tepels, daar uit deze de melk van zelf uitliep, terwijl het kind aan een normale borst zoog. Uit de litteratuur heeft Hansemann 262 gevallen van polymastie en polythelie bijeengezocht, waaronder 81 mannen en 104 vrouwen. Het hoogste aantal overtallige borsten bij één individu was 8. In verreweg de meeste gevallen liggen de overtallige borsten onder de normale en eenigszins dichter bij de mediaanlijn dan deze, er zijn echter ook gevallen, waarbij tepels op den rug, schouder, buitenzijde der dij, in de lies en op een der groote schaamlippen voorkomen. In drie gevallen kon worden aangetoond, dat de polymastie van de moeder op de dochter was overgeërfd. Daarentegen kon niet worden bewezen, dat er samenhang bestond tusschen overtallige zogklieren of tepels en den aanleg om twee- of drielingen te krijgen. Het ontstaan der polymastie en polythelie is op drieërlei wijze verklaard. Von Leichtenstern, Neugebauer e. a. houden ze voor atavismen, terugslag tot zekere voorouders van den mensch. Ahlfeldt meent daarentegen, dat de overtallige zogklieren en tepels in de eerste tijden van het embryonale leven worden verworven, doordat hetzij deelen van de normale klier losgemaakt worden of met de eivliezen vergroeien en van deze uit als het ware op andere plaatsen geënt worden. Champneys en Doran eindelijk meenen, dat zogklieren zich bij vrouwen, zelfs nog gedurende het kraambed, uit talkklieren kunnen ontwikkelen, wat vooral in de okselholte niet zelden plaats zou vinden. Max Bartels meent, dat niet alle gevallen van overtallige zogklieren en tepels op de zelfde wijze moeten worden verklaard, en dat het in een aantal gevallen volkomen duidelijk is, dat er eenvoudig een verdubbeling, een gedeeltelijke of volkomen verdeeling in tweeën van den normalen kiemaanleg voor de borst plaats heeft gehad. In een der door Bartels beschreven gevallen kan men zelfs nog een streng kiemweefsel voelen, die de normale zogklier met de overtallige verbond. Alle mogelijke overgangen van een eenvoudig verbreeden of beschuitvormigen tepel tot twee afzonderlijke tepels en verder tot twee afzonderlijke mamheuvels elk met een tepel en omgevenden hof, zijn waargenomen. Bartels nam ook een overtalligen tepel, op de mediaanlijn [105]gelegen, waar, welke plaatsing door Hansemann onmogelijk was verklaard.

(5) Omtrent de vraag in hoever overtallige vingers door atavisme kunnen worden verklaard, verwijzen wij naar onze aanteekeningen, Deel 1, blz. 527 en 528 en Deel II, blz. 364 van „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten.”

Hyrtl („Handb. der Top. Ontleedk.”, Ned. Vert. van Dr. Hanlo, 2de druk, Deel I, blz. 416) geeft, behalve het in aant. 8, blz. 38 vermelde, nog de volgende gevallen van polydactylisme en van de sterke erfelijkheid daarvan op:

„Behalve de in de Middeleeuwen bekende familie der Bilfingers (veelvingers), die haar naam aan deze misvorming heeft te danken, behoort ook een nieuw geval hiertoe. Zezak Colburn, de beroemde rekenaar uit het hoofd, had aan den buitenkant van elke hand een zesden vinger en eveneens aan elken voet een zesden teen. Zijn vader had de zelfde afwijking; van zijn zeven zusters zijn vijf normaal gevormd, twee gelijk aan den vader en ééne heeft wel zes vingers aan elke hand, doch slechts aan éénen voet zes teenen. De grootmoeder had deze bijzonderheid in de familie gebracht, die zij wederom van haar grootmoeder had overgeërfd, wier elf kinderen allen met deze afwijking waren behept (Meckel’s „Deutsches Archiv”, 4 Bd., blz. 32). Brown maakt in zijn „Handbuch der Geschichte der Natur”, (Stuttgart, 1843, 2 Bd., blz. 183) melding van een Spanjaard met zes vingers, wiens kinderen allen zes vingers hadden, behalve het laatste, dat hij hardnekkig weigerde als het zijne te erkennen, omdat het slechts vijf vingers had. Ruysch beschreef in zijn „Observ. anat. chir.” onder den naam van „Sceleton polydactylum” een geraamte, dat aan de rechterhand 7, aan de linkerhand 6 vingers, tevens dubbele duimen, aan den rechtervoet 8, aan den linkervoet 9 teenen had. Het oudst bekende geval van polydactylisme vindt men in het oude testament (2 Samuel, XXI: v. 20). Twee dochters van Cajus Horatius hadden zes vingers aan elke hand (Plinius, „Hist. Nat.”, XI, 99), de dichter Volcatus Sedigitus en Anna Boleyn hadden zes vingers aan de rechterhand. Anna Boleyn bezat daarenboven overtallige tepels (aanteekening 4, blz. 104), en ging toch door voor de schoonste vrouw van haar tijd!

In „Nature” van 7 Maart 1878 deelde de heer Lengleen, geneesheer te Arras, een geval mede van zekeren heer Gamelon in de vorige eeuw, die aan elke hand zes vingers en aan elken voet zes teenen bezat. Zijn zoon had het normale getal vingers en teenen, maar in drie volgende generaties trad de anomalie weder te voorschijn, en verscheidenen zijner thans nog levende afstammelingen hebben zes vingers en teenen aan handen en voeten. Quatrefages verhaalt van een zesteenigen haan, die zijn afwijking in zoo sterke mate op zijn nageslacht overbracht, dat thans in de streek waar hij leefde, schier alle hanen en kippen zes teenen bezitten.

Bij den regeerenden stam der Fodli in Zuid-Arabië bezitten, gelijk Baron Maltzan op zijn reis opmerkte („Zeitschrift für Ethnologie”, 1873 no. 2) velen zes vingers en teenen, en wordt zulks door het volk als bewijs van adellijk bloed beschouwd. Deze Fodli’s huwen veel onder elkander, hetgeen de voortplanting dezer abnormaliteit natuurlijk bevordert.

Op Malta heeft een familie zesvingerige menschen bestaan, bij welke deze eigenaardigheid, hoewel niet bij alle, maar toch bij een zeker aantal nakomelingen gedurende drie of vier generaties erfelijk was, hoewel allen met vijfvingerige vrouwen huwden (Portal, „Mém. de la première Classe de l’Institut”, 1807; Huxley, „Origin of Species”, lect. IV). Het zelfde was het geval bij een familie zesvingerige menschen in de vallei Kennebec in de Vereenigde Staten, die in 1862 nog bestond („Report of the Commissioner of Agriculture”, 1862, blz. 237). [106]

(6) Als merkwaardig voorbeeld van atavisme bij den mensch noemen wij nog het somtijds ontbreken van de balk of het eeltachtig lichaam (corpus callosum) in de hersenen, waardoor die het type van de hersenen der Buideldieren en Snaveldieren (Monotremata) verkrijgen. Ook bij de Vogels en de lagere Gewervelde Dieren ontbreekt het. Verder het somtijds bestaan blijven van een open verbinding tusschen de rechter- en linkerhelft van ’t hart, gelijk bij de amphibieën normaal voorkomt, maar den mensch die er meê behept is, tot een vroegen dood doemt. Ook verdient hier vermelding de hooge verdeeling van den arm-slagader in spaak- en ellepijp-slagader, welke bij apen, knaag- en buideldieren normaal voorkomt, maar soms ook bij den mensch wordt opgemerkt (Henle, „Handbuch der Syst. Anat. d. Menschen”, vol. III, 1868, blz. 266).

Bij Ricord („Journal Hebdomadaire”, 1833, tome XIII, aangehaald bij Hyrtl, „Handb. der Top. Ontleedk.”, Ned. Vert. van Dr. Hanlo, Deel II, blz. 131) vindt men een geval aangehaald van een vrouw van 22 jaar, bij welke het rectum zich in de scheede ontlastte. Bij deze vrouw bestond dus slechts ééne uitmonding waardoor de vaste en vloeibare uitwerpselen en de afscheidingsproducten der geslachtsdeelen zich ontlastten; zij bezat een cloaca, een inrichting, die bij de laagste Zoogdieren, de Snaveldieren (Monotremata), en bij de meeste lagere Gewervelde Dieren normaal is, en een hoogst merkwaardig geval van atavisme oplevert. Opmerkelijk is het, dat de echtgenoot dezer vrouw, na drie jaar getrouwd geweest te zijn, dien toestand niet eens had vermoed.

(7) Zij bedraagt thans (1890) 64 millioen menschen, hetgeen sedert 1872 (toen Darwin dit schreef) een vermeerdering van 34 millioen menschen aanwijst, ongeveer overeenstemmende met een verdubbeling in 15 jaar. Men vergete echter niet, dat dit geenszins de natuurlijke aanwas der bevolking is, daar ook de sterke landverhuizing er veel toe heeft bijgedragen.

(8) Bory de St. Vincent beweert zelfs, dat de Hottentotten een grooten teen zouden bezitten, die geopponneerd kan worden, en dat daardoor hun voetstappen in het zand gemakkelijk van die van een Europeaan te onderscheiden zouden zijn. Hyrtl, („Handboek der Top. Ontleedk.”, Ned Vert. van Dr. Hanlo, 2de druk, Deel II, blz. 625) betwijfelt echter, onzes inziens terecht, de juistheid van deze bewering.

Volgens het jaarverslag over 1878 van den Engelschen consul te Saigon aan zijn regeering, zouden er in het noordelijk gedeelte van het Anamietische rijk stammen leven, bij welke de groote teenen der voeten geheel van de andere teenen zijn afgescheiden en bijna even goed als de duimen der handen kunnen worden gebruikt. Deze bijzonderheid zou reeds in Chineesche jaarboeken van het jaar 2300 v. C. worden vermeld. Daar ook de Chineezen hun grooten teen veel beter kunnen gebruiken om b.v. iets vast te klemmen, dan wij, blijkt hieruit, dat de afwijking bijzonder sterk moet zijn en wij hier wellicht aan een opponiebelen grooten teen, min of meer als die van den gorilla, moeten denken. Het komt ons echter voor dat ook dit bericht bevestiging behoeft! In vroegeren tijd zou deze bijzonderheid bij de Anamieten zoo algemeen zijn geweest, dat hun naam oorspronkelijk daarvan zou zijn afgeleid. (Vergelijk mijn artikel „Vierhandige Menschen”, in „Isis”, 1879, blz. 346.)

(9) In 1886 verscheen een uitvoerig werk van Prof. Cunningham van Trinity College, Dublin, „On the lumbar curve in man and apes.” Het is gedrukt voor rekening der „Royal Irish Academy. Hij toont daarin o.a. aan, dat de eigenaardige kromming van de ruggegraat, die men altijd met de opgerichte houding van den mensch in verband gebracht en als een bij uitnemendheid menschelijk kenmerk heeft beschouwd, bij vele menschenrassen [107](Nieuw-Hollanders, Negers, Andaman-eilanders) volstrekt niet zoo goed ontwikkeld is als bij de Europeanen. Wel bezit hun ruggegraat die kromming, maar terwijl bij den Europeaan de wervellichamen min of meer naar het beloop van de kromming vervormd zijn, bestaat van die vervorming bij genoemde menschenrassen geen spoor. Bij den gorilla bestaat de kromming, bij den chimpanzee is zij zelfs slechts weinig zwakker dan bij den mensch, bij den orang is zij veel zwakker. Zij bestaat echter nog bij de lagere apen en onder bepaalde voorwaarden vindt men er zelfs bij de viervoetige dieren duidelijke sporen van. De wervels schijnen bij de wijfjes over het algemeen meer in harmonie met de kromming vervormd te zijn dan bij de mannetjes.

(10) De schedel van het Neanderdal is, zooals wij reeds in aanteekening 25, blz. 45 mededeelden, volgens de eenparige getuigenis van alle deskundigen hoogst dierlijk ontwikkeld. Daar hij slechts gedeeltelijk voor ons behouden gebleven is, is de inhoud er van niet rechtstreeks bepaald kunnen worden. Daar Prof. Schaaffhausen echter voor den inhoud van het bewaard gebleven gedeelte 1033 kub. centimeter heeft gevonden, schat Huxley92 den geheelen inhoud op 1228 kub. centimeter. Hij blijft dus nog even ver onder den Nieuw-Hollander, volgens de opgaaf van Darwin, als deze onder den Amerikaan of Aziaat.

Ter vergelijking van de bij Darwin opgegeven getallen, laten wij hier een lijstje volgen van de resultaten van eenige schedelmetingen:

Tabel van den gemiddelden schedelinhoud van eenige rassen.

VOLKSSTAM. Volume in
kub. cent.
Waarnemers.
Australiërs (Nieuw-Hollanders). 1228 ,27 Aitken Meigs.
Polynesiërs. 1230 Morton.
Hottentotten. 1233 ,78 Aitken Meigs.
Papoea’s. 1253 ,45 Aitken Meigs.
Amerikanen in ’t algemeen. 1315 ,71 Aitken Meigs.
In Amerika geboren Negers. 1323 ,90 Aitken Meigs.
Maleiers. 1328 Morton.
Mexicanen. 1338 ,65 Aitken Meigs.
Groenlanders. 1340 Welcker.
Chineezen. 1345 Morton.
Oude Peruanen. 1361 Morton.
In Afrika geboren Negers. 1371 ,42 Aitken Meigs,
Wilde Indianen. 1376 ,71 Aitken Meigs.
Parijzenaars uit armengraven (van de 12de tot de 18de eeuw). 1403 ,14 Broca.
Parijzenaars uit de 12de eeuw. 1425 ,98 Broca.
Duitschers. 1448 Welcker.
Parijzenaars uit de 19de eeuw. 1461 ,53 Broca.
Anglo-Amerikanen. 1474 ,65 Aitken Meigs.
Parijzenaars uit eigen graven (19de eeuw). 1484 ,23 Broca.
Germanen in het algemeen. 1534 ,27 Aitken Meigs.
Engelschen. 1572 ,95 Aitken Meigs.

[108]

Zooals men ziet, zijn de door deze waarnemers verkregen getallen, die grootendeels berusten op metingen van een aanzienlijk aantal schedels van elk ras, voor het meerendeel aanmerkelijk lager dan de door Darwin opgegeven gemiddelde getallen, en komt de Neanderdalmensch volgens deze tabel in schedelinhoud met de Nieuw-Hollanders overeen, die ook in andere opzichten van alle thans levende menschenrassen het naast met hem verwant zijn. Men ziet ook uit deze tabel, dat de wilde Indianen (Roodhuiden) en de in Afrika geboren negers grooter hersenen bezitten dan de Mexicanen, de oude Peruanen en de Chineezen, waaruit blijkt, dat men uit de capaciteit van den schedel nog niet onmiddellijk tot de verstandelijke ontwikkeling kan besluiten. Merkwaardig is het ook, dat in Amerika geboren negers geringer gemiddelden schedelinhoud bezitten dan die, welke in Afrika zijn geboren. Wel een bewijs van de degradeerende werking der slavernij. Owen (aangehaald in Vogt, „Vorlesungen über den Menschen”, Bd. I, blz. 181) geeft voor den gemiddelden schedelinhoud van eenige hoofdrassen en der anthropomorphen de volgende getallen (in kub. Engelsche duimen, door ons, evenals de opgaven van Darwin en Huxley, herleid tot kub. centimeters):

Engelschman. Maleier. Neger. Nieuw-Holl. Gorilla. Orang. Chimpanzee.
1572,67 1409,21 1343,66 1228,96 491,58 458,82 458,81.

Men vergelijke over de verschillen in den omvang van den schedel ook de belangrijke opmerkingen van den heer Le Bon te Parijs, medegedeeld door Dr. D. Lubach in het „Album der Natuur”, 1878, blz. 377.

Een goede gelegenheid tot het onderzoeken van vroegere menschelijke schedelvormen en van de verandering, die de schedelvorm in den loop van vele eeuwen heeft ondergaan, bieden de graftomben van Egypte en van het oude Etrurië aan. In deze beide landen heeft Dr. Schmidt rijke verzamelingen van schedels verkregen, die hem in staat stelden daarvan een grondige studie te maken. De uitkomsten van deze studie, voor zoover die de Egyptische schedels betreft, heeft hij in een vakblad medegedeeld. Bij eene vergelijking van 294 oude schedels, van mummies afkomstig en van 86 nieuwe, verzameld in verschillende streken, bleek, dat de ruimte voor de hersenen van de tegenwoordige bevolking gedurende de beide laatste duizend jaren gemiddeld 44 kubieke centimeter kleiner is geworden, en wel de mannelijke schedels 31, die van vrouwen 54 kubieke centimeter, een verschijnsel, dat de schrijver verklaart uit den achteruitgang in ontwikkeling en beschaving, die er in den loop der eeuwen bij het Egyptische volk heeft plaats gehad, en dat hij stelt tegenover de waarneming, dat de grootte der schedels van de Parijsche kerkhoven in de laatste eeuwen, overeenkomstig de toenemende beschaving der bevolking, gemiddeld met 35 kub. centimeter is toegenomen. In vorm komen de oude en nieuwe schedels, zoowel wat den geheelen bouw als wat kleinere bijzonderheden betreft, in ’t algemeen met elkaâr overeen, er zijn thans evenals vroeger drie hoofdtypen: een zuiver Egyptische, een zuiver Nubische en een brachycephale vorm en overgangsvormen daartusschen. Tegenwoordig treedt het Nubische type sterker op den voorgrond dan vroeger.

Naar aanleiding van den algemeen aangenomen regel, dat men bij menschen die veel ingespannen arbeid verrichten, meestal grootere hoofden aantreft dan bij hen, die bezigheden hebben welke minder inspanning van den geest vereischen, heeft een Parijzer geneesheer, Dr. Delaunay, de volgende statistische beschouwingen gemaakt, die uit een physiologisch oogpunt [109]niet van belang zijn ontbloot. De hoofddeksels als maat nemende, heeft Dr. Delaunay bewezen, dat de bezoekers der polytechnische school en der hoogescholen te Parijs grootere hoofden hebben dan de kadetten van de militaire academie en de leerlingen van het seminarie van St. Sulpice. Deze laatsten hebben over ’t algemeen kleinere hoofden dan de overige bevolking van Parijs. De cilinderhoeden, die voornamelijk door de meest gegoede en beschaafde klasse worden gedragen, hebben steeds hoogere nummers dan de mutsen en petten, die voor den kleinen koopman en ambtenaar worden gemaakt. Bij de goedkoopste mutsen voor werklieden, bedienden enz. is de wijdte nog minder. In die wijken van Parijs waar veel handel wordt gedreven, zooals in den faubourg Montmartre, hebben de hoeden die in de magazijnen gereed liggen, meestal een wijdte (in omtrek) van 56 tot 58 centimeter. In de wijk Mouffetard, een der minste achterbuurten van Parijs, bedraagt de wijdte over het algemeen slechts 52 à 53 centimeter. In de wijk St. Sulpice, waar voor het meerendeel geestelijken, seminaristen, enz. wonen, en in den faubourg St. Germain treft men de kleinste hoeden; daarentegen gebruikt men de grootste hoeden (58 tot 60 centimeter) in die wijken waar zich de inrichtingen voor hooger en middelbaar onderwijs bevinden. Ook zijn, volgens de waarnemingen der doctoren Broca en Laccossagne, de hoofden der officieren grooter dan die van de minderen, hebben de geneesheeren grootere hoofden dan de ziekenoppassers enz. Geconstateerd wordt mede, dat bij boeren die zich in de stad komen vestigen, waar zij meer hun geest moeten inspannen, de omvang van het hoofd toeneemt.

In Revue Scientifique, 21 Juillet 1889, wordt medegedeeld (naar waarnemingen op studenten te Cambridge), dat, hoewel over het algemeen de schedel na het 19de jaar niet grooter wordt, hij bij studeerenden nog op 25 jarigen leeftijd in afmetingen toeneemt. Ik kan uit eigen ervaring hierbij voegen, dat op 25-jarigen leeftijd een hoed, dien ik op 23-jarigen leeftijd had gedragen, mij veel te klein was geworden, en ik die twee jaren juist veel meer gestudeerd had dan vroeger.

Wat de verschillen in de tanden bij onderscheidene menschenrassen aangaat, waarvan Darwin (blz. 69) gewag maakt, wenschen wij nog de aandacht te vestigen op de opmerkingen van E. Lambert („Bulletin de l’Acad. royale de Belgique, 1877, T. XLIII, „Journ. de Zool., 1867, T. VI, blz. 252). Hij toonde aan, dat bij de zwarte rassen, vooral bij Nieuw-Hollanders, Tasmaniërs en Nieuw-Caledoniërs, de hoektanden merkelijk grooter zijn dan bij de blanke en gele rassen, dat er een kleine tusschenruimte (diastema) om de spits daarvan op te nemen, is waar te nemen, dat de groote kiezen niet, als bij het blanke ras, vier, maar meestal vijf knobbels hebben enz., en dat over het algemeen bij hen ten opzichte van het tandstelsel een toenadering tot dat der anthropomorphe apen onmiskenbaar is.

Het metopisme (het gescheiden blijven van het voorhoofdsbeen in twee helften door een naad, de sutura frontalis), dat door Darwin blz. 68 wordt vermeld, wordt o.a. bij Papoeas veelvuldig waargenomen („The Academy, 2 Juni 1878, blz. 560).

(11) Ook Prof. Marsh heeft aangetoond („American Journal of Science and Arts”, 1874, vol. VIII, blz. 66, en „Revue Scientifique”, 6 Mars 1886), dat de zoogdieren der eocene periode over het algemeen bijzonder kleine hersenen hebben, de verwante soorten uit de miocene merkelijk grootere, die der pliocene periode nog grootere, de thans levende eindelijk wederom grootere. Naarmate men meer nadert tot den jongeren tijd, neemt de gemiddelde grootte der hersenen, vooral van de halfronden der groote hersenen, [110]toe, de windingen worden ingewikkelder, en de kleine hersenen en lobi optici naar evenredigheid kleiner. De soorten met groote hersenafmetingen schijnen bovendien langer in stand te zijn gebleven dan die met kleine, en de eerst uitstervende in dit opzicht minder begunstigd dan de langer overblijvende, zoodat in den loop der palaeontologische ontwikkeling de nakomelingen steeds in verstandelijke ontwikkeling en grootte der hersenen het voorgeslacht overtroffen.

(12) De hier bedoelde soorten zijn de mammouth (Elephas primigenius) en de neushoorn met beenig neusschot (Rhinoceros tichorhinus); van beide zijn verscheidene malen lijken die nog huid, haar en vleesch behouden hadden, in het poolijs van Siberië vastgevroren gevonden (het eerste mammouths-lijk in 1799 aan den mond der Lena). Uit die lijken bleek, dat de mammouth, evenals Darwin zegt, een wolpels bezat; de neushoorn bezat eenigszins stijve, doch niet borstelachtige haren (van 30–37 millimeter lengte), maar volstrekt geen lange wolharen, zooals de mammouth („Mélanges biologiques tirés du Bullet. de l’Acad. de St. Pétersbourg”, t. VII, blz. 195). [111]