1Investigations in Military and Anthropolog. Statistics of American Soldiers”, door B. A. Gould, 1869, blz. 256. 

2 Zie ten opzichte van de schedelvormen van inboorlingen van Amerika, Dr. Aitken Meigs in „Proc. Acad. Nat. Sc.”, Philadelphia, Mei 1866. Over de Australiërs, Huxley, in Lyell’s „Antiquity of Man”, 1863, blz. 87. Over de Sandwich-eilanders, Prof. J. Wyman, „Observations on Crania”, Boston, 1868, blz. 18. 

3 „Anatomy of the Arteries”, door R. Quain. 

4Transact. Royal Soc.”, Edinburg, vol. XXIV, blz. 175, 189. 

5Proc. Royal Soc.”, 1867, blz. 544 en 1868, blz. 483, 524. Men vindt daarover nog een vroeger stuk, ibid. 1866, blz. 229. 

6Proc. R. Irish Academy”, vol. X, 1868, blz. 141. 

7Act. Acad., St. Petersburg, 1778, deel II, blz. 217. 

8 Brehm, „Thierleben”, B. I, blz. 58, 87. Rengger, „Säugethiere von Paraguay”, blz. 57. 

9 „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Hoofdstuk XII, VIII en XIV. 

10Hereditary Genius: an Inquiry into its Laws and Consequences”, 1869. 

11 De heer Bates merkt („The Naturalist on the Amazons”, 1863, vol. II, blz. 159) ten opzichte der Indianen van een zelfden Amerikaanschen stam op, dat „er geen twee onder hen waren, die volkomen de zelfde gedaante van hoofd hadden; de een had een ovaal gelaat en schoone gelaatstrekken, de ander geleek volkomen op een Mongool door de breedte en het uitsteken zijner jukbeenderen, zijn wijde neusgaten en den schuinschen stand zijner oogen.” 

12 Blumenbach, „Treatises on Anthropology”, Eng. Vert., 1865, blz. 205. 

13 Mitford’s „History of Greece”, vol. I, blz. 282. Het schijnt ook te blijken uit een plaats in Xenophon’s „Memorabilia”, Bd. II, 4 (waarop mijn aandacht werd gevestigd door den weleerw. heer J. N. Hoare), dat het bij de Grieken een algemeen erkend beginsel was, dat de mannen bij de keus van hun vrouwen er op moesten letten, in hoever deze zoodanig gestel bezaten, dat het waarschijnlijk was, dat zij gezonde en krachtige kinderen zouden voortbrengen. De Grieksche dichter Theognis, die in het jaar 550 v. Chr. leefde, zag duidelijk in, hoe belangrijk zorgvuldig toegepaste teeltkeus voor de verbetering van het menschelijk geslacht was. Hij zag ook in, dat rijkdom dikwijls een beletsel is voor de goede werking der seksueele teeltkeus. Hij schrijft als volgt:

„’t Vered’len van het dier wordt als een kunst geleerd,

Het fokvee, dat gezond en edel is van ras,

Voor hoogen prijs gekocht, ’t gebrekkige geweerd;

Steeds fraaier wordt het kroost, steeds ed’ler dan het was.

Zoo doet men met het dier, maar niet zoo met den mensch,

Wij trouwen om het geld; de schatten dezer aard

Bepalen onze keus, slechts die zijn onze wensch.

Zoo wordt de mensch verzuimd en ’t vee met zorg gepaard.

Een vrek of groote fielt, die schatten samenbrengt,

Huwt zijne kind’ren uit aan ’t fierste en trotschste ras;

Wat edel is en laag, wordt dus te zaâm vermengd,

Een basterdras ontstaat, zoo slecht als nimmer was.

Ik heb u de oorzaak, vriend! nu duid’lijk aangewezen;

Te treuren om ’t gevolg kan ’t onheil niet genezen.”

(The Works of J. Hookham Frere, vol. II, 1872, blz. 334.) 

14 Godron, „De l’Espèce”, 1859, tome II, livre III. Quatrefages, „Unité de l’Espèce Humaine”, 1861. Zie ook de voordrachten over anthropologie, medegedeeld in de „Revue des Cours Scientifiques”, 1866–1868. 

15Hist. Gén. et Part. des Anomalies de l’Organisation”, in drie deelen, deel I, 1832. 

16 Ik heb deze wetten uitvoerig besproken in mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, hoofdstukken XXII tot en met XXVI. M. J. Durand heeft onlangs (1868) een verdienstelijke verhandeling „De l’Influence des Milieux” enz. uitgegeven. Hij hecht veel gewicht aan den aard van den bodem. 

17Investigations in Military and Anthrop. Statistics” enz. 1869, door B. A. Gould, blz. 93, 107, 126, 131, 134. 

18 Zie, wat de Polynesiërs aangaat, Prichard’s „Physical Hist. of Mankind”, vol. V, blz. 145, 283. Eveneens Godron, „De l’Espèce”, tome II, blz. 289. Er bestaat ook een merkwaardig verschil in uiterlijk aanzien tusschen nauw-verwante Hindoe’s, die aan den Boven-Ganges en in Bengalen wonen; zie Elphinstone’s „History of India”, vol. I, blz. 324. 

19Memoirs Anthrop. Soc.”, vol. III, 1867–69, blz. 61, 565, 567. 

20 Dr. Brakenridge, „Theory of Diathesis”, „Medical Times”, 19 Juni en 17 Juli 1869. 

21 Ik heb bewijzen van verschillende beweringen gegeven in mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel II, blz. 336–340. Dr. Jaeger „Ueber das Längenwachsthum der Knochen”, „Jenaische Zeitschrift”, B. v. afl. 1. 

22Investigations” enz. door B. A. Gould, 1869, blz. 288. 

23Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 4. 

24History of Greenland”, Eng. vert. 1767, vol. I, blz. 230. 

25Intermarriage”, door Alex. Walther, 1838, blz. 377. 

26 „Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. Vert., Deel I, blz. 497, II, 375. 

27Principles of Biology”, vol. I, blz. 455. 

28 Paget, „Lectures on Surgical Pathology”, vol. I, 1853, blz. 209. 

29 Het is een vreemd en onverwacht feit, dat zeelieden voor landbewoners onderdoen in hun gemiddelden afstand van duidelijk zien. Dr. B. A. Gould („Sanitary Memoirs of the War of the Rebellion”, 1889, blz. 530) heeft bewezen, dat zulks het geval is; en hij verklaart het doordat de gezichtskring bij zeelieden gewoonlijk „beperkt is tot de lengte van het schip en de hoogte van de masten.” 

30 „Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. Vert. Deel I, blz. 505. 

31Säugethiere von Paraguay”, blz. 8, 10. Ik ben in de gelegenheid geweest om de buitengewone scherpte van gezicht der Vuurlanders waar te nemen. Zie ook Lawrence („Lectures on Physiology”, 1822, blz. 404) over dit zelfde onderwerp. De heer Giraud-Teulon heeft onlangs („Revue des Cours Scientifiques”, 1870, blz. 625) vele gewichtige bewijzen verzameld, dat de oorzaak van kortzichtigheid „le travail assidu de près” is. 

32 Prichard, „Phys. Hist. of Mankind” voor de opmerking van Blumenbach, vol. I, 1817, blz. 311; voor de bewering van Pallas, vol. IV, 1844, blz. 107. 

33 Aangehaald bij Prichard, „Researches into the Phys. Hist. of Mankind”, vol. V, blz. 463. 

34 De hoogst belangrijke verhandeling van den heer Forbes is nu uitgegeven in het: „Journal of the Ethnological Society of London”, New Series, vol. II, 1870, blz. 193. 

35 Dr. Wilckens („Landwirthschaft. Wochenblatt”, no. 10, 1869) heeft onlangs een belangrijke verhandeling uitgegeven, waarin wordt betoogd, dat bij huisdieren die in bergachtige streken leven, wijzigingen in het geraamte ontstaan. 

36Mémoire sur les Microcéphales”, 1867, blz. 53, 125, 169, 171, 184–198. 

37 Prof. Laycock drukt het karakter van dierlijke idioten uit door hen theroïde te noemen: „Journal of Mental Science”, Juli 1863. Dr. Scott („The Deaf and Dumb”, 2e uitg., 1870, blz. 10) heeft dikwijls het onnoozele rieken aan het voedsel waargenomen. Zie over dit zelfde onderwerp en over de behaardheid van idioten, Dr. Maudsley, „Body and Mind”, 1870, blz. 46–51. Pinel heeft ook een treffend geval van behaardheid bij een idioot medegedeeld. 

38 In mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, (eerste Eng. Uitgaaf, vol. II, blz. 57) schreef ik de niet zeer zeldzame gevallen van overtallige tepels bij vrouwen aan atavisme toe. Ik werd er toe geleid dit besluit waarschijnlijk te vinden, omdat de overtallige tepels over het algemeen symmetrisch op de borst zijn geplaatst, en meer bijzonder wegens één geval, waarin een enkele melkgevende tepel voorkwam in de liesstreek van een vrouw, de dochter van een vrouw met overtallige tepels. Ik bevind nu echter (zie b.v. Prof. Preyer, „Der Kampf um das Dasein”, 1869, blz. 45), dat mammae erraticae op andere plaatsen voorkomen, zooals op den rug (4), onder den oksel, en op de dij, en dat zij op deze laatste plaats wel eens zooveel melk hebben gegeven, dat het kind er mede werd gezoogd. De waarschijnlijkheid, dat de overtallige tepels een gevolg zijn van atavisme, wordt hierdoor veel geringer gemaakt; toch komt zulks mij nog waarschijnlijk voor, omdat dikwijls twee paar symmetrisch op de borst zijn geplaatst; en hiervan heb ik zelf verscheidene malen bericht ontvangen. Het is algemeen bekend, dat bij halfapen (Lemuriden) normaal twee paar tepels op de borst voorkomen. Vijf gevallen zijn opgeteekend van meer dan één paar tepels (natuurlijk rudimentaire) bij mannen; zie „Journal of Anat. and Physiology”, 1872, blz. 56, voor een geval, medegedeeld door Dr. Handyside, waarin twee broeders deze bijzonderheid vertoonden; zie ook een verhandeling van Dr. Bartels, in Reichert’s en Du Bois Reymond’s „Archiv”, 1872, blz. 304. In een der gevallen, waarvan Dr. Bartels melding maakt, had een man vijf tepels, waarvan een in de mediaanlijn van het lichaam boven den navel was geplaatst; Meckel von Hemsbach meent, dat dit laatste geval overeenstemt met een op de mediaanlijn gelegen tepel, die bij sommige vledermuizen (Chiroptera) voorkomt. Over het geheel [66]mogen wij betwijfelen, of zich ooit overtallige tepels bij beide seksen van den mensch zouden hebben ontwikkeld, als zijn vroege voorouders niet van meer dan een paar voorzien waren geweest.

In bovengenoemd werk (deel II, blz. 12) heb ik ook, hoewel zeer aarzelend, de vele gevallen van veelvingerigheid (polydactylisme) bij den mensch en verschillende dieren aan atavisme toegeschreven. Ik werd hiertoe gedeeltelijk geleid door de opgaaf van Prof. Owen, dat sommige zeedraken (Ichthyopterygia) meer dan vijf vingers bezaten, en daarom, naar ik onderstelde, een oorspronkelijken toestand hadden bewaard, maar Prof. Gegenbaur („Jenaische Zeitschrift”, B. v. Heft 3, blz. 341) bestrijdt Owen’s besluit. Van den anderen kant schijnt er, volgens de voor korten tijd door Dr. Günther omtrent de vin van Ceratodus uitgesproken meening, welke vin is voorzien van gelede beenige stralen aan weêrszijde van een middelste aaneenschakeling van beenderen, niet veel tegen te zijn om aan te nemen, dat zes of meer vingers aan de eene zijde of aan beide zijden door atavisme weder zouden verschijnen. Dr. Hartogh Heys van Zouteveen meldt mij, dat er een geval is opgeteekend van een man, die vier-en-twintig vingers en vier-en-twintig teenen bezat (vergelijk aant. 8, blz. 38. Dr. H. H. H. v. Z.) Ik werd voornamelijk geleid tot het besluit, dat het bezit van overtallige vingers een gevolg van atavisme zou kunnen zijn, omdat dergelijke vingers niet slechts sterk erfelijk zijn, maar, gelijk ik toen geloofde, evenals de normale vingers van de lagere Gewervelde Dieren het vermogen bezaten om opnieuw aan te groeien, wanneer zij waren afgezet. (5) Ik heb echter in de 2de uitgaaf van mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” uiteengezet, waarom ik nu weinig vertrouwen stel in de opgeteekende gevallen van dergelijk opnieuw aangroeien. Desniettemin verdient het opmerking, in zoover als stilstand in de ontwikkeling en atavisme nauwverwante zaken zijn, dat verschillende organen die in een embryonalen toestand verkeeren of in ontwikkeling zijn blijven stilstaan, zooals een gekloofd verhemelte, dubbele uterus enz., dikwijls gepaard gaan met polydactylisme. Hierop is met veel aandrang gewezen door Meckel en Isidore Geoffroy de St.-Hilaire. Voor het oogenblik is het echter het veiligst het denkbeeld geheel op te geven, dat er eenige betrekking bestaat tusschen de ontwikkeling van overtallige vingers en terugkeer tot den eenen of anderen laag georganiseerden stamvader van den mensch (atavisme). 

39 Zie Dr. A. Farre’s welbekend artikel in de „Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol V, 1859, blz. 642. Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III 1868, blz. 687; Prof. Turner in „Edinburgh Medical Journal”, Febr. 1865. 

40Anuario della Soc. dei Naturalisti in Modena”, 1867, blz. 83. Prof. Canestrini geeft over dit onderwerp uittreksels uit verschillende gezaghebbende schrijvers. Laurillard merkt op, dat hij, daar hij een volkomen overeenkomst in vorm, afmetingen en verbindingswijze tusschen de beide jukbeenderen van verscheidene menschelijke individu’s en die van sommige apen heeft gevonden, die inrichting der deelen niet als een eenvoudig toeval kan beschouwen. Een andere verhandeling over de zelfde anomalie is door Dr. Saviotti publiek gemaakt in de „Gazetta della cliniche”, Turijn, 1871, waar hij zegt, dat sporen van de verdeeling worden gevonden bij omstreeks twee percent der schedels van volwassenen; hij merkt ook op, dat zij meer voorkomt bij prognathische schedels die niet tot het Arische ras behooren, dan bij andere. Zie ook G. Delorenzi over het zelfde onderwerp: „Tre nuovi casi d’anomalia dell’osso malare”, Modena, 1872. Ook E. Morselli, „Sopra una rara anomalia dell’osso malare”, Turijn. 1872. Later heeft ook Gruber nog een brochure geschreven over de verdeeling van dit been. Ik doe deze aanhalingen, omdat een recensent, zonder eenige gronden of schroom, mijn beweringen in twijfel heeft getrokken. 

41 Een geheele reeks dergelijke gevallen wordt gegeven door Isid. Geoffroy St.-Hilaire, „Hist. des Anomalies”, tome III, blz. 437. Een recensent („Journal of Anat. and Phys.”, 1871, blz. 366) keurt het zeer af, dat ik de talrijke gevallen die zijn opgeteekend van stilstand in ontwikkeling in verschillende deelen, niet heb besproken. Hij zegt, dat volgens mijn theorie „elke voorbijgaande toestand van een orgaan gedurende de ontwikkeling daarvan, niet slechts een middel voor een doel, maar op zich zelf een doel was.” Dit schijnt mij niet noodzakelijk juist te zijn. Waarom zouden geen afwijkingen voorkomen gedurende een vroeg ontwikkelingstijdperk, die in geen verband stonden tot atavisme; toch zouden zulke afwijkingen kunnen worden bewaard en opgehoopt als zij op eenige wijze nuttig waren, b.v. door den loop der ontwikkeling korter en eenvoudiger te maken? En waarom zouden van den anderen kant schadelijke afwijkingen, zooals geatrophieerde of gehypertrophieerde deelen, welke in geen verband staan tot een vroegeren toestand van bestaan, niet even goed in een vroeg tijdperk als gedurende den volwassen leeftijd voorkomen? 

42Anatomy of Vertebrates”, vol. III, 1868, blz. 323. 

43Generelle Morphologie”, 1866, Bd. II, blz. clv. 

44 Carl Vogt, „Lectures on Man”, Eng. vert. 1864, blz. 151. 

45 C. Carter Bake, Over een kaak van la Naulette, „Anthropolog. Review”, 1867, p. 295; Schaaffhausen, ibid. 1868, blz. 426. 

46The Anatomy of Expression”, 1844, blz. 110, 131. 

47 Aangehaald door Prof. Canestrini in het „Annuario” etc, 1867, blz. 90. 

48 Deze verhandelingen verdienen zorgvuldig te worden bestudeerd door ieder die wenscht te leeren, hoe veelvuldig wijzigingen van ons spierstelsel voorkomen en hoe dikwijls het door die wijzigingen op dat der apen gelijkt. De volgende aanhalingen hebben betrekking op de weinige punten die ik heb behandeld in mijn tekst: „Proc. Royal Soc.” deel XIV, 1865, blz. 379–384, deel XV, 1866, blz. 241, 242, deel XV, 1867, blz. 544, deel XVI, 1868, blz. 524. Ik kan hierbij voegen, dat Dr. Murie en de heer Sir George Mivart in hun verhandelingen over de Lemuroidea „Transact. Zoolog. Soc.”, deel VII, 1869, blz. 96, hebben aangetoond, in hoe buitengewone mate sommige spieren aan wijziging onderhevig zijn bij deze dieren, de laagste leden van de orde der Primaten. Wijzigingen in het spierstelsel, overeenkomende met de inrichting daarvan bij dieren die nog lager op den ladder staan, zijn bij de Lemuriden ook talrijk. 

49 Prof. Macalister in „Proc. R. Irish Academy”, deel X, 1868, blz. 124. 

50 Prof. Macalister (ibid. blz, 124) heeft een tabel gemaakt van zijn waarnemingen en vindt, dat afwijkingen in het spierstelsel het veelvuldigst voorkomen in de voorarmen, in de tweede plaats in het gelaat, enz. 

51 De weleerw. heer Dr. Haughton deelt („Proc. R. Irish Academy” 27 Juni 1864, blz. 715) een opmerkelijk geval van afwijking in den menschelijken flexor pollicis longus mede, en merkt daarbij op: „dit merkwaardige voorbeeld bewijst, dat de mensch somtijds in zijn duim en vingers de rangschikking der pezen kan bezitten, die het geslacht Macacus kenmerken, maar of zulk een geval moet worden beschouwd als een Macacus zich tot een mensch ontwikkelende, of als een mensch afdalende tot den Macacus, of als een aangeboren natuurspeling, durf ik niet zeggen.” Het doet mij genoegen, dat een zoo bekwaam ontleedkundige en een zoo verbitterd tegenstander van de ontwikkelingstheorie zelfs de mogelijkheid van de beide eerste stellingen aanneemt. Ook Prof. Macalister heeft („Proc. R. Irish Acad.”, deel X, 1864, blz. 188) wijzigingen in den flexor pollicis longus beschreven, merkwaardig door haar betrekkingen tot de zelfde spier bij de apen. 

52 De personen, op wier gezag deze verschillende stellingen rusten, zijn te vinden in mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel II, blz. 373–391. 

53 Dit onderwerp is uitvoerig besproken in Hoofdstuk XXIII, Deel II, van mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten.” 

54 Zie het steeds gedenkwaardige: „Essay on the Principle of Population”, door den weleerw. heer T. Malthus, deel I, 1816, blz. 6, 517. 

55 „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, Ned. Vert., blz. 98–101, 161. 

56 De heer Sedgwick, „British and Foreign Medico-Chirurg. Review”, Juli 1863, blz. 1870. 

57The Annals of Rural Bengal”, door W. Hunter, 1868, blz. 259. 

58Primitive Marriage”, 1865. 

59 Zie eenige goede opmerkingen hieromtrent door W. Stanley Jevons, „A Deduction from Darwin’s Theory”, „Nature”, 1869, blz. 231. 

60 Latham, „Man and his Migrations”, 1851, blz. 135. 

61 De heeren Murie en Mivart zeggen in hun „Anatomy of the Lemuroïdea” („Transact. Zoolog. Soc.”, vol. VIII, 1869, blz. 96–98): „Sommige spieren komen zoo ongeregeld voor, dat zij niet goed tot een der bovenvermelde afdeelingen kunnen worden gebracht”. Deze spieren verschillen zelfs bij een en het zelfde individu in de beide tegenovergestelde helften van het lichaam. 

62Quarterly Review”, April, 1869, blz. 392. Dit onderwerp is uitvoeriger besproken in „Contributions on the Theory of Natural Selection”, 1870, van den heer Wallace, waarin al zijn in dit werk aangehaalde verhandelingen zijn herdrukt. Zijn verhandeling over den mensch is op zeer bekwame wijze gekritiseerd door Prof. Claparède, een der bekwaamste dierkundigen van Europa, in een artikel in de „Bibliothèque Universelle”, Juni 1870. De in mijn tekst aangehaalde aanmerking zal iedereen verwonderen, die de beroemde verhandeling van den heer Wallace heeft gelezen over den oorsprong der menschenrassen, afgeleid uit de theorie der natuurlijke teeltkeus, oorspronkelijk geplaatst in de „Anthropological Review”, Mei 1864, blz. CLVIII. Ik kan, [80]mij niet weêrhouden hier met betrekking tot deze verhandeling een zeer juiste opmerking van Sir J. Lubbock („Prehistoric Times”, 1865, blz. 479) aan te halen, namelijk dat de heer Wallace, „met eigenaardige onbaatzuchtigheid, het” (het denkbeeld van de natuurlijke teeltkeus) „geheel en al aan den heer Darwin toeschrijft, hoewel hij, zooals wel bekend is, onafhankelijk van den heer Darwin op dat denkbeeld kwam en het tegelijkertijd met dezen, hoewel niet zoo zorgvuldig uitgewerkt, publiek maakte.” 

63 Aangehaald door den heer Lawson Tait in zijn Law of Natural Selection,—„Dublin Quarterly Journal of Medical Science, Febr. 1869. Ook Dr. Keller wordt met betrekking tot die zaak aangehaald. 

64 Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 71. 

65Quarterly Review”, April 1869, blz. 392. 

66 Bij Hylobates syndactylus zijn, zooals de naam uitdrukt, steeds twee der vingers aaneengegroeid, en de heer Blyth deelt mij mede, dat dit soms ook het geval is met de vingers van H. agilis, Lar en leuciscus. Bij Colobus ontbreekt ook de duim; deze apen leven voortdurend in de boomen en zijn bijzonder levendig (Brehm, „Thierleben”, Bd. I, blz. 50), maar of zij beter kunnen klimmen of grijpen dan de soorten van verwante geslachten, is onbekend. 

67 Brehm, „Thierleben”, Bd. I, blz. 80. 

68The Hand, its Mechanism”, etc., „Bridgewater Treatise”, 1813, blz. 38. 

69 Haeckel bespreekt op uitnemende wijze de trappen, langs welke de mensch een tweevoetig dier werd: „Natürliche Schöpfungsgeschichte”, 1868, blz. 507. Dr. Büchner („Conférences sur la Théorie Darwinienne”, 1869, blz. 35) heeft goede voorbeelden gegeven van het gebruik van den voet als een grijpwerktuig door den mensch; en ook van de wijze van loopen van de hoogere apen, waarop ik in de volgende alinea zinspeel. Zie over dit laatste onderwerp ook Owen („Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 71). 

70On the Primitive Form of the Skull”, vertaald in „Anthropological Review”, Oct. 1868, blz. 528. Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. II, 1866, blz. 551, over de tepelvormige uitsteeksels bij de hoogere apen. 

71Die Grenzen der Thierwelt, eine Betrachtung zu Darwin’s Lehre”, 1868, blz. 51. 

72 Dujardin, „Annales des Sc. Nat.”, 3rd series, Zoolog. tome XIV, 1850, blz. 203. Zie ook de heer Lowne, „Anatomy and Phys. of the Musca vomitoria”, 1870, blz. 44. Mijn zoon, de heer F. Darwin, ontleedde voor mij de hersengangliën van Formica rufa

73Philosophical Transactions”, 1869, blz. 513. 

74 Aangehaald in C. Vogt’s „Lectures on Man”, Eng. Vertaling, 1846, blz. 88, 90. Prichard, „Phys. Hist of Mankind”, vol. I, 1838, blz. 305. 

75 In het belangwekkend artikel waarvan boven melding is gemaakt, heeft Prof. Broca terecht opgemerkt, dat bij beschaafde volken de gemiddelde inhoud van den schedel kleiner moet worden gemaakt door het behouden blijven van een aanmerkelijk aantal individu’s, zwak van lichaam en geest, die in den wilden staat spoedig te gronde zouden zijn gegaan. Van den anderen kant sluit bij wilden het gemiddelde alleen de verstandigste individu’s in, die in staat zijn geweest om te blijven leven onder uiterst harde levensvoorwaarden. Broca verklaart aldus het anders onverklaarbare feit, dat de gemiddelde schedelinhoud van de oude holbewoners van Lozère grooter is dan die der hedendaagsche Franschen. 

76Compt. Rend. des Séances” enz., 1 Juni 1868. 

77 „Het varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel I, blz. 145–149. 

78 Schaaffhausen deelt de gevallen van de krampen en van het litteeken op gezag van Blumenbach en Busch mede in „Anthropolog. Review”, Oct. 1868, blz. 420. Dr. Jarrold („Anthropologica”, 1808, blz. 115, 116) verhaalt gevallen, door Camper en door hem zelf waargenomen, van schedelwijzigingen ten gevolge van een onnatuurlijke houding van het hoofd. Hij gelooft, dat sommige ambachten, zooals dat van schoenmaker, doordat zij medebrengen, dat men het hoofd gewoonlijk voorover houdt, het voorhoofd ronder en meer vooruitstekend maken. 

79 „Varieeren der Huisdieren” enz., Ned. Vert, Deel I, blz. 137, over de verlenging van den schedel; blz. 139, 146, over de gevolgen van het naar voren hangen van het oor. 

80 Aangehaald door Schaaffhausen in „Anthrop. Review”, Oct. 1868, blz. 419. 

81 Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 619. 

82 Isidore Geoffroy St.-Hilaire maakt („Hist. Nat. Gén.”, tome II, 1859, blz. 215217) opmerkingen over het lange haar, waarmede ’s menschen hoofd bedekt is, en over het feit, dat de bovenste oppervlakten van apen en andere zoogdieren dichter met haar begroeid zijn dan de onderste oppervlakten. Dit is eveneens door verschillende andere schrijvers opgemerkt. Prof. Gervais („Hist. Nat. des Mammifères”, tome I, 1854, blz. 28) deelt echter mede, dat bij den gorilla het haar dunner is op den rug, waar het gedeeltelijk is afgeschuurd, dan op de onderste oppervlakte. 

83The Naturalist in Nicaragua”, 1874, blz. 209. Eenigszins ter bevestiging van de meening van den heer Belt, kan ik de volgende plaats aanhalen uit Sir W. Denison („Varieties of Vice Regal Life”, vol. I, 1870, blz. 440): „Men zegt, dat de Nieuw-Hollanders gewoon zijn zich te zengen, als het ongedierte lastig wordt.” 

84 De heer H. George Mivart, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1865, blz. 562, 583. Dr. J. E. Gray, „Cat. Brit. Mus. Skeletons”. Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. II, blz. 517. Isidore Geoffroy, „Hist. Nat. Gén.”, tome II, blz. 244. 

85Revue d’Anthropologie”, 1872; „La Constitution des Vertèbres Caudales”. 

86Proc. Zoolog. Soc.”, 1872, blz. 210. 

87 „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 311, 312. 

88 „Primeval Man”, 1869, blz. 66. 

89 Bixia orellana. 

90 Volgens een verhandeling door hen voorgelezen op de vergadering te Philadelphia van de „American Association for the Advancement of Science”, 1884, zie ook „Nature”, 3 Nov. 1886. 

91Verhandlungen der Berliner Anthropol. Gesellsch.” in het „Zeitschrift für Ethnologie” 1885, Heft V, blz. 434. 

92Evidence as to Man’s Place in Nature”, blz. 157.