Het vrij gebruiken van armen en handen, gedeeltelijk de oorzaak en gedeeltelijk het gevolg van ’s menschen rechtopgaande houding, schijnt op indirecte wijze aanleiding te hebben gegeven tot andere wijzigingen in zijn maaksel. De vroege mannelijke voorouders van den mensch waren, zooals hierboven is aangetoond, waarschijnlijk voorzien van groote hondstanden; maar toen zij langzamerhand de gewoonte verkregen om bij het bestrijden hunner vijanden van steenen, knuppels en andere wapenen gebruik te maken, moeten zij hun kaken en tanden al minder en minder hebben gebruikt. Uit tallooze overeenkomstige gevallen mogen wij met zekerheid afleiden, dat in dit geval de kaken en tegelijkertijd de tanden in grootte moeten zijn afgenomen. In een volgend hoofdstuk zullen wij een geheel gelijksoortig geval ontmoeten in de verkleining of volkomene verdwijning der hondstanden bij mannelijke herkauwende dieren, klaarblijkelijk in verband met de ontwikkeling hunner horens; en bij paarden in verband met hun gewoonte om met hun snijtanden en hoeven te vechten.

Bij de volwassen mannetjes der anthropomorphe apen zijn, zooals Rütimeijer71 en anderen hebben aangetoond, de vorm van den schedel, waardoor deze in vele opzichten van dien van den mensch afwijkt, en de werkelijk vreesaanjagende uitdrukking, waardoor hij zich onderscheidt, juist het gevolg van de groote ontwikkeling der kauwspieren. Toen de kaken en tanden der voorouders van den mensch allengs in grootte afnamen, moet derhalve hun volwassen schedel omtrent de zelfde kenmerken hebben vertoond, waardoor hij zich bij de jongen der anthropomorphe apen onderscheidt, en moet aldus een grootere gelijkenis met [86]dien der tegenwoordig levende menschen hebben verkregen. Een aanmerkelijke verkleining van de hondstanden bij de mannetjes zou, zooals wij later zullen zien, bijna zeker door overerving invloed hebben gehad op de tanden der wijfjes.

Toen de verschillende geestvermogens trapsgewijze werden ontwikkeld, is het bijna zeker, dat ook de hersenen in grootte zijn toegenomen. Niemand betwijfelt, geloof ik, dat de groote omvang van de hersenen bij den mensch met betrekking tot zijn lichaam in vergelijking daarvan bij den gorilla of orang in nauw verband staat met zijn hoogere geestvermogens. Wij ontmoeten geheel overeenkomstige feiten bij de insekten, onder welke de hersengangliën bij de mieren van buitengewone afmetingen zijn, terwijl deze gangliën bij al de Hymenoptera verscheidene malen grooter zijn dan bij de verstandelijk slechter bedeelde orden, zooals de kevers.72 Van den anderen kant veronderstelt niemand, dat het verstand van twee verschillende dieren of van twee verschillende menschen nauwkeurig kan worden afgemeten naar den kubieken inhoud van hun schedels. Het is zeker, dat buitengewone geestelijke bedrijvigheid samen kan gaan met een uiterst kleine absolute hoeveelheid zenuwzelfstandigheid. Zoo zijn de verwonderlijk verschillende instinkten, geestvermogens en gemoedsbewegingen der mieren algemeen bekend, en toch zijn hun hersengangliën niet zoo groot als het vierde gedeelte van een kleinen speldekop. Uit dit laatste oogpunt behooren de hersenen van een mier tot de verwonderlijkste stof-atomen der wereld en zijn zij wellicht nog verwonderlijker dan de hersenen van den mensch.

De meening, dat er bij den mensch de eene of andere nauwe betrekking bestaat tusschen de grootte der hersenen en de ontwikkeling der verstandelijke vermogens, wordt ondersteund door de vergelijking der schedels van wilde en beschaafde rassen, van menschen, die in oudere of nieuwere tijden leefden, en door de analogie van de geheele reeks der gewervelde dieren. Dr. J. Barnard Davids73 heeft door vele zorgvuldige metingen bewezen, dat de gemiddelde inwendige inhoud van den schedel bij Europeanen 1512,44 kubiek centimeter, bij Amerikanen 1433,25 kubiek centimeter, bij Aziaten 1426,69 kubiek centimeter en bij Australiërs slechts 1341,52 kubiek centimeter is. Professor Broca74 [87]vond, dat de inhoud van schedels uit Parijsche graven van de negentiende eeuw zich verhield tot dien van schedels uit grafkelders van de twaalfde eeuw als 1484 tot 1426; en Prichard is overtuigd, dat de tegenwoordige bewoners van Groot-Brittannië „veel ruimer hersenkassen” bezitten, dan de oude bewoners. Men moet echter aannemen, dat sommige schedels van zeer hoogen ouderdom, zooals de beroemde Neanderdalschedel, goed ontwikkeld en ruim van inhoud waren.75 (10) Ten opzichte van de lagere dieren is E. Lartet76, door de schedels van tot de zelfde groepen behoorende tertiaire en hedendaagsche dieren met elkander te vergelijken, tot het opmerkelijke resultaat gekomen, dat de hersenen over het algemeen grooter en de hersenwindingen ingewikkelder zijn bij de jongere vormen. (11) Van den anderen kant heb ik aangetoond77, dat de hersenen van tamme konijnen aanmerkelijk in grootte zijn afgenomen in vergelijking van die van het wilde konijn of van den haas, en dit kan daaraan worden toegeschreven, dat zij gedurende vele generaties eng zijn opgesloten geweest, zoodat zij hun verstand, instinkten, zinnen en willekeurige bewegingen slechts weinig hebben geoefend.

De trapsgewijze vermeerdering van het gewicht van hersenen en schedel bij den mensch moet invloed hebben uitgeoefend op de hen dragende wervelkolom, vooral terwijl hij bezig was den opgerichten stand aan te nemen. Toen deze verandering van houding tot stand was gekomen, zal ook de inwendige drukking der hersenen invloed hebben uitgeoefend op den vorm van den schedel; want vele feiten bewijzen, hoe gemakkelijk de schedel aldus wordt aangedaan. De ethnologen beweren, dat hij wordt gewijzigd door de soort van wieg, waarin het kind slaapt. Er bestaan voorbeelden van, dat de aangezichtsbeenderen blijvende [88]wijzigingen hebben ondergaan ten gevolge van zich dikwijls herhalende spierkrampen en van een door een sterke brandwond veroorzaakt litteeken. Bij jonge personen wier hoofden door ziekte een zijdelingsche of achterwaartsche houding hadden aangenomen, veranderde een der oogen van stelling en werden de schedelbeenderen gewijzigd, en dit is blijkbaar het gevolg daarvan, dat de hersenen in een nieuwe richting drukten.78 Ik heb aangetoond, dat bij langoorige konijnen zelfs een zoo geringe oorzaak als het naar voren hangen van het eene oor aan die zijde bijna elk been van den schedel naar voren trekt, zoodat de beenderen der tegenovergestelde zijden van den kop niet meer volkomen overeenstemmen. Wanneer eindelijk het eene of andere dier veel in algemeene lichaamsgrootte toe- of afnam, zonder eenige verandering in zijn geestvermogens; of wanneer de geestvermogens veel toe of afnamen zonder de minste groote verandering in de lichaamsgrootte, zou de vorm van den schedel bijna zeker verandering ondergaan. Ik leid dit af uit mijn waarnemingen omtrent tamme konijnen, waarvan sommige rassen veel grooter zijn geworden dan het wilde dier, terwijl andere ongeveer de zelfde grootte hebben behouden; maar in beide gevallen zijn de hersenen veel kleiner geworden in verhouding tot de lichaamsgrootte. Nu was ik eerst zeer verwonderd te vinden, dat bij al deze konijnen de schedel meer langwerpig of dolichocephaal was geworden; zoo was bij voorbeeld bij twee schedels van ongeveer de zelfde breedte, de eene van een wild konijn en de andere van een groot tam ras, de eerste slechts 8 en de tweede 10,9 centimeter lang.79 Een der sterkst uitgedrukte verschillen tusschen onderscheidene menschenrassen is, dat de schedel bij sommige verlengd en bij andere rond is; en hier kan de verklaring, in het geval der konijnen gegeven, gedeeltelijk gelden; want Welcker vindt, dat „korte menschen meer tot brachycephalie en lange meer tot dolichocephalie overhellen80; en lange menschen kunnen met de grootere [89]en een langer lichaam bezittende konijnen worden vergeleken, die allen meer langwerpige schedels hebben, met andere woorden dolichocephaal zijn.

Uit deze onderscheidene feiten kunnen wij tot zekere hoogte begrijpen, op welke wijze de mensch de bijzondere grootte en een meer of min afgeronden vorm van den schedel heeft verkregen; en deze eigenschappen kenmerken hem bij uitnemendheid in vergelijking van de lagere dieren.

Een ander zeer in ’t oog vallend verschil tusschen den mensch en de lagere dieren is de onbehaardheid der huid. De walvisschen en dolfijnen (Cetacea), de dugongs en lamantijnen (Sirenia) en het rivierpaard (Hippopotamus) zijn onbehaard; dit is hun wellicht voordeelig bij het in het water glijden; en kan hun niet nadeelig zijn wegens het verlies van warmte, daar de soorten die koudere streken bewonen, door een dikke speklaag worden beschermd, die tot het zelfde doel dient als de pels van zeehonden en otters. Olifanten en neushoorns hebben bijna geen haar; en daar sommige uitgestorven soorten die vroeger in een poolklimaat woonden, met lange wol of haar waren bedekt (12), zou het bijna schijnen, dat de bestaande soorten van beide geslachten hun harige bekleeding ten gevolge van de blootstelling aan de warmte hadden verloren. Dit is des te waarschijnlijker, daar in Indië de olifanten, die in hooge en koele streken wonen, sterker behaard zijn dan in de laaglanden.81 Mogen wij dus het gevolg trekken, dat de mensch zijn lichaamsharen verloor, omdat hij oorspronkelijk een of ander tropische gewest bewoonde? Het feit, dat het haar bij de mannelijke sekse vooral op de borst en het gelaat, en bij beide seksen op de plaatsen waar de vier ledematen zich met den romp vereenigen, bewaard is gebleven, ondersteunt deze gevolgtrekking, wanneer men aanneemt dat het haar werd verloren, voordat de mensch den opgerichten stand aannam; want de deelen die nu het sterkst zijn behaard, zouden toen het meest tegen de zonnewarmte beschut zijn geweest. De kruin van het hoofd maakt echter een merkwaardige uitzondering, want ten allen tijde moet deze een der meest blootgestelde deelen zijn geweest, en toch is zij dicht met haar begroeid. In dit opzicht komt de mensch met de groote meerderheid der viervoetige dieren overeen, bij welke over het algemeen de bovenste en blootgestelde oppervlakte dikker behaard is dan de onderste oppervlakte. Het feit, dat de andere leden [90]van de orde der Primaten, waartoe de mensch behoort, hoewel zij verschillende warme streken bewonen, goed met haar zijn bekleed, dat over het algemeen het dikst is op de bovenste oppervlakte82, is echter zeer in tegenspraak met de onderstelling, dat de mensch zijn haar door de werking van de zon heeft verloren. De heer Belt meent83, dat het tusschen de keerkringen een voordeel voor den mensch is onbehaard te zijn, omdat hij daardoor in staat is zich te bevrijden van een menigte teken (acari) en andere parasieten, waardoor hij dikwijls wordt gekweld en die soms zweren veroorzaken. Of echter dit kwaad groot genoeg is om door natuurlijke teeltkeus tot ontblooting van zijn lichaam te hebben geleid, mag worden betwijfeld, omdat zich bij geen van de vele zoogdieren die de keerkringsgewesten bewonen, eenig bijzonder middel tot bescherming daartegen heeft ontwikkeld. De meening, die mij het waarschijnlijkste voorkomt, is, dat de mensch, of liever oorspronkelijk de vrouw, van haren werd ontbloot met het doel om zijn schoonheid te verhoogen, en wanneer men dit aanneemt, is het niet te verwonderen, dat de mensch zoozeer in behaardheid verschilt van al zijn lagere broeders, want kenmerken, die ten gevolge van seksueele teeltkeus zijn verkregen, verschillen soms bij zeer nauw verwante soorten in buitengewone mate.

Volgens een algemeen volksgeloof onderscheidt de mensch zich van de dieren vooral door het gemis van een staart; maar daar de apen welke het naast met den mensch verwant zijn, dit orgaan niet bezitten, behoeven wij dat gemis hier eigenlijk niet te bespreken. Het kan echter geen kwaad om te erkennen, dat er, voor zooverre mij bekend is, nog nooit een verklaring is gegeven van het verlies van den staart door sommige apen en den mensch. Wij behoeven ons nochtans over dit verlies niet te verwonderen; want de staart verschilt soms merkwaardig veel [91]in lengte bij soorten van één en het zelfde geslacht; zoo is bij sommige soorten van Macacus de staart langer dan het geheele lichaam en bestaat uit vier-en-twintig wervels; bij andere bestaat hij uit een nauwelijks zichtbare stomp, die slechts drie of vier wervels bevat. Bij sommige soorten van bavianen zijn er vijf-en-twintig, doch bij den mandril slechts tien, of volgens Cuvier84 soms slechts vijf zeer kleine, slecht ontwikkelde staartwervels. De staart wordt bijna altijd aan het einde dunner, hetzij hij lang of kort is; en dit wordt, naar ik onderstel, veroorzaakt door atrophie ten gevolge van onbruik van de spieren van het einde met hun slagaderen en zenuwen, die de atrophie van de laatste staart beentjes met zich sleept. Geen verklaring kan echter op het oogenblik nog worden gegeven van de groote verschillen in lengte, die men bij den staart opmerkt. Hier hebben wij echter meer in het bijzonder te maken met het geheel en al verdwijnen van den uitwendigen staart. Prof. Broca heeft onlangs aangetoond85, dat de staart bij alle viervoetige dieren uit twee deelen bestaat, over het algemeen scherp van elkander gescheiden. Het basale gedeelte bestaat uit wervels, meer of minder van een kanaal en van uitsteeksels voorzien, evenals gewone wervels; terwijl die van het achterste gedeelte geen kanaal bezitten, bijna glad zijn en nauwelijks op gewone wervels gelijken. Een staart, hoewel niet uitwendig zichtbaar, is werkelijk aanwezig bij den mensch en de anthropomorphe apen en is bij beiden volkomen volgens het zelfde model gemaakt. In het achterste gedeelte zijn de wervels die het koekoeksbeen (os coccyx) vormen, geheel rudimentair en zeer verminderd in grootte en aantal. In het basale gedeelte zijn de wervels eveneens weinig in getal, stevig met elkander verbonden, en zijn in ontwikkeling blijven stilstaan, maar zij zijn veel breeder en platter dan de overeenkomstige wervels in de staarten van andere dieren; zij vormen, wat Broca noemt de bijkomende wervels van het heiligbeen. Deze zijn belangrijk voor het organisme, doordat zij sommige inwendige deelen steunen en om meer andere redenen; en hun wijziging staat in rechtstreeksch verband met de opgerichte of half-opgerichte houding van den mensch en de anthropomorphe apen. Dit besluit verdient des te meer vertrouwen, omdat Broca vroeger van een andere meening was, die hij [92]nu heeft opgegeven. De wijziging van de basale staartwervels bij den mensch en de hoogere apen kan dus direct of indirect een gevolg zijn geweest van natuurlijke teeltkeus.

Wat moeten wij echter zeggen van de rudimentaire en zeer variabele wervels van het achterste gedeelte van den staart, die het koekoeksbeen (os coccyx) vormen? Een verklaring, die dikwijls belachelijk is gemaakt, en zulks ongetwijfeld weder zal worden, namelijk, dat wrijving iets heeft te maken met het verdwijnen van het uitwendige gedeelte van den staart, is niet zoo belachelijk, als zij op het eerste gezicht schijnt. Dr. Anderson86 zegt, dat de uiterst korte staart van Macacus brunneus uit elf wervels bestaat, met inbegrip van de inwendig gelegen basale. Het uiteinde is peesachtig en bevat geen wervels; hierop volgen vijf rudimentaire wervels, zoo klein, dat zij te zamen nog geen 4 millimeter lang zijn, en deze zijn bestendig naar den eenen kant gebogen in den vorm van een haak. Het vrije gedeelte van den staart, slechts weinig meer dan 2½ centimeter lang, bevat nog slechts vier andere kleine wervels meer. Deze korte staart wordt opgericht gedragen, maar omstreeks een vierde van zijn geheele lengte is om zich zelf naar den linkerkant omgebogen en dit eindgedeelte, dat de haakvormige wervels insluit, dient „om de tusschenruimte tusschen het bovenste divergeerende gedeelte van de eeltplekken op te vullen”, zoodat het dier er op zit en het daardoor ruw en eeltachtig maakt. Dr. Anderson vat zijn waarnemingen als volgt samen: „Deze feiten schijnen mij slechts ééne verklaring toe te laten: deze staart zit wegens zijn kortheid den aap in den weg als hij zit, en komt dikwijls onder het dier te liggen als het in die houding is, en daar hij zich niet verder uitstrekt dan het uiteinde van de knobbels van het zitbeen, schijnt het alsof de staart oorspronkelijk door den wil van het dier was rondgebogen in de tusschenruimte tusschen de eeltplekken, opdat hij niet zou worden gedrukt tusschen deze en den grond, en dat na verloop van tijd de buiging blijvend werd, zich van zelf invoegende als het toevallig gebeurde, dat het dier op dat orgaan ging zitten.” Onder deze omstandigheden is het niet te verwonderen, dat de oppervlakte van den staart ruw en eeltachtig is geworden; en Dr. Murie, die in den Londenschen dierentuin deze soort, zoowel als drie andere nauw verwante met een weinig langere staarten zorgvuldig waarnam, zegt, dat wanneer het dier zit, de [93]staart „noodzakelijk naar ééne zijde van de billen wordt gekromd; en dat, hetzij hij lang of kort is, de wortel kans loopt om te worden gewreven of beschadigd.” Daar wij tegenwoordig bewijzen hebben dat verminkingen somtijds erfelijke gevolgen hebben, is het niet zeer onwaarschijnlijk, dat bij kortgestaarte apen het uitstekende gedeelte van den staart, geen nut voor het organisme hebbende, na vele generaties rudimentair en krom is geworden, omdat het voortdurend gewreven en beschadigd werd. Wij zien het uitstekende gedeelte van den staart in dezen toestand bij den Macacus brunneus, en volkomen verdwenen bij Macacus ecaudatus en onderscheidene hoogere apen. Ten slotte dan: de staart is, voor zoover wij kunnen beoordeelen, verdwenen bij den mensch en de hoogere apen, omdat het achterste gedeelte gedurende een lang tijdsverloop door wrijving beschadigd is, terwijl het basale en inwendige gedeelte zoodanig verkort en gewijzigd is, dat het geschikt werd voor de opgerichte of halfopgerichte houding.

Ik heb nu trachten aan te toonen, dat sommigen der meest eigenaardige kenmerken van den mensch waarschijnlijk geheel en al, hetzij op directe, of veelvuldiger op indirecte wijze, door natuurlijke teeltkeus zijn verkregen. Wij moeten ons herinneren, dat wijzigingen in maaksel of gestel, die een organisme niet dienen om het geschikt te maken voor zijn levensgewoonten, voor het voedsel dat het verteert, of lijdelijk voor de levensvoorwaarden waaraan het is onderworpen, niet op die wijze kunnen zijn verkregen. Wij moeten echter niet te veel op ons eigen oordeel vertrouwen bij het beslissen, welke wijzigingen voor elk wezen voordeelig zijn: wij moeten bedenken, hoe weinig wij weten van het gebruik van vele deelen, of welke veranderingen in het bloed of in de weefsels kunnen dienen om een organisme geschikt te maken voor een nieuw klimaat of de eene of andere nieuwe soort van voedsel. Ook moeten wij het beginsel van correlatie niet vergeten, waardoor, zooals Isidore Geoffroy in het geval van den mensch heeft aangetoond, vele vreemde afwijkingen in maaksel met elkander verbonden zijn. Onafhankelijk van de correlatie, veroorzaakt een verandering in een deel door het vermeerderd of verminderd gebruik van andere deelen andere veranderingen van geheel onverwachten aard. Het is ook goed, na te denken over zulke feiten, als den verwonderlijken groei van galnoten op planten, veroorzaakt door het vergif van insekten; en over de merkwaardige kleurveranderingen van de vederen van [94]papegaaien, als zij met sommige visschen worden gevoed, of met het vergif van padden worden ingeënt87; want wij kunnen daardoor zien, dat de vloeistoffen van het organisme, als zij door de eene of andere bijzondere oorzaak zijn gewijzigd, andere vreemde veranderingen kunnen veroorzaken. Wij moeten vooral steeds bedenken, dat wijzigingen, in vroegere tijden verkregen en voortdurend gebruikt voor het eene of andere nuttige doel, waarschijnlijk zeer standvastig en gedurende langen tijd moesten worden overgeërfd.

Men mag op die wijze gerust een zeer groote en onbepaalde uitbreiding geven aan de directe en indirecte gevolgen der natuurlijke teeltkeus; maar tegenwoordig, na de verhandeling van Nägeli over planten en de opmerkingen van verschillende schrijvers ten opzichte van dieren, vooral die welke onlangs door Professor Broca gemaakt zijn, te hebben gelezen, neem ik aan, dat ik in de eerste uitgaaf van mijn „Ontstaan der Soorten”, waarschijnlijk te veel toeschreef aan de natuurlijke teeltkeus of het overleven van de meest geschikten. Ik had vroeger niet genoeg gelet op het bestaan van vele deelen, die, voor zooverre wij er over kunnen oordeelen, noch voor- noch nadeelig schijnen te zijn, en ik geloof, dat dit een der grootste misslagen is, die tot dusverre in mijn werk zijn ontdekt. Het moge mij veroorloofd zijn eenigermate als verontschuldiging te zeggen, dat ik twee verschillende zaken beoogde: ten eerste, om aan te toonen, dat de soorten niet elk afzonderlijk zijn geschapen, en ten tweede, dat de natuurlijke teeltkeus de voornaamste oorzaak der verandering was geweest, hoewel in hooge mate geholpen door de overgeërfde gevolgen van de gewoonte en in geringe mate door de rechtstreeksche werking der omringende toestanden. Ik was echter niet in staat om den invloed van mijn vroeger geloof, toen bijna algemeen aangenomen, dat elke soort opzettelijk was geschapen, geheel te niet te doen; en dit bracht mij er toe om aan te nemen, dat elke bijzonderheid van het maaksel, behalve de rudimentaire organen, eenig bijzonder, ofschoon onbekend, nut had. Iedereen, die met dit denkbeeld vervuld is, moet er natuurlijk toe komen de werking van de natuurlijke teeltkeus, hetzij gedurende vroegere of tegenwoordige tijden, te ver uit te breiden. Sommigen van hen die het beginsel van ontwikkeling aannemen, maar de natuurlijke teeltkeus verwerpen, schijnen bij het kritiseeren van mijn [95]boek te vergeten, dat ik de bovengemelde beide zaken beoogde; als ik dus heb gedwaald in het toekennen van groote macht aan de natuurlijke teeltkeus, hetgeen ik volstrekt niet geloof, of als ik de macht daarvan heb overdreven, hetgeen op zich zelf waarschijnlijk is, dan heb ik ten minste, hoop ik, een nuttig werk gedaan door het dogma der afzonderlijke scheppingen omver te helpen werpen.

Dat alle organische wezens, met inbegrip van den mensch, vele wijzigingen van maaksel vertoonen die tegenwoordig voor hen van geen nut zijn en dit ook vroeger niet zijn geweest, is, zooals ik nu inzie, waarschijnlijk. Wij kennen de oorzaak niet, die tusschen de individu’s van iedere soort tallooze kleine verschillen voortbrengt; want het beginsel van atavisme brengt het vraagstuk slechts eenige weinige stappen achterwaarts, maar elke bijzonderheid moet haar eigen voortbrengende oorzaak hebben gehad. Indien deze oorzaken, welke zij ook mogen zijn geweest, eens gedurende een lang tijdvak eenvormiger en krachtiger werkten (en geen reden kan worden gegeven, waarom dit niet soms zou gebeuren), zouden waarschijnlijk niet eenvoudige individueele verschillen, maar sterk uitgesproken bestendige wijzigingen daarvan het gevolg zijn. Wijzigingen die op geenerlei wijze voordeelig zijn, kunnen niet onveranderd zijn gehouden door natuurlijke teeltkeus, hoe wel nadeelige daardoor zouden zijn vernietigd. Onveranderlijkheid van kenmerken zou echter het natuurlijk gevolg zijn van het ondersteld niet-veranderen der voortbrengende oorzaken en eveneens van de vrije kruising van vele individu’s. Het zelfde organisme zou op die wijze gedurende opeenvolgende tijdperken opeenvolgende wijzigingen verkrijgen, en deze zouden in nagenoeg onveranderden staat worden overgeërfd, zoolang de voortbrengende oorzaken de zelfde bleven en de kruising vrij bleef. Ten opzichte der voortbrengende oorzaken kunnen wij alleen zeggen, wanneer wij b.v. van de zoogenaamde spontane veranderingen spreken, dat zij in veel nauwer betrekking staan met het gestel van het veranderde organisme dan met den aard der levensvoorwaarden waaraan het onderworpen is geweest.

Besluit. Wij hebben in dit hoofdstuk gezien, dat evenals de mensch, gelijk elk ander dier, tegenwoordig onderhevig is aan menigvuldige individueele verschillen of kleine wijzigingen, zulks ook ongetwijfeld het geval is geweest met de vroege voorouders van den mensch, en dat die wijzigingen destijds het gevolg waren van de zelfde algemeene oorzaken [96]en onderworpen waren aan de zelfde algemeene en samengestelde wetten, als tegenwoordig. Daar bij alle dieren een streven bestaat om sterker te vermenigvuldigen dan hun middelen van bestaan toelaten, moet zulks ook het geval zijn geweest bij de voorouders van den mensch; en dit zal onvermijdelijk hebben geleid tot een strijd om het leven en tot natuurlijke teeltkeus. Dit laatste proces moet zeer geholpen zijn door de overgeërfde gevolgen van het vermeerderd gebruik van deelen, daar deze beide processen onophoudelijk op elkander terugwerken. Het schijnt ook, zooals wij later zullen zien, dat verscheidene weinig belangrijke kenmerken door den mensch zijn verkregen ten gevolge van seksueele teeltkeus. Er blijven nog eenige, wellicht vele, onverklaarde veranderingen over, die moeten worden toegeschreven aan de onderstelde voortdurende en onveranderde inwerking van die onbekende invloeden, welke nu en dan sterk uitgesproken en plotselinge afwijkingen van maaksel teweegbrengen bij onze kunstmatig gefokte huisdierrassen.

Te oordeelen naar de gewoonten van de wilden en van de meeste apen, leidden de oorspronkelijke menschen en zelfs de op apen gelijkende voorouders van den mensch waarschijnlijk een gezellig leven. Bij streng sociale dieren werkt de natuurlijke teeltkeus soms indirect op het individu door het bewaard blijven van wijzigingen die slechts voor de geheele vereeniging nuttig zijn. Een vereeniging die een groot aantal goed begaafde individu’s bevat, neemt in getal toe en overwint andere, minder goed begaafde vereenigingen, hoewel elk afzonderlijk lid geen voordeel moge hebben boven de andere leden van die zelfde vereeniging. Door de sociale insekten zijn op die wijze vele merkwaardige deelen verkregen, die van weinig of geen nut zijn voor het individu en diens eigen kroost, zooals de toestel om stuifmeel te verzamelen of de angel van de werkbij of de groote kaken van de soldaten bij de mieren. Bij de hoogere sociale dieren is nog geen voorbeeld bekend, dat eenig deel alleen ten beste der vereeniging is gewijzigd, hoewel sommige haar secondair van dienst mogen zijn. De horens der herkauwende dieren en de grootste hondstanden der bavianen schijnen b.v. door de mannetjes te zijn verkregen als wapens bij den kampstrijd om de wijfjes, maar zij worden ook gebruikt tot verdediging van de kudde of den troep. Met sommige geestvermogens is het, zooals wij in het volgende hoofdstuk zullen zien, een geheel ander geval; want deze vermogens zijn voornamelijk, of zelfs uitsluitend, verkregen ten voordeele der vereeniging; terwijl de individu’s waaruit de vereeniging [97]bestond, daardoor tegelijkertijd indirect bevoordeeld werden.


Men heeft dikwijls tegen dergelijke beschouwingen als de voorgaande ingebracht, dat de mensch een der meest hulpelooze en van verdedigingsmiddelen ontbloote wezen is, die bestaan, en dat hij gedurende zijn vroegeren, minder goed ontwikkelden toestand nog hulpeloozer geweest zou moeten zijn. De Hertog van Argyll88 beweert b.v. dat „de lichaamsbouw van den mensch van het maaksel der reddelooze dieren afgeweken is in de richting van grootere physische hulpeloosheid en zwakheid. Dat wil zeggen, het is een afwijking die het van alle andere het minst mogelijk is alleen toe te schrijven aan natuurlijke teeltkeus.” Als bewijzen daarvoor voert hij aan den naakten en onbeschermden toestand van het lichaam, de afwezigheid van groote tanden en klauwen voor de verdediging, de geringe spierkracht van den mensch, zijn langzaamheid in het loopen en zijn weinig ontwikkeld reukvermogen, waardoor hij voedsel moet ontdekken of gevaar vermijden. Bij deze onvolkomenheden zou nog kunnen worden gevoegd het nog gewichtiger verlies van het vermogen om snel in de boomen te klimmen en daardoor aan vijanden te ontsnappen. Als men nagaat, dat de Vuurlanders in hun ellendig klimaat naakt loopen, moet het verlies van het haar den oorspronkelijken mensch, als hij een warm land bewoonde, niet zeer nadeelig zijn geweest. Als wij den van verdedigingsmiddelen ontblooten mensch vergelijken met de apen, waarvan velen geduchte hondstanden hebben, moeten wij bedenken, dat deze in volkomen ontwikkelden toestand alleen door de mannetjes bezeten, en door deze voornamelijk worden gebruikt om hun mededingers te bevechten, en dat de wijfjes, die daarmede niet gewapend zijn, toch in staat zijn te blijven leven.

Wat lichaamsgrootte en spierkracht aangaat, weten wij niet, of de mensch afstamt van deze of gene vergelijkenderwijs kleine soort, zooals de chimpanzee, of van zulk een groote en sterke als de gorilla; en wij kunnen daarom niet zeggen, of de mensch grooter en sterker, of kleiner en zwakker is geworden, in vergelijking zijner voorouders. Wij moeten echter bedenken, dat een dier, hetwelk een aanzienlijke lichaamsgrootte, kracht en woestheid bezat, en dat zich, evenals de gorilla, tegen alle vijanden kon verdedigen, waarschijnlijk, hoewel niet [98]noodzakelijk, geen gezellige levenswijze zou hebben aangenomen; en dit zou de krachtigste hinderpaal zijn geweest tegen de ontwikkeling van ’s menschen hoogere geestvermogens, zooals medegevoel en liefde voor zijn medeschepselen. Het kan daarom een zeer groot voordeel voor den mensch zijn geweest om uit een of ander vergelijkenderwijs zwak wezen te zijn ontstaan.

De geringe spierkracht van den mensch, zijn langzame gang, zijn gebrek aan natuurlijke wapenen enz. worden meer dan opgewogen, ten eerste door zijn verstandelijke vermogens, met behulp waarvan hij, terwijl hij nog in den wilden toestand bleef verkeeren, voor zich zelven wapenen, werktuigen, enz. vervaardigde, en ten tweeden door zijn sociale hoedanigheden, die veroorzaakten, dat hij zijn medemenschen hielp, en wederkeerig door hen werd geholpen. Geen land ter wereld bezit een grooter overvloed van gevaarlijke dieren dan Zuid-Afrika; geen land vertoont vreeselijker physische toestanden dan de Noordpoolstreken; toch houdt zich een der zwakste menschenrassen, de Bosjesmannen, in Zuid-Afrika staande, en doen de dwergachtige Eskimo’s het zelfde in de Noordpoolstreken. De vroege voorouders van den mensch deden ongetwijfeld in verstand en in aanleg voor het gezellige leven voor de minst ontwikkelden der tegenwoordige wilden onder; maar het is zeer goed te begrijpen, dat zij bleven bestaan en zelfs bloeiden, wanneer zij, terwijl zij trapsgewijze hun dierlijke kracht verloren, tegelijkertijd in verstand toenamen. Maar toegegeven, dat de voorouders van den mensch veel hulpeloozer en van verdedigingsmiddelen ontbloot waren dan een der thans levende stammen van wilden, dan zouden zij toch, wanneer zij het eene of andere warme vasteland of groote eiland, zooals Nieuw-Holland of Nieuw-Guinea, of Borneo (welk laatste eiland tegenwoordig het verblijf is van den orang) hadden bewoond, aan geen bijzonder gevaar zijn blootgesteld geweest. In een streek, zoo groot als een dezer eilanden, zou de wedijver tusschen de verschillende stammen onder gunstige omstandigheden voldoende zijn geweest om den mensch, door het overleven der geschiktsten, verbonden met de overgeërfde gevolgen van het gebruik, op te heffen tot zijn tegenwoordige hooge plaats op de ladder der wezens. [99]