De vertellingen der Surinaamsche negers zijn bijna uitsluitend dierenfabels of sprookjes, waarin aan de verschillende dieren menschelijke hoedanigheden, zoowel lichamelijke als geestelijke, worden toegeschreven. Evenals in de Indianenverhalen kunnen de dieren willekeurig van dier in mensch of omgekeerd veranderen. Het aantal vertellingen, waarin de spin, anansi, als held optreedt, is [204]verreweg in de meerderheid. De spin is bij den Surinaamschen neger de nationale held, en tevens de personificatie van het negerras. Aan de spin nl. worden de eigenschappen toegeschreven, die ook bij den neger het meest op den voorgrond treden of die hij zoo gaarne zou willen bezitten.
De spin is buitengewoon listig, lijdt aan slapeloosheid, heeft een taaiheid, die aan onsterfelijkheid grenst, bezit een formidabelen eetlust en een bewonderenswaardig talent, om zich van het noodige voedsel te voorzien. De spin toont door het spinnen van haar kunstig web, dat zij buitengewoon knap is en „heeft de draad van haar persoonlijkheid met het nationale leven als het ware samengeweven.” De spin houdt er van lui te zijn, weigert de lichtste last te dragen, als het in haar kraam te pas komt, maar kan ook, als er iets te eten valt, met het grootste gemak het lichaam van een dooden olifant optillen.
Om anansi heen groepeeren zich talrijke andere dieren, die voor het meerendeel tot de inheemsche fauna van Guyana behooren en na de overbrenging der vertellingen door de negerslaven gaandeweg voor Afrikaansche dieren in de plaats zijn getreden, terwijl er ook nog nu en dan dieren in voorkomen, die in de herinnering hunner afstammelingen aan het oude vaderland zijn blijven voortleven, zooals bijv. de Olifant, die in Amerika niet voorkomt, en toch in de Surinaamsche negervertellingen enkele malen optreedt.
Iedere diersoort wordt in de verschillende dierenfabels steeds met dezelfde eigenschappen uitgebeeld, zoowel lichamelijke als geestelijke en in hunne karakterschetsen der dieren toonen ook de negers uitmuntende natuurwaarnemers te zijn.
In het algemeen kan gezegd worden, dat de neger er, evenals andere natuurvolken, van houdt, in het licht te stellen, dat de zwakke en hulpelooze schepselen [205]geschapen zijn, om over de sterkere te zegevieren—niet door kracht, maar door knapheid en listigheid. De neger acht deze eigenschappen hooger dan brute kracht. Kleine en nietige dieren winnen het in zijn eenvoudige vertellingen steeds van de groote en sterke, en dat hij dit motief zoo gaarne in zijne mondelinge overleveringen behandelt, mag hieraan worden toegeschreven, dat het Zwarte Ras, dat steeds onderdrukt is geweest, dat zoo lang als minderwaardig tegenover het blanke werd beschouwd, en in de Afrikaansche wildernis tegen zoovele wilde en gevaarlijke dieren heeft moeten strijden, geleerd heeft, dat kundigheden en list eigenschappen zijn, waarmede hij het in zijn strijd tegen zijn medemensch en tegen de omringende dierenwereld het verst kan brengen.
Dat de neger licht geneigd is, in dit opzicht sterk te overdrijven, dat er een tikje verdorvenheid in zijne streken schuilt, en dat hij geveinsdheid als een schoone eigenschap heeft leeren kennen en listigheid als een onschatbaar middel in zijn strijd tegenover de dieren en tegen de hebzucht van zijn blanke overheerschers heeft leeren waardeeren, is zeker niet te verwonderen.
Het was zeker geen gemakkelijke taak, die M. H. Nahar op zich had genomen, om het noodige materiaal voor de kennis van de Surinaamsche neger-folklore bijeen te brengen. Terwijl het reeds zeer moeielijk is, om uit den vloed van woorden, nu eens zacht gefluisterd, dan weêr met kracht uitgestooten, overal den zin goed te begrijpen, het vereischt bovendien een ongewoon taalgevoel, om in een Nederlandsche vertaling den eigenaardigen verhaaltrant der negers behoorlijk weêr te geven7.
In dit opzicht hebben de door Nahar mij toegezonden [206]vertellingen mij wel wat teleurgesteld, want na de allernoodzakelijkste verbeteringen verkreeg ik een tekst, die niet juist de wijze weêrgeeft, waarop de neger zich pleegt uit te drukken, als hij aan het vertellen is. De korte zinnen, het gebruik van den tegenwoordigen tijd, het weglaten van het lidwoord vóór de dierennamen, ziedaar enkele eigenaardigheden, die mij in de Surinaamsche oerwouden reeds waren opgevallen, als een neger, omringd door aandachtige toehoorders, bij het flikkerende vuurtje aan het vertellen was, en die ik later terugvond bij den nog te bespreken bundel vertellingen, verzameld door Florence Cronise bij de negers van Sierra Leone en ook in de belangwekkende verzameling, door Walter Jekyll bij de negerbevolking van het West-Indische eiland Jamaica bijeengebracht.
Beter in dit opzicht is het verhaal uit de geschiedenis van Vriend Spin, dat de Heer A. G. Fernandes te Paramaribo mij verschafte, en waarop ik later nog de bijzondere aandacht moet vestigen.
Waar het allerminst mijne bedoeling is, door deze opmerking op den arbeid van Nahar kritiek uit te oefenen, meende ik haar den lezer toch niet te mogen onthouden, opdat hij wete, welke waarde uit een zuiver folkloristisch oogpunt aan Nahar’s bundel mag worden toegekend. Deze woorden gelden natuurlijk niet voor het meerendeel der lezers van dezen bundel, wien het meer om den inhoud, dan op den juisten vorm van de vertelling te doen is.
De woorden van vreemde afkomst, zooals repeteeren, diagnoseeren enz. heb ik in Nahar’s tekst niet door Nederlandsche woorden vervangen, omdat het met voorliefde gebruiken van deftige woorden mij onder de gesprekken met den Surinaamschen Neger als een eigenaardigheid was opgevallen.
Nahar had bij het verzamelen van negervertellingen [207]nog met een andere moeilijkheid te kampen, waarop hij niet gerekend had, nl. met het bij den Neger ingewortelde bijgeloof, waardoor hij telkens teleurgesteld werd, wanneer hij wilde trachten, op Zondag, den voor hem geschiktsten dag, nieuwe vertellingen machtig te worden.
Het innerlijke leven van den Neger wordt, evenals dat van den Indiaan, zoozeer beïnvloed door zijn bijgeloof, dat om het goed te kunnen begrijpen, eene kennis van het uitgebreide netwerk van bijgeloovigheden, waarvan hij zich steeds omringd gevoelt, zoo niet noodzakelijk, dan toch zeer nuttig zou zijn. Het is daarom, dat ik aan den bundel Surinaamsche Anansi-tori’s laat voorafgaan een door M. H. Nahar mij toegezonden opstel, getiteld: „De Anansi-tori en het Bijgeloof”. De lezers, die meer over dit onderwerp willen vernemen, verwijs ik naar het opstel van de Gebroeders Penard, (P. b.).
Vooral van oude negerinnen, van wie Nahar kon verwachten, de meest oorspronkelijke vertellingen te zullen hooren, kreeg hij steeds een weigering, op Zondag aan het vertellen te gaan, want „kerki teki habra wi kisi dopoe8 en mi wan kerki soema moe taki anansitori?”9, waren de antwoorden, die een oude negerin, eertijds slavin op de plantage Brouwerslust (Brouroe) en nu lidmaat van de Moravische broedergemeente, Nahar gaf, terwijl zij hem met argusoogen aanzag, diep ademhaalde en de tong tegen haar verhemelte sloeg.
De volharding, waarmede Nahar zich van zijn taak gekweten heeft10, mag daarom op hoogen prijs worden [208]gesteld, omdat zijne verzameling negervertellingen den grondslag vormt, waarop anderen zullen kunnen voortbouwen11.
Met nadruk mag hier zeker wel gewezen worden op den steeds toenemenden Europeeschen invloed, die ook de neger-folklore van Suriname bezig is te ondergaan, en die reeds zóó groot is, dat het zeer moeielijk is, onder de jongeren van het zwarte deel van Suriname’s bevolking oorspronkelijke anansi-tori’s machtig te worden. Terecht drukt Nahar dan ook in een zijner minder voor publicatie geschikte aanteekeningen over het bijgeloof zijne teleurstelling er over uit, dat de voormalige slavin op Brouwerslust er niet toe te brengen was, anansi-tori’s te vertellen, „daar stellig zeer typische voor den dag zouden zijn gekomen”.
Alvorens nu op de verschillende vertellingen een korte toelichting te geven, in den zelfden geest, als ik bij de mondelinge overleveringen der Indianen heb getracht te doen, zal het nuttig zijn, enkele regels te wijden aan de vermoedelijke herkomst der Surinaamsche negervertellingen, waarbij de Geschiedenis van den Surinaamschen Neger ons zal moeten leiden.
In Suriname, met zijne uit zooveel verschillende elementen samengestelde bevolking, hebben alleen de Negers hunne spinverhalen of anansi-tori’s, waaruit blijkt, dat deze vertellingen van Afrikaanschen oorsprong zijn. Iedereen weet dit ook in de kolonie. Werd niet de gouddelver, die zoo bang was op Zondag anansi-tori’s te vertellen of [209]aan te hooren12 door den tolk Nahar dadelijk gerustgesteld met de woorden: „anansi-tori’s zijn immers slechts sprookjes, die door de Afrikanen en hunne kinderen vervaardigd zijn en die hier al sedert 2 à 300 jaar bestaan”.
Onze nasporingen betreffende den oorsprong dezer vertellingen zullen wij dus in de eerste plaats daarheen moeten richten, vanwaar indertijd de negerslaven zijn weggehaald.
Terwijl door meerdere schrijvers de Goudkust en aangrenzende kuststreken, de Congo en ook wel Soedan als de streken van herkomst worden vermeld, schijnt het toch wel vast te staan, dat verreweg het grootste deel der slaven van de Goudkust afkomstig is, waarheen de Hollanders reeds in 1595 hun eerste handelsreis maakten, en wel meer in het bijzonder van St. George del Mina, dat, evenals Brazilië, door den dapperen Maurits van Nassau voor Nederland veroverd werd en dat van 1637 tot 1872 een Nederlandsche kolonie was13.
Behalve St. George del Mina bouwden de Hollanders aan de Goudkust nog 16 andere forten en deze bezitting met het aangrenzende achterland kon ruimschoots voorzien in de behoeften aan negerslaven, toen de Hollanders ook in Guyana nederzettingen gingen vormen, in Essequibo in 1616, in Berbice in 1624 en in Suriname, dat Engeland bij den vrede van Breda in 1667 aan Nederland afstond, welk bezit aan het einde van den derden Engelschen oorlog, bij den vrede van Westminster in 1674, ten volle bevestigd werd.
Het was vooral in de belangrijke periode van 1660–1840, [210]ook wel het suikertijdperk genoemd14, dat de Hollanders zich voor hunne ondernemingen in Guyana aan de Goudkust van de noodige slaven voorzagen en dit aantal zal zeker niet gering geweest zijn, vooral in het tijdperk, waarin ook Engelsch Guyana eene Nederlandsche bezitting was.
Waarom nu zouden de Hollandsche kolonisten elders in Afrika gezocht hebben, wat in hun eigen kolonie ruimschoots te krijgen was?
Naar het Hollandsche fort Kormantijn of Koromanti, nabij het fort Elmina, werden deze kustslaven Koromantijnen genoemd, of ook wel eens met den naam Koffies aangeduid, naar den algemeen bij de Ashantijnen voorkomenden naam Kofi (zie blz. 213). Want deze Koromantijnen waren de aan de Goudkust wonende Fantijnen en de aan deze vijandig gezinde Ashantijnen van het achterland—stammen, die in hunne lichamelijke eigenschappen en in hunne gebruiken de stamverwantschap met den Surinaamschen neger nog duidelijk verraden.
Doch ook van uit de Engelsche slavendepôts moeten meermalen negerslaven in Suriname zijn ingevoerd, vooral toen vele Engelsche kolonisten zich sedert de komst van Parham in 1652 in Suriname kwamen vestigen, om zich op de winstgevende suikerrietcultuur toe te leggen, niet het minst in het tijdperk tusschen de jaren 1799 en 1802 en de jaren 1804 en 1816, toen Suriname in Engelsche handen was.
Vóór het midden der 17e eeuw kochten de Engelsche kolonisten echter meestal slaven van de Hollanders, totdat ook zij in staat waren, blijvende slavendepôts in West-Afrika te vestigen. Zoo richtten zij depôts op in 1618 en 1664 aan de Gambia-rivier en in 1618, 1626, [211]1668 aan de Goudkust. Ook met Sierra Leone, West-Liberia en het achterland en met de landen aan den Boven-Niger ontwikkelde zich een levendige slavenhandel, die in het laatst der 14e eeuw in verband met de hooge vlucht, die de suikerriet-cultuur had genomen, het toppunt bereikte.
Ook de Joden, die—gelijk bekend van Portugeeschen afkomst—een belangrijke rol hebben gespeeld in de kolonisatie van Suriname, hebben zeer belangrijk bijgedragen tot den invoer van negerslaven uit de laatstgenoemde streken, want tot aan de afschaffing der slavernij hadden zij vertegenwoordigers aan de Gambia-rivier, in Sierra Leone en elders aan de West-Afrikaansche kust en vormden zij als het ware de tusschenpersonen in den slavenhandel.
Wanneer dus, zooals uit dit onvolledig overzicht mag gebleken zijn, verreweg het grootste deel der tegenwoordige negerbevolking van Suriname mag teruggevoerd worden tot de verschillende negerstammen van de Goudkust en het achterland, van Sierra Leone, van West-Liberia met het achterland, van de landen aan den Boven-Niger en van het stroomgebied der Gambia-rivier, dan dringt van zelf de vraag aan ons op, of, hetgeen verwacht mag worden, deze afkomst nog in de taal, in de godsdienstige gebruiken en in de folk-lore der Surinaamsche negerbevolking sporen heeft achtergelaten.
Hoewel deze bundel uitsluitend gewijd is aan de folk-lore, mag toch op enkele merkwaardige overeenkomsten worden gewezen, die de eerstgenoemde uitingen van het geestelijk leven betreffen.
De Neger-Engelsche taal, door de Surinaamsche negers gesproken, is een merkwaardig samenvoegsel van uit verschillende talen afkomstige woorden. De slaven, die op de eerste vestigingsplaatsen met de Blanken, nl. met [212]Engelschen, nl. in het deel der kolonie, waar later Paramaribo ontstond, en met Portugeesche Joden aan de Boven-Suriname-rivier (Jodensavanne) in aanraking waren, trachtten de taal hunner meesters te spreken en aldus ontstonden twee verschillende dialecten: het eene, het Neger-Engelsch, het tweede het Neger-Portugeesch, die beide rijk waren aan Afrikaansche woorden en uitdrukkingen, terwijl in het eene het Engelsch, in het andere het Portugeesch overheerschte. Later loste zich het laatste in het eerste op, toen de Joden naar de Hoofdstad gingen verhuizen, maar het Neger-Portugeesch bleef toch een bijzonderen stempel drukken op de taal der negers, waartoe o.a. behoort de neiging, om evenals bij aanverwante Zuid-Europeesche talen, de woorden te doen eindigen met een klinker, waardoor het Neger-Engelsch een zekere zoetvloeiendheid eigen is, die het, evenals het Italiaansch, zoo uitermate voor den zang geschikt maakt.
Nadat Suriname voorgoed een Nederlandsche kolonie geworden was, en vooral ook, nadat ongeveer 46 jaar geleden het Nederlandsch de algemeene voertaal van het Onderwijs was geworden, is de invloed van de Nederlandsche taal op de Negertaal in onze kolonie steeds toegenomen, zoodat men deze tegenwoordig beter Neger-Hollandsch, dan Neger-Engelsch zou kunnen noemen.
Onder de woorden nu van Afrikaanschen oorsprong in de Neger-Engelsche taal—want men is de negertaal in Suriname nog altijd zoo blijven noemen—zijn er, die afgeleid moeten worden van de Tshi-taal, gesproken door de negerstammen aan de Goudkust (meer in het bijzonder de Ashantijnen en de Fantijnen). Spin is in de Tshi-taal anansi*15. Duidelijker is deze verwantschap gebleken uit eene studie van het West-Indische eiland Jamaica, dat het meerendeel der slaven eveneens [213]van de Goudkust heeft gekregen (zie later). Hier heet de spin unnahncy waarbij de klemtoon op de middelste lettergreep valt. (Je).
Op ondubbelzinnige wijze wordt de afkomst van ten minste een groot deel der Surinaamsche negerslaven uit de Negers der Goudkust (Ashantijnen en Fantijnen en andere de Tsji-taal sprekende stammen) aangetoond door de namen, die in den slaventijd en ook nog lang daarna, aan de negerkinderen werden gegeven.
Nahar, die veel onder negers verkeerd heeft, en er gekend heeft, die den slaventijd hebben meêgemaakt, schrijft mij: „Vroeger gaven de negers hunnen kinderen den naam van den dag hunner geboorte, voor jongens en meisjes verschillend”.
Zoo heette een kind geboren op:
| Jongen: | Meisje: | |
| Zondag | Kwasi | Kwasiba |
| Maandag | Kodjo | Adjoeba |
| Dinsdag | Kwamina | Abeni (Abeniba) |
| Woensdag | Kwakoe | Akoeba |
| Donderdag | Jaoe of Jau | Jaba |
| Vrijdag | Kovi of Kofi | Afi of Affiba |
| Zaterdag | Kwami | Amba (Amimba) |
Dezelfde gewoonte bestaat volgens A. B. Ellis (El.) bij de Ashantijnen, Fantijnen en andere, de Tshi-taal sprekende stammen en de afleiding van de namen der Surinaamsche negerslaven van de bij de laatstgenoemde stammen gebruikelijke namen zal voor ieder, die het onderstaand, aan Ellis ontleende lijstje met de opgaven van Nahar vergelijkt, ontwijfelbaar vaststaan:16 [214]
| Jongen: | Meisje: | |
| Zondag | Kwasi | Akosua, Akwasibah, Aysi |
| Maandag | Kwadjo | Adua |
| Dinsdag | Kobina, Kwabina | Abbena, Arabak |
| Woensdag | Kwaku | Ekua |
| Donderdag | Know, Yow, Akkor | Abbak, Yabbah, Yawah |
| Vrijdag | Kwoffi | Effua, Yah |
| Zaterdag | Kwami, Kwamina | Amma, Ameminiwah |
Ook met betrekking tot de godsdienstige begrippen en de gewoonten en gebruiken zou het niet moeilijk vallen, door nauwkeurige vergelijking in menig opzicht groote verwantschap te vinden tusschen de Surinaamsche negers (meer in het bijzonder de Boschnegers, die nog in volmaakt heidendom leven en buiten de aanraking met de blanken weinig of niet veranderd zijn)17 en de negers der Goudkust.
Beide gelooven aan een Hoofdgod (Grangado of Groote God der Boschnegers). Deze godheid is echter te groot en te verheven, om zich met de aardsche stervelingen in te laten. De tusschengeesten of ondergodheden zijn daar, om zich met het lot der menschen te bemoeien en hen goed of kwaad te doen, naarmate deze Geesten goed of kwaad gezind zijn.
Bij de Goudkust-negers, die de Tshi-taal spreken, heet de Opperste God Bodowissi, in de zuidelijke deelen later vervangen door een nog hoogeren God, die Nyankupon genoemd wordt (Ba. bl. 23), en bij de Ashantijnen Tando heet. Evenals bij de Indianen mogen aan deze Godheden niet de beteekenis worden toegeschreven, die de Christelijke leer aan God hecht, want de Opperste Godheden der genoemde primitieve negerstammen zijn stoffelijke, [215]tastbare wezens, die de gedaante en eigenschappen van menschen hebben. Bodowissi wordt bijv. door personen aangeroepen, die een langen tocht ondernemen, als: „Nana Bodowissi, jeh hyen miankor jeh hyen miombah yi”, d.i. „Grootvader Bodowissi, laat ons veilig terug keeren”.
Volgens de opvatting van de Goudkustnegers en der Surinaamsche Boschnegers dwalen eene menigte booze geesten rond, om allerlei onheilen te stichten. Bijna alle kwade geesten hebben, volgens hun geloof, ook meer bepaalde verblijfplaatsen, doorgaans dieren en planten.
De Boschnegers van Suriname vereeren den Zijdekatoenboom of de Kankantrie*, terwijl het aan de Goudkust verschillende op dezen woudreus gelijkende boomsoorten zijn, die in het leven der negers een evengroote rol spelen, doch er botanisch niet mede verwant zijn. Alles wordt gedaan, om de kwade geesten, die in den boom verblijf houden en als de oorzaak van allerlei ziekten worden beschouwd, door het brengen van offers gunstig te stemmen, die in Ashanti oorspronkelijk uit menschen, later uit dieren bestonden en die zich later, evenals nu nog bij de Boschnegers, gingen bepalen tot allerlei aftreksels van kruiden, dranken, spijzen enz. (C. e.)
Het geloof aan een Geest, die den mensch zelven bemachtigt, hem als het ware bezielt, treffen wij, zoowel bij de negers der Goudkust als bij de Surinaamsche negers aan. Deze Geest heet bij de eersten kra, bij de laatsten kra of akrá. Hij mag niet verward worden met hetgeen wij de ziel noemen, want de kra is slechts een geest, die over den mensch waakt, zoolang hij leeft, die zijne handelingen beheerscht en wiens verband met het lichaam bij den dood ophoudt.
Volgens de Penards (P. b.) kan de mensch zijn kra, die zij levensgeest van den mensch noemen, naar willekeur van zich scheiden en weêr oproepen, en kan ook een [216]vreemde, die er verstand van heeft, de kra van een verwijderd persoon oproepen, ten einde hem om raad te vragen. Iemand, die van zijn kra beroofd is, spreekt wartaal, wordt lusteloos of ziek en sterft dikwijls.
De Tshi-taal sprekende negers der Goudkust kennen aan ieder natuurprodukt eene kra toe en de redeneeringen, die hen, volgens Ellis, tot dit geloof hebben geleid, komen uit een logischen gedachtengang voort. Iemand valt op zekeren dag in de rivier, zegt deze schrijver (El. a) van de negers, die de Tshi-taal spreken. Hij verdrinkt; het lichaam wordt uit het water gehaald en blijkt geen teekenen van geweld te vertoonen, die den dood hadden kunnen veroorzaken. Welke was dan de oorzaak van den dood? vraagt de neger18. Water alleen doet geen kwaad; hij drinkt het immers dagelijks; hij wascht zich er mede en gebruikt het voor een menigte doeleinden. Hij trekt dus het besluit, dat het water den dood van den man niet kan hebben veroorzaakt; en daar hij een geestelijk wezen bij de hand heeft, waaraan hij het ongeluk toeschrijft, neemt hij aan, dat de kra van de rivier, m.a.w. de in de rivier huizende geest den man heeft gedood. Dit maakt hem bang, want als de man, die in het water is gevallen, door den riviergeest gedood is kunnen worden, waarom ook niet een ander—waarom niet hij zelf misschien?
Hij tracht daarom op alle mogelijke manieren dien machtigen geest zachter te stemmen: hij gaat hem vereeren enz.
Door de negerstammen van de slavenkust (El. a), het deel van de West-kust van Afrika, dat zich ten Oosten van de Goudkust uitstrekt, worden krokodillen d.w.z. [217]bepaalde soorten daarom vereerd, omdat zij de verblijfplaats zijn van een Geest, ook door hen kra genoemd, die bij gebrek aan een menschelijke woning, bij den dood van een persoon in het lichaam van een krokodil zijn verblijf heeft opgeslagen. Zulke Kra’s, die van den mensch in lagere diersoorten zijn overgegaan en dus achteruitgegaan zijn, worden algemeen als kwaadgezind beschouwd. Deze achteruitgegane geesten zoeken bij voorkeur dieren tot verblijfplaats op, die op menschen loeren. De bedoelde negers gelooven dan ook, dat iedere krokodil, die een mensch doodt, handelt door een kwaadgezinden geest, die in hem woont—op dezelfde wijze dus, als waarop de Surinaamsche neger, zooals werd opgemerkt, dikwijls zijn eigen handelingen verklaart.
Zeer merkwaardig is in dit verband de zang op het water, door den hoofdman in een kano aangeheven, met de bedoeling, de kra van den krokodil te vleien. De zang vangt aan met een koor, door alle bootslieden gezongen:
Koor: Jalodeh19, goede Geest! Leid ons, bescherm ons tegen kwaad.
Solo: Gij zijt groot; gij zijt sterk! O, Jalodeh. Wanneer Ge het verkoos, zoudt Gij in macht met Shango20 kunnen wedijveren. Maar Gij beschouwt het als onwaardig, om wreed en bloeddorstig te zijn, en Gij geeft er liever de voorkeur aan, U zelf beroemd te maken, door ons de weldaden van Uw vrijgeleide te laten genieten.
Wij vertrouwen op U, O, Jalodeh! Wees onzer genadig!
Koor: Jalodeh, goede Geest; geleid ons, bescherm ons tegen het kwade. [218]
Solo: Gij zijt zóó sterk, dat het volk U evenzeer vreest als het U bemint. Maar Gij, wat hebt Gij te vreezen? De speer kan Uw huid niet doorboren; de geweerkogel ketst op U af en is verloren. Niemand kan iets tegen U doen. Niets kan U weêrstaan. Hij, dien Gij beschermt, heeft geen waakzaamheid noodig; hij slaapt, wanneer Uw oog op hem rust.
Wij vertrouwen op U, O, Jalodeh! Wees onzer genadig!
Koor: Jalodeh, goede Geest; geleid ons, bescherm ons tegen kwaad.
Solo: Zie, in deze kano komen reizigers uit het land der Blanken. Laat er geen kwaad met hen gebeuren in uwe wateren, anders zoudt Gij even boosaardig zijn als Legba21. Wanneer zij mochten komen te sterven, zou het volk kunnen gelooven, dat wij ons niet voldoende tegenover U hadden in acht genomen en geprezen. Toon den Blanken, dat Gij menschen beschermt. Geleid ons zonder ongevallen verder.
Koor: Jalodeh, goede Geest! Geleid ons, bescherm ons tegen ongelukken.
Solo: Ik herinner mij nog, dat ik nog een kind was, toen mijn moeder mij naar Uwe wateren heenbracht, en mij in het water onderdompelde. Ik wist nog niet, dat er eenig gevaar voor mij was. Gij waart vlak bij mij, en mijn moeder was zeer bang. Maar Gij hebt mijn kleine leden geliefkoosd en hebt gezorgd, dat ik naar een veilige plaats kon gaan.
Jalodeh, o, beste aller goden, geleid ons. Ik zal U altijd eeren, en zoo mogelijk steeds meer.
Koor: Jalodeh! O, beste aller goden, geleid ons. Altijd zullen we U eeren, ja altijd meer!.…
[219]
Een overblijfsel van de vereering van de geesten der natuurvoortbrengselen, van natuuraanbidding, heb ik op onzen tocht door Suriname’s wildernissen (C. b.) bij onzen kok aangetroffen, wiens vader slaaf was geweest. Vooral, als wij diep in het oerwoud gekampeerd lagen, werd hij overmeesterd door de machtige grootheid der natuur. „Weet u wel”, zoo zei hij mij eens, „dat alles in de natuur een Geest heeft, zijn God, tot zelfs de steenen in de rivier, die zoo dikwijls boot-ongelukken veroorzaken? Laten we zorgen, dat de Geesten ons gunstig gezind zijn”.
Ook bij de Surinaamsche negers treft men nog sporen van het geloof aan een in den mensch verblijf houdende kra of akrá aan. Wanneer een neger nl. iets verkeerds heeft gedaan, waarvoor hij zich niet verdedigen kan, verontschuldigt hij zich dikwijls met: „A no mi, na mi akra”.22
Dat, na een zóó langdurige inwerking van vreemde invloeden, bij de negerbevolking van Suriname nog zooveel oorspronkelijks is overgebleven, en dat bij een intiemeren omgang met dit deel der Surinaamsche bevolking steeds meer oude herinneringen aan Afrika en den slaventijd te ontdekken vallen, mag ons zeker niet verwonderen, als wij aan de ruwe, dikwijls onmenschelijke behandeling denken, waaraan de negerslaven herhaaldelijk van de zijde der kolonisten hebben blootgestaan (Joh. blz. 113)23 en waardoor een vurig verlangen naar en herinneringen aan het land, waarvan zij eertijds zoo wreedelijk waren ontrukt, bij het volk als een heiligen schat bewaard bleef.
Nog geen twee weken was ik in de kolonie, toen een negerinnetje, een onzer dienstboden gedurende ons verblijf te Paramaribo, mijn aandacht vroeg voor het land waaruit haar grootvader eertijds als slaaf was weggevoerd, [220]want toen haar gevraagd werd, voor onze phonographische opnamen een typische negerliedje te willen zingen, hief zij met sympathieken stem, het later door mij meermalen gehoorde, „mooi Afrika mi lobi di”.24
De afkeer, die zoovelen onzer rasgenooten, helaas! ook nog in onze dagen, jegens al wat neger is aan den dag leggen, waardoor zij het veelal beneden hunne waardigheid achten, tot zijn innerlijk leven af te dalen, heeft er ongetwijfeld veel toe bijgedragen, dat de Surinaamsche neger in zijn denkwijze, zijn gewoonten en gebruiken betrekkelijk nog zoo weinig veranderd is, en het is zeker te betreuren, dat nog niemand van zijn verblijf in de kolonie gebruik heeft gemaakt, om die herinneringen aan Afrika en den slaventijd op te sporen en te boek te stellen.
Het is ook weêr aan M. H. Nahar te danken, dat ik te dezer plaatse enkele dier oude herinneringen kan vermelden.
In een zijner mij toegezonden opstellen wordt de voorstelling verhaald, die nog bij oude negers en ook bij de Boschnegers aangaande den heiligen Kankantrie*, den Boesi-granman of Boesi-mama25 wordt aangetroffen.
De Boesi-mama is onder de beheerschers der bosschen de meest bekende. Zij komt overeen met een mensch, alleen met dit verschil, dat hare voeten van achteren zitten en dat zij een vreemd hoofd met lang haar draagt. Zij kent alle geneeskrachtige kruiden, doch voor den mensch schijnt zij er weinig gebruik van te maken, want met de menschen, die in hare nabijheid komen, vangt zij den strijd aan, waarin zij bijna altijd overwint. Vandaar dat hij, die in het bosch verdwaalt, er nimmer meer uitkomt. Door Indiaansche priesters (Piai Ingies) en door [221]droomen is men er achter gekomen, dat het de Boesimama is, die de menschen wegvoert.
Wanneer een man in den strijd met de Boesimama overwint, hetgeen maar zelden voorkomt, wordt hij haar minnaar en door haar onderwezen in alle mogelijke kunsten, die de wetenschappen ver te boven gaan.
Haar bestaan schijnt niet meer te zijn van dezen tijd, zoo eindigen Nahar’s mededeelingen, daar er heel weinig meer over haar gesproken wordt.
Dit bijgeloof moet uit de Goudkust zijn overgebracht, waar in alle districten twee godheden of Geesten bekend zijn, die in, onder of te midden van den Zijdekatoenboom huizen en den naam hebben gekregen van Srahmantin (Srahman = geest, tin = afkorting van tsintsin = slank, hoog) en Sasabonsum (abonsum = kwaadaardigheid, betoovering). De eerste leeft er te midden van den hoogen Zijdekatoenboom, wiens enorme stammen ver boven de omringende boomen van het bosch uitsteken; de tweede wordt nu eens te midden, dan weêr onder den Zijdekatoenboom aangetroffen, nl. daar, waar de aarde een roode kleur heeft. Hij is de vriend van toovenaars en heksen. Hij is een monsterlijk wezen in menschengedaante, met lang haar en een roode huidskleur. Hij heeft een voorliefde voor menschenvleesch en belaagt en verslindt eenzame voorbijtrekkers. Men gelooft, dat de roode kleur van de aarde van het bloed der slachtoffers, die hij doodt, afkomstig is.
Srahmantin is een vrouwelijke Geest, eveneens van monsterlijke gedaante, met lang haar en lange hangende borsten. Zij wordt alleen in of te midden van de Zijdekatoenboomen aangetroffen. Zij grijpt eveneens eenzame voorbijtrekkers aan, doch zij verslindt hen nimmer. Zij houdt hen 4 of 5 maanden bij zich, en doet hen naar de dorpen gaan, waar zij hare priesters of priesteressen worden, die door haar zijn ingelicht omtrent alle geheimen, haar betreffende. [222]
De meeningen omtrent deze Geesten loopen bij de verschillende stammen nog al uiteen. De plaatselijke Srahmantin van een verwijderd dorp werd gezegd twaalf hoofden te hebben. (El.)
Vooral de laatste mededeeling is van gewicht in verband met hetgeen zooeven gezegd is omtrent den oorsprong van het bijgeloof, dat bij oude Surinaamsche negers nog heerscht ten opzichte van den Kankantrie, en dat vermoedelijk is voortgekomen uit de voorstelling, die de Goudkust-negers zich van Srahmantin maken.
Dat de slaven ook het eigenaardig bootgezang, als begeleiding hunner gelijkmatige roeibewegingen, uit Afrika naar Suriname, met zijne talrijke rivieren, zouden overbrengen, sprak van zelf.
Werd niet meermalen de poëzie beschreven, die een tocht op een der Afrikaansche stroomen den reiziger schenkt (zie: Bijvoegsel II), wanneer de negerroeiers hunne eentonige roeiliederen over het water laten klinken, en brengen zulke beschrijvingen niet levendig een boottocht op een der Surinaamsche rivieren voor den geest, als de zwarte roeiers hun rank vaartuig aan den voet van het machtige oerwoud zachtkens voortbewegen en zij hunne eindelooze roeiliederen met trillende stem uitgalmen?
Ruimschoots heb ik op den tocht door Suriname’s wildernissen gelegenheid gehad, de poëzie van dit boto siengi der negers te leeren waardeeren, wanneer zij, niet afgeleid door hindernissen in het stroombed, als steengevaarten, watervallen en stroomversnellingen, hunne stemmen den vrijen loop lieten en zij hunne korte melodieën, doch tallooze malen herhaald, in de stilte van den vroegen morgen over water lieten klinken.
Daar deze negerzangen, ter begeleiding der eentonige roeibewegingen, in Suriname aan een tocht op het water even onafscheidelijk verbonden zijn geworden …—Zie blz. 222.
Daar deze negerzangen, ter begeleiding der eentonige roeibewegingen, in Suriname aan een tocht op het water [223]even onafscheidelijk verbonden zijn geworden, als zij zulks oorspronkelijk aan een reis op een der Afrikaansche stroomen waren (zie: het bijvoegsel: „Avond op het water in Sierra Leone”), zullen enkele staaltjes, die, ook ter karakteriseering van het negergemoed, belangstelling verdienen, hier ter plaatse evenmin mogen ontbreken, als in het verhaal, dat ik aan den tocht gewijd heb. (C.b.)
De lezer oordeele:
No. 1.
No. 2. Social dansa.
[224]
Het laatste lied is door negers uit de Britsche bezitting Barbados, het meest oostelijk gelegen eiland der Kleine Antillen, medegebracht, en wordt daar op de plantage gedurende een gemeenschappelijken dans (Social dansa) gezongen, waarbij de dansenden, elkander de hand houdende, een kring vormen en telkens van plaats verwisselen. Het luidt vertaald: Alexander, kom eens zien, de wachter heeft mijn gouden ring gestolen. Koelieman, Chinees … Gij, hallo! Zoekt de ring!
Het bootgezang, dat op onze terugreis uit de Binnenlanden van Suriname in 1900 door een onzer negerroeiers werd aangeheven (C.b. blz. 218), mag ook in dezen bundel niet ontbreken, omdat de neger hierin weder van zijn buitengewoon improvisatie-talent en dichterlijke phantasie blijk heeft gegeven, daar woorden en muziek, al naar het hem inviel, werden voorgedragen en hij daarin op zijn wijze de geschiedenis van den tocht heeft trachten te bezingen. Al bracht ik slechts het eerste couplet van den merkwaardigen zang, aan de hand van Mr. Focke’s Neger-Engelsch woordenboek, op schrift, is het niettemin zeer de aandacht waard, omdat het de meening van Bücher helpt bevestigen, in zijn „Arbeit und Rythmus” verkondigd, dat het gedicht zijn oorsprong dankt aan de behoefte der natuurvolken, om hunne eentonige bewegingen door gezang te begeleiden.
Zie hiernaast het couplet26, waarin zelfs niet tegen den klemtoon gezondigd wordt: [225]
Omtrent den oorsprong van dit bootgezang, Boto-siengi genoemd, bestaat bij de negers onzer kolonie eene overlevering, die door Nahar als volgt wordt verteld:
Legende van het Boto-siengi.
„Wie van U allen”, vroeg ik aan eenige negers, die bij elkander waren, „kan mij toch uitleggen, om welke reden [226]gedurende het roeien moet gezongen worden, en wel met zulke lange tonen, die het lied haast onverstaanbaar maken”.
Geen hunner kon mij hierop antwoorden, toen een oude neger binnenkwam, die het raadsel wist op te lossen.
„Wel vriend”, vertelde hij, „in den slavenstand heerschte er discipline, zoo U weet; zelfs vrouwen moesten de riemen aanpakken en dit ging onder een doodelijke stilte, zoodat men wel een speld kon hooren vallen”.
„Je weet toch, dat er plantages zijn, die 3 tot 4 watra’s27 van de stad verwijderd zijn”.
„De blanken verveelden zich op zoo’n reis, doch de slaven niet minder. Deze begonnen toen heel zachtjes, binnensmonds op een zingenden toon met elkander te spreken, waarop de aangesprokene op den zelfden zingenden toon antwoord gaf. De blanken vonden dit heel aardig en luisterden graag naar het steeds luider wordende gezang, daar het de reis bekortte”.
„Van toen af werd er door het volk gezongen, en zoo is het melancholische bootgezang onafscheidelijk verbonden aan een tocht op de Surinaamsche rivieren”.
Evenals de negers der Goudkust bezitten de Surinaamsche negers een schat van zinrijke spreekwoorden, die voor ieder voorval, voor iedere omstandigheid des levens kunnen dienen en die blijk geven van een hooge levensphilosophie.
Daar deze spreekwoorden er, evenzeer als de anansi-tori’s, toe kunnen bijdragen, om het zieleleven van den neger beter te kunnen begrijpen en te waardeeren, heb ik een aantal dezer spreekwoorden als aanhangsel aan den [227]bundel Surinaamsche negervertellingen toegevoegd.28 (Zie Bijvoegsel I).
Ellis (El. a en b) deelt niet minder dan 120 aphorismen in zijne meermalen aangehaalde werken mede, van welke ik de merkwaardigsten, na de Surinaamschen, in het Bijvoegsel I heb overgenomen.
Hierbij moge worden opgemerkt, dat de Yoruba’s de wijsheid van een persoon beoordeelen naar het aantal spreekwoorden, die hij kent.
Op expeditie in Suriname schepte ik er meermalen behagen in, met de negers alleen zijnde, nu en dan een spreekwoord te zeggen, hetgeen een algemeene verbazing wekte, want niemand wilde gelooven, dat ik ze in bakrà kóndre29 geleerd had.
Welke van de spreekwoorden der Surinaamsche negers uit Afrika zijn medegebracht, welke in onze kolonie ontstaan zijn, is niet gemakkelijk te beantwoorden. Door zijn groote verbeeldingskracht en vindingrijkheid, door zijn aanleg tot wijsgeerige bespiegelingen kost het den neger, nimmer verlegen, het rechte woord op het geschikte oogenblik te pas te brengen, weinig moeite, steeds nieuwe spreekwoorden te bedenken. Met zijn kritischen geest weet hij toestanden in de kolonie zeer juist te beoordeelen en zoo moet in lateren tijd het spreekwoord: Sranam-kóndre da hassi-tére: tidè a wai so, tamára a wai so30, ontstaan zijn.
Deze weinige voorbeelden mogen voldoende zijn, om aan te toonen, dat in de uitingen van het geestelijk leven van den Surinaamschen neger nog tal van herinneringen voorkomen aan zijn afkomst van de negers der Goudkust. [228]
Tot de belangrijkste dezer herinneringen behooren zeker wel de spinverhalen, de anansi-tori’s, die door de negers der Goudkust, die de Tshi-taal spreken—en ook in Sierra Leone—overal verteld worden. Doorgaans is het in dit gebied Anansi of Annancy, de spin, die als held in de vertellingen optreedt. Volgens eene overlevering aan de Goudkust stamt het geheele menschdom van een groote spin af31 en de vereering, die dit dier daardoor geniet, de belangrijke plaats, die dit bij ons zoozeer verafschuwde dier in de gedachten der Goudkust-negers inneemt, heeft anansi tot den hoofdpersoon hunner talrijke vertellingen gemaakt.
Bij andere meer oostelijk en zuidelijk wonende stammen, o.a. bij de Yoruba’s, die de oostelijke helft der slavenkust bevolken32 is het echter de schildpad, die als de stamvader van het menschdom wordt beschouwd, en die dan ook de hoofdpersoon in hunne vertellingen is geworden. Zulk eene vertelling heet bij hen alo, hetgeen beteekent: iets wat verzonnen is.
Beide dieren hebben deze vereering te danken aan de merkwaardige eigenschappen, die zij zoowel in lichaamsbouw als in leefwijze vertoonen. Ten opzichte van de spin is het, zooals reeds werd opgemerkt, de kunstvaardigheid en het geduld, waarmede zij haar web maakt en de slimme wijze, waarop zij aan voedsel weet te komen, die voor de negers de aanleiding zijn geweest, haar dikwijls in menschengedaante, doch altijd met menschelijk denkvermogen voor te stellen. [229]
Dat bij de Yoruba’s van de slavenkust, doch evenzeer bij de Bantoe-negers van Aequatoriaal West-Afrika (N.), de schildpad in de verhalen de plaats van de spin inneemt, mag hieruit verklaard worden, dat de schildpad33 voor het volk een niet minder geheimzinnig dier is dan de spin. De schildpad doet immers geen enkel dier kwaad; hij maakt op geen enkel dier jacht, zelfs niet op het kleinste insekt, doch leeft slechts van de vruchten, die in het bosch naar beneden vallen34 of van paddestoelen.
De Inboorlingen zeggen, dat de schildpad slechts twee vijanden heeft, tegen wie hij zich niet verdedigen kan, nl. den mensch, die het dier voor heilige ceremoniën wil hebben en de reuzenslangen (in Afrika de Pythons), die in staat zijn, het dier kapot te drukken en het met pantser en al inslikken. Volgens hen is dus de schildpad haast immuun tegen de aanvallen en dus tegen de vernietiging, zoodat zij voor hen het zinnebeeld werd van een lang leven. Ook is zij in staat, lang te vasten; zij is stil, langzaam en zeer voorzichtig in hare bewegingen; zij weet zich op ongewone wijze aan het oog te onttrekken—kortom dit dier vereenigt in zich alle eigenschappen, die voor het volk synoniem zijn geworden met kracht en list. In het Niger-delta wordt de schildpad dan ook als de heerscher onder de dieren beschouwd, evenals bij de Bantoe-stammen (N.)35, en hier niet alleen om hare zooeven genoemde eigenschappen, doch vooral ook, omdat schildpadden overal in Aequatoriaal West-Afrika voorkomen, zelfs op plaatsen, waar andere dieren ontbreken.
Belangrijk is het, waar eenzelfde vertelling op verschillende, soms ver van elkander verwijderde plaatsen wordt [230]aangetroffen—te verklaren, hetzij door overbrenging van de plaats van oorsprong, hetzij door een onafhankelijk ontstaan van dezelfde denkbeelden en phantasieën op verschillende plaatsen (Ba. blz. 20)—de veranderingen vast te stellen, die de helden der verhalen hebben ondergaan.
Terwijl het in de vertellingen der negers van Sierra Leone (Cr.) en van de Goudkust (Ba.), waar de Tshi-taal gesproken wordt, doorgaans de spin is, hier Mr. Spider genoemd, over wiens heldendaden verteld wordt, bij de Yoruba’s van de oostelijke deelen der Slavenkust en bij de Bantoe-stammen van Aequatoriaal West-Afrika daarentegen de schildpad, die als Trorkey of Mr. Turtle ook in vele Sierra Leone-vertellingen optreedt, hebben de negers van Zuid-Afrika als nationale held een dier, dat zij Cunnie36 Rabbit noemen en dat ook herhaaldelijk in de verhalen de Goudkust-negers optreedt.
Miss Cronise en H. W. Ward, meenen, volgens de determinatie van een bevoegd dierkundige, dat wij hier allerminst met een „rabbit”, een konijn te doen hebben, doch dat de neger het dwergmuskusdier* (Hyomoschus aquaticus) op het oog heeft, een klein eenigzins op een konijn gelijkend tweehoevig zoogdier, dat in slimheid [231]weinig voor de spin onderdoet en daarom eveneens door de inboorlingen wordt vereerd. In de vertellingen van de negers van Sierra Leone gaan Mr Spider en Cunnie Rabbit steeds als vrienden met elkander om, ten minste wanneer hunne belangen niet te zeer uiteenloopen. Dit blijkt uit een meermalen voorkomenden aanhef in de vertellingen: „Two cunnie meet up, de one cunnie, de odder cunnie”37 enz. Vermelding verdient, dat deze rabbit in de bijgevoegde illustraties der Sierra Leone-verzameling steeds met kleine horens wordt afgebeeld, en meer gelijkt op een kleine Antilopensoort, hetgeen ten eenenmale onjuist is. (Zie het verklarend register).
In deze verhalen, evenals in die van zoovele andere Negerstammen, blijkt de neger behoefte te gevoelen, om in deze uitingen van het zieleleven de zwakke onschuld te laten zegevieren over de ruwe kracht, een verschijnsel, dat ik reeds uit de geschiedenis van het negerras verklaard heb (zie blz. 204).
Dat sluwheid het meestal boven kracht wint, hiervan is de neger overal in Afrika doordrongen (zie o.a. in „Avond op het water”, Bijvoegsel II). Wij treffen deze waarheid ook aan in de reeds aangehaalde vertellingen, door inboorlingen aan Stanley gedaan (zie blz. 203), en waarin nu eens door een aardig bedrog of sluwe krijgslist de loeiende buffel het onderspit moest delven voor het scherpe vernuft van het konijntje, dan weêr de hond het won van zijn forschen meester, het luipaard.
In de spinvertellingen van de Goudkustnegers, die de Tshi-taal spreken (in de zg. Anansi-sem, afgeleid van Anansi-asem) wordt de spin Aiya Anansi (= vader Spin) genoemd, toebedeeld met groote slimheid en behebt [232]gedacht met veel streken; evenals de lagere goden laat men hem doorgaans door de neus spreken.
Aan de Goudkust heeft men speciale vertellers—evenals bij de Yoruba’s, die over de slimheid van de schildpad38 vertellen. Zulke personen (bij de Yoruba’s akpalo of kpa alo genoemd) maken hun ambt van het vertellen van dierenfabels en sprookjes en gaan van de eene plaats naar de andere. Behalve deze heeft elk negerdorp een of meer talentvolle vertellers. Wanneer het volk weet, dat er zich iemand onder hen bevindt, die deze gave in bijzondere mate bezit, vragen zij hem, als de omstandigheden er zich voor leenen (meestal in rusttijden, vaak zelfs des nachts), een vertelling te doen en bieden hem tabak, kolanoten* en kauris* aan.
Wanneer de verteller een voldoend aantal toehoorders om zich heen verzameld heeft, zegt hij: mijn verhaal is ongeveer zoo en zoo, terwijl hij den naam van den held noemt; of: mijn verhaal handelt over een man (vrouw), die dit of dat gedaan heeft. Wanneer dan het auditorium heeft geantwoord: wij luisteren, begint de verteller.
Welk een belangrijke plaats de vertellingen in het leven van den West-Afrikaanschen neger innemen, blijkt wel uit de slotregels eener pakkende vertelling in het belangwekkende werkje van Florence Cronise en Henry Ward—niet alleen voor Sierra Leone, doch ook voor [233]het verder oostwaarts liggende gebied (Ivoorkust, Goudkust en Slavenkust) geldend.—„Bijna den ganschen nacht was met vertellen in een der hutten doorgebracht en nog waren sommigen wakker genoeg, om naar meer te verlangen. Sorpee was juist bezig, om zich voor te bereiden voor een volgende vertelling, toen allen een vogel hoorden schreeuwen. „Dah fowl craze”,39 riep Oleemah uit, die juist zijn vertelling geëindigd had, en niet kunnende gelooven, dat de morgen reeds aanbrak, stond hij op, om zijn hoofd buiten de hut te steken.
„Nar true word dah fowl duh talk”,40 zei hij, toen hij de eerste teekenen van den naderenden dag had gezien. De wolken hingen zwaar, de regen had opgehouden, en de dampen begonnen op te trekken”.
„Oleemah, door deze teekenen er aan herinnerd, dat het leven niet uitsluitend verdichtsel41 is, liep naar buiten en begaf zich naar zijn hut. En, toen hij het sein aan de anderen had gegeven, om op te staan en huiswaarts te keeren, voelde iedereen, dat de nacht goed besteed was geweest”.
Ook in Sierra Leone is de Spin (Mr. Spider) de nationale held, de personificatie van den volksaard, en worden de op den voorgrond tredende eigenschappen van het Zwarte Ras en die, naar welke het streeft, aan de spin toegeschreven. Ook daar is Spin buitengewoon slim, heeft hij42 een lichten slaap, een onverzadiglijken eetlust, en bezit hij een ongeëvenaard talent om aan voedsel te komen. Als het te pas komt, weigert hij ook maar den [234]lichtsten last te dragen, doch als er iets te eten valt, is hij je man, om zelfs een olifant te tillen.
In verschillende dorpen zijn zg. „story-tellers” (sprookjesvertellers) zeer in aanzien, omdat zij beter dan anderen van de volkslegenden op de hoogte zijn en in het vertellen uitmunten. In Sierra Leone maken zelfs negers van het vertellen van sprookjes een broodwinning en reizen van het eene dorp naar het andere, waar zij steeds welkom zijn.
Niet zelden worden de verhalen met een bepaalde bedoeling verteld en de Neger is slim genoeg om te begrijpen, tot wien in het bijzonder de leerrijke vertelling gericht is. Dat de dierenfabels of sprookjes, die in Sierra Leone en in de overige deelen der Goudkust verteld worden, vooral de bedoeling hebben, de toehoorders beter te maken, blijkt o.a. hieruit, dat, wanneer de verteller bemerkt, dat de moraal aan de aandacht van den persoon, die men in het bijzonder op het oog heeft, door een of anderen reden ontsnapt is, hij dikwijls onmiddellijk met een andere vertelling begint, dat met dezelfde moraal eindigt.
Overal waar deze mondelinge overleveringen op de plaats, waar zij ontstonden, zijn opgeteekend, blijken zij een haast nog belangrijker plaats in het geestelijk leven van het volk in te nemen, dan de litteratuurvoortbrengselen bij de volken der moderne cultuur.
Daar de onuitputtelijke schat van legenden en sprookjes, die de mondelinge litteratuur der negers bevat, het gansche leven van den Neger weêrgeeft, mag een uitgebreide, folkloristische studie, ook uit een ethnologisch oogpunt, van belang geacht worden.
De meeste verzamelingen geven echter alleen het goede in den Neger weêr. Hij vertelt echter ook graag verhalen, die uit een wetenschappelijk oogpunt niet zonder beteekenis zijn, doch die voor een lezerskring, voor welken deze bundel bestemd is, afgekeurd moesten worden. [235]
Jammer genoeg, is op de belangwekkende negerfolklore eerst de aandacht gevestigd, nadat een lange inwerking van Europeesche invloeden reeds veel van het oorspronkelijke had weggenomen.