1 Anansi in de Neger-Engelsche taal der negers. 

2 Min, kindermeid. 

3 Sterfhuis. 

4 Deze was nog de ouderwetsche met wasrollen. 

5 D.i. „Ondank is ’s werelds loon”. (Zie No. 29). 

6 Henry M. Stanley. My dark Companions and their strange stories. Londen. Sampson Low, Marston and Comp. 1893. Een Nederlandsche vertaling, door mevrouw Joh. Dyserinck, verscheen bij de Erven Loosjes, Haarlem 1894. 

7 Daar de neger de bedoelingen van den verteller onmiddellijk begrijpt, onthoudt deze zich steeds van verklaringen en uitweidingen. Voor den Europeeschen lezer zou veel van de vertelling verloren gaan, wanneer zij letterlijk vertaald werd weêrgegeven. 

8 Sedert de kerken de overhand hebben genomen. (Zie voor de Neger-Engelsche taal der Surinaamsche negers blz. 211). 

9 Ik, iemand, die als lidmaat in de kerk ben, moet sprookjes vertellen? 

10 De vertellingen werden door Nahar in het jaar 1901 opgeteekend, en verschenen in haar geheel in 1916 (C. e.). Het „Verhaal uit het leven van Vriend Spin”, zond de heer A. G. Fernandes te Paramaribo mij een jaar of acht later toe, terwijl ik de vertellingen „De Boa in de gedaante [208]van een schoonen jongeling” en „De geschiedenis van Fini foetoe, Bigi bere en Bigi hede” van den overleden oud-Surinamer, den heer Nunes omstreeks den zelfden tijd ontving. 

11 Onlangs heeft A. P. Penard een nieuwe verzameling (20 Anansitoris) doen verschijnen (P.c.) waaruit ik, onder No. 23, een in dezen bundel heb opgenomen. 

12 Zie het Hoofdstuk: De Anansi-tori en het Bijgeloof. 

13 Oorspronkelijk bezaten de Hollanders de kust van Guinea alleen met het oog op den handel, meer bepaaldelijk den slavenhandel. 

14 In 1730 bedroeg het aantal plantages (voor het meerendeel suikerplantages) 400 en reeds in 1688 was de suikerproductie, die in 1684 nog slechts 3 millioen Amsterdamsche ponden bedroeg, tot 7 millioen gestegen. 

15 Uitgesproken: joenánsi

16 De afwijkingen, die in beide opgaven de schrijfwijze der namen vertoont, moeten aan dialectverschillen worden toegeschreven. A. Werner schrijft in zijn Inleiding van Walter Jekyll’s boek (Je.) de namen weêr anders. 

17 Ook de taal der Boschnegers vertoont door de vele Portugeesche en Afrikaansche woorden een grootere verwantschap met de taal der oudste negerslaven—met het deel, dat Neger-Portugeesch sprak. 

18 De Surinaamsche negers noemen den Geest der rivier watramama (zie de legende van de Watramama) en het geloof aan deze mama is vooral bij oude negers nog zóó diep geworteld, dat aan haar het spreekwoord is ontleend: Te wátra falla, joe sa si wátramama na sjóro, d.i.: Als het water gevallen is, zult gij de watermama op het droge vinden. (Zie ook het Bijvoegsel: Avond op het water in Sierra Leone). 

19 De krokodil wordt door alle de Ewe-taal sprekende stammen aan de slavenkust, elo, lo, adopra, te Porto novo Jalodeh genoemd. 

20 Bliksemgod. 

21 Een der Goden, die den Negers vaak onheil brengen. 

22 Ik kan het niet helpen, het is mijn geest. 

23 Afschuwelijke voorbeelden van deze mishandelingen geeft o.a. Dr. W. R. van Hoëvell, een sympathieke strijder voor de belangen van den armen negerslaaf, in „Slaven en vrijen onder de Nederlandsche Wet 1854”. 

24 „Mooi Afrika, hoe heb ik je lief”. Hier treffen wij het Nederlandsche „mooi” en het Engelsche „love” met de Portugeesche uitgang i in de taal der negers aan. 

25 Bosch-goeverneur of Boschmama. 

26 De vertaling luidt: O, Nickerie! Hoe bemin ik jou. Maar de bergen zijn er zoo hoog. Kaperka kiri mi (= een hoogte, gedoopt: Cappelle maakt me dood—de l door hem als r uitgesproken), om een vracht te dragen naar Kilometer (voor het eerst in de negertaal opgenomen) zes. Maar de bergen zijn er zoo hoog. Refrein: Werken voor je geld, Werken voor je geld, Als wij op de Fallawatra (zijrivier der Nickerie) zijn, moeten wij werken voor ons geld

27 Getijden. 

28 Overgenomen uit het Neger-Engelsche woordenboek van Mr H. C. Focke Leiden, P. H. v. d. Heuvel, 1855. 

29 Land der blanken = Nederland. 

30 De kolonie Suriname is als een paardenstaart: heden waait hij her-, morgen derwaarts. 

31 Men zegt, dat dit geloof te danken is aan een Opperhoofd, die Spin werd genoemd, en die door hunne voorvaderen als een held vereerd werd. 

32 Oorspronkelijk woonden de Yoruba’s meer het land in, doch in het begin der 19de eeuw trokken zij naar het Zuiden en koloniseerden zij Lagos en de naburige kust. Ook de Tshi-taal sprekende stammen woonden eertijds, d.w.z. vóór de 15de eeuw meer landwaarts in een vlakke, met gras bedekte landstreek, en zij werden door de invasie der Mohammedanen genoodzaakt, naar het boschgebied langs de kust te verhuizen, waar zij later met de eerste blanken, de Portugeezen, in aanraking kwamen. 

33 Ook hier wordt steeds een landschildpad bedoeld. 

34 De groote landschildpad van Suriname is zeer verlekkerd op de vruchten van de Mopè*. 

35 Als zeer treffend voorbeeld van de nauwkeurigheid, waarmede de Neger de natuurverschijnselen waarneemt en op zijne wijsgeerige wijze tracht [230]te verklaren, heb ik niet kunnen nalaten in Bijvoegsel No. III een dierenfabel op te nemen, die door den schrijver R. H. Nassau (N.) uit den mond van een Bantoe-neger is opgeteekend.

Aan velen der in Nassau’s merkwaardigen bundel opgenomen vertellingen is, evenals in sommige naar West-Indië overgebrachte Neger-verhalen de Arabische invloed niet vreemd. Menig lezer zal vermoedelijk onwillekeurig denken aan de vertellingen van Duizend-en-één Nacht. Zulks is begrijpelijk, wanneer ik hier herinner aan de meening van Ethnologen, o.a. aan die van Sir Harry H. Johnston (Joh.), die de oorsprong der Bantoe-negers terugvoert tot den N.O.-kust van Afrika en die den Bantoe-stroom—om een ethnologischen term te gebruiken—Zuidwaarts naar de Kaap de Goede Hoop laat gaan, om van hier langs de West-kust tot den Aequator om te buigen (N.). Het kan dus niet vreemd zijn, dat door de aanraking der Bantoe-negers met negerstammen der Slavenkust het Arabische element in de Folklore zich verder Noordwaarts en Westwaarts heeft verspreid en, ten slotte met de slaven naar West-Indië is overgebracht. 

36 Van „cunning”, dat slim beteekent. 

37 Het dialect der negers van Sierra Leone is een wanhopend ratjetoe van Engelsche en Afrikaansche woorden. 

38 In de Yoruba-taal wordt de schildpad Awon genoemd. Deze mythische held der Yoruba’s is herhaaldelijk het onderwerp van een Alo (vertelling), waarbij het rythmische geluid van den trom, die de tusschenpoozen van de Alo aanvult, een groote rol speelt.

Evenals in de vertellingen van de Negers van Sierra Leone en van de Goudkust niet van de Spin gesproken mag worden, maar deze steeds als Spin of als Heer, Vriend enz. Spin optreedt, wordt ook door de Yoruba’s nooit van de Schildpad gesproken. Het Yoruba spreekwoord: Eji Awon ko kom ni li owo mag bijv. niet letterlijk vertaald worden met: „Het bloed van een schildpad vult een hand niet”, maar men behoort te zeggen: „Het bloed van Awon vult de hand niet”, waarvan de zin is: Een onderwerp, dat op het eerste gezicht weinig belangrijk lijkt, blijkt dikwijls van groot gewicht te zijn. 

39 Daar roept een vogel! 

40 Wanneer een vogel roept, kan geen waar woord meer gesproken worden. 

41 De verteller bedoelt hiermede: wij moeten nu weder tot de werkelijkheid terugkeeren. 

42 Daar in de negervertellingen de spin steeds mannelijk gedacht is, mag in deze bladzijden de vrijheid genomen worden het geslacht te veranderen. 

43 No. 1–22 en No. 25–32 zijn afkomstig van M. H. Nahar en gedeeltelijk (C. d.) of geheel (C. e.) reeds gepubliceerd; No. 23 is overgenomen uit den bundel van A. P. Penard (P.); No. 24 is afkomstig van Anonymus en No. 33 heb ik te danken aan mijn tochtgenoot C. van Drimmelen

44 De Boschneger-Anansitori is overgenomen uit een kleine verzameling van F. Stähelin (S.). 

45 De vertellingen van Curaçaosche negers zijn overgenomen uit een kleine verzameling, door J. H. J. Hamelberg in het licht gegeven. 

46 De in dezen bundel opgenomen negervertellingen van Jamaica zijn bewerkt uit bet boek van Walter Jekyll (Je.). 

47 Hoe groote plaats de Spin in bet leven der Surinaamsche negers inneemt, moge blijken uit de volgende spreekwijzen, aan de Spin ontleend:

1e. Als een kind met vuur speelt, wordt het gewaarschuwd met: „no play nanga faja noso anansi de go kori joe”, d.i. speel niet met vuur, anders gaat de Spin je bedriegen, m.a.w. zal je vannacht in bed wateren.

2e. Als een kind in bed gewaterd heeft, zegt het: „Anansi kori mi”, d.i. de Spin heeft mij gefopt.

3e. Wanneer iemands been slaapt zegt men: „mi foetoe kisi anansi”, d.i. Spin heeft mijn been gekust.

4e. Dunne dijen worden in Suriname „Anansi-bouten” genoemd, enz. 

48 Mr. Spider in de Neger-vertellingen van Sierra Leone. 

49 Brer in de Spinvertellingen van Jamaica (zie verder). 

50 Mijn Kapitein. 

51 Kapitein Spin. 

52 Opvallend zijn in de door Nahar bijeengebrachte vertellingen de vele in het Surinaamsche Neger-Engelsch niet voorkomende onvertaalbare woorden, die ongetwijfeld van Afrikaanschen oorsprong zijn. Vele dieren worden er nl. niet met den Neger-engelschen, doch met den vermoedelijken Afrikaanschen naam aangeduid, zooals: Timekoe, voor konijn, Kitmawle voor vleermuis, Okekre voor schildpad, Akajoe voor kat. 

53 Dr. H. D. Benjamins deelt mij mede, dat, toen jaren geleden een circus voorstellingen te Paramaribo gaf, de negerbevolking de grootste vreugde toonde, toen zij Asaw in levenden lijve mocht aanschouwen. De marktvrouwen kwamen met bananen voor het dier aandragen, ja, het kwam bij de negers tot een ware vereering voor het dier, die den circuseigenaar geen windeieren gaf; want de voeding van zijn olifant heeft hem al dien tijd niets gekost. 

54 Van „cunning” = geslepen. 

55 Zie blz. 230

56 De Surinaamsche Negers schijnen een buitengewone vereering te hebben voor Napoleon. In een met mij gevoerd gesprek sleepte een Creool* er telkens Napoleon bij, terwijl bij gelegenheid van een dansfeest, door de Boschnegers ter mijner eere gehouden, een voorwerp van aardewerk, voorstellende Napoleon, rustende tegen een schelp, met zichtbaren trots vóór mij werd neêrgezet (C.a.). 

57 Daar deze verzameling in Paramaribo is bijeengebracht, vlucht Anansi, als hij in het nauw gebracht wordt, steeds in zg. beslagruimten. 

58 Het gebruik, om bij sterfgevallen anansi-tori’s te vertellen, wordt ook bij de Boschnegers aangetroffen, C. v. Coll (Co. a.) deelt mede, dat het in het Boschnegerkamp van Broos aan de Surnau kreek de gewoonte was (begin 19e eeuw) om bij een sterfgeval, als het een man gold, drie, voor een vrouw twee achtereenvolgende Zaterdagen bij elkander te komen, om anansi-tori’s te hooren vertellen. 

59 Niet alleen hierom, doch ook ten einde den lezer de poëzie te doen gevoelen, die de harten dezer eenvoudige natuurmenschen vervult, heb ik ter vergelijking aan dezen bundel negervertellingen toegevoegd de bewerking (Bijvoegsel II) van een der hoofdstukken uit het merkwaardige boek van Miss Cronise en Henry F. Ward (Cr.) 

60 Dit opstel, mij door M. H. Nahar bij de door hem opgeteekende anansi-tori’s toegezonden, gaf ik reeds vroeger in het licht (C. d. en C. e.). 

61 Wat, anansi-tori’s op klaarlichten dag vertellen! 

62 Zie blz. 258

63 De kerk is al aan. 

64 Mijnheer, gij zijt geen kind meer, ge zijt een Surinaamsche Creool, en weet heel goed, wat anansi-tori’s zeggen willen. 

65 Van de Moravische broedergemeente. 

66 Ik ken er geen. 

67 Sterfhuis. 

68 Kwaadaardige geest. 

69 Je vertelt ze niet goed. 

70 Sterfhuisratten; zoo noemen de negers ongenoode gasten, die de sterfhuizen afloopen. 

71 Wanneer de anansi-tori niet naar den smaak van het gehoor is, omdat zij vervelend is of slecht verteld wordt, maar vooral als men meent, dat de verteller maar wat aan het liegen is, begint er dikwijls tusschen twee of meer toehoorders een heftig dispuut, dat steeds eindigt met een zg. koti siengi (= schimplied). Dit koti siengi nemen de negers in het algemeen te baat, wanneer zij aan hun ergernis uiting willen geven of geplaagd zijn. Zij beginner er dikwijls eerst mede, als hun gemoed vol is. Wanneer bijv. de negermeid des morgens de woning binnenkomt met een voor deze stemming bepaaldelijk gevouwen hoofddoek, weet men zeker, dat men dien dag tot vervelens toe vergast zal worden op haar koti siengi. Het improvisatietalent van den neger komt haar hierbij goed te pas. 

72 Wanneer hij je in de rede valt. 

73 Zie je dat je ruzie met me zoekt. 

74 Hij schimpte voortdurend op mij. 

75 Hoedoe = hout, het bosch, dus: Loop naar het bosch! Velen hebben in de ongezonde oerwouden van Suriname den dood gevonden; van daar deze verwensching. 

76 Krijg ik krampen in mijn arm. 

77 Jongeheer. 

78 Mijn been slaapt. 

79 Maar, jongeheer, op Godsdag wilt ge anansi-tori’s vertellen? 

80 Een stopwoord van negerinnen. 

81 En zoo zou men onschuldig sterven. 

82 Meneer, U moet alles zoo niet uitvorschen, u gaat te ver met mij. 

83 Hm, wel niet aan zijn blauw flikkerend licht; in den slavenstand heb ik er een gezien, bij de plantage, die de vrouw van den bastiaan* Kofi kwam uitzuigen. Wel, dat is nog niets, de blanken zelf kunnen het getuigen. 

84 Indiaansche priesters.