No. 15. Spin voert den Dood in.

In vroeger tijden leefde de Dood niet onder de menschen, maar heer Spin lokte hem uit het bosch.

Op zekeren morgen ging Anansi als gewoonlijk naar het woud met zijn koeroe-koeroe* op zijn rug en ging den Dood opzoeken:

... en ging den Dood opzoeken.—Zie blz. 295.

… en ging den Dood opzoeken.—Zie blz. 295.

Odi mâti Déde!153

„.….

„Ik groet U vriend!”

„.….

„Hm!” dacht heer Spin, die een brabakóto154 met gedroogd vleesch zag staan, „dat is een goed teeken. Vriend, kan ik wat van dat gedroogde vleesch nemen?”

„.….

„Ik heb een mooie dochter, vriend, ik zal ze je tot vrouw geven!”

„.….

Heer Spin vulde zijn koeroe-koeroe* en vertrok. Thuis gekomen, vertelde hij zijn vrouw, dat hij een vriend had gevonden, die alles voor hem over had, en dat hij hem zijn dochter Akoeba tot vrouw wilde geven.

Den volgenden dag herhaalde heer Spin zijn bezoek. [296]

„Ik groet je, vriend Dood!”

„.….

Akoeba laat je groeten!”

„.….

Heer Spin vulde weêr zijn koeroe-koeroe en ging weêr heen. Zoo kwam hij iederen dag terug, tot al het gedroogde vleesch op was. Den dag daarop kwam hij met zijn dochter Akoeba, die hij zijn vriend wilde voorstellen. Ook nu weêr had hij zijn korf meêgenomen.

„Dag vriend!”

„.….

Akoeba is je komen bezoeken!”

„.….

Akoeba groet je!”

„.….

„Wil je haar dan niet hebben?”

De Dood stond op en velde haar met één slag neêr; daarna achtervolgde hij heer Spin, dien hij ook tot zich wilde nemen. Deze echter liep veel vlugger, en bereikte zijn huis schreeuwende:

„Schuilt! Daar komt de Dood!”

Niemand begreep hem, want de Dood was destijds niet bekend. Heer Spin verschool zich in een beslagruimte, en de Dood trad zijn woning binnen, waar hij zijn gansche gezin neêrvelde.

Toen de Dood weêr vertrokken was, kwam heer Spin uit zijn schuilplaats te voorschijn en zong hij:

Héli kóndre sa sóengoe!

Alla soema sa déde!

Anansi wawán sa tan!155

[297]