Er wordt verhaald, dat in een dorp een moeder met hare dochter woonde en dat zij tot buren een moeder en dochter hadden, die zeer wangunstig waren.
Het eerste meisje was allemansvriend; zij werd door iedereen bemind en heette Akoeba190 (Jacoba).
Akoeba nam haar buurmeisje Afi191 tot vriendin aan, maar deze benijdde haar in alles.
Eens kwam een oude vrouw bij Akoeba en gaf haar een kalebas ten geschenke, zeggende:
„Ik ben een arm mensch; ik bezit niets op aarde, dat waarde heeft om het U als geschenk aan te bieden; daarom hoop ik, dat ge deze kleinigheid aan zult nemen, alsof het een kostbaar geschenk van een rijk man was. Maar, mijn kind, deze kalebas moet gewasschen worden in het land van ’Ma Soemba, opdat hij U gehoorzame.
Dat land is niet ver van hier, maar de wegen, die daarheen leiden, zijn schier onbekend, daar er geen andere menschen wonen, dan ’Ma Soemba zelve, die den sleutel aller tooverformulieren in handen heeft.
Het is niet gemakkelijk, ’Ma Soemba te naderen, als men niet vooraf is ingelicht door betrouwbare personen.
Ge gaat van hieruit rechtdoor, tot daar, waar de weg zich in tweeën splitst: de eene kant is schoon, de andere vuil.
Beloop den vuilen weg; aan het einde zult gij ’Ma Soemba vinden. Zij zal U spreken en indien zij U iets vraagt, moet ge gehoorzamen, dan zal ze Uwe kalebas wasschen, hoor, jonge dame!
Wanneer ge vreemde dingen ziet onderweg, spot er niet mede, maar zing het lied, dat ik U zal leeren, nadat ge gevraagd zult hebben, om voorbij te mogen gaan”.
Na verloop van een week ondernam Akoeba de reis, naar [328]de aanwijzingen der oude vrouw. Toen zij een eind op weg was, zag zij twee kankantries*, die aan het vechten waren.
Zij hielden op en het meisje ging voorbij, zingende:
Zij liep door en zag twee voeten vechten. Ze verzocht en kreeg verlof, door te gaan, onder het zingen van haar lied.
Iets verder trof Akoeba twee mátta’s* vechtende aan. Zij vroeg om door te mogen gaan, hetgeen haar werd toegestaan, toen ze met haar lied een aanvang maakte.
Eindelijk kwam zij aan het punt, waar de weg zich in tweeën splitste; de eene zijweg was schoon, de andere vuil en onbegaanbaar.
Zij betrad den weg, die haar was aangewezen en zag vóór een huis een vrouw, ’Ma Soemba, vol wonden en schurft zitten.
„Wat kom je hier doen!” vroeg zij aan het meisje. „Wees zoo goed en wasch mij mijn rug af; er is water achter het huis”.
Akoeba waschte haar rug schoon, waardoor zij hare handen vol bloed kreeg van de vele open wonden.
„Wasch je handen af en geef mij je kalebas, dan zal ik haar voor je wasschen!” vervolgde de vrouw.
’Ma Soemba waschte de kalebas en gaf haar Akoeba terug.
„Keer nu naar huis terug en je zult je loon ontvangen. Bewaar je kalebas goed en vrede zij verder met U”.
Het meisje vertrok en was na eenige uren weder thuis.
Of haar onderweg, bij het naar huis gaan, iets overkwam, wordt niet verteld. [329]
Haar moeder wachtte haar met ongeduld en vroeg, of zij succes had gehad.
„Ja!” antwoordde Akoeba.
Na eenige dagen kwam Afi haar vriendin bezoeken, terwijl deze juist bezig was, haar kalebas te probeeren, waaruit zij tot hare groote verbazing tal van gouden, zilveren en andere waardevolle voorwerpen zag te voorschijn komen.
… waaruit zij tot hare groote verbazing tal van gouden, zilveren en andere waardevolle voorwerpen zag te voorschijn komen.—Zie blz. 329.
Het wangunstige buurmeisje vroeg haar naar de herkomst, daar zij al dat moois ook wel graag zou willen hebben.
Akoeba vertelde hare vriendin alles en leerde haar ook het lied.
Den volgenden dag, reeds vóór zonsopgang, ondernam Afi den tocht.
Toen zij de verschillende karikaturen tegenkwam, dreef zij den spot er meê.
Deze vervloekten haar, zeggende:
„Loop en gij zult vinden!”
Zij bereikte de splitsing van den weg en daar begon zij hare vriendin op de onbehoorlijkste wijze uit te schelden.
„Zij dacht mij wat op de mouw te spelden, maar ik ben wijzer, dan ze denkt. Het is uit wangunst, dat ze mij heeft gezegd, dien vuilen weg te loopen. Zij wil niet, dat ik in haar geluk zal deelen. Ja! Zoo zijn de menschen!—Maar ik neem dien schoonen weg.”
Op het einde gekomen, trof zij ’Ma Soemba aan, bezig obia194 te koken.
’Ma Soemba verzocht haar, haar te willen wasschen, maar de juffer begon haar uit te schelden.
„Geef me Uwe kalebas, dan zal ik haar uitwasschen; vrees niets”, zei de vrouw. [330]
Doch juffer Afi bedankte haar niet eens, doch zei slechts: „Geef mij mijn kalebas terug, want je maakt haar weêr vuil met jou handen”.
Vol blijdschap kwam zij weêr thuis bij moeder, die haar dadelijk vroeg, of alles in orde was.
„Zeker, Mama, onze buurvrouw wilde mij misleiden, maar ik ben wijzer dan ze denkt.
Ik ben klaar gekomen en zal haar bewijzen, dat niet alleen zij in ’t bezit is van een wonderkalebas”.
Toen zij nog denzelfden dag het voorwerp raadpleegde, weigerde het; het gaf geen resultaat. Haar vriendin ried haar toen aan, de kalebas slechts in geval van nood te gebruiken. Doch Afi antwoordde, dat ze geld noodig had en begon andermaal haar kalebas te raadplegen. Toen kwam er allerlei ongedierte uit te voorschijn, dat haar doodde.
Zoo wordt het spreekwoord weêr bewaard:
Ba’ sóekoe, ba’ fínni, ba’ tjári.195