Wespendief, Indischen gekuifden, afwijking van de kuif bij den —, II 121.

Westfalen, grootere verhouding der vrouwelijke onwettige kinderen in —, 478.

Westring, over het gesjirp van Reduvius personatus, 539;
over de sjirporganen van Coleoptera, 567;
over geluiden van Cychrus, 567;
over het gesjirp van de mannetjes van Theridion, 527;
over het gesjirp van kevers, 565;
over het gesjirp van Omaloplia brunnea, 566.

Westrop, H. M., over de algemeenheid van sommige vormen van versiering, 345;
over de geestvermogens van een beer, 125.

Westwood, J. O., over de klassificatie van de Hymenoptera, 267;
over de Culicidae en Tabanidae, 435;
over een vliesvleugelig parasitisch insekt waarvan het mannetje de geboortecel nooit verlaat, 451;
over de verhouding der geslachten bij Lucanus cervus en Siagonium, 493;
over het gemis [488]van ocelli bij de Mutillen, 531;
over de kaken van Ammophila, 532;
over de copulatie van insekten van verschillende soorten, 532;
over het mannetje van Crabro cribrarius, 533;
over de strijdlustigheid van mannelijke Tipulae, 438;
over het gesjirp van Pirates stridulus, 539;
over de Cicaden, 540;
over de sjirporganen van de krekels, 542;
over Pneumora, 546;
over Ephippiger vitium, 544, 546;
over de strijdlustigheid der Mantis-soorten, 548;
over Platyblemnus, 549;
over verschil in de seksen van Agrionidae, 549;
over de strijdlustigheid der mannetjes van een soort van Bladwesp, 551;
over de strijdlustigheid van het mannelijke vliegende hert, 563;
over Bledius taurus en Siagonium, 561;
over Bladsprietige Kevers, 561;
over de kleur van Lithosia, 584.

Wettige, verhouding der seksen bij — en onwettige kinderen, 477.

Wevervogel, II 52.

Wevervogels, ratelend geluid der — met de vleugels, II 58;
bijeenkomsten van —, II 97.

Whately, Aartsbisschop, de spraak niet den mensch alleen eigen, 134;
over de eerste beschaving van den mensch, 257.

Whewell, Prof., over moederlijke liefde, 117.

White, Gilbert, over de verhouding der seksen bij den patrijs, 464;
over den huiskrekel, 541;
over het doel van het gezang der vogels, II 50;
over het vinden van nieuwe gezellen door kerkuilen, II 101;
over vluchten mannelijke patrijzen in de lente, II 102.

Whithe, F. Buchanan, over geluiden van nachtvlinders, 576.

Wielewaal, zwartkoppige —, II 170.

Wielewalen, nestbouw der —, II 161.

Wilckens, Dr., over de wijziging van huisdieren in bergachtige streken, 63;
over de getalsverhouding tusschen de haren en de afscheidende poriën bij schapen, 368.

Wilden, aandrift tot nabootsing bij de —, 137, 239;
oorzaken van het laag zedelijk standpunt der —, 206;
de onderlinge gelijkenis der — zeer overdreven, 55;
verziendheid der —, 61;
geringe aanwas der bevolking bij de —, 75;
het grijpvermogen van den voet der — niet geheel verloren, 83;
stammen van —, die elkander verdringen, 238;
vooruitgang der — in kunsten, 259;
kunsten der —, 346;
smaak der — voor ruwe muziek, II 63;
aandacht door — gewijd aan hun uiterlijk aanzien, II 331;
betrekking tusschen de seksen bij de —, II 357.

Wilde staat, vroegere — van beschaafde volken, 258.

Wilder, Dr. Burt, over het veelvuldiger voorkomen van overtallige vingers bij mannen dan bij vrouwen, 453.

Wilson, Dr., over de kegelvormige hoofden der bewoners van de Noord-Westkust van Amerika, II 342;
over de Fidsji-eilanders, II 343;
over het moeilijk uitroeien der gewoonte om den schedel samen te drukken, II 343.

Windhonden, getalsverhouding der seksen bij —, 443, 444;
getalsverhouding van mannelijke en vrouwelijke geboorten bij —, 481.

Windingen, overbruggende, 391.

Winterkoning, II 187; jongen van den —, II 197.

Witheid, een seksueel sieraad bij sommige vogels, II 216;
van zoogdieren die met sneeuw bedekte streken bewonen, II 287.

Witjeskapellen, zie Pieridae.

Woekerdieren, zie Parasieten.

Woerd (mannelijke eend), vederen van den — in den paartijd, II 80.

Woestijnen, beschermende kleur van dieren die — bewonen, II 209.

Wolf, winterkleed van den —, II 287.

Wolff, over de variabiliteit van de [489]ingewanden bij den mensch, 53.

Wolhaar van den foetus, zie Lanugo.

Wollaston, T. V., over Eurygnathus, 534;
over muziekmakende Snuitkevers, 564;
over het gesjirp van Acalles, 569.

Wolven die leeren blaffen van honden, 120;
het jagen in troepen van —, 184.

Wombat, zwarte verscheidenheden van den —, II 283.

Wonden, genezen van —, 144.

Wonfor, de heer, over seksueele bijzonderheden in de vleugels van kapellen, 534.

Wood, over het pronken van den Argus-fazant, II 87.

Wood, T. W., over de kleur van den Peterselievlinder, 582;
over de gewoonten van de Saturniidae, 585;
over de gewoonten van Menura Alberti, II 53;
over Tetrao cupido, II 53;
over het pronken van mannelijke fazanten, II 86;
over de oogvlekken van den Argus-fazant, II 138;
over de gewoonten van den vrouwelijken Kasuaris, II 193;
over gevechten van chameleons, II 32;
over de ocelli van den Argus-fazant, II 142.

Wood, J., over variaties in de spieren van den mensch, 71, 72;
over de grootere variabiliteit der spieren bij mannen dan bij vrouwen, 453.

Woolner, de heer, opmerkingen over het oor van den mensch, 22.

Wordende organen, 18.

Wormald, de heer, over de kleur van Hypopyra, 585.

Wormen, zie Annulosa en Vermes.

Wormvormig aanhangsel, 28.

Woudlijster, II 206.

Wouw, een — door een strijdhaan gedood, II 42.

Wraak, door dieren geoefend, 118;
instinkt van —, 197.

Wreedheid der wilden jegens dieren, 204.

Wreef, diepte van de — bij soldaten en matrozen, 60.

Wright, over een merrie die uitsluitend merrieveulens wierp, 495.

Wright, de heer, over den Schotschen hertenhond, II 246;
over seksueele voorkeur bij honden, II 255;
over het afwijzen van een hengst door een merrie, II 255.

Wright, Chauncey, over het verkrijgen van kenmerken door correlatie, II 328;
over het grooter worden der hersenen bij den mensch, II 383.

Wright, W. von, over het beschermend gevederte van het sneeuwhoen, II 78.

Wulpen, dubbele ruiing der —, II 77.

Wijfje, gedrag van het — gedurende den paartijd, 449.

Wijfjes, aanwezigheid van rudimenten van mannelijke organen bij de —, 284;
voorkeur der — voor sommige mannetjes, 441;
vervolging der — door de mannetjes, 449;
aanwezigheid van secundaire seksueele kenmerken bij de —, 454;
mannelijke kenmerken bij de — tot ontwikkeling gekomen, 458;
betrekkelijke sterfte van — en mannetjes in de jeugd; 443;
getalsverhouding tusschen — en mannetjes, 439, 441.

Wyman, Prof., over de verlenging van het koekoeksbeen bij het menschelijk embryo, 17;
over den grooten toon bij het menschelijk embryo, 17;
over variaties in den schedelvorm van de inboorlingen der Sandwich-eilanden, 53;
over het uitbroeien van eieren in den bek of de kieuwholten der mannelijke visschen, 286.

Wijngaardslak, zie Helix pomatia.

Wijzigingen, nuttelooze —, 95;
spontane —, 74;
zie Variatie. [490]

X.

Xenarchus, over Cicaden, 539.

Xenophon, over teeltkeus bij de oude Grieken, 56.

Xenorhynchus, seksueel verschil in de kleur der oogen bij —, II 123.

Xiphophorus Hellerii, draadvormig aanhangsel aan den staartvin van —, II 8, 9.

Xylocopa, verschil in de seksen van —, 552.

Y.

Yarrell, W., over de gewoonten en kenmerken van de Karpervisschen, 487;
over Raja clavata, II 2;
over de kenmerken van den mannelijken zalm in den rijtijd, II 4, 12;
over de kenmerken der roggen, II 6;
over het mannetje van den pitvisch, II 7;
over het kuitschieten van den zalm, II 17;
over het broeien van de Lophobrachii, II 19;
over de ijverzucht van zangvogels, II 50;
over de luchtpijp van de wilde zwaan, II 57;
over het ruien der Eendachtige Vogels, II 81;
over een voorbeeld van verstand bij een zeemeeuw, II 103;
over de jongen der moerasvogels, II 204.

Youatt, de heer, over de ontwikkeling der horens bij het hoornvee, 467.

IJsduiker, zie Colymbus glacialis.

IJseend, zie Harelda glacialis.

IJsvogel, II 53;
raketvormige vederen in den staart van een —, II 70.

IJsvogels, kleuren en nestbouw der —, II 163, 165, 167;
onvolwassen gevederte der —, II 179, 181;
jongen der —, II 197.

Yura-Cara’s, hun begrippen van schoonheid, II 339.

IJverzucht der mannelijke vogels bij het zingen, 50.

Z.

Zaagbek, jongen van den grooten —, II 180.

Zakpijpen, zie Ascidiae.

Zalm, het springen van een — uit het water, 192;
de mannelijke — voor de voortplanting gereed vóór de wijfjes, 440;
verhouding der seksen bij den —, 486;
strijdlustigheid van het mannetje van den —, II 3;
kenmerken van den mannelijken—gedurende den rijtijd, II 3;
kuitschieten van den —, II 17;
voortplanting van den — vóór hij volkomen zijn volwassen kenmerken heeft verkregen, II 202.

Zandoogje, bruin —, zie Hipparchia Janira.

Zandoogjes, zie Hipparchia.

Zangvogels, zie Insessores.

Zebra, afwijzen van een ezelhengst door een vrouwelijke —, II 284;
strepen van de —, II 290.

Zebustier, bult van den —, II 275.

Zedelijke en instinktmatige aandrift, samengaan van —, 196, 197.

Zedelijk gevoel, oorsprong van het —, 211;
het zoogenaamde — ontstaan uit de sociale instinkten, 206.

Zedelijke neigingen, erfelijkheid der —, 211.

Zedelijke regels, onderscheiding der hoogere en lagere —, 210.

Zedelijke vermogens, hun invloed op de natuurlijke teeltkeus bij den mensch, 237.

Zedelijkheid, verondersteld gegrond te zijn op eigenbelang, 208;
het algemeen welzijn der vereeniging het criterium van —, 208;
trapsgewijze rijzing van het peil der —, 212;
invloed van een hoog peil van —, 243.

Zeeanemonen, schitterende kleuren der —, 512.

Zeebeer, veelwijvig, 447; paring van den —, II 253.

Zeedieren, doorzichtigheid van —, 512.

Zeedonderpad, seksueele verschillen bij den —, II 8.

Zeedraken, zie Ichthyopterygia.

Zeehonden of robben, de wijfjes der — gewoonlijk op schildwacht, [491]184;
de — als voorbeeld van Klassificatie, 269;
seksueele kleurverschillen bij —, II 278;
waardeering van muziek door —, II 326;
gevechten van mannelijke —, II 226;
hondstanden van de —, II 227;
veelwijvige gewoonten van —, II 447;
paren van —, II 233;
seksueele bijzonderheden van —, II 269.

Zeeklitten, zie Echini.

Zeekoet, variëteiten van den —, II 122.

Zeeleeuw, veelwijvig, 447.

Zeelieden, verziendheid der —, 61;
zie Matrozen.

Zeelt, verhouding der seksen bij de —, 487;
schitterende kleuren van de — in den rijtijd, II 12.

Zeemeeuw, voorbeeld van overleg bij een —, II 103;
verandering in het gevederte van de — naar het seizoen, II 213;
witte —, II 213.

Zeenaalden, zie Naaldvisschen.

Zeeolifant, neus van den mannelijken —, II 269;
veelwijvig, 447.

Zeepaardje, zie Hippocampus.

Zeeroofdieren, veelwijvigheid der —, 447;
seksueel verschil in kleur bij de —, II 278.

Zeeslakken, naakte, zie Eolidae.

Zeesterren, schitterende kleuren van sommige —, 512.

Zeezwaluwen, witte —, II 213;
zomer- en winterkleed der —, II 213;
witte en zwarte —, II 214.

Zelfbeheersching, gewoonte van — erfelijk, 201;
waarde der —, 205.

Zelfbehoud, instinkt van —, 198.

Zelfbewustheid, 132.

Zelfmoord, 249;
vroeger niet algemeen voor een misdaad gehouden, 203;
zeldzaam bij de wilden, 203.

Zelfopoffering der wilden, 196;
waarde der —, 205.

Ziekten die menschen en lagere dieren gemeen hebben, 13;
verschil van vatbaarheid voor — bij verschillende menschenrassen, 331;
invloed van nieuwe — op wilde volken, 349;
tot ééne sekse beperkte —, 469;
— ontstaan door de eerste ontmoeting van verschillende volken, 351.

Zigeuners, eenvormig uiterlijk der — in verschillende deelen der wereld, 362.

Zigzaglijnen, dikwijls voorkomende als versierselen, 345.

Zilverreiger, seksen en jongen van den Indischen —, II 204;
gevederte van den — in den paartijd, II 78;
wit gevederte van den —, II 213.

Zincke, de heer, over het verhuizen der Europeanen naar Amerika, 255.

Zingen van de Cicaden en Fulgoridae, 539;
van boomkikvorschen, II 24;
doel van het — der vogels, II 49.

Zinnen, minder scherp bij de Europeanen dan bij de wilden, 61.

Zoetwatergarnalen, zie Gammarus.

Zoetwatervisschen der Keerkringslanden, II 16.

Zomerroodvogel, II 160.

Zonvogels, nestbouw der —, II 163.

Zoogdieren, de klassificatie der — volgens Prof. Owen, 266;
stamboom der —, 280;
secundaire seksueele kenmerken bij de —, II 225;
wapenen der —, II 227;
vergelijking der schedels van de tertiaire en de hedendaagsche —, 87;
betrekkelijke grootte der seksen van de —, II 286;
vervolging der wijfjes van de — door de mannetjes, 450;
vergelijking der — met de vogels ten opzichte der secundaire seksueele kenmerken, II 286;
stemmen der — vooral gebruikt in den paartijd, II 324.

Zoogdieren, vierhandige, zie Quadrumana.

Zoombandvlinder, 583.

Zootoca vivipara, seksueel kleurverschil bij de —, II 33.

Zuidpoolgans, II 213.

Zuidzeeëilanders, uitsterven der —, 351. [492]

Zwaan, roode snavel van de zwarte —, II 212;
zwartvleugelige —, II 214;
jongen van de gewone —, II 199;
luchtpijp van de wilde —, II 56.

Zwaan, wilde, zie Cygnus ferus.

Zwaluwen die hun jongen verlaten, 193, 199.

Zwaluw-plevieren, zie Glareola.

Zwanen, II 211, 214;
jonge —, II 197.

Zwartkop, aankomst van het mannetje vóór het wijfje, 440;
jongen van den —, II 206;
seksueel verschil in kleur bij den Indischen —, II 279.

Zwartlijven, zie Tenebrionidae.

Zwarte Lijster, zie Merel.

Zwijn, Afrikaansch penseel—, II 250.

Zwijnen, wilde, veelwijvig in Indië, 446;
gebruik der tanden bij de —, II 242;
gevechten van de —, II 247.

Zwijnshert, II 292.

Zijdeworm, verschil in grootte van de mannelijke en vrouwelijke cocons van den —, 535;
het paren van den —, 588;
het bevruchten van drie of vier wijfjes door een mannelijken —, 593;
verhouding der seksen bij den —, 487, 490;
Prof. Canestrini over het vernietigen der larven van den Ailanthus — door wespen, 490.

Zygaenidae, kleur der —, 583. [493]