WeRead Powered by ReaderPub
Dante's Louteringsberg / in proza overgebracht cover

Dante's Louteringsberg / in proza overgebracht

Chapter 74: III
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A pilgrim guided by a poet climbs a sacred mountain where souls undergo ordered purgation for particular faults. The journey is arranged as successive terraces whose encounters, punishments, and prayers disclose moral instruction and personal confession. Episodes alternate intimate conversations, lyrical meditations, and symbolic visions that illuminate contrition, divine justice, and spiritual growth. The prose rendering preserves the poem's dense classical and biblical allusions, ritual moments, and ascending structure as the soul is prepared for the final passage toward paradise.

NA-WOORD

I

Karakter van het geheele gedicht.

DE Hel straft degenen, die zich aan onvergefelijke zonden hebben schuldig gemaakt. Dante voelt wèl den val tot zulke zonden als een gevaar, dat hem evengoed als alle andere menschen, bedreigt, maar toch weet hij zich zelven van zulke zonden vrij.

Hoe die zonden hem bedreigen, men heeft gezien in den eersten Zang van de Hel, waar hem Wellust, Heersch-zucht en Heb-zucht als Losch (vs. 31), als Leeuw (vs. 43) en als Wolvin (vs. 49) verschrikten, voor hij zijn toevlucht bij Virgilius vond. Dat Dante, hoewel bedreigd, zich toch vrij van de zonden voelde, blijkt duidelijk uit Hel III 127, waar bij het oversteken van den Acheron, Virgilius hem toespreekt: „Hier steekt nooit goede ziel over: en daarom, indien Charon zich over u vertoornt, dan kunt gij wel weten wat zijn spreken beduidt.”

Zoo is het dat Dante op den geheelen tocht wel verschrikking voelt bij het zien der straffen, maar ze niet zelf aan zich zelven meê-maakt. Wel voelt hij medelijden met de gestraften, maar dit beschouwt hij als eene zwakheid, die hij in zich zelven bestrijdt.

Ook toorn gevoelt hij tegen de zondigen; en vreugde, over de rechtmatige straf; deze beiden als prijzenswaarde gevoelens.

Maar in het Rijk der Loutering is het geheel anders. Hier wordt geboet voor zonden, aan welke ook Dante zich schuldig voelt. Hij maakt de straf, de boete, de loutering zelf door.

Niet alleen blijkt uit de zeven P's, Dante op het voorhoofd gedrukt door den Engel, die de Poort van den Louteringsberg bewaakt, en die, de een na de andere, bij het doorloopen der zeven ommegangen verdwijnen, maar men voelt het bij de lezing van het geheele gedicht. Zwaar drukt de zonden-last den dichter bij het begin; steeds lichter voelt hij zich worden en steeds gemakkelijker de stijging naar mate hij den top des Bergs nadert.

II

De Louteringsberg als verblijfplaats der zielen.

In Italië zelf is de Hel gedurende vele eeuwen meer bekend geweest dan de beide andere gedichten. In de laatste tijden van hernieuwd nationaal leven en daarmede hernieuwde belangstelling in de nationale letterkunde is daarin verandering gekomen en is de Louteringsberg minstens evenzeer algemeen eigendom als de Hel. Niet weinig draagt daartoe bij wat ik hierboven zei: de Louteringsberg bevat het leven van den strevenden dichter, en dus van elk strevend mensch. Ja, het menschelijk leven is het eigenlijk onderwerp van het gedicht.

Ook het tooneel, waar de handeling van dit gedicht afspeelt, is veel meer geschikt om ons als een welgewenscht verblijf tot zich te lokken. Grootsch en somber was de voorstelling van het gruwelijk verblijf der voor eeuwig verdoemden. De ontzaggelijke cirkels, als ommegangen den helle-trechter omgaande, zich al nauwer sluitend, hadden ons eindelijk tusschen den eeuwigen jammer gebracht tot aan den bodem van eeuwig ijs, waarin de van alle menschelijk gevoel vervreemde moordenaars van wie hun lief en dierbaar hadden moeten en kunnen zijn, vastgevroren liggen. Wij zijn de tunnel doorgekomen, het gat door Lucifer bij zijn val uit den Hemel in de Aarde gemaakt, dat van onze tegenvoeters loopt tot aan het centrum, tegelijk den top van de omgekeerde holle pyramide, door den Helletrechter gevormd. We zien, op Goeden Vrijdag de Hel binnengekomen, nu op Paasch-morgen het zon-licht weder. We hebben denzelfden tijd, ook door Christus in de onderwereld doorgebracht, daar beneden vertoefd. De morgen, die de opstanding van natuur en mensch viert (die ook Faust tot een nieuw leven zag herboren worden), ontvangt ons op het Zuidelijk half-rond in een nieuwen dag en een nieuw Zonnelicht. Nog staan aan den hemel de starren van het Zuiderkruis, het sterrebeeld, ons Noordelingen onbekend, maar dat ginds den nacht verluistert en tegelijk het Symbool is van nieuwe deugden, hier onbereikbaar.

Wel zijn ook in de Hel geweldige berglandschappen ons voor oogen getooverd! Maar hier zien wij het heerlijk Italië in al zijn onderdeelen voor ons, al is het ook in naam het Zuidelijk Halfrond, waar we ons bevinden. De Zon, die we zoolang hebben moeten derven, zien we nu, elk van de drie dagen dat ook deze tocht duurt, opkomen, hemel en aarde verlichten en weer achter ons dalen; den nacht brengen we door onder het geleide en de bewaking der wacht-engelen, van liefelijke zangen omzweefd en omruischt. Eindelijk is de top bereikt en daarmede ook het Aardsche Paradijs. Nooit moeten we vergeten dat deze tocht, die het gansche leven verbeeldt, toch in slechts weinige dagen wordt afgespeeld. Zóó is alles verfijnd, versterkt tot een afgerond, beperkt beeld. Reeds dadelijk worden we er aan herinnerd dat ook het jaar, waarin deze tocht door Dante is gedaan, een bijzonder jaar was, het jubeljaar: 1300. Immers als Dante de kabbeling van de golven ziet aan het Zee-strand, ontwaart hij meteen de boot met Schimmen, die onder het bestuur van een Engel, over zee aankomt van den mond des Tibers, de verzamel-plaats der schimmen, die der Loutering zijn waardig gekeurd; maar die noodzakelijk door Rome, d.w.z. door de Kerk den weg hierheen moesten vinden. En meer dan anders is de boot beladen, want allen, die het jubeljaar gebruikten om Rome te bezoeken, hun is ook na den dood de toegang tot den Louteringsberg gewaarborgd.

III

De Allegorie in 't aardsche Paradijs.

Ook langs den Louteringsberg wordt Dante geleid door Virgilius, die voor hem de bron is van alle menschelijk weten. Eerst wanneer hij op den top is gekomen en het aardsche Paradijs is bereikt, verlaat Virgilius hem en verschijnt hem Beatrice, die hem verder zal geleiden door dit Paradijs en verder door al de hemelkringen tot het aanschouwen van God-zelven.

Wat Dante in het Aardsche Paradijs ziet, is eene weerspiegeling van de toestanden op aarde en van datgene wat Dante beschouwde als de oorzaak van alle kwaad: het feit dat noch Kerk noch Staat waren overeenkomstig beider goddelijke bestemming. De algemeene en bijzondere zin van de gansche allegorie, zooals die ons in Zang XXXII en XXXIII voor oogen wordt gesteld, is duidelijk genoeg, vooral voor den lezer, die de aan het slot gevoegde noten raadpleegt. Wel geloof ik dat ik den lezer een dienst bewijs, door de toestanden zelf zoo kort mogelijk hem te herinneren.

Jubeljaar.

De viering van het zoo even genoemde jubeljaar 1300 was een triomf van Paus Bonifacius VIII, den heerschzuchtigen Paus uit het Romeinsche geslacht der Orsini, den Paus, dien we reeds hadden hooren noemen in de Hel (XIX 52). Het is daar, waar Paus Nicolaas III, met het hoofd naar beneden, met de voeten omhoog in brand, wordt gestraft voor het misbruiken der Pauselijke Macht en meent dat Dante reeds zijn opvolger Bonifacius is, die tevens zijn plaats in de Hel komt innemen.

Deze Bonifacius vierde in dat jubeljaar zijn triomf over Keizer en Koning, en liet zich zelf als Imperator vereeren door de saamgestroomde Kristenheid. Het Duitsche Rijk verkeerde in zulk een toestand van verdeeldheid en verzwakking, dat van dien kant niets te vreezen viel.

Philips IV van Frankrijk en Bonifacius VII.

Het was vooral Philips IV, Koning van Frankrijk, tegen wien de Paus te strijden had. Deze had Frankrijk naar binnen en naar buiten tot den krachtigsten staat gemaakt. Onder zijne regeering had de Fransche geestelijkheid zich te Rome beklaagd over de zware lasten, door de kroon haar opgelegd. De Paus verbood daarop (1296) dat geestelijken door leeken belastingen werden opgelegd. Deze oorlogsverklaring aan den Koning, werd door dezen beantwoord met het verbod van den uitvoer van paarden, wapenen, geld en kostbaarheden, dus van al datgene wat 's Pausen inkomsten uit Frankrijk vormde. Twee dreigende brieven van den Paus aan den Koning richtten niets uit. De Paus riep een algemeen concilie te Rome bijéén tegen 1302, waartoe hij ook Philips uitnodigde. Had de Paus zijn wil door kunnen zetten, dan had hij voorzeker den Koning door dit concilie laten afzetten, gelijk in 1246 Keizer Frederik II was afgezet. Doch de Fransche Koning vond steun bij zijn volk. De Staten-Generaal, door hem bijeengeroepen, verklaarden zich bereid den Koning trouw ter zijde te staan en verboden aan alle Fransche geestelijken het concilie bij te wonen. Toch opende de Paus de Kerkvergadering in November, en trots het verbod waren er tal van Fransche bisschoppen verschenen. De Paus werd door deze vergadering tot hoofd der Wereld verklaard, de geestelijkheid verheven boven het wereldgezag. Plechtig werd de ban uitgesproken tegen allen, die de Curie het haar toekomende wilden onthouden of haar op andere wijze benadeelen. Daarmede was de banvloek over Philips uitgesproken. Na allerlei dreigementen werd de Paus door 's Konings gezant gevangen genomen nabij Rome (Louteringsberg XX 85) in Sept. 1303, doch liet zich niet dwingen tot 't herroepen zijner decreten. Wel werd hij door de bevolking bevrijd, maar hij stierf reeds den 11en October 1303.

Vernedering van het Pausdom.

Zijn opvolger was Bertrand de Got, Aartsbisschop van Bordeaux, het blinde werktuig des Franschen Konings. Hij onthief den Koning van den ban, trok alle aanklachten in en herriep de decreten zijns voorgangers. Na zijn dood in 1314 bleef de stoel van St. Peter twee jaren onbezet. In 1316 dwong Philips V het conclave tot de keuze van eenen Franschman, Johannes XXII. Deze was nog nauwer dan Clemens V verbonden met de Fransche koningen. Hij was meer intrigant dan staatsman, eerzuchtig in hooge mate, werkzaam maar zonder diepen blik in de tijdsomstandigheden; hebzuchtig en geldgierig, heeft hij de geldmiddelen van den Heiligen Stoel op kosten der Kerk en der geloovigen belangrijk versterkt, maar niet zonder daardoor hevige ontevredenheid te wekken. Hij stelde zich geheel onder de hoede des Franschen Konings en vestigde zich te Avignon, een bezitting der Pausen in Provence.

In het Derde Gedicht: het Paradijs (of de Hemel) zal Dante nog meer gelegenheid hebben zijn ideaal (reeds in de Inleiding tot de Hel aangestipt) van Kerk en Staat uitvoeriger te laten uitspreken, door de verschillende personen die hij daar ontmoet.

H. J. B.

Overzicht aangebrachte correcties

De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:

PlaatsBronCorrectie
-[Niet in Bron.][Inhoudsopgave toegevoegd.]
Blz. 25bëoogbeöog
Blz. 28waainwaarin
Blz. 34begeerrigheidbegeerigheid
Blz. 35hoevelinghooveling
Blz. 40naatsnaast
Blz. 42MalespinaMalaspina
Blz. 50goedgoede
Blz. 50[Niet in Bron.]
Blz. 51[Niet in Bron.]
Blz. 51zoetzolenvoetzolen
Blz. 52[Verwijderd.]
Blz. 52[Niet in Bron.]
Blz. 52[Verwijderd.]
Blz. 72[Niet in Bron.]
Blz. 73govegrove
Blz. 79zeëenzeeën
Blz. 79aarjaar
Blz. 88[Niet in Bron.]
Blz. 98„NogNoch
Blz. 105ezidezeide
Blz. 127hebtgeda anhebt gedaan
Blz. 129DëiphileDeïphile
Blz. 132waswat
Blz. 138[Niet in Bron.]
Blz. 139[Niet in Bron.]:
Blz. 146[Niet in Bron.]
Blz. 158VirgiluisVirgilius
Blz. 164verzadgidverzadigd
Blz. 165speektspreekt
Blz. 2018485
Blz. 201OttacarOttocar
Blz. 201108105
Blz. 201met den met den
Blz. 202128118
Blz. 203.,
Blz. 203P'eP's
Blz. 203.[Verwijderd.]
Blz. 205hemelcircelhemelcirkel
Blz. 2059080
Blz. 207128123
Blz. 208LouterinsbergLouteringsberg
Blz. 2117576
Blz. 2117879
Blz. 211NEGENDENEGENTIENDE
Blz. 212: lett lett.
Blz. 213:.
Blz. 2136669
Blz. 2137779
Blz. 214636
Blz. 214aarbevingenaardbevingen
Blz. 214AeneisAeneïs
Blz. 214[Niet in Bron.].
Blz. 216bischopbisschop
Blz. 218westetelijkewestelijke
Blz. 218140142
Blz. 2187880
Blz. 218XCIXCII
Blz. 2202123
Blz. 221323
Blz. 222147157
Blz. 222 het[Verwijderd.]
Blz. 222 der[Verwijderd.]
Blz. 222vonvan
Blz. 223,[Verwijderd.]
Blz. 223[Niet in Bron.],
Blz. 223[Niet in Bron.] en
Blz. 225[Niet in Bron.]),
Blz. 227[Niet in Bron.].