WeRead Powered by ReaderPub
Mythen en sagen uit West-Indië cover

Mythen en sagen uit West-Indië

Chapter 124: E.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A collected anthology of oral myths, legends, and animal tales gathered in the West Indies and the Guyana region, drawn chiefly from indigenous and Afro-descendant traditions. It assembles cosmogonies and origin stories, wonder-tales and trickster fables in organized rubrics, pairs narratives with comparative commentary and a selective literature overview, and presents decorative illustrations that echo the symbolic and animal-centered storytelling central to the traditions.

[Inhoud]

VERKLAREND REGISTER1.

N.B. In dit register zijn de volgende afkortingen gebruikt:

A = Arowakken of Arowaksch.   N = Negers.
B = Boschnegers.   N.E. = Neger-Engelsch.
C = Caraïben of Caraïbisch.   S = Suriname en Surinaamsch.
G = Guyana.   Z = Zie.
I = Indianen of Indiaansch.   a = aldaar.

De tusschen haakjes geplaatste letters hebben ook hier betrekking op de geschriften, in het litteratuuroverzicht genoemd.

[Inhoud]

A.

Aardeten of geophagie is een ziekteverschijnsel, dat zich uit in het eten van aarde, stukken griffels, krijt enz. In S. komt het veel voor bij lijders aan mijnwormziekte (Anchylostomiasis). In den slaventijd kregen de „grondvreters” maskers voor den mond. Dit grondeten is vermoedelijk een verschijnsel der bedoelde mijnwormziekte, veroorzaakt door een parasitischen rondworm (Anchylostoma duodenalis). De lijders aan deze ziekte, die ook veel bij immigranten voorkomt, en waaraan kinderen veelal sterven, worden bleek en voelen zich zeer vermoeid. De hartwerking is verhoogd en de eetlust gestoord.

Aars. Uitmonding van het darmkanaal, waardoor de faeces verwijderd worden.

Aboma. N.E. naam voor Anaconda (Z. a.).

Abonjera. N.E. naam voor een plant (Sesamum indicum L.) uit de fam. der Pedaliaceën, waarvan het zaad, in koekjes gebakken, gegeten wordt. Ook olie wordt uit het zaad geperst (Sesam-olie).

Acouri, ook wel Agoeti (in het N.E. Koni-Koni) genoemd, is een knaagdier (Dasyprocta agoeti), dat in holle boomen huist en van wortels en vruchten leeft. Het vleesch is smakelijk.

Agoeti. Zie Acouri.

Alligator. In G. komen drie soorten van dit Krokodillengeslacht voor. De soorten van dit geslacht, ook Kaaiman (Kaikoetji der A.) genoemd, worden 1.20 M. tot 2.60 M. lang en zijn voor den mensch niet gevaarlijk.

Amalivaca. Mythische Held, die door de C., meer in het bijzonder door de Tamanaca’s, een oorspronkelijken stam der C., vereerd wordt.

Anaconda. De grootste slang van G., ook wel Waterboa genoemd. De A. (Eunectes murinus) wordt 6–8 M., soms 10 M. lang en leeft in de nabijheid van het water. Zie Aboma en Camoedi.

Ananas. Schijnvrucht van Ananas sativus, bevat geen zetmeel, doch veel suiker. De I. Ananas heeft wit vleesch, is ronder en minder geurig.

Animisme is de bij primitieve volken heerschende voorstelling, dat alle [397]natuurverschijnselen uitingen zijn van persoonlijke, denkende, willende wezens. Alle bewerktuigde en onbewerktuigde wezens hebben volgens hen een eigen ziel (anima) of geest. De zielen of geesten hebben volgens dit geloof het vermogen, het dier, de plant of het voorwerp, waarin zij huizen, te verlaten en vrij rond te dolen.

Anjoemara. Groote vischsoort (Hoplias macrophthalmus = Macrodon aimara), die in de Midden- en Boven-rivieren en hare zijstroompjes van G. veel voorkomt, en wier vleesch zeer smakelijk is. Behalve met den hengel en met springlijnen, wordt de A. meestal met zg. springmanden (Z. a.) gevangen.

Anona. Plantengeslacht der Anonaceën, waartoe de zuurzak (A. muricata L.) behoort, die van stekelige wratten voorziene, zeer saprijke vruchten heeft, en de schopappel (A. squamosa L.), wier gladde vruchten, van de grootte van een appel, eveneens gegeten worden.

Apoetoe. Knots, strijdbijl der I., gemaakt uit het zware en harde ijzerhout en het fraaie letterhout. De Apoetoe wordt tegenwoordig nog slechts bij feesten en dansen gebruikt.

Arend. De zg. Harpi (Thrasaëtus harpyia L.) is een der zeldzaamste roofvogels van Guyana’s binnenland, en tevens de grootste. Hij voedt zich hoofdzakelijk met brulapen en luiaards. De I. houden hem tam, ten einde zich op gemakkelijke manier de veeren voor hunne pijlen en hoofdtooi te verschaffen. Twee maal p. jaar worden de veeren, die een belangrijk ruilartikel zijn, aan het tamme dier ontnomen. De vrouwen zorgen voor de voedering en dragen het dier met zich meê, als de I. hetzij tijdelijk, hetzij voor altijd een verblijf verlaten. De bezitter van een levenden Harpi is bij de I. zeer in aanzien.

Armadil. Naam voor het gordeldier, meer in het bijzonder van een groote soort (Priodontes giganteus). Het schild van de gewone soort, die als alle Gordeldieren in eigengegraven holen, meest op zandterreinen huist, wordt in de I.-hutten vaak gezien. In S. heet het gordeldier schildvarken, in het N.E. kapasì.

Awari. Buidelrat. Verschillende soorten van het tot de Roofbuideldieren behoorend geslacht Didelphis, dat tot Amerika beperkt is, komen in G. voor, en zijn gevreesde kippendieven. Zie ook: Boschrat. Onder Awari verstaat men ook een spel, dat groote overeenkomst heeft met het Dakonspel op Java. Dit spel, dat met het Awari-bord (Awari-bángi) gespeeld wordt en een groot verspreidingsgebied heeft, moet door de negerslaven uit Afrika naar W.-I. zijn overgebracht. Zelfs de B. spelen het. (C.a.)

Azéman. Heks, die volgens het geloof der negers des nachts in lichtenden gloed rondwaart, om menschen bloed uit te zuigen. Het volk gelooft, dat de vampier (Z. a.) een doode is, die ’s nachts zijn graf verlaat, om den levenden bloed uit te zuigen. De Azéman kan allerlei vormen aannemen en door kleine openingen binnendringen.

[Inhoud]

B.

Baboen. N.E. voor Brulaap (Mycetes seniculus). De C. noemen deze schreeuwer der wouden van G. Aloeatta, de A. Atoeli. Het vervaarlijk gebrul, dat de baboen, vooral in het vroege morgenuur, laat hooren, wordt teweeggebracht door een zakvormige holte aan het strottenhoofd, die gesteund [398]wordt door een balonvormige uitbreiding van het tongbeen. Het oude mannetje, dat het gebrul inleidt en aanvoert, noemen de N. de dominee. (Zie C. b., waar een afb. van deze klankbodem voorkomt).

Baboenland. De voorstelling, die in No. 11 van de I.-serie door deze voortreffelijke natuurwaarnemers van het Baboenland hoog in de boomen van het oerwoud, gegeven wordt, is begrijpelijk voor wien het familieleven van een troep brulapen op een hoogen boom aan den oever van een der Surinaamsche rivieren heeft mogen gadeslaan (C. b.).

Bacove. Zie bij Banaan.

Bactris. Geslacht van Palmen, waarvan de stam met lange, gemakkelijk loslatende stekels bedekt is. B. minax, Miq., de Kiskissi makà der N., heeft blauwzwarte vruchten, die gegeten worden.

Bajadoe. A. naam voor duizendpoot (Z. a.).

Bakkeljauw. Amerikaansche gedroogde visch.

Bakróe. Soort geest, die gezegd wordt in een dwerg te huizen. Deze kan ook den vorm van dieren aannemen en tijdelijk in levenlooze voorwerpen zijn verblijf opslaan. De bakróe, waaraan ziekten en allerlei ongemakken toegeschreven worden, kan, zoo gelooft men, alleen door de Wisiman (Z. a.) uitgedreven worden. De Bakróe neemt in het neger-bijgeloof een belangrijke plaats in. (Zie verder: Encyclopedie v. W. I. en P. b.).

Banab. Tijdelijke hut, die de I. bouwen tot bescherming gedurende den nacht.

Banaan of Pisang, is een var. v. Musa paradisiaca. De vrucht heeft een hoog zetmeelgehalte en vertoont vele variaties, die met bepaalde namen worden aangeduid. De I. planten op hunne kostgronden bananen aan; hun gerecht, dat tom-tom heet, wordt uit bananen bereid.

Bananenbek. Het geslacht Cassicus telt onder de vogelfauna van G. meerdere soorten, die verwant zijn aan de prachtig gekleurde troepialen, en door zijn voorkomen in groote troepen er onze spreeuwen vervangen. De meest bekende is C. decumanus, wier buidelvormige nesten bij menigte aan de boomen hangen.

Banja. Negerdans, waarbij eertijds het Afrikaansche snareninstrument, de kwakwabanja begeleidde. Oorspronkelijk had deze dans een godsdienstig karakter (vereering der voorouders); alle deelen van het lichaam doen daarbij meê, en volgen de muziek, hoe snel het tempo ook is. (C. a., bij den dans der B.).

Barbakotten is het drogen, rooken en roosteren van vleesch en visch, meestal boven een houten rooster of stellage, om het te kunnen bewaren. Als het vleesch iederen avond op nieuw gebarbakot wordt, blijft het lang goed. Naar Dr. Brinton zou het woord (in Eng. G. als babrakot uitgesproken) ontleend zijn aan de taal van de oorspronkelijke bewoners der Antillen.

Bastiaan. Negeropzichter op een plantage in den slaventijd.

Beltiri, ook wel Sakoerá genoemd, is een taaie, vaste massa, uit gebrande Cassave (Z. a.) bereid, soms ook uit verschillende palmzaden. De I. hebben op reis steeds beltiri bij zich, om het in het drinkwater op te lossen.

Bijl. Zie: steenen bijl.

Bittere Cassave. Zie: Cassave.

Boa. Zie: Camoedi.

Boschrat. Onder dezen naam worden verschillende dieren der fauna van G. verstaan. De eigenlijke boschrat schijnt een aan het tamme Guineesche [399]biggetje (ook uit Amerika herkomstig) verwante knaagdiersoort te zijn (Cavia aperea Erxl.), die in Z.-Amerika inheemsch is. Eigenlijke ratten worden ook wel eens boschratten genoemd en ten slotte ook de Awari (Z. a.).

Boschvarkens. Zie Piengo en Pakira.

Broodboom, ook Otaheite, in het N.E. Njamsi-brédebon genoemd, behoort tot het geslacht Artocarpus der Moraceae. Deze boom (A. incisa L.) heeft groote, tot de helft ingesneden bladeren, en een verzamelvrucht van de grootte van een menschenhoofd, waarvan het vleesch de voedingswaarde van brood heeft, zoodat drie boomen voldoende zijn om een mensch te voeden. De boom werd in 1792 uit Tahiti naar Jamaica overgebracht, van waar hij zich naar andere tropische landen verspreid heeft. A. integrifolia heeft een met stekels bezette vrucht en wordt kastanje-broodboom genoemd. Verschillende legenden zijn van den Br. in omloop.

Zie ook Dokóen.

Bruinvisch. Deze vischachtige zoogdieren zwemmen, evenals dolfijnen en zeekoeien, niet zelden van uit de zee de rivieren van G. op en hebben aanleiding gegeven tot het geloof aan watergeesten en waternimfen, zoowel bij I. als B. algemeen.

Brulaap. Zie: Babóen.

Bunia-vogel. Groote giersoort, tot het geslacht Ostinops behoorend. Volgens de C. hebben luchtwortels van een epiphiet (Clusia grandiflora) hun ontstaan te danken aan dezen vogel, die, rustend in den boom, waarop deze plant zich heeft vastgehecht, zijn uitwerpselen laat vallen, waarna deze in hout veranderd zijn. In deze en andere giersoorten kunnen, volgens de meening van verschillende Indianenstammen, boschgeesten hun verblijf opslaan en in dien toestand als Kenaima’s (Z. a.) optreden.

[Inhoud]

C.

Camoedi. De Indiaansche naam voor de Landboa (Boa constrictor) en de Waterboa of Anaconda (Eunectus murinus), beide gevaarlijke reuzenslangen. Daar deze slangen zelfs groote dieren, men zegt ook menschen, omstrengelen en dooddrukken, is de I. voorstelling van Worgslang ontstaan.

Cassave. Een gekweekt wortelgewas (heester), uit Amerika afkomstig en in alle tropische landen aangeplant. Het verschil tusschen de bittere cassave (Manihot utilissima Pohl.) en de zoete (M. palmata) bestaat, behalve in den smaak, hierin, dat de bittere een veel grooter gehalte aan blauwzuur bevat. Bij het koken vervluchtigt het blauwzuur en verliezen de wortels hun giftige eigenschap. Bij de zoete komt het blauwz. hoofdzakelijk in de schil voor. Een der belangrijkste gewassen, die de I. op hunne kostgronden telen.

Country fashion man. Evenals de Geestenbezweerder of Medicijnmeester der N. en de Piaiman der I., heeft de „Country fashion man” der N. van Sierra Leone de kracht, de geheimzinnige, occulte machten, die buiten het bereik zijn van het gewone gezichtsvermogen, waar te nemen. Hij is dus profeet en ziener, de uitlegger van allerlei teekens en omens, waarin het volk een absoluut vertrouwen heeft.

Creool. Dezen naam geeft men aan blanke bewoners van Z. A. en W. I., aldaar geboren. In de W. I. koloniën noemt men echter ieder, die er geboren is, Creool. [400]

[Inhoud]

D.

Dekeweyo-daiba. Het geluid van bedoelden eend, waarin de natuurmensch duidelijk deze woorden meent te hooren (= ik ben mijn voorschoot kwijt) is een der vele voorbeelden van dieren, die geluiden voortbrengen, waarin men duidelijk woorden, soms geheele zinnen hoort (C. b.).

Dichters. Zie o.a. „Love Letters van Mrs. Ryan (Ed. Mc Clurg and Co. Chicago, 1907), waarin een jonge Hopi-I. die in de Oost-Staten der Unie was opgevoed en gekerstend was, zijn hart uitstort aan zijn blonde, Amerikaansche geliefde, die hij, terug verlangend naar het Indiaansche leven, heeft moeten verlaten, en waarin hij ook zijn afvalligheid aan den godsdienst der blanken, wegens zijne ongeschiktheid voor den I., in deze woorden tot uiting brengt: „Not anything of conventional religion, called Christian, has any appeal to the Hopitù. It is too cold—too far away. The mythology of the Christian does not bring the gods so close as the mythology of the Indian”. Dit oordeel staat niet alleen. Een S. C. drukte zich als volgt uit (P. a.): „Gij sluit jelui God in een huis op; wij zoeken Hem in zijn werkplaats, de Natuur”. Zie ook: K. c.

Doe. Onder D. verstaat men een Zang- en Dansgenootschap onder negers en kleurlingen, dat meestal eens per jaar, onder een daarvoor ingerichte tent, zijn openbare bijeenkomst houdt en met begeleiding van N.-instrumenten, N.-liederen zingt en N.-dansen uitvoert.

Dokóen is geen vrucht, doch de naam van eene in S. zeer geliefde versnapering, bereid uit Cassave- of bananenmeel of ook wel uit meel van jonge maïs, en die gemengd wordt met suiker, vanilje, soms ook met peper. Dokóen wordt in vierkante pakjes van bananenblad opgediend. De Dokóenboom schijnt dus in het fantastische brein der negers een soort wonderboom (Z. a.) te zijn, omdat hij zoo iets heerlijks voortbrengt.

Dorens. Zie onder Bactris.

Doroquara. Een kleine zangvogel, tot het geslacht Odontophorus behoorend.

Drank. Dezen bereiden de I. uit de wortels van Cassave (Z. a.). Door gisting van het meel bereiden zij er verschillende geestrijke dranken uit, o.a. Tapana (Z. a.).

Duizendpoot. In G. komen Duizendpooten voor (tot het geslacht Scolopendra behoorend), die 20 cM. lang kunnen worden en zich met levende dieren voeden, welke zij met hun in een klauw eindigend tweede kaakpooten-paar eerst vergiftigen. De verwondingen zijn zeer pijnlijk, en kunnen ook voor den mensch gevaarlijke gevolgen hebben.

Dwergmuskusdier. Zie: Hyomoschus.

[Inhoud]

E.

Egret. Zie: reiger.

[Inhoud]

F.

Framboesia tropica, in S. Jas of Jaws genoemd, is een in vele tropische landen verspreide, zeer besmettelijke ziekte, die door direct contact en naar het schijnt ook door vliegen wordt overgebracht. Er ontstaan op de huid zweren en uitwassen, die op frambozen gelijken. Zij wordt veroorzaakt door Spirochaeten, die nauw verwant zijn aan [401]die der syphilis, zoodat het denkbeeld van Dr. E. A. Koch en den officier van gezondheid Flu, om het middel van Ehrlich-Hatta, Salversaan 606 en later neo-salversaan op de jawslijders toe te passen, met verrassenden uitslag bekroond werd.

[Inhoud]

G.

Gier. Zie: Stinkvogel en Buniavogel.

Godsdienst der Indianen. Zie: onder dichters.

Gordeldier. (N.E. Kapasi) ook schildvarken genoemd, behoort tot de zoogdier-orde der Tandeloozen. De gordeldieren hebben een huidbedekking uit beenplaten, door de lederhuid gevormd, overdekt door de verhoornde opperhuid. De voorpooten hebben sterke klauwnagels, waarmede zij zich snel in den grond kunnen graven. In G. komen 5 soorten voor, die grootendeels aan zandterreinen gebonden zijn, waar hunne holen menigvuldig zijn.

Gronduil. De S. holenuil (Speotyto cunicularia) nestelt veel in verlaten holen van gordeldieren.

Guave. Van dit tot de Myrtaceeën behoorend geslacht onderscheidt men de gekweekte G. (Psidium guajava L.) die een vrij kleine boom is, wiens vruchten, die een rood of wit vruchtvleesch hebben, gegeten worden, en de wilde Guave (P. polycarpon Lamb.), een kleine boom of heester, die langs de rivieroevers en op eilanden in de stroomversnellingen in S. veel voorkomt. Met het sap der vruchten beschilderen de I. hun aardewerk met allerhande figuren.

[Inhoud]

H.

Haas. Zie: Oerana.

Halla. Zetel voor den toovenaar of geestenbezweerder.

Hajara. Arowaksche naam voor vogelspin (Zie aldaar).

Harpoen-lans. Behalve verschillende soorten van pijlen voor het schieten van bepaalde dieren, heeft de I. ook zijn harpoen-lans, een visch-lans met lossen kop.

Heboe-mataro. Rammelaar. Zie: Maraca.

Hebu of Heboe. Deze is een der boschgeesten der Warraus. De Hebu is een behaard wezen, met sterk vooruitspringende wenkbrauwbogen, waardoor hij niet naar boven kan zien.

Hippopotamus, door de N. van Sierra Leone Pawpawtamus genoemd, is het Nijlpaard, het groote vierhoevige dier der Afrikaansche stroomen.

Hyomoschus aquaticus is een sierlijk gebouwd, klein, reeachtig diertje met vrij stevige, op het konijnenlichaam gelijkenden romp, en dunne, in twee kleine hoeven eindigende pooten; het is verwant aan de muskusdieren, doch heeft geen muskusklier. De fijne, sierlijk gevormde kop heeft mooie heldere oogen. Op een donkerbruinen grond is de huid met witte streepen en vlekken geteekend.

Het diertje is beperkt tot West-Afrika, en houdt zich in het oerwoud-gebied op, waar het gaarne de oevers van meren en rivieren opzoekt, (van daar de soortnaam aquaticus). Deze soort heeft alleen verwanten in Z. en Z.O. Azië, van welke de kantjil van Java de meest bekende is. [402]

[Inhoud]

I.

Indianen der West-Indische eilanden. Op schandelijke wijze verdelgd door de Spaansche en later door andere overheerschers, die hen in de mijnen gebruikten, om doodend slavenwerk te doen, is het I.-ras (de vredelievende A. op de Groote Antillen, de heldhaftige, strijdlustige C. op de Kleine Antillen), nog slechts onder de kruisingsprodukten van dit eilandengebied te herkennen, zooals op Aruba, waar kleurlingen, uit de kruising van Indianen en Negers voortgekomen, een geprononceerd Indianentype vertoonen. De op de eilanden gesproken omgangstaal, het papiamento, (papiamentsch) op Curaçao, bevat ook vele woorden van Indiaansche afkomst, en een nog veel grooter aantal op Aruba en Bonaire, waar de I. bevolking veel langer heeft standgehouden. Op het eiland Dominica kwamen nog voor enkele jaren zuivere C. voor, die er langzaam schijnen weg te kwijnen. (Zie Ko.)

Itapalm. De Mauritia-palm (Mauritia flexuosa L.), die niet zelden samenhangende bosschen vormt, is voor den I. van groote economische waarde. Hij levert een soort sago op; de stam geeft, voordat de vruchttros zich opent, bij het aanboren een groote hoeveelheid zoet vocht, waaruit men suiker en brandewijn kan bereiden; uit de vezels der bladeren maken de A. hangmatten enz. De A. eten als lekkernij de zg. palmwormen (takoema), de larven van Calandra palmarum, een snuitkever, die zij in de gevelde palmstammen veelvuldig vinden. Als kaas gebruiken zij het afgekrabde, tot een koek gevormde vleezige gedeelte der vruchten.

Itiriti. Indiaansche naam voor Wariembo. (Zie aldaar).

Itioto’s zijn volgens de Penards: Bosch-Indianen. Elders wordt deze naam niet aangetroffen.

[Inhoud]

J.

Jacamar. De Jacamars behooren tot een Kolibri-geslacht, dat de Koningen onder deze schitterende vogelfamilie bevat. In S. wordt een Jacamar daarom Kolibri-granman (Kolibri-gouverneur) genoemd.

Jagoear. (Felis onca), ook wel Amerikaansche tijger genoemd, is het gevaarlijkste katachtige roofdier van Amerika. Rosachtig van tint, en met witten buik, is het fraaie dier aan de zijden met 4–6 rijen groote zwarte ringvormige vlekken, elk met een middenvlek, geteekend. Een variëteit is geheel zwart. Zwarte tijgers der Indianen. (Zie: Tobe-horo-anna).

Jakono. Vrienden.

Jams zijn de stengelknollen van Dioscorea Cayennensis L. en worden als aardappelen gegeten. Deze zijn een belangrijk voedsel voor de armere bevolking. De C. noemen ze Njamsi, de A. Koeroekwaroe.

Jawahoe is de naam voor Joroka (Zie aldaar).

Jawa-Konejenje beteekent volgens de Penards (P.) slechte Wraak-I.

Jaws. Zie: Framboesia.

Joroka (van C. oorsprong) is de naam voor een Boschgeest, verwant aan Konokokoeja der A. In G. waar deze Geest onder verschillende namen voorkomt (Joleka, Yurokon, Jawahoe enz.) wordt hij als sterk behaard voorgesteld. Hij leeft onder den grond, kan zoowel man als vrouw zijn, en komt na een voorafgegaan teeken te voorschijn. Hij heeft geen pijl en boog en vecht met armen en beenen. Vandaar dat, wanneer een I. door zoo’n Geest wordt aangevallen, hij schijnbaar ongedeerd naar zijn [403]hut terugkeert. Hij kan er echter zeker van zijn, zoo gelooft hij, dat hij, zonder dat sporen van geweld hij hem te vinden zijn, kort daarna sterft.

Het woord Joroka, dat spook of schim beteekent, is na den invoer der N., spoedig in hunne taal overgenomen.

[Inhoud]

K.

Kaaiman. Zie: Alligator.

Kaikoutji of Kaikoetsji is de A. naam voor Kaaiman, de C. naam voor Jagoear.

Kakkerlak. In G. komen van deze rechtvleugelige insekten meerdere soorten voor, die door hare vraatzucht zeer onaangenaam zijn. De gewone soort (Blatta surinamensis) veroorzaakt in woningen veel last, waarom spinnen, hare vijanden, er in hooge eere worden gehouden. Een groote soort (Blatta gigantea) kan soms in het oerwoud onaangenaam zijn (C.b.).

Kalebas. Vrucht van den Kalebasboom (Crescentia cujete L.). De vruchten worden in G., behalve voor de maraka of tooverrammelaar van den I. geestenbezweerder (piaiman), ook voor drinknappen en lepels bij de B. gebruikt.

Kalìenja. Naam, die de C. der Benedenlanden zich zelven geven, en beteekent, volgens de Penards (P.a.), donkere I.

Kalkoen, ook trompettervogel, in het N.E. kami-kami is de Psophia crepitans. Deze vogel van de grootte van een hoen, maakt een eigenaardig brommend geluid.

Kamisa. Lendenkleed, meest van blauw katoen, dat zoowel door I.-mannen als door vrouwen (bij deze langer) gedragen wordt. Bij de Boschnegers is het hier doorgaans kortere en eenige kleedingstuk der mannen een lap katoen, die tusschen de beenen doorgehaald wordt, en waarvan voor- en achtereinde over een als gordel dienenden katoendraad afhangen.

Kankantrie is een verbastering van Cotton-tree. Deze groote, majestueuse boom, ook zijde-katoenboom (Ceiba pentandra Gärtn.) genoemd, wordt door de S. negers Boesi-granman (= Boschgouverneur) genoemd, en door de B. nog vereerd. Volgens het uit Afrika medegebrachte geloof, dat aldaar aan, in voorkomen op den kankantrie gelijkende, boomen verbonden is, dient deze boom tot verblijf aan verschillende kwade geesten (C.e.), o.a. aan de Koemaka-joroka der Arowakken.

Kanoa. Een zeer groote korjaal (boot), die vroeger bij de Indianen speciaal voor oorlogsdoeleinden werd gemaakt en wel 200 à 300 krijgers bevatten kon.

Kapitein. Hoofd van een I.-dorp. Bij de B. staat een kapitein in rang onder een Groot kapitein.

Kapasi. Zie: gordeldier.

Kapasi-slang. Een, soms 2 M. lange, zeer giftige slang (Lachesis mutus), die, naar men zegt, in een gordeldier-hol verblijf houdt (vandaar de naam) en met dit dier gemoedelijk samenleeft. Een gelijksoortige samenleving van gravend zoogdier en slang is van den prairie-hond bekend.

Kasjoe. Lage boom (Anacardium occidentale L.), die in alle tropische landen om de vruchten gekweekt wordt; de eigenlijke vrucht, die zwart en niervormig is, wordt gedragen door den grooten, vleezig opgezwollen vruchtsteel (schijnvrucht), waarvan op Curaçao gelei gemaakt wordt.

Kassaroa of Kassoeroe-xoewa is een klein vischje (Anableps tetrophthalmus [404]Bloch.), dat in kleine scholen in riviermondingen en langs het strand op modderbanken leeft, en in tint met het modderige water zoo merkwaardig overeenstemt, wordt ook wel slijkspringer, vieroog (vandaar de wetenschappelijke naam) genoemd, omdat zijn oogen horizontaal in tweeën verdeeld zijn, zoodat hij met de bovenste ooghelft in de lucht (vandaar de derde naam hoogkijker) en met de onderste in het water ziet.

Kauries of Kauri-schelpen. Een kleine gele Katjesschelp (Cypraea moneta) wordt bij de N. sedert lang als betaalmiddel gebruikt. Ook in den kleinhandel met S. B. werden eertijds Kauris gebruikt, die als Papamoni bekend waren. Nu nog wordt deze schelp door de B. als amulet (voorbehoed- of beschermingsmiddel tegen booze geesten) gebruikt.

Kenaima’s. Wrekers. (Zie blz. 41).

Kikvorsch. Talrijk zijn in G. de tot de Vorschachtige dieren (Anura) behoorende Amphibieën. Vooral de padden en boomkikvorschen zijn er door talrijke soorten vertegenwoordigd, die dikwijls door fraaie kleuren uitmunten. Deze dieren nemen een groot aandeel aan het oerwoud-concert (C. b.).

Klokkenvogel. Het geluid van dezen vogel (Procnias nudicollis Vieill.) die op een naakte, groene keel en groene teugels na, een sneeuwwit gevederte heeft, is een van de schoonste en treffendste geluiden van het nachtelijk dierenconcert in de oerwouden van G. Het klinkt alsof meerdere glazen klokken tegelijk worden aangeslagen. Volgens de I. kondigt het geluid van dezen vogel veel zonneschijn aan.

Knip. De knip of val, door de I. opgesteld, om vogels te vangen en Kravana genoemd, ziet er volgens de Penards (P. a.) uit als een pyramide-vormige hoop takken, die aan één kant rusten of omhoog gehouden worden door een houtje, waaromheen een touw loopt, dat aan twee hoeken der kn. is bevestigd. Stoot een of andere vogel tegen dit touw, dan valt de kn. dicht.

Koeroe-Koeroe is een ruw uit lianen of ook wel uit wariembo-riet gevlochten mand met wijde mazen, dienende voor het vervoer van cassave-wortels en ter bewaring van visch, krabben enz.

Koesoewé, ook wel Orlean Roekoe genoemd, is een roode kleurstof, die vooral voorkomt in de laag om de zaden van Bixa orellana L., een kleine sierlijke boom. Van deze kleurstof is het handelsprodukt afkomstig, dat als boter- en kaaskleursel dient. Zie verder: Roodhuid.

Koeshi-mier. Zie: Saoeba-mier.

Kofa. Naam van een der Clusia-soorten (Clusia grandiflora). Z. bij Bunia-vogel.

Kohora. Honigbij. Sommige bijensoorten, in holle boomen nestelend, leveren den I. lekkeren honig op.

Kola-noten of Cola-noten zijn afkomstig van een tot de fam. der Sterculaceën behoorenden boom, in tropisch Afrika inheemsch. Zij worden gebruikt als opwekkend middel voor het hart en het spierstelsel.

Komaka of Koemaka. Zie: Kankantrie.

Koni-Koni. N.E. voor de Agoeti. (Z. a.). De S. N. gebruiken den naam K.-K. ook voor andere knaagdieren, zooals het Guineesche biggetje. De heldenfeiten van „Cunnie Rabbit”, door de N. van de Goudkust en Sierra Leone (Cr.) verteld, zijn in S. vermoedelijk van het dwergmuskusdier op de Agoeti (Z. a.) overgegaan, wanneer van het „konijn” verteld wordt.

Konoko-dakodwada. Boschpot. [405]

Koningsgier. Zie: Stinkvogel.

Konoko-koeja. Woudgeest der Arowakken.

Koren, ook wel Bokkenkoren (Bokken worden in het algemeen de I. genoemd), is de naam, die men in S. voor maïs (zie aldaar) gebruikt.

Kormorant. Deze naam geeft men aan verschillende soorten van aalscholvers of zeeraven en is samengetrokken uit corvus (= raaf) en marinus (= in of aan zee levend). Aalscholvers komen in alle streken voor. Men treft ze als vischverdelgers niet alleen aan zeekusten aan, doch ook aan rivieroevers. Zou er ook eenig verband zijn, vraag ik, tusschen de donkergetinte randen der veeren bij dezen vogel, waardoor het gevederte als geschubd lijkt, en het door de I. laten optreden van den K. om de reuzenslang te verdelgen?

Kororomanna is een der Nationale Helden der Warraus.

Kostgrond noemt men de somtijds ver van de dorpen of kampen gelegen bouwvelden der I. (ook der N.).

Kópro Kanón. Onder dezen naam was in 1829 een negerslaaf bij het militaire kommando in S. berucht wegens zijn behendigheid, waarmede hij aan zijn vervolgers wist te ontkomen. Toch gelukte het de boschpatrouille, die in genoemd jaar tegen hem was uitgezonden, het „koperen kanon” in zijn hut diep in het bosch te overrompelen, en hem neêr te schieten. Zijn vrouw werd naar Paramaribo gevoerd, en moest de afgehouwen hand, die voor den soldaat tien gulden waard was, ja zelfs het hoofd van haar man als zegeteeken (!) meêdragen. (Zie het aangehaalde boek van Dr. W. R. van Hoëvell, tweede druk, 2e deel, blz. 117).

Nog bij het tegenwoordige Creolengeslacht is deze „koperen kanon” blijven voortleven, zooals niet alleen uit de vertelling in dezen bundel blijkt, doch ook uit het liedje, dat door de S. jeugd nog altijd wordt gezongen, wanneer zij, zooals men dit noemt aan het „aftellen” is. De kinderen zingen dan de moeder van Kópro Kanón na, als zij haar lievelingskinderen riep. (Zie blz. 333).

Kraai. Met kr. („Blackbird” in den oorspronkelijken tekst) wordt bedoeld de kau-foetoe-boy der Sur. negers, een koekoekachtige vogel, die men vaak op den rug van runderen naar insekten ziet zoeken. Wegens zijn zijdelings samengedrukten, sterk gebogen snavel wordt deze vogel (Crotophago ani) ook wel smousvogel genoemd.

Kraan. Daar Kraanvogels in G. niet voorkomen, zal met dezen vogel vermoedelijk bedoeld zijn de Kraanral (Aranus scolopaceus), door de Creolen Krau-krau genoemd.

Krab. Aan de lage kusten van G. wemelt het van krabben, hetzij aan het modderige strand, hetzij in ondiep water; maar ook in helder water en op het land komen zij er voor. Omtrent de soorten is men het nog niet geheel eens. In Juli en September zamelen de I. massa’s kr. in, om ze als voedsel te gebruiken. In deze maanden houden de dieren hun „carnaval”, waarbij zij in menigte over den modder rondloopen en dan dikwijls gevechten leveren. Men ziet ze dan hunne holen in- en uitkruipen, en kunnen dan met de handen gevangen worden. Door de I. worden deze dieren als de grootste lekkernij beschouwd, zoodat zij in genoemde maanden in hunne booten naar het strand of naar de moerassige rivieroevers trekken en de dieren bij duizenden in hunne Krabkorven meê naar hun dorp kunnen nemen. [406]

Kraboe dagoe. N.E. naam voor een roofdier (Procyon cancrivorus), van de grootte van een vos, dat aan den Waschbeer van N.-Amerika verwant is. Behalve vruchten, eet dit dier vogels, hagedissen en is verlekkerd op krabben, vandaar de N.E. naam, die Krabben-hond beteekent.

Kuri-Kuri. Groote roofvogel, met welken zonder twijfel de Regen-roofvogel (Herpetotheres cachinnans), ook wel Alin-akka genoemd, bedoeld is. Zijn in den vroegen morgen gehoord geluid kondigt, volgens de I., regen aan.

Kwama. Fluit. Doorgaans is deze van bamboe vervaardigd. In vroegere eeuwen gebruikten de I. versierde fluiten van jagoear- en menschenbeenderen.

Kwejoe. A. vrouwen droegen eertijds, soms ook nu nog wel, een voorschoot of schortje van kralen, oorspronkelijk echter van zaden en schelpjes. Deze Kw. zijn meest versierd met allerlei kralenfiguren, kwastjes en franjes. Bij de Warrau-vrouwen is de Kw. langer.

[Inhoud]

L.

Labba. A. naam voor een knaagdier (Coelogenys paca). Zie bij: Oerana.

Landkrab. Zie bij: Krab.

Leba of Libba is bij de N. een booze geest, die den mensch vervolgt. Volgens de Penards (P. b.) beteekent L. ook „zwaarte” en wordt als een oude vrouw gedacht, in lompen gehuld, in het woud wonende en belast met schuld en zonden. Zij zou, als men haar nadert, een deel van haar last op den persoon kunnen afwentelen, dan zelf in een geest veranderen, en onhoorbaar menschen besluipen, op wie zij zich van een deel harer zonden ontlast. De beslopene voelt zich lusteloos, zwaar, verliest alle eetlust. Alleen de geestenbezweerder (Obiaman) kan de leba uitdrijven, enz.

Levensblad. Zie: Levensboom.

Levensboom. Levensboomen en Levensbladeren, ook Wonderboomen en Wonderbladeren genoemd, spelen in het leven der I. een groote rol. Bij de A. van Eng. G. wordt bij ziekte een blad van een vetplant (Bryophyllum pinnatum), die de eigenschap heeft, aan den rand van afgesneden bladeren jonge plantjes voort te brengen, in de hut opgehangen. Wanneer er plantjes uit voortkomen, wordt dit als een teeken beschouwd, dat de zieke beter zal worden.

Liaan. Onder de lianen, de houtige slingerplanten, die in de tropische oerwouden een zoo groote rol spelen (C. b.) bevinden zich zeer buigzame soorten, die als touw (Boesi tetei = boschtouw) gebruikt worden. Er zijn lianen, zoowel in de wouden van G. als in de Afrikaansche wildernis, sterk genoeg, om er een boot aan vast te leggen.

Lichtkever (Pyrophorus noctulicus) is een tot de z.g. springkevers of kniptorren (Elateridae) behoorende soort, die aan beide zijden van het borststuk een geel plekje bezit, waaruit des nachts een helder licht straalt. Bij een onzer kampementen in het oerwoud kwamen zij zoo talrijk voor, dat men ze bij menigte kon oprapen, bedwelmd door den rook van het kampvuur. Tien exemplaren, in een flesch gedaan, gaven zoveel licht, dat ik er met gemak bij lezen kon.

Loekoe-man. Een priester of geestenbezweerder (bij de B.), die in de onzichtbare wereld kan zien, en dikwijls gebeden richt tot den heiligen kankantrie, de verblijfplaats van zieken veroorzakende geesten. (Zie: Country-fashion man). [407]

[Inhoud]

M.

Maan. Ook de maan wordt bij de meeste I.-stammen mannelijk gedacht. Bij vele stammen van Z.-Amerika wordt de maan aansprakelijk gesteld voor zekere toestanden gedurende het tijdperk, waarin de vrouw kinderen kan voortbrengen. Vandaar dat zij spreken van „maanziekte”, een onderwerp, dat de I. met voorliefde in hunne vertellingen behandelen.

De I. spreken van manen, in plaats van maanden, hetgeen ongeveer op hetzelfde neerkomt, daar een maand de tijd is, waarin de maan een omloop om de aarde volbrengt.

Maconaura. (Makona-ura) was volgens Dance (D.) een I.-jongen, die beroemd was om zijn zeldzame bekwaamheid in het visschen. Hij zou de uitvinder zijn van de Mashwa of Masoewa. (Zie aldaar).

Maipoeri. C.-naam voor Tapir. (Zie aldaar).

Maïs of Turksch koren, in de verhalen in het algemeen koren genoemd. Deze plant, vermoedelijk uit Mexico afkomstig, wordt zoowel door I. op hunne kostgronden, als door de N. op hunne grondjes verbouwd. Van de korrels wordt pap gekookt; de onrijpe, zachte korrels worden gekookt of geroosterd gegeten. Men maakt er ook taartjes en koekjes van, enz. Door I. en B. wordt een bijna zwarte maïssoort geteeld.

Makoe. N.E. en C.-naam voor muskieten (Anopheles-soorten), die de overbrengers zijn van den malaria-parasiet, de grootste plaag der tropische gewesten.

Makoenaima behoort, evenals zijn tweelingbroeder Pia tot de nationale helden bij sommige I.-stammen. (Zie bij: Zon). De meening, die bij sommige schrijvers gevonden wordt, als zou Makoenaima de Groote Geest zijn, de Schepper van Hemel en Aarde, is door anderen (R. en K.) weêrlegd.

Malaka = Maraka (zie aldaar). Daar de r en de l bij de N. en, naar het schijnt, ook bij I. willekeurig verwisseld worden, springen de schrijvers over deze volken naar willekeur met deze letters om.

Manari. Zeef, voor het zeven van Cassave-meel.

Manja. N.E. naam voor (Mangifera indica L.), een grooten uit O. I. afkomstigen boom, wiens vruchten een oranjegeel vruchtvleesch en één groote pit hebben, door een vezelige buitenlaag omgeven. Deze vezels dringen in het vruchtvleesch door. Er zijn verschillende variëteiten, wier waarde voor de cultuur afhangt van de grootte van de pit, van de hoeveelheid vezels in het vleesch en van den geur. De manja is een der weinige veredelde tropische vruchten.

Marabons. Creoolsche naam voor wesp. De steek van vele M.-soorten is zeer pijnlijk en kan zelfs gevaarlijk zijn. De opzwelling, door den steek veroorzaakt, gaat niet zelden met koorts gepaard.

Maraka noemen de A. de tooverrammelaar van den piaiman of geestenbezweerder. De Creolen noemen dit voor hem onmisbare instrument shak shak. Het instrument is gemaakt uit een kalebasschaal (van Crescentia cujete L.) en wordt gevuld met een aantal kleine steentjes, waaronder liefst een of meer kwartskristallen—voorwerpen, die de I. bezield denkt en de dragers van verschillende Geesten voorstellen. Vooral in de steentjes zit de kracht van de Maraka. Het gebruik van tabakswater, waarmeê de inhoud gedrenkt wordt, is begrijpelijk uit het geloof aan de aantrekkingskracht, die tabak en tabaksrook op de Geesten uitoefenen. Kleine gaatjes in de kalebas verhoogen het geluid. Door de kalebas heen [408]is een stok gestoken, aan het uiteinde met papegaaieveeren versierd, die levend uit het lichaam van het dier moeten getrokken zijn.

Maripa-palm. Deze veel op lage terreinen voorkomende palm (Maximiliana maripa Drude) heeft een merkwaardigen vruchttros, die 2–3 voet lang kan worden en honderden vruchten bevat, van welke het dunne vruchtvleesch om de steenharde zaden gegeten wordt. Vooral de groote Ara’s (Papegaaien) zijn verzot op de zaden.

Maróedi. A. naam voor een aan de fasanten verwant boschhoen (Penelope jacupeba).

Masoewa. Vierkante of cylindervormige mand van takken en bamboe, met trechtervormigen ingang, zoodat visschen en kreeften er wel in, maar niet uit kunnen.

Matta. Groote uit één blok gevormde houten vijzel, in S. algemeen gebruikt voor het stampen van de S. koffie, om deze van de schil te ontdoen, voor het stampen van rijst, van bananen (voor de bereiding van tontom. (Z. a.) enz.)

Moetitté. Open korf of zak, gevlochten uit de bladeren van den Pina-palm of van andere palmsoorten, en waarin de I. vruchten enz. dragen. Aan een katoenen band of baststrook van den Oeman barklak (Zie: Winnamoroe), die om het voorhoofd loopt, dragen zij de korf op den rug. De gesloten korven der N. heeten eveneens moetitté.

Mopé. Zie: Pruim.

Mora of Peto, is een tot 45 M. hooge, tot de Vlinderbloemigen behoorende boom (Dimorphandra exelsa Baill.), die in het W. deel van S. op leemgronden langs de oevers van den Middenloop der rivieren in groote complexen voorkomt en een waardevol timmerhout oplevert.

Morokot is een smakelijke riviervisch (Myletes pacu Schomb.), door de C. Pakoe genoemd en die bij de watervallen niet zeldzaam is.

[Inhoud]

N.

Nachtzwaluw. De Amerikaansche nachtzwaluwen—er zijn meerdere soorten van het geslacht der geitenmelkers (Caprimulgus)—maken een geluid, dat des nachts onheilspellend door het oerwoud klinkt. De stem van de bekende soort, die naar den klank Whip-poor-will wordt genoemd, is zóó droevig klagend, dat het niet alleen den primitieven mensch, maar ook den ontwikkelden onderzoekings-reiziger met angst vervult. Geen I. noch N. zal het wagen, zijn pijl of geweer op den vogel te richten.

Napi is de stengelknol van Discorea trifida L., en wordt als aardappel gegeten of ook tot soep gekookt. Men onderscheidt Napi met roode en met witte knollen.

[Inhoud]

O.

Obia-man. Geestenbezweerder der B.

Obia-piaai. Bezweringsmiddel, samengesteld uit een daartoe dienend middel der I. en der B.

Oelana-spel (ook wel oerana-spel geschreven). De spelletjes der I.-jongens zijn veelal nabootsingen van de leefwijze der wouddieren. Hiertoe behoort ook het O.-sp., zoogenoemd, omdat zij hierbij de bewegingen van de Paca (Z. bij Oerana) nabootsen. Een der jongens stelt de O. voor, verbergt zich in het bosch en wacht tot zijn kameraadjes, die met een hond zijn spoor moeten volgen, in zijn nabijheid zijn. Hij springt dan [409]op, ijlt naar de rivier of kreek, stort zich hals over kop in het water en duikt onder. Zijn achtervolgers ijlen hem na en het spel eindigt daarmede, dat de achtervolgers het opgeven of de zg. Oelana in triumf aan den oever slepen.

Oeloekwa-toelala. Dit bekoringsmiddel, ook wel bekoring tot het wegdrijven der liefde genoemd, wordt, volgens de Penards (P.), bereid uit den knol van de variëteit eener plant (Calidryum bicolor). Deze wordt gestampt; het meel wordt dan te samen met een poeder, afkomstig uit verbrande wormen, die uit de verrotte hersenen van een Trogon-soort (T. viridis)—ook wel houtluisvogel, in het C. Oeloekwa genoemd—voortgekomen zijn, in een kalebas met water omgeroerd.

De genoemde vogel—en hierop berust de waarde van het bekoringsmiddel—heeft zwakke pooten, zoodat hij niet van den eenen tak op den anderen kan springen. Mannetje en wijfje zitten daarom dikwijls met den rug tegen elkaar, waarom de I. dezen vogel als het zinnebeeld van jaloerschheid, haat en tweedracht beschouwen.

Tusschen dezen vogel en genoemde plant zien de I. nu verband, omdat de vorm van het blad veel overeenkomt met de Trogon viridis of Oeloekwa. Vandaar de naam Oeloekwa-toelala.

Oerana (Oelana). C. naam voor een aan de Agoeti of de Acouri verwant knaagdier (Coelogenys paca), in S. dikwijls haas genoemd. De Paca is een nachtdier en verblijft overdag in een hol, dat twee toegangen heeft. Het vleesch is smakelijk. (Zie: Oelana-spel).

Okra. Doosvrucht met vele zaden van een tot de Malvaceën behoorenden heester (Hibiscus esculentus L.). De vrucht wordt in de soep gekookt bij bereiding van tontom (Z. a.), en ook als groente gegeten.

Otolin. Naam van een vogel, die in de litteratuur niet kon worden opgespoord.

[Inhoud]

P.

Pagaal. Zeer waterdichte, vierhoekige mand, uit wariembo-riet (zie aldaar) gevlochten, en zoowel door I. als door B. vervaardigd. De I.-pagalen zijn door de zorgvuldige bewerking voor water haast ondoordringbaar en door de met zwarte en gekleurde reepen aangebrachte motieven, ware kunstprodukten.

Paiwarri. In Engelsch G. duidt men met dezen naam den drank aan, die bereid wordt uit dik, eenigszins verbrand Cassave-brood, dat gekauwd en in een korjaal gespuwd wordt. Het mout komt er bij in den vorm van een enkele dagen te voren gereedgemaakte stroop van een weinig gekookt Cassave-sap en eenige verbrande koeken. De korjaal wordt daarna met palmbladeren bedekt om de massa eenige dagen te laten gisten. Tegenwoordig is deze onsmakelijke bereiding verlaten. De A. noemen dezen drank, die eenigszins zuur smaakt, Tapana. De I. spreken van Tapana- of Paiwarri-feesten.

Pakira. Een der wildezwijnen-soorten van het geslacht Dicotyles, die in de oerwouden van G. in troepen voorkomen. De Pakira (Dicotyles torquatus) is de kleinste der twee, en leeft in troepjes van 6–8 bijeen. Zij woelen met den snuit den grond om en geven de voorkeur aan palm- en andere vruchten. Het vleesch van beide soorten is zeer smakelijk.

Palissadepalm, ook Pinapalm genoemd (Euterpe oleracea), is een sierlijke palm, waarvan de dunne stam en de groote geveerde bladeren zeer [410]waardevol materiaal voor den bouw van woningen en hutten oplevert. De uitgebloeide bloemtrossen worden als bezems gebruikt.

Paloeloe (Palaloe) is de Wilde Banaan (Heliconia Bihai L.). De groote bladeren worden door de I. voor de bedekking hunner hutten gebezigd. Ook de aanverwante H. psittacorum L., eveneens in het oerwoud voorkomend, wordt voor dit doel gebruikt.

Papaja. (Carica papaya L.). Boom met weeken, kalen stam en dichte kroon van handvormig ingesneden bladeren. De vruchten zijn licht verteerbaar, de bladeren worden gebruikt om vleesch malsch te maken.

Parel noemt men in S. de pagaai, waarmede de booten worden voortbewogen. Parels zijn plat en lancetvormig, en bovenaan van een halve-maanvormige uitsnijding voorzien, waarin de hand past. Doorgaans worden zij gemaakt van de plaatvormige steunwortels van Aspidosperma exelsum Benth., daarom parelhout genoemd.

Pasrie, ook wel Pasirimbo genoemd, is een in der haast uit één palmblad gevlochten korf.

Patatten. De wortelknol van een kruidachtige, kleine plant (Ipomoea batatas L.) wordt gekookt of geroosterd gegeten, maar ook als veevoer gebruikt. Zoowel I. als N. planten dit gewas op hunne kostgronden aan. Switi patata (zoete patatten) is de N.E. naam.

Palatten-luis, in het fransch „bête rouge” genoemd, is de larve van een tot de mijten (Acarina) behoorend uiterst kleine mijtsoort (Microthrombidium batatas), die in het gras en andere planten der bodem-vegetatie leeft, en zich door haakvormige kaken in de huid boort. Zij brengen hier een ondragelijk jeuken te voorschijn. In het S. oerwoud komt de plaag plaatselijk voor (C. b.).

Pawana’s. De Penards (P.), aan wien wij deze bijdrage tot de Folklore der S. I. ontleenen, vermoeden, dat met Pawana’s bedoeld worden de Parawana’s of Parwa-I., die hunne kampen bouwden tusschen de wortels der aan de kust groeiende Parwa- of Mangrove-boomen (Rhizophora mangle). Deze I. waren zeker verlekkerd op krabben, om zoodanige plaatsen op te zoeken.

Pepers. Behalve de kleine roode Spaansche peper (Capsicum frutescens), worden in G. nog andere Capsicum-soorten gekweekt, wier vruchten een belangrijke specerij voor den peperpot (Z. a.) zijn. Het is een oude gewoonte bij I. van G., om pepers (gedroogde Capsicum-vruchten) in het vuur te strooien, ten einde een vijand te verdrijven. (No. 10 der I.-serie).

Peperpot (kasripopot), bereidt men uit pap van de bittere Cassave, die men tot een bittere brij laat koken. In den pot, die volgens I.-geloof nooit mag worden schoongemaakt (zie No. 26), wordt het voorradige vleesch en de visch met veel Spaanschen peper dooreengeroerd, om een der voornaamste gerechten van den I. te bereiden. Altijd staat bij hen een peperpot klaar. De peperpot wordt steeds bijgevuld.

Piengo of Piengoe (Poeingo bij de C. en Dodele of Keheron bij de A.) is een der beide boschvarkens (zie Pakira), in troepen door de oerwouden van G. trekkend. Piengo is de negerengelsche naam voor Dicotyles labiatus. In kudden van 20–100 stuks trekt deze op voedsel uit, onder leiding van een aanvoerder, door de N. Piengo-granman genoemd. Zij trekken in rechte lijn en zijn daarom gevaarlijk voor hen, die in het bosch kampeeren. Des morgens vroeg trekken zulke troepen dikwijls de rivieren over (C. b). Het vleesch is smakelijk, als zorg wordt gedragen, de klier aan de rugzijde, die een naar muskus riekende stof afscheidt, snel uit te snijden. [411]

Pijnen. Het vermogen, om lichaamspijnen te verdragen, wordt bij de I. hoog geschat. Vandaar de pijnlijke proeven, waaraan de tot jongeman bevorderde I. maar in het bijzonder de candidaat-hoofdman en de candidaat-piaiman zich hebben te onderwerpen (o.a. de wespen- en de mierenproef).

Pisang. Zie: banaan.

Pot. Zie: peperpot.

Potaro-val, ook wel Kaieteur’s-val—zoo genoemd naar den ouden man, die er den dood vond, is een 822 voet hooge waterval in de Essequibo (Britsch-G.), ontdekt door Barington Brown. De I. noemen hem Oude man’s val.

Powies. Deze tot de hoenders behoorende vogel (Crax alector) is een der meest gezochte wildsoorten van G. Een zijner borstspieren is wat wij een flinke lap vleesch noemen. Van de rivier uit is deze vogel niet moeielijk onder schot te krijgen.

Pruim. Wat hier pruim genoemd wordt is de z.g. Spondias-pruim, de gele vrucht ter grootte van een kleine pruim van den Mopé (Spondias lutea L.), een grooten boom, in het oerwoud van G. veel voorkomend. Deze vruchten worden door den Tapir en den schildpad (Z. a.) als lekkernij opgezocht. In S. beweert men, dat een vreemdeling, die eenmaal deze vrucht geproefd heeft, nooit meer de kolonie verlaat.

Púskita. Het jaarlijksche groote feest, door de Creek-I. van Alabama en Georgia sedert overoude tijden gevierd, en dat acht dagen duurt.

[Inhoud]

R.

Regenkikvorsch. Zie: Wau-oeta-kikvorsch.

Reiger. Onder de reigersoorten, die in West-Indië voorkomen, wordt met egret of Herodias egretta, doch vooral Leucophoyx candidissima (de blauwe Sabakoe) bedoeld, die om de sierlijke kopveeren, als „aigrettes” zeer gezocht, veel geschoten wordt. In S. wordt deze vogel nog steeds niet beschermd, hoewel ernstige pogingen, o.a. door mijn tochtgenoot C. v. Drimmelen, hiertoe gedaan zijn. In Columbia en andere Staten van Amerika heeft men reeds lang het belang hiervan ingezien. De reigers, die aan de kust van Jamaica veel voorkomen, vliegen ook dikwijls ver landwaarts en zijn zeer verlekkerd op de kleine krabben, die in de bergriviertjes voorkomen.

Roode ras. Zie: Roodhuid.

Roodhuid. De naam Roodhuid, die de I. hebben gekregen, is te danken aan de gewoonte, om hun huid met Koesoewe—een roode kleurstof, verkregen door een laag om de zaden van Bixa orellana L. met Krappa-olie te vermengen—in te wrijven. De huidskleur der I. is meestentijd min of meer licht koperkleurig, dikwijls ook kaneelkleurig. Met de roode kleurstof worden ook de kleedingstukken en het aardewerk rood gekleurd.

[Inhoud]

S.

Sabakoe. Zie: Reiger.

Samboela. C. naam voor trom. De I. trom is een uitgehold stuk boomstam, dikwijls van den Maripa-palm. Over beide open uiteinden is een herten- of boschvarkensvel gespannen. Bij de dansfeesten hangen deze trommen met touwen aan dwarsbalken der hut of aan een daartoe opgestelde stellage van bamboe (zie afb. in C. a.). [412]

Saoeba-mier (ook Saba-mier), wordt ook blad- of parasolmier (Atta cephalotes) genoemd, omdat deze mier soms in één enkelen nacht geheele boomen ontbladert. Bij deze rooftochten begeven deze mieren zich bij millioenen in bepaalde optochten naar de boomen (vooral naar de jonge Mora-boomen), snijden de bladeren in stukken en laten deze op den grond vallen. Zij nemen de bladfragmenten tusschen de kaken en dragen deze recht overeind naar het nest (C. b.), waar door de rotting van de massa een kleine champignon ontstaat, van welke deze mieren leven (Champignon-tuinen). De Saoeba-mier is bij de C. het zinnebeeld van succes.

Savanne. Schaarsch begroeide vlakte, wier bodem doorgaans, hoewel niet altijd, uit zand bestaat.

Schildpad. In de oerwouden van G. komt slechts één schildpadsoort voor (Testudo tabulata Wahlb.). door de C. Wajamoe, door de A. Hikoeli genoemd. De N.E. naam is Sekrepatoe. Deze landschildpad kan een lengte van 5 dec. bereiken, voedt zich met allerlei planten en vruchten, is vooral verlekkerd op de zg. Spondias pruimen (zie: Pruim). Bij de C. is de schildpad het zinnebeeld van verliefdheid.

Schimmel. Hier wordt een brandschimmel (Ustilago-soort) bedoeld, die veel schade aan de Maïs doet.

Schoonmoeder. Voordat Europeesche invloeden zich bij de I. deden gelden, was het een I. ten strengste verboden, de hut zijner schoonmoeder binnen te gaan, met haar te spreken, zelfs naar haar te kijken.

Schopappel. (Sur. Skopappel). Zie: Anona.

Scolopendra. Zie: Duizendpoot.

Sekrepattoe. N.E. voor schildpad (zie aldaar), meer bepaaldelijk voor landschildpad.

Semi-tchichi of Semi-cihi, door de A. gebruikt, wordt door hen ook gebezigd voor al hetgeen men doet of gebruikt, om zich de noodige tooverkracht te verzekeren.

Specht. In G. komen verschillende spechtsoorten voor, die ook daar „Timmerman” worden genoemd. Ook in G. hebben bijna alle spechten een rooden bovenkop of kuif. Het gehamer of geklop kan men ver in den omtrek hooren.

Springmand. Mand, voorzien van een schuifdeur, waaraan een naar beneden gebogen tak is vastgemaakt. Wanneer de visch zich met een aan deze tak bevestigd lokaas wil verwijderen, wipt de tak omhoog en schuift de deur dicht.

Soesa. Dans, waarbij de voet- en beenbewegingen de hoofdrol vervullen, en waarmeê de mannen en jongens zich bij de N. vermaken (C. b.)

Steenen bijl. Het voorgeslacht der tegenwoordige I. gebruikte steenen bijlen, die in gedaante volkomen overeenstemmen met de gepolijste bijlen uit het Neolithische tijdperk der menschelijk praehistorie in Europa. Deze bijlen zijn eertijds bij de I. van geheel W.-I.—ook bij die, welke de eilanden bewoonden—in gebruik geweest. Dit werktuig of wapen bestond uit een hard, op een steenblok geslepen steenstuk, dat niet zelden een waar kunstprodukt is. Niet elke I. schijnt zijn eigen bijl te hebben vervaardigd, maar hij ruilde die bij andere stammen of dorpen in, waar bepaalde werkplaatsen voor het slijpen bestonden, evenals dit ook in de Neolithische periode—de tijd van den gepolijsten steen—in Europa het geval is geweest. Men vindt zulke bijlen niet zelden als oudheden in den bodem van G.; maar ook van Curaçao en andere W.-I. eilanden zijn zij bekend. Merkwaardig is het, dat—evenals elders, ook [413]in ons land—ook de S.-bevolking gelooft, dat deze bijlen gedurende een onweer uit de lucht zijn komen vallen. Vandaar ook daar de volksnaam: dondersteenen. De C. gelooven, dat deze bijlen door Konomeroe (den Dondergod) uit woede naar den grond geslingerd zijn, teneinde den onverlaat te treffen, die zijn dochter onteerde. Een legende doelt hierop (P. a.). De Aroaksche traditie omtrent oude bijlen luidt, dat men deze eertijds zoo waardevolle werktuigen van een verre landstreek moest halen en dat jaren noodig waren, om deze streek te bereiken. Een der legenden, die zulk een lange reis beschrijft, heeft Walter E. Roth (R.) medegedeeld.

Stinkvogel. In S., waar zij door de N. Tiengi-fouroe (eigenlijk fouloe, van het Engelsche fowl) genoemd worden, verstaat men onder dezen naam verschillende giersoorten. Een kleine soort (Catharista atrata) is geheel zwart en doet als vuilnisman in Paramaribo dienst, waar hij beschermd wordt. Een zeer fraai gekleurde en groote soort (Koningsgier, Gypagus papa, ook wel Tiengi fouroe granman = gouverneur der stinkvogels genoemd) komt in het oerwoud voor (C. b.).

Stekelvarken. Coendu prehensilis is een knaagdier, welks huid met zwarte en gele stekels bedekt is, een lange grijpstaart heeft en in boomen huist.

Swamp. Moerassige plaats in de oerwouden van Guyana.

Swaroedaroe. Zwaar vergiftigde pijl.

[Inhoud]

T.

Tabbertje. (N.E. tábiki) ook wel tabbetje of tappetje (bij oude schrijvers) genoemd, is een eiland in de rivier.

Taboe. Iets wat verboden is. (Zie blz. 37).

Tairu-blad. Vermoedelijk het pijlvormige blad van tajers. (Zie aldaar).

Tajers zijn variëteiten van twee Collocasia-soorten (C. esculenta en C. antiquorum), van welke de verdikte boven- en onderaardsche stengeldeelen gegeten worden. De wilde tajer (N.E. Krassi-taja) is wegens de vele kristalnaalden en scherp melksap niet als voedsel te gebruiken.

Tamanaca’s. Een C.-stam.

Tamanoea. C. en A.-naam voor den grooten miereneter (Myrmecophaga jubata L.). Met zijn kleverige, wormvormige tong, die snel uit den langen, in een puntigen snuit eindigenden, tandeloozen bek gestoken kan worden, bemachtigt de T. duizenden mieren en termieten tegelijk. Als tegenstander is de T. zeer gevaarlijk, want hij tracht, overeindstaande, met de groote sikkelvormige nagels der achterpooten zijn aanvaller den buik open te rijten.

Tamoesi. Een der namen, waarmede door de I. de Groote Geest wordt aangeduid. Aan deze namen ligt echter niet het geloof aan God, volgens Christelijke begrippen, ten grondslag.

Tapana. Zie: Paiwarri.

Tapir. In de oerwouden van G. is het grootste zoogdier de T. (Tapirus americanus), een soort van het ook in Azië levende geslacht Tapirus, door de N. bóffroe (= buffel) genoemd. Dit vierhoevige, van een korten snuit voorziene, dikhuidige dier, leeft van bladeren en vruchten. Evenals de landschildpad is de T. zeer verlekkerd op de z.g. Spondias-pruim (Zie: pruim). Een zeer gewild jachtdier bij de I. (Zie: Maipoeri).

Tijger. In Amerika komt de tijger, de groote fraai gestreepte kattensoort [414]van Azië, niet voor. Zoowel in de I.- als in de N.-folk-lore wordt met Tijger steeds de Jagoear (Z. a.) bedoeld.

Tobe-horo-anna, dat in het Warrausch letterlijk huid van den zwarten tijger beteekent, is ook de naam, dien men geeft aan een reusachtig groot, zeer gevreesd roofdier, dat, naar beweerd wordt, diep in het woud leeft, doch dat men nog nimmer gezien heeft. De Warraus gelooven, dat het dier een tijger (= jagoear) is gedurende zijn strooptochten door het bosch, maar dat hij thuis een gewoon mensch is.2

Tomahawk. Strijdbijl der Noord-Amerikaansche I., gelijk de Apatoe (Z. a.) is bij de Zuid-Amerikaansche stammen. De strijdbijl is bij alle I. het symbool van den strijd.

Tom-tom of Tontòm (N.E.) is een pudding van gekookte en gestampte bananen, ook van meel en dergelijke. Op etenstijd komt de I. vrouw der Benedenlandsche C. (C. a.) haar man de tontom brengen, die hij niet met haar eet.

Trens. Vaart of kanaal voor de afwatering (= loostrens) of voor het vervoer der produkten door en van de plantage naar de rivier (= vaartrens).

[Inhoud]

V.

Vampier. In G. komen bloedzuigende vleermuizen (o.a. Desmonus rufus) voor, die des nachts menschen en dieren bloed uitzuigen, en die men Vampiers noemt. Het zijn groote vleermuissoorten, wier bepaling nog onzeker is. Het muskieten-net over de hangmat beveiligt de slapenden tegen den beet, waarvan men niet wakker wordt, omdat het dier door zuigen met de lippen de huid vóór den beet ongevoelig maakt.

Vergiffen, hier meer in het bijzonder bedoeld als hulpmiddel bij de vischvangst. De I. gebruiken verschillende plantenvergiffen, om visschen te verdooven. Het meest in gebruik is de nekoe (een liaansoort). De kreken worden daartoe zoodanig afgedamd, dat het water wel kan wegstroomen, maar dat de uitweg is afgesneden. De in het water geworpen gifstof bedwelmt de visch, die spoedig komt bovendrijven.

Verweeringskorst. De korst, die in G. vele gesteenten, in het bijzonder de donkergetinte kalkrijke en veel ijzer houdende, kristallijne gesteenten bedekt, en deze tegen verdere verweering beschermt (daarom door de duitsche aardkundigen „Schutzrinde” genoemd), bestaat in hoofdzaak uit een oxyd van ijzer en mangaan. Hoe rijker het gesteente aan donkere ijzer- en mangaanrijke mineralen is, des te meer de korst op gepotlood ijzer gelijkt. (C. c. blz. 62, enz.).

Vloed. Onder talrijke Indianenstammen, zoowel van Noord- als van Zuid-Amerika, wordt het geloof aan een grooten vloed in hunnen mythen- en legendenschat aangetroffen. De Zuñis bijv. die in een dorre streek in het westelijk deel van Nieuw-Mexico leven, nemen aan, dat zij van hun oorspronkelijk verblijf, meer westwaarts gelegen, door een grooten watervloed in oostwaartsche richting verdreven zijn geworden naar een heerlijke Mesa (= tafelland) van rooden en witten zandsteen, waar zij, blijkens de uitgebreide pueblo (= stad of dorp)-ruïnen—met belangrijke tempels gewijd aan den vader Zon, de moeder Maan en de oorlogsgoden[415]—zeer lang moeten hebben gewoond (K.). Ook de mythen en sagen van de I. van G. vertellen meermalen van een vloed, waarbij slechts een klein deel der menschheid, soms één menschenpaar, zich heeft weten te redden. In verband hiermede is het de aandacht waard, dat in een jonge periode, die vermoedelijk samengevallen is met de diluviale periode of den ijstijd in Europa, van de bergen van G. enorme vloeden moeten afgestroomd zijn, die, door hun zooveel grooter transporteerend vermogen dan de tegenwoordige rivieren, aan uitgebreide afzettingen het aanzijn hebben gegeven (leem-, klei- en zandgronden, afgewisseld met uit grover materiaal gevormde lagen, zg. conglomeraten, brecciën en zandsteen) die het zg. Savannegebied vormen, dat het bergland van de lage alluviale gronden scheidt (C. c. blz. 44–54) en die aan de oevers langs de benedenrivieren bij laag water in banken te voorschijn komen.

Het is verre van onwaarschijnlijk, dat de mensch in bedoelde periode ook reeds Amerika bewoonde. Dat reeds lang uitgestorven dieren nog steeds in de herinnering van een volk konden blijven voortleven, hebben de legenden geleerd, die bij de oorspronkelijke bewoners van Australië zijn opgeteekend, en zo kan het niet verwonderen, dat van deze vloeden nog bij de tegenwoordige I. de herinnering bewaard is gebleven.

Vogelspin. Zeer groote spinnen, zoo genoemd, omdat zij ook wel eens kleine vogels, als Kolibries, overvallen. Men onderscheidt nog twee soorten Mygale blondii, en M. avicularia. De eerste is de grootst bekende spinnensoort. Het sterk behaarde dier leeft in den grond, waarin het gangen bewoont (soms 60 cM. lang), aan wier ingang het tegen den avond op de loer ligt. De tweede soort is kleiner en maakt haar zakvormig spinsel overal, op boomen, tusschen de bladeren der ananas, in huizen.

[Inhoud]

W.

Waaier. De vrouwen der I. gebruiken, om het vuur aan te houden en te doen opvlammen, kleine waaiers, zeer kunstig uit de bladeren van den Maripa-palm gevlochten.

Waiyarri. Een inderhaast uit palmbladeren gevlochten mand.

Wariembo of Warimbo is een kruidachtige, tot de Eenzaadlobbigen behoorende plant (Ischnosiphon gracile Körn.), uit wier stengels, die eenige meters lang worden, dunne reepen gesneden worden, die voor allerlei vlechtwerk gebruikt worden.

Watercamoedi is de Water-boa of Anaconda. Zie: Camoedi.

Waterhond, N.E. Watra-dágoe, behoort tot het geslacht der Otters (Lutra) van de Marterachtige roofdieren. Van dit geslacht komen in de rivieren van G. twee soorten voor, waarvan de voornaamste Lutra brasiliensis is. Als de dieren hunne ronde koppen boven water steken, trachten de N. ze door nabootsing van hun stem aan te lokken, om ze beter onder schot te kunnen krijgen (C. b. blz. 46).

Watra-dagoe. Zie: Waterhond.

Wau-oeta-Kikvorsch behoort tot de vele in G.’s wildernissen levende boomkikvorschen, een groep, die o.a. gekenmerkt is door het bezit van verbreedingen (zuignappen) aan de teeneinden. Zeer waarschijnlijk wordt met dit dier bedoeld de Regenkikvorsch (Hyla venulosa), die des nachts in de bosschen zoo erbarmelijk kan schreeuwen. [416]

Wicissi-eend. R. noemt deze eend Anas autumnalis. De Wic. is echter vermoedelijk de Wisi-Wisi of Skroerti der N., een boomeend, die in G. algemeen is en in de wetenschap den naam draagt van Dendrocygna discolor.

Winnamoroe. Bast van den Oeman-barklak (Bignonia inaequalis), een boom waarvan de binnenste schorslaag als zg. sigarettenpapier door de I. gebruikt wordt. Als zij geen tabak hebben, rooken zij deze schors alleen. Zulke sigaretten zijn wel een decimeter lang (C. b.). Deze schorslaag werd door de N. op de Nickerie-expeditie gebruikt om vrachten te dragen, daar zij zeer sterk is. (Zie: de plaat in C. b., blz. 159).

Winti. Een der afgoderij-dansen der B., vermoedelijk van Afrikaanschen oorsprong, waarbij de dansers en danseressen in een toestand van opwinding en razernij geraken, waarin de Wintiman—een door sommige schrijvers verkeerdelijk gebruikte naam—uitspraken doet, waaraan onvoorwaardelijk geloof wordt gehecht. Zie voor dit nog duistere onderwerp: Encyclopedie v. W. I. Ook bij Stadsnegers is de Winti-dans nog in zwang.

Wintiman. Zie: Winti.

Wonderblad. Zie: Levensboom.

Wonderboom. Zie: Levensboom.

[Inhoud]

Y.

Yams. Zie: Jams.

Yarri-yari. I.-fluit, veelal uit bamboe vervaardigd.

Yurokon. Zie: Joroka.

[Inhoud]

Z.

Zandvloo. De zandvloo (Sarcopsylla penetrans), in het N.E. Sika genoemd, komt veel op zandgronden voor, waar I. hunne kampen hebben. Deze vloo boort zich in de huid der voeten in, geeft aanleiding tot een opzwelling van de grootte van een erwt en kan, wanneer het gestorven moederdier niet met de eieren verwijderd wordt, tot verzweringen aanleiding geven. De I. vrouwen en meisjes zijn zeer bedreven in het verwijderen van de Sika’s door middel van een door den onderlip gestoken speld. (C. a.).

Zeekust. In de modderige kuststreek van G., bedekt met Mangroveboomen of Rhizophoren, die met hunne luchtwortels uit het slijk omhoogrijzen en de aanslibbing zoozeer bevorderen, wemelt het van krabben, die hunne gaten in- en uitkruipen en niet zelden tegen de wortels omhoog klimmen. Zie: Krab.

Zuurzak. Zie: Anona.

Zwarte tijger. Zie: Jagoear.


1 Bij de samenstelling van dit register is, behalve van de geschriften, in het litteratuur-overzicht genoemd, een ruim gebruik gemaakt van de Encyclopedie van Ned. West-Indië

2 Een gelijksoortig geloof komt ook bij andere primitieve stammen voor (o.a. bij de oorspronkelijke Koeboes van Zuid-Sumatra).