Het verhalen van de avonturen hunner Goden of Nationale Helden behoort bij alle Indianen stammen van oudsher tot de eerste wederkeerende plichten, die tegenover het nageslacht trouw moeten worden nagekomen. [16]

In Noord Amerika werden daarvoor de lange winteravonden gebruikt, en de verteller wist dan meestal door zijn bijzonder talent tranen en lachbuien bij het jonge volk te wekken en de harten der krijgers van het heilige vuur te doen doordringen, vooral wanneer het noodzakelijk geacht werd, op het oorlogspad te gaan.

Hoewel deze tijden sedert de verspreiding der blanken over hunne woongebieden voorbij zijn, wordt toch nog van hunne mythische Helden en Goden gaarne verteld. In het leven van de oorspronkelijke menschheid is er misschien niets, wat zoozeer op een poëtisch aangelegd gemoed werkt als zich een vertelavond in een Indiaansche hut voor te stellen, wanneer de oude wijze man in zijn eenvoudige, onopgesmukte taal van een der Nationale Helden vertelt, die den Zonnegod overwon en de seizoenen en de dagen in het leven riep.

Zoowel de Noord- als de Zuid-Amerikaansche Indianen bezitten tal van verhalen, waarin mythische Helden als hoofdpersonen optreden. Uit den lijvigen bundel, die Walter E. Roth (R.) in het licht heeft gegeven en die, uit de drie Guyana’s afkomstig, voor het meerendeel door hem ter plaatse zijn opgeteekend, kies ik in de eerste plaats:

De Geschiedenis van Haboeri (No. 1), een der mythische helden der Warraus, die door hen den „vader der uitvindingen” wordt genoemd. Aan dezen cultuurheld dankt de Warrau zijn zoo voortreffelijke vaartuigen (korjalen), waarom hij hem in dit verhaal eert. Behalve dat wij hier ook reeds met willekeurige transformaties van menschen in dieren en omgekeerd kennis maken, en er de herhaaldelijk in hunne vertellingen voorkomende verklaring van de eigenschappen van diersoorten in aantreffen, wordt er ook van een der vele bij verschillende stammen heerschende meeningen omtrent den oorsprong van het menschdom in gewag gemaakt. [17]

Hier wordt deze n.l. op de aarde gedacht, en daar de Indianen in het algemeen zich geen ontstaan kunnen denken uit iets, wat te voren niet bestond, zoo gelooft de Warrau, dat de mensch, of liever de eerste voorvader van zijn stam, hetzij uit verschillende dieren, hetzij uit een of andere plant (in No. 1) of ook wel uit rotsen, steenen of rivieren is te voorschijn gekomen.

De Caraïben daarentegen nemen aan, dat de mensch uit de lucht is neêrgedaald. Het verhaal, dat wij in No. 2 geven en uit Engelsch Guyana afkomstig is, behoort tot de z.g. mythencyclus der Caraïben, die zich scherp onderscheidt van die der Arowakken. Dit verhaal is niet alleen een der vele voorbeelden in de Indiaansche folklore, waarin dieren als brengers van cultuurplanten worden geschetst, maar het stelt ook de waarheid in het licht, die, hoeveel minder ook van toepassing op de Indianen-maatschappij, hier toch ook haar intrede schijnt te hebben gedaan (onder den invloed der blanken?) dat „ondank ’s werelds loon is”.

Hoe een zelfde mythe, met grootere of kleinere wijzigingen, bij verschillende stammen wederkeert, mag uit No. 3 blijken, waarin wij de zelfde mythe uit den mond van een Warrau-Indiaan weêrgeven.

Wanneer, zooals den lezer bij de kennisname van dit en andere Indiaansche verhalen zal opvallen, meermalen gesproken wordt van „vogels en dieren”, dan komt dit voort uit het geloof aan den oorsprong van de menschen in de lucht, waar zij nog geen andere dieren kenden dan vogels.

Ook in de mythen, die het ontstaan van het menschdom op de aarde laten plaats vinden, en waartoe de cyclus der Arowakken behoort, vinden wij nergens aanduidingen van een geloof uit niets, noch spontaan, noch door bemiddeling van den Grooten Geest.

De Arowakken-cyclus heeft als leidend kenmerk het ontstaan van alle levende wezens uit een hol in den grond, [18]dat ook wel eens in de gedaante van een mensch, n.l. als een steenen vrouw wordt voorgesteld.

In verband met de later te bespreken legenden, die op volksverhuizingen (migraties) betrekking hebben, is het de aandacht waard, dat in de scheppingsmythen van vele Indianen o.a. van de Navajoes en de Algonkins van Noord-Amerika, het bedoelde hol steeds in het Westen wordt gedacht, terwijl het niet minder treft, in bedoelde mythen het voorval met de dikke vrouw (zie No. 2 en 3) terug te vinden, die ook daar de oorzaak er van was, dat slechts een deel der menschen het aardoppervlak bereikte. Bij bovengenoemde stammen braken door de zwaarte der vrouw de zeer lange wortels af, die in het gat van den aardbodem groeiden, zoodat een aantal menschen weder in het hol terugvielen. Ook in de Migratie-legende van de Creek-Indianen van Georgia, die ik als bijvoegsel onder No. 48 aan dezen bundel heb toegevoegd, wordt van het ontstaan hunner voorvaderen uit een hol onder den grond verteld.

Bij talrijke stammen heerscht het geloof, in hunne mythen uitgedrukt, dat het menschdom uit verschillende dieren, planten, rotsen, steenen en rivieren ontstaan is.

De volgende mythe van dezen bundel (No. 4), getiteld: „De oorsprong der Caraïben”, doet de menschen uit dieren geboren worden. Zij schijnt van de Warraus afkomstig te zijn, die haar naar de Caraïben hebben overgebracht. Hier treffen wij dus het omgekeerde aan ten opzichte van de mythe, die het menschdom buiten de aarde ontstaan denkt. Voor de lezers, voor welke deze bundel bestemd is, geven wij de voorkeur aan de Caraïbische lezing.

Sommige stammen leiden het menschdom af, hetzij van een Mythischen Levensboom (zie blz. 20), hetzij [19]van bepaalde boomen, bijv. de Zijdekatoenboom of de Kankantrie* en de Itapalm*. Volgens de Akawai- en Macoesi-stammen van Engelsch Guyana moet er een boom geweest zijn, waarin de Groote Geest, Makoenaima, omhooggeklommen is en met zijn steenen bijl stukken hout heeft afgeslagen, die in menschen en verschillende dieren veranderd zijn. Bij de Arowakken wordt bepaaldelijk de kankantrie als de oorsprong van menschen en dieren aangewezen. Ook bij hen zou Makoenaima stukken van takken en van den bast van dezen boom in de lucht, het water en op het land geworpen hebben en daaruit zouden dieren en ook mannen en vrouwen zijn voortgekomen.

De Maipoeres, een nu uitgestorven stam aan de Boven-Orinoco, geloofden volgens Von Humboldt, dat in oude tijden de geheele aarde onder water geraakt is, dat er een groote vloed* is geweest en dat slechts één man en één vrouw zich gered hebben op den top van den berg Tamanacoe; dat het paar, wanhopig over het verlies hunner verwanten en vrienden, om den berg heenwandelend, plotseling een stem hoorde, die den raad gaf, vruchten van den Itapalm* achter zich over het hoofd te werpen en dat, toen het dien raad opvolgde, uit de vruchten, die de man wierp, mannen voortkwamen, en uit die der vrouw vrouwen ontstonden.

Ook een ontstaan uit steenen vinden wij bij meerdere Indianenstammen als mythe verhaald. Bij de Makoesi-Indianen van Engelsch Guyana komt de traditie voor, dat Makoenaima een watervloed over de aarde zond en dat slechts één man zich heeft weten te redden, die daarna steenen achter zich wierp en dat op deze wijze de aarde weêr bevolkt werd. Deze traditie is hierom merkwaardig, omdat zij ook bij de Oude Grieken wordt aangetroffen. Bij hen was het Deucalion, die steenen achter zich wierp. [20]

In No. 5 van dezen bundel, getiteld: „Hoe de Caraïben gekweekte planten leerden kennen”, vinden wij een der vele voorstellingen geschetst van de wijze, waarop het menschdom zijne cultuurgewassen verkreeg. Deze zijn volgens de Caraïben van een wonderboom gekomen, waarop zij groeiden, en terwijl het in No. 2 de Agoeti* was, die de menschen in het bezit van de maïs stelde, is het hier de Buniavogel*, een giersoort, die hen zelfs alles omtrent de cultuurplanten heeft medegedeeld.

Bij vele Indianenstammen, ook van Guyana, treft men sporen aan van een geloof aan een voortbestaan van het lichaam en de daarin huizende geesten. Zoo vertelt de Nederlandsche onderzoekingsreiziger C. H. de Goeje (G.), dat een Ojana-vrouw hem vroeg, als hij terug mocht komen, voor haar een teremopüillatop (hetgeen beteekent een werktuig, dat een eeuwig leven kan bezorgen) te willen meêbrengen, opdat haar zoontje met het eeuwige leven gezegend zou worden.

Andere ontwikkelingstrappen van dit geloof aan een onsterfelijk lichaam treffen wij in verschillende mythen aan, die vertellen van het afwerpen der huid. De Indiaan gelooft, dat wie van huid verandert, het eeuwige leven heeft. „Toen Amalivaca* een tijdlang onder de Tamanacas* had geleefd, nam hij zijn korjaal, om de overzijde van het water, van waar hij was gekomen, te bereiken, en zong hem toe: „Gij zult van huid veranderen en daardoor, als slangen, eeuwig jong blijven”. Walter E. Roth, aan wien wij het voorgaande ontleenen, voegt er aan toe: „Toen Kororomanna* naar de aarde afdaalde, om te zien wat de Arowakken deden, vond hij ze zóó slecht geworden, dat hij hun het eeuwige leven ontnam, en het aan dieren gaf, die nu nog hun huid afwerpen” (slangen, hagedissen).

Het verhaal „De dochter van den Geestenbezweerder”, [21](No. 6) geef ik als een der vele voorbeelden van dit geloof. In een nog zeer primitief stadium van hun geloof aan een eeuwig leven laat de Indiaan het lichaam na den dood somtijds in steen veranderen, hetzij als een normaal iets, hetzij bij wijze van straf (No. 9).

In een hooger stadium van het geloof aan een voortbestaan na den dood wordt het lichaam vergankelijk gedacht, maar de geest of de geesten, die er in huizen en die bij den dood vrijkomen, onvernietigbaar. In alle deelen, waarin een slagader klopt, meenen de Indianen, zetelt een geest, van welke de in het hart huizende de voornaamste is.

De opvattingen, die verschillende Indianenstammen huldigen omtrent het verblijf dezer geesten na den dood, en de rol, die zij spelen, loopen zeer uiteen. Sommige stammen huldigen de meening, dat de geest van het hart na den dood hemelwaarts stijgt, om daar met andere gelijksoortige geesten te leven en ten slotte in een jong, nieuw lichaam te veranderen. Andere geesten gaan na den dood, hetzij naar het zeestrand en kunnen daar de booten van koers doen veranderen, hetzij naar het bosch of veranderen in dieren.

Dat in tal van dieren, volgens het geloof der Indianen, geesten huizen, blijkt niet alleen uit verschillende hunner mythen, sagen enz., maar ook uit hun geloof aan kwade en goede voorteekens en uit hunne talrijke bekoringsmiddelen, om de geesten dezer dieren gunstig te stemmen (zie later). Ook komen onder de Indianen talrijke sporen voor van een geloof aan geesten, die in planten huizen, (zie verder) ja, de geheele natuur wordt door de Indianen als bezield gedacht.

Nu eens kan een geest zich aan een ander lichaam verbinden, om een geestelijke vriend of een raadgever [22]te worden, dan weêr kan hij in zijn nieuwe verblijf kwaad willen stichten. De geesten kunnen in de bosschen, velden en bergen blijven ronddolen, hun verblijf in boomen, steenen, onderaardsche holen opslaan, ja, ook wel met sterren, rivieren en de zee in verbinding treden.

De graad van onsterfelijkheid van den geest verschilt, te beginnen bij het primitieve geloof aan een ronddwalen om de plaats, waar de doode begraven is, tot aan het meer gevorderde geloof aan een overplanting, met of zonder dierlijke of menschelijke reïncarnatie.

De geest van een doode is altijd, ook bij de Indianen, een onderwerp van vrees. Bij doodenfeesten moet men dan ook den geest van den overledene gunstig trachten te stemmen, en hem vriendelijk toespreken.

Dance (D.) haalt een merkwaardig voorbeeld daarvan uit Engelsch Guyana aan:

Een Indiaansch kind was gestorven door de slechte gewoonte, om aarde te eten (aardeten* of geophagie). Toen het lijkje in een open doodkist lag, die de vader door een Creoolschen timmerman in de buurt had laten maken, naderde de grootmoeder van het kind kort vóór de begrafenis het kistje, en zich over het lijkje heenbuigend, sprak zij:

„Mijn kind, ik heb je altijd gewaarschuwd, geen aarde te eten. Ik heb je er nooit van gegeven, omdat ik wist, dat het slecht voor je was. Maar altijd zocht je het voor je zelf. Ik zeide je, dat het slecht voor je was. Nu zie je, heeft de aarde je gedood. Val er mij niet lastig om, want het was je eigen wil. Een boos iets bracht het in je hoofd, om ze toch te willen eten. Zie, ik leg je pijl en boog aan je zijde. Je kunt er je meê vermaken. Ik was altijd lief voor je. Wees ook lief voor mij en maak het mij niet lastig”. [23]

Daarna kwam de moeder van het kind, en zei als in een treurzang:

„Mijn kind, ik bracht je ter wereld, om je alle goede dingen te laten zien en te laten genieten. Deze borst”, (daarbij toonde zij een harer borsten) „heeft je gevoed, zoolang je er behoefte aan had. Ik maakte mooie doeken om je te kleeden; ik verzorgde je en gaf je eten. Ik speelde met je en heb je nooit geslagen. Je moet ook goed voor ons zijn en nooit ongeluk over ons brengen”.

Toen trad ook de vader op het lijkje toe en zei:

„Mijn jongen, toen ik je zei, dat aarde je zou dooden, heb je niet willen luisteren, en zie, nu ben je dood. Ik ging uit en bracht een mooi doodkistje voor je meê. Ik zal moeten werken, om het te kunnen betalen. Ik heb een graf voor je gemaakt op een plek, waar je zoo dikwijls hebt gespeeld. Ik zal er je behaaglijk inleggen en wat aarde er bij doen, om ze te kunnen eten; want nu kan je dit geen kwaad meer doen, en ik weet, dat je er zooveel van houdt. Je moet geen ongeluk over mij brengen; maar zie naar hem, die je aarde deed eten”.

Het waren tot het Christendom bekeerde Arowakken die zoo spraken, waaruit blijkt, hoezeer het animistische geloof hen nog beheerschte.

Vele verhalen der Indianen hebben betrekking op z.g. Boschgeesten. Deze kunnen goede, maar meerendeels kwade hoedanigheden en bedoelingen hebben, zoodat zij doorgaans bij de Indianen in een kwaden reuk staan. Zij kunnen uit het lichaam van een doode, hetzij mensch of dier, of ook wel spontaan ontstaan, en vinden eindelijk een plaats, hetzij in het bosch, hetzij in een bepaalden boom of plant, zooals in No. 9, 11 en 29 kan blijken. Hunne namen loopen bij verschillende stammen zeer uiteen.

Bij Caraïben bestaat de overtuiging, dat zij zelf de oorzaak zijn van de kwade bedoelingen der geesten, [24]zooals het verhaal „Hoe lichaamspijnen, dood en ellende op de wereld kwamen” (No. 7) leert.

Een bekende boschgeest der Arowakken heet Konoko Koeja, die Adda-Koeja wordt genoemd, wanneer hij in een bepaalden boom huist. Deze laatsten hebben niet zelden de gedaante van vogels. Op dezen geest heeft betrekking „Het hoofd van den boschgeest en de nachtzwaluw” (No. 8), waarin deze door alle Indianen gevreesde vogel uit het hoofd van den geest ontstaan wordt gedacht.

Gevaarlijk wordt het er voor gehouden, de geluiden der geesten na te bootsen, om hen te lachen, ja zelfs om hunne namen te noemen, zooals blijkt uit „De vrouw, die een Boschgeest nabootste” (No. 9). Doch het kan ook wel eens voorkomen, dat een aan een plant gebonden geest iemand tegen een anderen Boschgeest beschermt. Als voorbeeld van dit geloof is No. 10, getiteld: „De Geest van de schimmelplant redt het jonge meisje”, vooral hierom merkwaardig, omdat de Indiaan zich hier zelfs begeeft op het moeilijke gebied van de leer der plantaardige parasieten. In dit verband is ook No. 37 merkwaardig, omdat het hier de Geest van een den arm eens jagers bedekkende schimmelsoort is, die verantwoordelijk gesteld wordt voor diens weinige geluk op de jacht.

Buitengewoon rijk is de Indiaansche folklore aan mythen en legenden, die in verband staan met het geloof, dat bij alle stammen wordt aangetroffen, aangaande een innig verband tusschen menschen en dieren.

Oorspronkelijk waren volgens de meeste overleveringen menschen en dieren uit een zelfde „deeg” geboren en hadden zij, zooals een legende der Akawais, een Indianenstam in Engelsch Guyana, vertelt, van den Grooten Geest, door hen Makoenaima* genoemd, [25]den raad medegekregen, in eensgezindheid te leven—een gebod, dat volgens de legenden door het verre voorgeslacht getrouw werd opgevolgd. Ongehoorzaamheid heeft in latere tijden, zooals de lezer in dezen bundel herhaaldelijk zal vermeld vinden, daarin verandering gebracht.

Dat volgens de Indiaansche folklore menschen en dieren op onbeperkte wijze in elkander kunnen overgaan, zooals boven reeds werd opgemerkt, is alleszins te begrijpen (No. 11 en 12, 16, 28). In vele gevallen werd de verandering van den mensch in een dier als een bestraffing opgevat, zooals wij zien in het mooie verhaal, getiteld: Hoe het ongeluk over de menschen kwam, of de geschiedenis van Maconaura en Anoeannaïtoe (No. 29).

Volgens de overtuiging der Indianen kan hun geestenbezweerder, de piaiman, voor wien immers niets onmogelijk geacht wordt, deze transformatie bij zich zelf en bij anderen te voorschijn roepen, geheel overeenkomstig die, welke door de geesten tot stand gebracht is.

In de dierenfabels der Indianen gaan de dieren als menschen met elkander om en als menschen voeren zij gesprekken met elkander, zooals meer in het bijzonder uit de nummers 13, 14, 15 en 30 moge blijken. No. 15 getiteld „Tijger en Miereneter”, is ook nog hierom merkwaardig, omdat een geheel gelijksoortige vertelling (een weinig gewijzigd) bij sommige Noord-Amerikaansche stammen de ronde doet. Behoort deze dierenfabel tot de groep van mythen, sagen, legenden en fabels, die als de overblijfselen te beschouwen zijn van oeroude, eenmaal over het geheele gebied der Nieuwe Wereld verspreide overleveringen of is zij, overeenkomstig de meening, dat, waar de hersenen bij alle menschen gelijk georganiseerd zijn, de produkten van den geest overal een groote verwantschap zullen moeten vertoonen, [26]onafhankelijk van het noordelijke voortbrengsel7 van ’s menschen fantasie ontstaan?

Hoewel wij ons hier ter plaatse in dezen strijd niet kunnen mengen, mag toch worden opgemerkt, dat laatstgenoemde meening, om gelijksoortige verhalen bij verschillende volken te verklaren, in dit geval zeer onwaarschijnlijk is en dat vele Afrikaansche elementen, die in de Indiaansche folklore voorkomen, onmogelijk door een ontstaan, onafhankelijk eener aanraking met de negerbevolking, kunnen verklaard worden.

Wenden wij ons nu tot de plantenwereld, dan hebben wij reeds opgemerkt, dat volgens het oude geloof der Indianen, ook verschillende planten en boomen tot verblijfplaats van geesten kunnen dienen. Ook de transformatie van menschen in planten en omgekeerd, wordt nu en dan in de Indiaansche folklore aangetroffen. (Zie No. 1). Wel het meest bekende voorbeeld in Suriname van een boom, waarin geesten huizen, is de reeds genoemde Kankantrie* of Zijdekatoenboom, de hoogste, breedst vertakte en mooiste boom van Guyana’s oerwouden. Door de Boschnegers van Suriname worden aan dezen reus geregeld offers gebracht, ten einde de kwade geesten, die in den boom huizen, gunstig te stemmen.

Het is wel merkwaardig, dat dit geloof en deze gewoonte, die de negerslaven van Suriname uit Afrika hebben medegebracht, waar een verwante boom, de Adansonia digitata in de animistische voorstellingen der negers een zóó groote rol speelt, vóór de komst der Negers in Guyana reeds lang bij de Indianen bestond. Ook deze zullen, evenals Boschnegers en Stadsnegers, geen kankantrie omkappen.

Op dit verband tusschen dezen boom en de geestenwereld [27]berust het geloof, dat zoowel bij Indianen (R. blz. 230) als Negers (C. e.) wordt aangetroffen, dat de Kankantrie na het ondergaan der zon wandeltochten onderneemt. Ook het voor den oningewijde vreemde feit, dat de Indianen in hunne verhalen de hutposten laten spreken (zie no. 1), vindt uit hun geloof aan in boomen huizende geesten een goede verklaring. Het verhaal, getiteld „Hariwali en de Wonderboom” (No. 16), evenals No. 30 „De kolibrie, die tabak brengt voor den eersten piaiman”, waarin van in de tabak huizende geesten sprake is, is in laatst genoemd verband zeker de aandacht waard.

Wij hadden het eerstgenoemde, met de geschiedenis van Haboeri, evengoed onder de Heldensagen kunnen opnemen, want Hariwali is de stamheld der Arowakken, die sommigen onder hen met Haboeri gelijkstellen. Evenzeer hadden wij het verhaal van Hariwali onder een afzonderlijke rubriek der Geesten van het water kunnen opnemen, omdat er van een watergeest in verteld wordt, die er in de gedaante van een bruinvisch in optreedt.

Hier mag er ook de aandacht op gevestigd worden, dat de vele bekoringsmiddelen, die de Indianen toepassen (zie blz. 36) en waarover de gebroeders Penard zoovele waardevolle mededeelingen hebben gedaan, ten grondslag liggen aan het bij de Indianen ingewortelde geloof aan een verband tusschen het plantenrijk en de geestenwereld.

Waar volgens het geloof der Indianen, zooals boven reeds werd opgemerkt, alles in de natuur bezield gedacht wordt, is het niet te verwonderen, dat in verband met de wonderlijke rotsvormen, die in het binnenland van Guyana voorkomen, zij daarin eveneens bepaalde geesten denken8 waarvoor zij zich steeds in acht hebben te nemen, en [28]steeds een zekere vrees aan den dag leggen—zoodat zij het gevaarlijk achten hunne namen te noemen, wanneer zij ten minste onder een bepaalden naam bekend staan (No. 29). Walter E. Roth geeft van deze vrees verschillende voorbeelden, deels uit de litteratuur, deels uit eigen ondervinding. Het wordt bijv. als hoogst gevaarlijk beschouwd, met den vinger naar een geest te wijzen, dus ook naar diens verblijf. Meer in het bijzonder wordt dit vermeld ten opzichte van den Ouden man’s val (de beroemde Kaieteur-val in de Essequibo). Im Thurn (T.) verhaalt, dat toen de op gepotlood ijzer gelijkende verweeringskorst* van vele rotsen in het droge rivierbed zijn aandacht had getrokken en hij er de Indianen naar vroeg, zij plotseling hem het zwijgen oplegden en hem waarschuwden, aan die steenen geen aandacht te schenken, daar deze zich zouden kunnen wreken en ongelukken zouden kunnen veroorzaken. Een Indiaan, die op Schomburgk’s reizen door Engelsch Guyana in 1847–48 eene verzameling gesteenten droeg, wierp ze weg, uit vrees, dat ze kwaad zouden kunnen stichten.

In de Indianen-folklore vinden wij herhaaldelijk van transformaties van menschen in steen melding gemaakt, ook hier meermalen als straf voor begane overtredingen. Op dit geloof, dat ook in No. 9 voorkomt, heeft betrekking de legende, die aan den zooeven genoemden val is vastgeknoopt en die ik onder No. 17 heb opgenomen. Door den katholieken missionaris W. H. Brett (B.) is zij in dichtvorm opgeschreven, welke hij voor deze verzameling, waarin de invloed der zendelingen hier en daar duidelijk te bespeuren is, uitkoos, in overeenstemming met de wijze, waarop de nationale overleveringen in vroeger dagen met bijzondere stembuiging, meer gezongen dan verteld werden.

Ook het omgekeerde, nl. het geboren worden van [29]menschen uit steen, komt in de Indianen-verhalen meermalen voor. Wij zagen immers reeds, dat de mythen-cyclus der Arowakken als leidend kenmerk het ontstaan van alle levende wezens uit een hol in den grond heeft, dat in menschelijke gedaante, ook wel als een steenen vrouw wordt voorgesteld. (E. en K. b.).


De Indianen kennen ook een aantal Watergeesten (zooals den lezer reeds uit No. 16 bleek), waarover in W. E. Roth’s werk tal van mededeelingen voorkomen.

Nu eens hebben deze geesten een menschelijke gedaante, dan weêr komen zij in de gedaante van dieren voor, die in het water leven, of zijn zij half mensch, half dier. Bij de Caraïben heeten zij Okoyoemo, bij de Arowakken Orehoe en bij de Warraus Ho-aráoeni.

Volgens de Arowakken leven de Orehoes altijd in het water, en minstens één begeleid steeds een korjaal. Gebeurt er een ongeluk met een boot, dan is het altijd een Orehoe, die er de oorzaak van is. Deze hebben menschengedaante en verschijnen hetzij als mannen of als vrouwen. De vrouwen baden nu en dan op een zandbank in de rivier en kammen haar lang haar met zilveren kammen.

Bij andere stammen zijn deze Watergeesten overdag vrouwen en des nachts mannen. Volgens nog weêr anderen leven zij overdag op den bodem van het water, en komen des nachts uit het water en schreeuwen als kinderen.

De Okoyoemo der Caraïben hebben de gedaante van een Camoedi*, maar hij is veel grooter. Vandaar dat het, in geval van slangenbeet, verboden is, water te drinken of te baden, en het ook niet geraden is, dicht bij het water te komen.

Sommige dezer watergeesten zijn uit menschen, anderen uit visschen of vischachtige zoogdieren voortgekomen. [30]Evenals de boschgeesten, zijn zij verantwoordelijk voor ziekten op de wereld. Daarom roept de geestenbezweerder, de piaiman, ook hen dikwijls op. Bij vele stammen worden nadeelige waterstanden der rivier aan hen toegeschreven, en het is daarom verboden over hen te spreken en hunne namen te noemen, zooals uit het verhaal: „Amanna en haar praatzieke man” (No. 18) blijkt.

Onder de vele woorden, die de Indiaan niet mag uitspreken,—die, zooals men dit noemt, taboe* zijn (zie blz. 37)—zijn er ook woorden, die niet op het water mogen gebruikt worden.

De groote hoeveelheid van zulke taboe-woorden bemoeilijkt, zooals te begrijpen is, de Indiaansche taalstudie niet weinig.


Alle Indianenstammen hebben talrijke mythen, sagen en legenden, die van hunne animistische voorstellingen omtrent alles wat zij aan den hemel waarnemen, duidelijk blijk geven. Het spreekt van zelf, dat Zon en Maan een groote plaats in hunne mondelinge overleveringen innemen. De Zon, de bron van licht en warmte, die doet leven en groeien; de Maan—de Indiaansche zon der slaap—, die des nachts het aardrijk verlicht en door zijn herhaalde vormveranderingen in het eenvoudige brein dezer natuuraanbidders allerlei phantastische voorstellingen deed geboren worden.

Bij alle stammen, zoowel van het Noordelijk als het Zuidelijk deel der Nieuwe Wereld, moesten deze hemellichamen, door hetgeen aangaande hun voor hen zoo geheimzinnig gedrag werd waargenomen, tot bezielde wezens worden, die als menschen handelen, strijd voeren, verslonden worden enz.

Kan het verwonderen, dat de Zon met zijn9 stralenkrans [31]die aan veeren, pijlen of haren doet denken, in hooge mate op hunne phantasie moest inwerken; kan het bevreemden, dat ook de Maan met hare zoo geheimzinnige vlekken, waarin de Indianen menschelijke en ook wel dierlijke wezens zien, met hare steeds wederkeerende phasen, aan welke zij de voorstelling van verbrokkeling, lichamelijken groei en afname of afknaging verbinden, en van welke de maansikkel hen aan een wapen10, een arm of aan een waterrad doet denken, het uitgangspunt der mythenvorming is geworden? En was het ook niet natuurlijk, dat het opkomen en ondergaan van beide hemellichamen voorstellingen van verslonden worden door de aarde of de zee schiep, evenals de terecht zoo gevreesde zons- en maansverduisteringen slechts aan een verslonden worden konden worden toegeschreven?

Gedurende een zonsverduistering, zoo wordt verhaald, (T.), renden bij de Arowakken de mannen met angstige [32]kreten uit hunne hutten, daar zij in de meening waren, dat de Zon en de Maan aan het vechten waren. In Fransch Guyana is het geloof aangetroffen, dat bij zons- en maansverduisteringen een vreeselijk monster, dat zij probeeren met hunne pijlen te verjagen, bezig is de hemellichamen te verslinden.

Een voor dezen bundel geschikte mythe, die de Zon zelve tot onderwerp heeft, heb ik niet kunnen vinden. No. 19, getiteld: „de Zon en zijne tweelingzoons”, kan deze leemte eenigermate vergoeden.

Op een der West-Indische eilanden, nl. Haïti, is nog een scheppingsmythe bewaard gebleven, waarin van de geboorte van Zon en Maan, evenals de menschen volgens de Arowakschen cyclus, uit een hol in den grond verteld wordt. Dit eiland zou het eerst van alle landen geschapen zijn. Het hol, waaruit Zon en Maan geboren werden, ten einde de aarde van het noodige licht te voorzien, zooals het verhaal luidt, wordt door de bewoners nog aangewezen. Het bevindt zich op 7 tot 8 mijlen van Kaap François (nu Cape Haytien genoemd) en heet „la voûte á Minguet”. Het is ongeveer 50 meter diep en zeer smal. Door de bevolking werd het vereerd, en bij lang uitblijven van regen maakte men er bedevaarten heen, bracht er offers in den vorm van vruchten en bloemen en voerde er, onder begeleiding van zang, dansen uit.

Evenals Zon en Maan stelt elke ster, die om een of andere reden de aandacht van den Indiaan trekt, een voorwerp op aarde voor. Voor een kenner staat de levensgeschiedenis van dieren en planten”, zeggen de Penards, „met vurige letters aan de hemel geschreven”. De namen, die de Indianen aan bepaalde sterren en sterrebeelden geven, zijn òf ontleend aan het, in een tijd, waarin zij verschijnen, veelvuldig optreden van dieren, òf aan het dan rijp worden van bepaalde vruchten. Ook hier laten de Indianen [33]zich weêr kennen als uitmuntende natuurwaarnemers.

Sterren en sterrebeelden zijn volgens de Indianen geesten van menschen en dieren—deze voorstelling treffen wij aan in No. 3 getiteld: „De oorsprong van het menschdom”—; vallende sterren zijn geesten, die op de aarde nederdalen. Uit de vele verhalen, die betrekking hebben op hetgeen de Indianen aan den hemel waarnemen, hebben wij „de Zon en zijn beide tweelingzoons” (No 19) gekozen. Deze vertelling behoort tevens tot de zg. Heldensagen, want de bij verschillende stammen van Guyana tot de Helden behoorende tweelingzoons van de Zon: Pia en Makoenaima, treden er in op den voorgrond. Deze sage is een der voorbeelden van de groote veranderingen, die een verhaal na de overbrenging van den eenen stam op den anderen kan ondergaan. Van hetzelfde verhaal bestaat nl. een Warrau-, een Caraïbische en een Macoesi-lezing. Wij verkozen de tweede, en veranderden den titel, omdat de oorspronkelijke titel „De Zon, de Kikvorsch en de vuurstokken” niet meer voor de Caraïbische lezing past. In deze gedaante van het verhaal vindt de Held Makoenaima tegelijk met maipoeri* ten slotte een plaats onder de sterren.

Bij de Makoesi-Indianen, een der Indianenstammen van Engelsch Guyana, heeft de natuuronderzoeker Schomburgk op zijne reizen in dit land een legende opgeteekend, die betrekking heeft op een Komeet of Staartster, nl. de Komeet van Halley. Toen deze op een nacht aan den hemel verscheen, zegt hij, kwamen mannen, vrouwen en kinderen verschrikt uit hunne hutten loopen, en terwijl zij de armen naar den hemel uitspreidden, smeekten zij het vreemde lichaam den hemel te willen verlaten. Zij noemden het Ca-po-escima (= vuurwolk) of Wae-inopsa (= zon, die zijn stralen achter zich werpt). In deze legende, getiteld: Legende van den Vleermuisberg (No. 20) wordt [34]de staartster voorgesteld als een oude vrouw, die een vuurstok (flambouw) draagt.


Talrijk zijn in de Indianen-folklore de voorbeelden van hun ingeworteld geloof aan slechte en goede voorteekens (Omens) en hoe hun gansche leven beheerscht wordt door dit geloof, heeft de lezer reeds kunnen afleiden uit hetgeen daarover voorkomt in No. 16 en No. 8.

De schildpad, die levend op de heete asch werd gelegd, en telkens er uit vandaan kroop, was een slecht voorteeken, dat de dood der vrouw beteekende. Evenzoo is het onheilspellend geluid van de nachtzwaluw een omen, dat ongeluk voorspelt. Want is deze vogel niet uit den kop van een gevreesden boschgeest voortgekomen (No. 8)? Niet minder onheilspeilend is het geluid van den uil (No. 21, No. 26 en No. 28) en daar voor zijn de Indianen in het bijzonder bang; en geen wonder! want onder de lugubere geluiden, die onmiddellijk na zonsondergang uit het oerwoud klinken (C. b.) is dat van den uil wel het meest angstaanjagende. Een uilensoort huist in oude holle boomen op een afstand van een rivier en van daaruit klinkt zijn zang (!), die begint met een viertal tonen in majeur, waarop na een korte pauze van slechts enkele seconden weêr vier tonen volgen, maar die nu in het overeenkomstige mineur klinken. Na een kort oogenblik worden de laatste twee tonen in mineur herhaald en dan is alles stil.

Bij sommige Indianenstammen wordt deze uil „de moeder van de maan” genoemd. Wanneer de onderzoekingsreiziger in Guyana’s binnenlanden in een der tijdelijke kampementen in het oerwoud langs de rivier in zijn hangmat ligt te filosofeeren over „het leven”, wordt hij soms opgeschrikt door het diep-droefgeestige geluid van „de moeder van de maan”, dat hem de haren te [35]berge doet rijzen. Als de eerste tonen hem doen opschrikken, zal een huivering door zijn leden gaan, want het is alsof een mensch in een poel om hulp roept, en wel op een zóó droevige wijze, dat het hem toeschijnt, alsof hij alle hoop op redding heeft opgegeven. De vier tonen, die in mineur volgen, zijn nog droeviger, want zij klinken alsof de wanhopige in een laatste krachtuiting den geest geeft. De laatste twee tonen, die na een korte pauze volgen, zullen hem doen denken, dat hij de laatste snikken hoort van een worstelende met den dood.

Zulke geluiden, die den reiziger, naast lieflijke tonen, die op vrouwenzang gelijken of van een fluitspeler afkomstig schijnen, meermalen des nachts uit het oerwoud toeklinken, zijn zóó hartverscheurend en ternederdrukkend, dat wie ze eenmaal heeft gehoord, de herinnering er aan alleen reeds voldoende is, de haren te berge te doen rijzen.11

Is het te verwonderen, dat het geluid van den uil in de eerste plaats bij de Indianen als een slecht voorteeken geldt?

Ook kleinere dieren, zooals insekten kunnen, voor den Indiaan kwaad of goed beteekenen. Een merkwaardig voorbeeld van dit geloof is bijv. de Lichtkever*, een der merkwaardigste phosphoresceerende dieren van het oerwoud, want deze kevers verschijnen plaatselijk als een zwerm hellichtende vonken, die voortdurend door het geboomte heen en weêr dwarrelen. Dit insekt kan voor den Indiaan drie voorspellingen beteekenen. Wanneer het lichtende dier in zijn hut op den grond valt, voorspelt [36]het een spoedigen dood van een der bewoners. Valt het in het vuur, dan beteekent dit, dat een hert het gezonden heeft, om licht voor hem te halen. Wanneer het onder de hutbedekking gaat zitten, meent de Indiaan, dat hij iemand verwachten kan. Op dit bijgeloof, dat wij aan Walter E. Roth ontleenen, heeft het verhaal „De lichtkever en de verdwaalde jager (No. 22) betrekking, terwijl in „De piaiman en de stinkvogels” (No. 28) een insekt (een zwarte mier) als een goed voorteeken voorkomt.


Een zeer groote rol in het leven van den Indiaan spelen de bekoringen, en de daarvoor door hen gebezigde bekoringsmiddelen, de zg. Binas of Toelalas (P.) die voor allerlei doeleinden dienen, hetzij voor goede, hetzij voor slechte. Zij worden bijv. gebruikt, om zich een goede jacht of vischvangst te verzekeren, waarbij men voor bepaalde dieren bijzonder daarvoor bereide Toelalas bezigt. Het geloof der Indianen in deze middelen berust op de gelijkenis van het middel met het te bekoren wezen. Wanneer de Indiaan bijv. een Pakira* wil bekoren, waardoor hij meent geluk te zullen hebben op de pakirajacht, zal hij het middel bereiden uit het blad van een plant (een Xanthosoma-soort), waarin hij gelijkenis ziet met den pakirakop. De Penards hebben in hun reeds aangehaald werkje dit onderwerp uitvoerig behandeld; daaruit moge blijken, hoe ingewikkeld dit bekoringsvraagstuk, waarvan volgens den Indiaan zooveel afhangt, wel is.

Niet alleen op de jacht en de vischvangst doen de bekoringsmiddelen goede diensten, maar de Indiaan bezigt ze ook in zijne betrekking tot de vrouw. Hij heeft er, die hem het bezit van een door hem gewenschte vrouw kunnen verzekeren en ook die de kracht bezitten, een vrouw, van wie hij afkeerig is, van hem verwijderd te houden. Ook de vrouw kan hetzelfde middel tot wegdrijving [37]der liefde bezigen ten opzichte van den man (zie blz. 48). Slechts enkele legenden worden onder hen verteld, waarin het bekoringsmiddel wordt aangeduid, zooals in No. 23 getiteld: „De bina, de weder in het leven geroepen vader en de slechte vrouw”, en in No. 24 getiteld: „Hoe een jong Warrau-Indiaantje uit de handen der Caraïben ontkwam”. Ook in No. 38, getiteld: „De Legende van Letterhoutstomp” is van bekoring, nl. van den slangengeest sprake.


Talrijk zijn bij de Indianen de onthoudingen, die zij voortdurend in acht hebben te nemen, ten einde zich daardoor tegen onheilen te beschermen en van welke wij in hunne mythen en legenden nu en dan voorbeelden leeren kennen (zie No. 39). Zij mogen bijv. niet te veel van een zelfde diersoort schieten, uit vrees dat haar bijzondere boschgeest hen kwaad zou kunnen doen. Daarom ook dragen de Indianen het wild en de visch, waarmeê zij terugkeeren, niet zelf in de hut, doch leggen het buiten neêr, het aan de vrouwen overlatende, den buit te halen. (Zie No. 1 en No. 36). Ook hierdoor meenen zij zich tegen den geest te kunnen beschermen, die in het dier huist, dat zij hebben bemachtigd; vast zijn zij overtuigd dat, als zij zich hieraan niet houden, de jacht den volgenden dag niets zal opleveren. Overal, waar men in Guyana, op de eilanden en in het Orinocogebied zijn onderzoekingen instelt, zal men dit gebruik aantreffen.

Op bepaalde tijdstippen of altijd zal men zich van verschillende planten en dieren hebben te onthouden. Men spreekt ook in dit geval van taboe*12. Daar een dier of plant bij den eenen stam taboe is, bij een anderen niet, behoeven wij geen voorbeelden te noemen. In het [38]algemeen worden geen dieren gegeten, die door Blanken en Negers zijn ingevoerd. Moeten zij dit wegens gebrek aan voedsel toch doen, dan roepen zij de hulp van den geestenbezweerder, den piaiman in, of ook wel die van een ouden vertrouwden vriend, die vooraf op het te eten dier blaast, ten einde de er in gedachte geest te verwijderen—te verdrijven. Het wegblazen van den geest geschiedt in het bijzonder in geval van ziekte. Men denkt op deze wijze de ziekte te kunnen genezen. In het algemeen past men het blazen toe om een ongewenschten geest te verwijderen (No. 1).

Aan de vrees voor gevaren van den kant der geesten ligt nog een ander gebruik, waaraan de Indiaan zich in bepaalde omstandigheden steeds zal houden, ten grondslag, nl. de gewoonte om even de oogen te sluiten. De Arowakken en Caraïben zullen b.v. de oogen even sluiten, wanneer zij voor het eerst een landschap zien, dat hun aandacht trekt, of wanneer zij ergens voor de eerste maal komen. Zij meenen dan te kunnen voorkomen, dat de Geest zich tot hen zou voelen aangetrokken. Dikwijls heeft deze gewoonte ook ten doel, een gevaar te kunnen vermijden. Veelal is het voor hen een teeken van wangunst, haat of kwaadaardigheid. Bij Warraus en Arowakken zal, wanneer twee mannen of twee vrouwen hevige oneenigheid hebben, de vertoornde de andere partij aanzien en daarna plotseling de oogen sluiten, om na het weder openen, zich zonder iets te zeggen te verwijderen. Het sluiten der oogen en het daarna uitspreken van een wensch (zie No. 25) zal wel met het geloof aan geestenbeïnvloeding in verband staan.

Ook ten opzichte van gebruiksvoorwerpen zal de Indiaan bepaalde voorschriften getrouw moeten opvolgen. Vaatwerk o.a. dat bij sommige stammen uit klei gebakken is, dat niet op een bepaalden tijd gedolven is, nl. in de eerste [39]nacht na volle maan, zal volgens hen slechte eigenschappen hebben. Dat aardewerk eveneens met geesten in verband wordt gebracht (zie blz. 28), leert ons No. 26, getiteld: „De gelukspot.”

Hoe moeielijk het is, den Indianen gewoonten en gebruiken af te leeren, die het vastgewortelde geloof hen heeft ingegeven, moge uit de mededeeling van een zendeling blijken, die onder de Indianen in het Orinocogebied heeft gearbeid. Toen hij er hen opmerkzaam op maakte, dat zij hunne vrouwen zooveel hard werk laten doen en haar daarbij niet hielpen en hun zei: „Broeders, waarom helpen jelui de vrouwen niet met het planten van cassave*?13 Zij worden vermoeid van de hitte, en moeten zelfs werken met een kind aan de borst. Zie jelui niet, dat het haar en haar kinderen ziek maakt”? kreeg hij ten antwoord: „Vader, Gij begrijpt deze dingen niet, die U hinderen. U moet leeren, dat vrouwen weten, hoe kinderen voort te brengen. Wij doen dat immers niet. Wanneer zij planten, geeft de maïs* altijd meer korrels en brengt de cassave manden vol wortels op, en zoo wordt elk ding door de vrouw vermenigvuldigd.” Uit dit antwoord blijkt weêr de groote filosofie der Indianen, die zij zoo dikwijls in beeldspraak tot uiting brengen.14

Tot hetgeen de Indiaan steeds zorgvuldig in acht te nemen heeft, behoort ook het nalaten van het uitspreken van den naam van een persoon. Er is volgens hem een nauw verband tusschen een persoon en diens naam, zoodat, evenals dit ten opzichte van geesten het geval [40]is, het uitspreken van iemands naam in zijne tegenwoordigheid kwade gevolgen kan hebben. Daar de naam als een deel van den mensch wordt beschouwd, kan het uitspreken van diens naam ten gevolge hebben, dat diens geest macht over den naamnoemer krijgt. Al naar den leeftijd en de sexe zal men zeggen: broêr, zuster, vader, moeder, zoon, dochter enz. Bij sommige stammen spreekt men daarom alleen de helft van den naam uit, b.v. Mala in plaats van Mala-Kaali. Van de Trio’s, een stam der Bovenlandsche Indianen van Suriname vertelt de Nederlandsche onderzoekingsreiziger C. H. de Goeje, dat sommigen twee namen hebben, een voor vrienden, en een voor vreemden. Van de Ojana’s, een Caraïbenstam aan de Boven-Marowijne in Suriname en in Fransch Guyana, vermeldt J. Crévaux, dat zij een afzonderlijken naam gebruiken, wanneer zij den persoon aanspreken en een anderen, wanneer zij over hem in zijn afwezigheid spreken. Moeilijk is het soms, den waren naam van een Indiaan te weten te komen. Steeds is hij bekend onder een bijnaam of een naam, hem gegeven om zijn bijzondere eigenschappen, als kundig jager of visscher, als moedig strijder enz. Zelfs na iemands dood zullen velen het zorgvuldig vermijden den naam van den overledene te noemen. Het verhaal getiteld: „De Honigbij en de zoete drank” (No. 26) geven wij in verband met bovenstaand gebruik.

Een merkwaardige gewoonte, die vroeger bij Indianen in zwang was, en waaraan zij zich zorgvuldig hielden, was het verbod, om de hut van de schoonmoeder binnen te gaan, met haar te spreken, of zelfs naar haar te zien. Van dit vreemde voorschrift wordt verteld in het verhaal, getiteld: „De piaiman en de stinkvogels (No. 28).

Een belangrijke rol speelt in het Indianen-leven—bij den eenen stam meer dan bij den anderen—hetgeen met [41]den algemeenen naam van Kenaima wordt aangeduid. Ziekten en alle mogelijke soort van lichamelijke letsels, die den Indianen kunnen treffen, zijn volgens hem het werk van Kenaima’s, hetzij bekende of onbekende, hetzij lichamelijke, hetzij geestelijke. De Kenaima-geest kan niet alleen in een mensch maar ook in een dier opgewekt worden. Als iemand gedwongen is, volgens de wet der bloedwraak, volgens de Indianen-leus: „oog om oog, tand om tand”, wraak te nemen, wekt hij de Kenaima-geest in zich op, en hij kan in dien toestand aan zijn wraakzuchtige neigingen bot vieren. In dit geval spreekt men van de lichamelijke Kenaima. Er bestaat echter ook een geestelijke Kenaima, die de eigenschap heeft, om den geest van zijn lichaam los te maken en een of ander dier, tot zelfs insekten en wormen toe, doch meer in het bijzonder een jagoear en een slang binnen te dringen, ten einde in die gedaante kwaad te doen.

Kenaima, den geest der wrake, zien wij vooral aan het werk in No. 29, maar ook in No. 47, waar hij in de gedaante van den zoon van Mapajawari optreedt.

Doorgaans bedient een Kenaima zich van onzichtbare pijlen (No. 44) of van gebroken pijlen (No. 24 en No. 37).

De voorstelling van onzichtbare pijlen, die, volgens den Indiaan, ziekten en allerlei kwaad kunnen stichten, is vermoedelijk voortgekomen uit de geheimzinnige en onverwachte wijze, waarop een pijl dikwijls treft.

Een gebroken pijl is vermoedelijk het zinnebeeld van den strijd. Volgens meer dan één schrijver was bij vele stammen het breken van een pijl in het openbaar voldoende, om het volk tot den strijd op te roepen. Moeilijker te verklaren is het, waarom—zooals bij de oude Warraus gebruikelijk was—de helften van een gebroken pijl over het lichaam gewreven, moed en kracht zouden geven (No. 24). [42]

Boschgeesten worden veelal in het bezit gedacht van onzichtbare of gebroken pijlen.

De geestenbezweerder, de piaiman, wordt in staat geacht, het gestichte kwaad, in het bijzonder ziekte, te keeren. De piaiman is dan ook een belangrijke persoonlijkheid in elk dorp of kamp. Voor dezen arbeid is een zeer lange en moeilijke voorbereiding noodig, die de taak allesbehalve benijdenswaard doet zijn. Maar de eigenschap van den Indiaan, om met het staalste gezicht de vreeselijkste lichaamspijnen te kunnen verdragen, zal hem deze gemakkelijker doen dragen, dan wij denken.

Wie aan het einde van een verblijf van eenige dagen in een Indianenkamp, waarin hij het doen en laten van dit sympathieke volk aandachtig heeft gadegeslagen, de piaiman bezig heeft gehoord, heeft reeds van het zieleleven van den Indiaan een diepen indruk kunnen medenemen (C. a.). Geen ander verhaal in dezen bundel geeft een zóó helder beeld van hetgeen er in de Indianenziel omgaat en van het leven van de Indianen, dan „de Geschiedenis van Maconaura en Anoeannaïtoe” (No. 29). Vooral het opwekken van den Kenaima-geest en het werk van den piaiman is er op boeiende wijze in geschetst. In dit verhaal worden wij tevens herinnerd aan de wijze, hoe het eertijds in de groote hutten of vergaderplaatsen der Indianen moet zijn toegegaan, alvorens tot een vijandelijke aanval werd overgegaan. De Gebroeders Penard hebben van hetgeen op een besluit daartoe placht te volgen een belangwekkende schets gegeven, die wij hier woordelijk overnemen, en die in het bijzonder betrekking heeft op de vroegere oorlogen tusschen de strijdlustige Caraïben en de meer zachtaardige Arowakken:

„Werd in de raadsvergadering tot den strijd besloten, dan volgde onmiddellijk den strijd- of z.g. knotsdans (Apoetoedans). Met opgeheven knotsen, bogen en pijlen [43]bezongen de strijders den roem hunner voorvaderen, tegelijk de gelofte doende, op gelijke wijze te zullen handelen. Zij werden dan tevens door vrouwen, kinderen en ouden van dagen bespot, ten einde hen nog meer aan te vuren. Het doel van dezen dans was, dat ieder strijder in zich den jagoeargeest, de kaikoetji juma, trachtte op te wekken”.

„De Indiaan immers redeneert als volgt: In koelen bloede stuit het mij tegen den borst, is het mij onmogelijk een man te vermoorden, laat staan een onschuldig wicht den schedel te verpletteren. Handel ik alzoo, dan geschiedt zulks niet uit eigen aandrift, doch word ik voortgedreven door een gevoel van woede en moordlust, dat niets anders kan zijn dan de geest van den Jagoear. Om dien geest in mij op te wekken, dans ik den Jagoeardans; ik volg alle bewegingen van den Tijger na. Ik brul, ik his, ik zwaai den knots, gelijk het vreeselijke roofdier, dat zijn prooi met één slag der geduchte klauwen verplettert. En heb ik eenmaal mijn vijand gedood, dan moet ik ook zijn bloed drinken en proeven van zijn vleesch,15 ten einde te voldoen aan den geest, die mij voortdrijft. [44]

Ieder mensch en dier kan, hoe goedaardig ook, getergd zijnde, den tijgergeest in zich opwekken, die hem handelingen doet begaan, waarover hij later berouw gevoelt. Hij vraagt zich af: hoe is het mogelijk, dat ik zoo te keer kan gaan? En het antwoord luidt: Is de Tijger in den mensch, dan wordt ook de mensch gelijk den Tijger”.

„Maar de Jagoeargeest alleen was niet voldoende, om den strijd te beslissen, want de Tijger kan in een hinderlaag gelokt worden. Daarom dansten de strijders ook den slange- of bekoringsdans, die in hen opwekte den geest, die onhoorbaar en onzichtbaar nadert, die omstrengelt en vastlegt, evenals de slang eerst haren prooi door vrees betoovert, verstikt en eindelijk inslikt. En daar de Worgslang niet alleen de geest van bekoring in zich heeft, doch tevens alle dieren, tot zelfs den Jagoear* en den Kaaiman* inslikt, wordt haar geest speciaal opgeroepen.”16

„Tevens dronken de strijders den zg. Strijddrank, die bestond uit paiwarri*, waarin een poeder of zalf gemengd was, bereid uit wormen van de rottende hersenen, den lever en het hart van den Jagoear en den Boa of Anaconda*, alsmede van den moedigsten en listigsten van vroeger door hen gedoode vijanden. De hersenen werden ondersteld de list, de lever den moed en het hart het leven op [45]te wekken. Ook tijgerklauwen werden in den grond begraven, en de daaruit ontstane wormen tot poeder en zalf verwerkt, en aan de armen en de knotsen der strijders gesmeerd.”

„Meisjes en vrouwen brachten den drank rond in kalebassen, terwijl de strijders zongen: