William Shakespeare
De Koopman
van Venetië
Drama in vijf bedrijven
vertaling van
Dr. Edward B. Koster
Derde druk
Wereldbibliotheek
Onder Leiding van L. Simons.
Logo Wereldbilbliotheek: Boeken zijn de universiteit onzer dagen
Uitgegeven door:
De Maatschappij Voor Goede En
Goedkoope Lectuur * Amsterdam
.... übersetzen.... ist kein freies Dichten (ποιεῖν); das durften
wir nicht, gesetzt wir konnten es. Aber der Geist des Dichters muss
über uns kommen und mit unsern Worten reden. Die neuen Verse sollen
auf ihre Leser dieselbe Wirkung thun, wie die alten zu ihrer Zeit auf
ihr Volk und heute noch auf die, welche sich die notige Mühe philologischer
Arbeit gegeben haben. So hoch geht die Forderung. Wir wissen
wohl, wie wenig wir sie erfullen, aber auf Erden wird überhaupt das
Mögliche nur geleistet, wenn das Unmögliche gefordert wird, und man
muss das Ziel kennen, damit man den Weg findet.
ULRICH VON WILAMOWITZ-MOELLENDORFF
De eerste druk van deze vertaling is verschenen in 1903 bij
den uitgever Johan Pieterse te Rotterdam.
De tweede, goedkoope, druk, door den Vertaler zorgvuldig
herzien, is verschenen in het midden van 1913.
Deze derde druk, in abonnement W.B. is verschenen Juli 1916.
Inhoud
Personen
Eerste Bedrijf
Tooneel I.
Tooneel II.
Tooneel III.
Tweede Bedrijf
Tooneel I.
Tooneel II.
Tooneel III.
Tooneel IV.
Tooneel V.
Tooneel VI.
Tooneel VII.
Tooneel VIII.
Tooneel IX.
Derde Bedrijf
Tooneel I.
Tooneel II.
Tooneel III.
Tooneel IV.
Tooneel V.
Vierde Bedrijf
Tooneel I.
Tooneel II.
Vijfde Bedrijf
Voetnoten
Werken van Edward B. Koster
PERSONEN
De Doge van Venetië.
De Prins van Marokko,
De Prins van Arragon,
}
dingend naar een huwelijk met Portia.
Antonio, de Koopman van Venetië.
Bassanio, zijn bloedverwant en vriend.
Solanio,
Salarino,
Gratiano,
}
vrienden van Antonio en Bassanio.
Lorenzo, verliefd op Jessica.
Shylock, een Jood.
Tubal, een Jood, zijn vriend.
Lancelot Gobbo, bediende van Shylock, later van Bassanio.
De Oude Gobbo, vader van Lancelot.
Leonardo, bediende van Bassanio.
Balthazar,
Stephano,
}
bedienden van Portia.
Portia, een rijke Erfgename.
Nerissa, haar Kamenier.
Jessica, dochter van Shylock.
Senatoren van Venetië, Beambten van het Gerechtshof, een Cipier, Bedienden en ander Gevolg.
Het stuk speelt gedeeltelijk te Venetië en gedeeltelijk op Belmont, Portia's landgoed.
Eerste Bedrijf
Tooneel I.
Venetië. Een Straat.
Antonio, Salarino en Solanio komen op.
Antonio:
'k Weet waarlijk niet waarom 'k zoo somber ben,
Ik vind het lastig, en dat vindt gij óók;
Maar hoe ik 't opdeed, er aan kwam, of 't kreeg,
Waarvan 't gemaakt is, waaruit het ontstond,
Dat weet ik niet;
En tot zóó'n domoor maakt dat somb're mij,
Dat met den besten wil 'k mijzelf niet ken.
Salarino:
Uw zinnen zwalken op den oceaan,
Waar uw galjoenen met hun statig zeil,
Signors en rijke burgers van den vloed,
Of, als het ware, pronksieraân der zee,
Zien boven 't hoofd der kleine schepen uit,
Die voor hen buigen, en hun hulde doen,
Voorbij hen vliegend op geweven wiek.
Solanio:
Had ik zoo'n risico op zee, Mijnheer,
Voorwaar het grootste deel van mijn gemoed
Zou bij mijn verre hoop zijn. 'k Plukte steeds
Grasjes om 't waaien van den wind te zien,
Op kaarten tuurde ik om te weten waar
Er havens, kaden, reeden konden zijn,
En ieder voorwerp dat mij vreezen deed
Voor wat op zee ik waagde, 't zou gewis
Mij somber maken.
Salarino:
Als 'k mijn soep koud blies,
Dan gaf mijn adem mij de koorts, wen 'k dacht
Welk kwaad te harde wind op zee kon doen.
Ik zag het zand niet door het uurglas gaan,
Of 'k dacht aan banken en aan ondiepten,
En 'k zag mijn rijke "Andries," met dek in 't zand,
De mastpunt lager buigend dan het boord,
Haar grafplaats kussen. Ging ik naar de kerk,
En zag ik 't heilige gebouw van steen,
Dacht 'k aanstonds niet aan rotsen vol gevaar,
Die slechts de zijde rakend van het schip,
Zijn specerij zou strooien op den stroom,
Het brullend nat bekleeden met mijn zij,
En, in één woord, zooeven zóó veel waard,
Nu niets meer waard? Komt de gedachte in me op
Hieraan te denken, denk ik dan ook niet
Dat zulk een ramp mij somber maken zou?
Zeg mij maar niets; 'k weet het, Antonio
Is somber, denkend aan zijn handelswaar.
Antonio:
Neen, zeker niet. 'k Dank mijn geluk er voor
Dat mijn fortuin niet op één bodem rust,
Noch op één plaats; noch hangt mijn gansch bezit
Van 't slagen af in 't tegenwoordig jaar;
Mijn handelswaar maakt mij dus niet bedrukt.
Salarino:
Welnu, dan zijt ge vast verliefd.
Antonio:
Salarino:
Oók niet? Komaan, dàn zult ge somber zijn,
Wijl gij niet vroolijk zijt; 't ging even goed
Te lachen en te dansen en te zeggen
"'k Ben vroolijk," omdat gij niet somber zijt.
Bij den tweehoofd'gen Janus,[1] de natuur
Heeft vreemde kwanten nu en dan gevormd:
De een tuurt voortdurend door zijn wimpers heen,
Lacht, als een papegaai, bij 'n doedelzak,
En de ander heeft zoo'n zuur azijngezicht,
Dat hij zijn tanden nooit ten glimlach toont,
Schoon Nestor[2] zwoere op de aardigheid der grap.
Bassanio, Lorenzo en Gratiano komen op.
Solanio:
Daar komt Bassanio, uw eed'le neef,
Gratiano, en Lorenzo. Vaart gij wel:
Veel beter is 't gezelschap dat u zoekt.
Salarino:
'k Wou blijven tot ik u wat blijder zag,
Maar waard'ger vrienden zijn mij vóór geweest.
Antonio:
Uw waarde wordt zeer hoog door mij geschat,
'k Vermoed, uw eigen zaken roepen u,
Gij neemt de kans dus waar on heen te gaan.
Salarino:
Ik groet u, waarde Heeren.
Bassanio:
Wel Signors, wanneer lachen wij weer eens?
Gij wordt ons bijster vreemd; moet dat zoo zijn?
Salarino:
Gij moogt beschikken over onzen tijd.
Salarino en Solanio af.
Lorenzo:
Mijnheer Bassanio, nu ge Antonio vondt,
Verlaten wij u, maar onthoud toch goed
Waar wij bij 't maal elkaâr weer zullen zien.
Bassanio:
'k Zal stellig bij u zijn.
Gratiano:
Gij ziet er niet goed uit, Antonio,
Gij zijt te veel bezorgd om 's werelds goed:
Wie 't met veel zorgen koopt, verliest het weer,
'k Verbaas me, zooals gij veranderd zijt.
Antonio:
'k Beschouw de wereld slechts zooals zij is;
Als een tooneel, waar elk zijn rol op speelt,
De mijne is droef.
Gratiano:
Geef mij dan die van nar.
Laat de oude rimpels komen met gelach
En scherts, en gloei' mijn lever eer van wijn,
Dan dat mijn hart door kommerlijk gekreun
Bekoele. Waarom zou een man, wiens bloed
Warm in hem is, daar zitten als zijn grootvaêr
Gehouwen in albast?[3] en als hij waakt
Gaan slapen? of de geelzucht op zijn lijf
Door kniezen halen? Hoor nu eens, Antonio,—
Ik ben uw vriend, en vriendschap leidt mijn taal;—
Daar is een soort van menschen, wier gelaat
Gelijk een stille vijver is bedekt,
En die halsstarrig zwijgen, met het doel
Om zich een dunk te geven van te zijn
Vol wijsheid, ernst en diepe peinzerij;
Alsof zij zeggen: "'k Ben Mijnheer Orakel,
Geen hond mag blaffen, als ik spreken ga."
O, mijn Antonio, ik ken ze wel,
Die slechts voor wijs gehouden worden, wijl
Zij nooit iets zeggen, en wier taal gewis
De ooren bijna verdoemen zou, die 't hoorend,
Tot hunne broeders zeggen zouden: "Dwaas!"[4]
'k Vertel u op een and'ren tijd nog meer:
Maar visch niet met dit aas, melancholie,
Naar dezen mallen spiering, dezen dunk,[5]—
Kom nu Lorenzo.—Vaar intusschen wel;
Na 't eten krijgt ge 't slot van mijn vermaan.
Lorenzo:
Nu, wij verlaten u tot etenstijd.
'k Moet een van die stom-wijze menschen zijn,
Want Gratiano laat mij nooit aan 't woord.
Gratiano:
Nu, ga nog slechts twee jaren met mij om,
Dan kent ge uw eigen stemgeluid niet meer.
Antonio:
Vaarwel: 'k word ook een prater als 'k u hoor.
Gratiano:
Mijn dank: op zwijgen wordt dan ook alleen gehoopt
Bij ossetong en 't meisje dat zich niet verkoopt.
Gratiano en Lorenzo af.
Antonio:
Heeft dat nu iets te beteekenen?
Bassanio:
Gratiano spreekt een ontzaglijke hoop niets, meer
dan iemand in heel Venetië. Zijn verstandige woorden zijn
als twee korrels tarwe verborgen in twee schepels kaf; ge moet
den ganschen dag zoeken eer ge ze vindt; en als ge ze hebt,
zijn ze 't zoeken niet waard geweest.
Antonio:
Kom; zeg me nu, wie is die jonkvrouw toch,
Naar wie ge stil een bedevaart woudt doen,
Van wie ge mij vandaag vertellen zoudt?
Bassanio:
't Is u niet onbekend, Antonio,
Hoezeer ik mijn vermogen heb verkleind,
Door 't ietwat houden van een hoog'ren staat
Dan 'k door mijn beetje geld kon blijven doen.
Nu klaag ik niet dat ik mij maat'gen moet
In zulk een weelde; maar mijn grootste zorg
Is hoe ik eervol afkom van de schuld
Waarin mijn al te ruime levenswijs
Mij heeft verstrikt. Ik heb het meest aan u,
Antonio, in geld en vriendschap schuld;
Uw vriendschap is me er ook een waarborg voor,
Dat 'k al mijn plannen u ontboez'men kan
Hoe van mijn groote schulden mij te ontdoen.
Antonio:
Bassanio, ik bid u, zeg het mij;
En valt het licht der eer er op, zooals
Op U nog, wees verzekerd dat mijn beurs
En mijn persoon en al wat ik vermag
Voor uwe goede zaak beschikbaar zijn.
Bassanio:
Wanneer 'k als knaap een pijl verloren had,
Schoot ik een and'ren van dezelfde kracht
Denzelfden kant, en nam hem scherper waar,
En door de twee te wagen, vond ik vaak
Hen beî, niet één slechts. 'k Noem die jongensproef,
Omdat wat volgt oprecht en zuiver is.
'k Ben u veel schuldig; wat ik schuldig ben
Is weg zooals 't een heethoofd gaat; maar als
Ge een tweeden pijl wilt schieten naar den kant
Waarheen ge d'eersten schoot, ik twijfel niet,
Of 'k vind—daar 'k op het doel zal letten—beî;
Maar anders breng 'k uw laatsten inzet weer,
En blijf voor d'eerste' uw dankb're schuldenaar.
Antonio:
Gij kent mij goed, en gij verkwist slechts tijd,
Als ge om mijn vriedschap met veel omhaal draait;
Ge doet mij nu gewis meer onrecht aan
Doordat ge twijfelt aan mijn beste hulp,
Dan als gij al mijn goed hadt opgemaakt.
Zeg mij daarom gerust wat ik moet doen,
Wat, voor zoover gij weet, 'k zou kunnen doen,
En 'k ben er toe bereid; spreek dus vrijuit.
Bassanio:
Op Belmont woont een jonkvrouw, ze is alleen,
En zij is schoon, en, wat nog schooner klinkt,
Van wonderbare deugden. Eertijds gaf
Haar oog mij teek'nen, lief en sprakeloos.
Haar naam is Portia, niets minder waard
Dan Cato's dochter, Brutus' Portia.
De wijde wereld kent haar waarde wel,
De winden blazen toch van elke kust
Doorluchte minnaars; en haar zonnig haar
Hangt om haar slapen als een gouden vlies,
Wat huize Belmont maakt tot Kolchos' strand,
En vele Jasons zoeken haar tot vrouw.[6]
O mijn Antonio! had ik midd'len slechts
Om mij met hen te meten in waardij!—
Daar ik een voorgevoel heb van geluk,
En dat ik zeker voorspoed hebben zou.
Antonio:
Gij weet, mijn gansch vermogen is op zee;
Ik heb geen geld, en geen gelegenheid
Om thans een som te heffen: ga dus heen;
Zie in de stad[7] wat mijn krediet vermag:
Gij moogt het rekken tot de verste grens,
Als het u brengt naar Belmonts Portia.
Ga, onderzoek terstond—ik doe dat ook—
Waar geld is, en het komt—ik twijfel niet—
Om mijnentwil of ook om mijn krediet. (Beiden af.)
Tooneel II.
Belmont. Een vertrek in Portia's Huis.
Portia en Nerissa komen op.
Portia:
Heusch, Nerissa, mijn klein persoontje is deze groote wereld moe.
Nerissa:
Dat zoudt u zijn, lieve mevrouw, als uw ellenden
even overvloedig waren als uw goed geluk; en toch, voor
zoover ik zien kan, zijn zij die zich met te veel volproppen
even ziek als zij die van niets hongerlijden: daarom is het
geen gering geluk den middenweg te bewandelen; overmaat
komt spoediger aan witte haren, maar genoeg hebben leeft
langer.
Portia:
Mooie stelregels, en goed gezegd ook.
Nerissa:
Ze zouden beter zijn, als ze goed werden opgevolgd.
Portia:
Als het doen even gemakkelijk was als te weten
wat goed is om te doen, dan moesten kapellen nu kerken zijn,
en armelui's hutjes koningspaleizen. Hij is een goed preeker
die zijn eigen voorschriften nakomt: ik kan gemakkelijker
twintig leeren wat goed is om te doen dan één van de twintig
zijn om mijn eigen lessen na te komen. De hersenen kunnen
wel wetten uitdenken voor het bloed; maar een vurige natuur
springt over een koel gebod: zóó'n haas is de jongeling heethoofdigheid,
dat hij hipt over het mazennet van goeden raad,
den kreupele. Maar dit redeneeren is nu niet precies de weg om
een man te kiezen:—O wee, dat woord kiezen! Ik mag niet
kiezen wien ik wil en evenmin weigeren wien ik niet kan
uitstaan; zoo wordt de wil van een levende dochter bedwongen
door de wilsbeschikking van een dooden vader.—Is het niet
hard, Nerissa, dat ik er niet één kan kiezen en evenmin geen
kan afslaan?
Nerissa:
Uw vader is altijd een braaf man geweest; en vrome
menschen hebben bij hun dood goede ingevingen; daarom
zal in de loterij die hij met die drie kistjes van goud, zilver
en lood bedacht heeft, (en hij die daaruit naar zijn zin kiest,
kiest u,) zonder twijfel door niemand goed gekozen worden
dan door hem die u goed liefheeft. Maar welke warmte voelt
uw gemoed jegens den een of ander van de vorstelijke pretendenten
die reeds gekomen zijn?
Portia:
Noem ze asjeblieft nog eens op; en naar je ze opnoemt
zal ik ze beschrijven; en volgens mijn beschrijving laten raden
naar de stemming van mijn gemoed.
Nerissa:
Vooreerst dan hebben wij den Napolitaanschen prins.
Portia:
Nu, dat is een echt veulen, 'n echt jong spring-in't-veldje,
want hij doet niets dan over zijn paard praten; en
hij beschouwt het als een grooten bijslag voor zijn bizondere
talenten dat hij het zelf kan beslaan: ik ben erg bang dat
zijn moeder het met een smid heeft gehouden.
Nerissa:
Dan hebben we den Paltsgraaf.
Portia:
Hij doet niets dan boos kijken, alsof hij zeggen wou:
"Als je mij niet wilt hebben, kies dan maar een ander;" hij
hoort vroolijke verhalen aan, en glimlacht niet eens,—ik
vrees dat hij de weenende wijsgeer zal worden als hij oud wordt,
nu hij in zijn jeugd al zoo onbehoorlijk somber is. Ik zou liever
trouwen met een doodshoofd met een bot in zijn mond dan
met een van die twee. God beware me voor die twee!
Nerissa:
Maar wat zegt u van den Franschen heer, Monsieur le Bon?
Portia:
God heeft hem geschapen, en laat hem daarom voor
een man doorgaan. Heusch, ik weet wel dat het zondig is
te spotten.
[8] Maar
hij dan ook! Wel, hij heeft een paard dat
beter is dan dat van den Napolitaan, nog mooiere onhebbelijkheid
on boos te kijken dan de Paltsgraaf: hij is iedereen in
niemand; als een lijster aan 't fluiten slaat, begint hij dadelijk
rond te springen; hij schermt met zijn eigen schaduw: als
ik hem trouwde zou ik twintig mannen trouwen: als hij mij
verachtte zou ik 't hem vergeven; want als hij dol verliefd op
me was, zou ik het hem nooit vergelden.
Nerissa:
Weet u misschien iets te zeggen tegen Faulconbridge,
den jongen Engelschen baron?
Portia:
Ik weet niets tegen hem te zeggen, want hij verstaat
me niet, evenmin als ik hem; hij kent geen Latijn, geen Fransch
en geen Italiaansch, en je kunt er gerust voor het gerecht
op zweren, dat ik maar een armzalig beetje van het Engelsch
afweet. Hij is anders een knap stel van een man; maar helaas!
wie kan omgaan met een figurant? En wat is hij vreemd
gekleed! Ik geloof dat hij zijn wambuis in Italië, zijn pofbroek
in Frankrijk, zijn muts in Duitschland, en zijn manieren
overal gekocht heeft.
Nerissa:
Wat denkt u van zijn naasten buurman, den Schotschen lord?
Portia:
Dat hij liefde tot zijn naaste bezit; want hij leende
een oorvijg van den Engelschman, en zwoer dat hij hem terug
zou betalen, als hij kon: ik geloof dat de Franschman hem
borg bleef, en er zijn zegel onder zette
[9] dat hij er een bij
zou doen.
Nerissa:
Hoe vindt u den jongen Duitscher, den neef van
den hertog van Saksen?
Portia:
Zeer verachtelijk in den morgen, als hij nuchter is;
en allerverachtelijkst in den middag, als hij dronken is; als
hij zich op zijn best vertoont, dan is hij een beetje minder
dan een mensch; en als hij op zijn slechtst is, dan is hij weinig
beter dan een beest. Mocht het ergste gebeuren wat ooit gebeuren
kon, dan hoop ik dat het me zal gelukken het zonder hem
te stellen.
Nerissa:
Als hij besloot te kiezen, en hij koos het goede kistje,
dan zoudt u weigeren uw vaders wensch te vervullen, als u
weigerde hem aan te nemen.
Portia:
Zet daarom, wat ik je bidden mag, uit vrees voor het
ergste, een vol glas Rijnwijn op het verkeerde kistje, want
al is de duivel er binnen in, maar die verleiding er boven op,
dan weet ik dat hij ze kiezen zal. Ik zal liever ik weet niet wàt
doen, Nerissa, dan met een spons trouwen.
Nerissa:
U behoeft niet bang te zijn, Mevrouw, dat u een
van deze heeren tot man zult krijgen: zij hebben mij hun
besluit meegedeeld, namelijk om naar huis terug te keeren,
en u niet met verdere aanzoeken lastig te vallen, of ge moest
u op een andere manier laten winnen dan door uw vaders
bepaling betreffende de kistjes.
Portia:
Al word ik zoo oud als de Sibylle
[10], toch zal ik zoo
maagdelijk als Diana sterven, als ik niet verkregen word
op de manier die door het testament van mijn vader is aangewezen.
Ik ben blij dat dit partijtje aanzoekers zoo redelijk
is; want er is er niet één onder hen of ik snak naar niets zóózeer
als naar zijn afwezigheid, en ik bid God dat hij hun een
goede reis geeft.
Nerissa:
Herinnert ge u niet, Mevrouw, uit uw vaders tijd
een Venetiaan, een geletterde en officier, die hier kwam in
gezelschap van den Markies van Montferrat?
Portia:
Ja, ja; het was Bassanio; ten minste ik geloof dat
hij zoo heette.
Nerissa:
Zeker, Mevrouw, en van alle mannen die mijn
dwaze oogen ooit aanschouwden, verdiende hij het meest een
mooie jonkvrouw.
Portia:
Ik herinner mij hem best, en ook dat hij uw lof verdiende.—
Een Bediende komt op.
Wat nu? Is er wat nieuws?
Bediende:
De vier
[11] vreemdelingen vragen naar u, Mevrouw,
om afscheid van u te nemen; en er is een koerier gekomen
van een vijfden, den Prins van Marokko, die bericht dat zijn
meester, de Prins, van avond hier zal zijn.
Portia:
Als ik den vijfden even hartelijk welkom kon heeten
als ik de andere vier vaarwel kan zeggen, dan zou ik mij verheugen
over zijn aankomst: als hij het innerlijk heeft van een
heilige en het uiterlijk van een duivel, dan had ik hem liever
tot bid- dan tot bedgenoot.—Kom, Nerissa.—Vrindschap,
ga voor.—Terwijl we de poort achter den eenen minnaar
sluiten, klopt de andere op de deur. (Allen af).
Tooneel III.
Venetië. Een Marktplein.
Bassanio en Shylock komen op.
Shylock:
Drie duizend dukaten,
[12]—juist.
Bassanio:
Ja, Mijnheer, voor drie maanden.
Shylock:
Voor drie maanden,—juist.
Bassanio:
Waarvoor, zooals ik zei, Antonio borg zal blijven.
Shylock:
Antonio borg zal blijven,—juist.
Bassanio:
Kunt ge mij helpen? Wilt ge mij 't genoegen doen?
Mag ik uw antwoord weten?
Shylock:
Drie duizend dukaten voor drie maanden, en Antonio borg.
Bassanio:
Uw antwoord hierop.
Shylock:
Antonio is goed.
Bassanio:
Hebt ge hem ooit van het tegendeel hooren beschuldigen?
Shylock:
Heiwat! neen, neen, neen, neen;—mijn bedoeling
met te zeggen dat hij goed is, is dat ge 't zóó moet opvatten,
dat hij er goed voor is; maar toch is zijn fortuin vrij denkbeeldig.
Hij heeft een galjoen bestemd voor Tripoli, en nog
een voor Indië, verder heb ik op den Rialto
[13] gehoord, dat
hij een derde in Mexico heeft, een vierde op weg naar Engeland,
terwijl hij nog andere handelsgoederen hier en daar verspreid
heeft. Maar schepen zijn niets dan planken en zeelui niets
dan menschen: er zijn landratten en waterratten, roovers
zoowel te water als te land, ik bedoel zeeroovers; en dan is er
het gevaar van water, wind en rotsen. Maar toch is de man
er goed voor;—drie duizend dukaten;—ik geloof dat ik
zijn borgtocht wel kan aannemen.
Bassanio:
Wees er zeker van dat ge 't kunt.
Shylock:
Ik wil er zeker van zijn dat ik het kan; en opdat
ik er zeker van kan zijn, zal ik er eens over denken. Zou ik
Antonio kunnen spreken?
Bassanio:
Ja, als ge met ons gelieft te eten?
Shylock:
Wel zeker, om varkensvleesch te ruiken! om te
eten van de woning waarin uw profeet, de Nazarener, den
duivel bande!
[14] Ik wil met u koopen, met u verkoopen, met
u spreken, met u wandelen, en zoo voorts; maar ik wil niet
met u eten, niet met u drinken, en evenmin met u bidden.—Wat
voor nieuws is er op den Rialto?—Wie is dat die daar
aankomt?
Antonio komt op.
Bassanio:
Dat is signor Antonio.
Shylock (ter zijde):
Hoe lijkt hij op een slaafschen tollenaar!
Ik haat hem, omdat hij een Christen is;
Maar meer, omdat in lagen eenvoud hij
Geld gratis uitleent, en den rentestand
Hier bij ons in Venetië dalen doet.
Als ik hem eens het beentje lichten kan,
Dan mest ik zoo mijn oude veete vet.
Hij haat ons heilig volk; en hij geeft af,
Juist daar waar 't meest de hand'laars samenzijn,
Op mij, mijn zaak en wel-verdiende winst,
Haar woeker noemend. Zij mijn stam vervloekt,
Als 'k hem vergeef!
Bassanio:
Zeg, Shylock, luistert gij?
Shylock:
Ik schat wat ik op 't oogenblik bezit,
En naar 't geheugen vrij nauwkeurig gis,
Breng ik zoo dadelijk de volle som
Van drie duizend dukaten niet bijeen
Wat zou 't? Tubal, een rijke van mijn stam,
Zal mij wel helpen. Stil! Voor hoeveel maand
Verlangt gij 't?—(tot Antonio) Vrede zij met u, Mijnheer;
Wij spraken nog daareven over u.
Antonio:
Shylock, schoon 'k nooit te leen geef of ontvang,
Om meer terug te krijgen of te geven,
Toch breek ik die gewoonte voor den nood,
Die dringt, van eenen vriend.—(tot Bassanio) Weet hij nu al
Hoeveel gij wenscht?