C. Geslachtsnamen aan huisnamen ontleend.

§ 128. Even als heden ten dage elk huis in onze steden en dorpen zijn nummer heeft, zoo had oudtijds elk huis zynen eigenen naam, waarby het bekend was, en waardoor men het onderscheiden konde van andere huizen. In de steden voornamelik, maar ook wel in de beboude buurten der groote dorpen, was elk huis voorzien van eenen gevelsteen, van een uithangbord of een uithangteeken, waarop de naam van het huis, ’t zy in beeldtenis, ’t zy in letterschrift, gewoonlik wel in beide formen, vermeld stond. Deze zaak is genoechsaam bekend. Ook zijn er nog heden in onze steden en dorpen zeer vele huizen overgebleven—al mindert hun getal ook dageliks—die zulk eenen naam dragen, en in afbeelding of opschrift aan den gevel vertoonen. Hoe algemeen die huisnamen waren, hoe zy aan alle mogelike dingen en zaken waren ontleend, hoe zy reeds vroeg, by de eerste opkomst onzer steden in de middeleeuen, in gebruik kwamen, en hoe zy stand hielden tot in het begin dezer eeu—dit alles kan men uitvoerig en geestig beschreven vinden in het te recht vermaarde werk van Van Lennep en Ter Gouw, De Uithangteekens.

Het ligt voor de hand dat zulke huisnamen wel overgingen op de personen welke in die huizen woonden. Als b. v. in één en de zelfde stad, of, by groote plaatsen, in één en de zelfde buurt twee mannen woonden die beiden toevallig den zelfden naam droegen, die beiden Harmen of Herman Janssoon of Jansen heetten, maar de eene woonde in het huis de Swaen, terwijl aan het huis, waar in de andere woonde, ’t Fortuyn uithing, dan kreeg al spoedig de eerste Harm Jansze van zyne buren, ter onderscheiding, den naam van Harm Jansz in de Swaen, of Harmen van der Swan, of ook eenvoudig Herman de Swaen of Herm Swaan, al naar dat het viel of den menschen »mundgerecht” was. En de andere werd Harm Fortuyn genoemd. Zulke bynamen waren oudtijds zeer algemeen in gebruik, en een groot aantal onzer hedendaagsche geslachtsnamen dankt aan deze bynamen, aan huisnamen ontleend, zynen oorsprong. In oude geschriften, uit de 15de en 16de eeu vooral, vinden wy vele personen genoemd, die zulke bynamen dragen, en die toen meestal nog woonden in het huis dat hun dien bynaam bezorgde. Laurens Jacobszoon, een man vermaard in de geschiedenis van zyne vaderstad Amsterdam, woonde op het Water (Damrak) in een huis waar »de Gouden Reael” (een muntstuk) uithing. Dies noemde hy zich Laurens Reael; en deze bynaam ging als geslachtsnaam op zyne kinderen en zijn verder nakroost over. »De blaeue Hulck” (hulk is een byzonder vaartuich) was de naam van een huis te Enkhuizen, waar zekere Jacob Sieuwertszoon in woonde, welke dien ten gevolge zich Jacob Sieuwertsz Blaeuwhulck noemde, en onder dien naam burgemeester van Enkhuizen werd. Zulke voorbeelden kunnen by honderden aangebracht worden door iedereen die de geschiedenis onzer oud-nederlandsche steden doorvorscht. Claes in de Gulde Hant, Olfert in de Fuyck, Jan in ’t blaeuwe Paert (zekerlik de oorsprong van den nog hedendaags bestaanden geslachtsnaam Blaauwpaart), Barend Janszoon in den Engelschen Dog, Lysbet in den Zilveren Reael, Goossen Jansz. Reecalf, Claes Cornelis Roôwagen, en nog zeer vele anderen van 16de eeusche amsterdamsche burgers, vindt men vermeld in Van Lennep en Ter Gouw’s werk De Uithangteekens (bl. 47 en 48), waaruit ook vele voorbeelden en namen van personen uit den ouden tijd, verder in deze opstellen vermeld, ontleend zijn.

§ 129. Uit het overgroote aantal van hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen, die oorspronkelik bynamen zijn aan huisnamen ontleend, kunnen hier slechts weinigen van de byzondersten vermeld worden. Het zijn de volgenden:

In de Sleutele. Dezen geslachtsnaam, te Antwerpen inheemsch, zet ik bovenaan, omdat hy zeer byzonder, ja eenig in zyne soort is.—De opschriften aan de huizen vermeldden oudtijds den naam van het huis gewoonlik in dezen form: »In de Sleutele”, »In den Wildeman”, »In den Bonten Mantel,” enz. Ook nog wel vollediger: »Dit is in den grauen Hynxt”, of »Dit es in de dry Keunynghen”, of nog vollediger: »Dit huys is genaemt in die vier Heemskyere.” Vooral in de middeleeuen komen zulke volledige formen voor. Later, sedert de 17de eeu vooral, verkortte men die opschriften meestal, en schreef eenvoudig den naam van het huis onder de afbeelding van het huisteeken; b. v. »De drie Wolven, De gulden hamer, De Vrede, ’t Lam”, enz. Althans in de noordelike Nederlanden was dit het geval. In de zuidelike gewesten bleef men meer het oude gebruik volgen, en behield den volledigen form, tot op dezen dag. Zoo zag ik nog in 1883 te Kortrijk een nieu opschrift: »In den Rifleman.” Nieuerwetscher kan het niet. Dit huis was aldus genoemd naar de engelsche scherpschutters (riflemen), die in de laatste jaren België bezocht hebben om meê te dingen in de vlaamsche en brabantsche kampspelen. In vorige eeuen hing men dit volledige huis-opschrift wel als bynaam achter eenen persoonsnaam; Hendrik Cornelisz. van Marcken in de Roômeulen, Raadsheer van Amsterdam in 1547,—Claes Franszoon in de drie koperen potten, mede een zestiende-eeusche amsterdamsche burger, en anderen, op de voorgaande bladzyde vermeld, kunnen daar van ten voorbeelde strekken. Maar zulke, in het dageliksche gebruik zeker te omslachtige namen hebben geen stand gehouden. Zy zijn allen weêr verdwenen, althans zoo verre ik weet, op dezen eenen hedendaagschen, antwerpschen geslachtsnaam na: In de Sleutele. Dezen zelfden naam vinden wy ook, als toenaam, te Amsterdam, in 1567: Klaes Hendrikszoon in den Sleutel.

Hoorde men oudtijds zekeren man Wouter noemen, en vroeg men: »welke Wouter is dat?” dan luidde het antwoord wel: »Wouter van den Anker”, »Wouter van den Arend”, »Wouter van de Ploeg”, of ook »Wolter uut de drie Rapen”, »Wauter uyt de dry duyfkens”, al na dat die Walther in een huis woonde, waar »het Anker”, »den Arend”, »de Ploegh”, »de drie Raepen”, »de dry Duyfkens” of iets anders uithing. En deze namen werden al spoedig bynamen, later ook geslachtsnamen. Van dezen laatst genoemden form met het voorzetsel uit zijn er slechts zeer weinigen dezer namen als geslachtsnamen tot ons overgekomen; Uut het Hooghuis, en misschien ook Uyttenbogaardt. Maar de bynamen samengesteld uit het voorzetsel van, en het lidwoord, vóór den naam van het huis, zijn in zoo veel te grooter aantal hedendaagsche geslachtsnamen geworden. Als zoodanigen noemen wy, in bonten regel: Van der Maen (de maan, vooral ook »de halve maan,” was oudtijds een algemeene huisnaam); Van der Bijl, Van de Wijnperssein de Wynpaersse” zoo heet nog een huis te Haarlem in de Damstraat; en Aecht Simonsdochter in de Wijnpers was eene ingezetene van Amsterdam, ten jare 1578), Van der Zwaan, Van der Zwan en Van den Zwaene. (»De Zwaan” was steeds, en is nog, een zeer algemeen huisteeken, vooral by herbergen en tapperyen. Swan is de friesche form van het woord zwaan; de oude Hollanders spraken dit woord ook zoo uit. Van der Zwan en Swan zijn, als geslachtsnamen, nog heden in Friesland inheemsch; en Claes in de Zwan was een amsterdamsch burger, ten jare 1481.) Verder Van der Ploeg, Van de Vysel, waar van ook de fransche form als Du Mortier in de Nederlanden als geslachtsnaam voorkomt; Van der Klok, Van der Pijl, Van der Zweep (met Van der Zwiep, volgens de friesche en plat-hollandsche volkstaal), Van der Zaag, Van der Kam, Van den Anker, Van ’t Lam, Van den Arend, Van der Leeuw, Van der Paauw, Van der Beker, Van der Lely, Van der Schaaf, Van der Swaan, Van der Star, Van der Sterre, Van der Starre, Van der Zwaard, enz. »De Spiegel” was oudtijds ook een algemeen voorkomende huisnaam. De bekende zestiende-eeusche Amsterdammer Jan Laurenszoon Spieghel droeg naar dit huisteeken zynen naam. Ook de hedendaagsche geslachtsnamen Spiegel, Van de Spiegel en Van der Spieghele zijn er van afkomstig. Zelfs in eene latynsche vertaling komt deze geslachtsnaam nog heden voor. Te weten als A Speculo, in belgisch Limburg inheemsch.

Het eenvoudigste en sprekendste teeken dat men oudtijds als kenmerk van eene taveerne uithing, was eene kan. De geslachtsnamen Kan, De Kan en Van de Can zijn aan dit teeken ontleend. Om dit uithangteeken nog te meer te doen spreken (en lokken), versierde men deze kan ook dikwijls met eenen krans van groen loof, »de groene kan”. Dit teeken vooral was oudtijds zeer algemeen. Nog in deze eeu, toen de stad Leeuwarden nog in wallen besloten lag, droeg eene buurt, langs den wal (het bolwerk) zich uitstrekkende, naar zulk eene herberg waar »de groene kan” uithing, den naam van »Achter de groene kanne”. Ook de buurt »De Groene-kan”, by Utrecht, onder den dorpe Maartensdijk, heeft aan dit teeken haren naam ontleend, even als ook de geslachtsnaam Van de Groenekan daaraan zynen oorsprong dankt. Men liet ook wel de kan achterwege, en hing enkel den groenen krans uit. Dit laatste teeken kwam al spoedig meer in gebruik dan het oude volledige, met de kan. In de 16de en 17de en 18de eeu was de krans als het teeken van een wijn- of bierhuis zeer algemeen in de Nederlanden in gebruik. Nog heden ziet men het in sommige streken van Duitschland. Van dezen krans zijn de geslachtsnamen Crans, Krans, Van de Krans, Van der Crans afkomstig, en denkelik ook wel, als oneigenlike vadersnamen, Cransen en Kransen.

»De Wereld,” als een wereldbol, soms ook, b. v. in myne jeugd te Leeuwarden nog, als eene zinnebeeldige voorstelling van het geheele zonnestelsel afgebeeld, was oudtijds ook een huisteeken dat veel in gebruik was. De geslachtsnamen Van de Waereld en Van Weerelt zijn er aan ontleend. De friesche geslachtsnaam Wereldsma heeft echter met dit woord wereld niets te maken. Het is veelmeer een patronymikon van den oud-frieschen mansvóórnaam Wereld, eene verbastering van den oud-germaanschen naam Werhald, die in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch voorkomt als Wideralt, Widarolt, Vidarolt, en die ook aan den hoogduitschen, maar ook in de Nederlanden voorkomenden geslachtsnaam Wiederhold oorsprong gaf. Toch is het in het begin dezer eeu voorgekomen dat een friesche zeeman, die misschien reeds »de wereld rond gereisd” had, genoodzaakt zich eenen geslachtsnaam te kiezen, dezen reeds bestaanden naam Wereldsma maar aannam, in zinspeling op zyne tochten.36 Van Lennep en Ter Gouw vermelden:37 »Vóór 1636 stond er” (aan een huis op de Heerengracht te Amsterdam) »de Werelt in den gevel: het huis was gebouwd door Jan van Aldewerelt, die dat uithangteeken zal gekozen hebben met zinspeling op zijn naam.” Hier hebben wy dus de omgekeerde verhouding: het huis genoemd naar den geslachtsnaam van den bewoner. Een paar soortgelyke voorbeelden, uit Leeuwarden, heb ik in De Navorscher, dl. XXVIII bl. 73 vermeld. De naam van Jan van Aldewerelt, boven vermeld, brengt my er toe om ook met een paar woorden dezen geslachtsnaam te bespreken. In verschillende formen komt deze naam voor; als: Van Aldewerelt, Aldewereld, Alderwerelt, Allewerelt, Alleweireld, Alleweireldt, aan verschillende geslachten eigen. Ik vermoed dat deze namen afkomstig zijn van een huis, waar »de oude Werelt” uithing. Denkelik, wegens den form ald = oud, hier of daar aan den Beneden-Rijn, in ’t oude Overkwartier van Gelderland, in het Land van Kleef, of daar omtrent, waar ook nog het dorp Aldekerk (d. i. Oudekerk, als tegenstelling van het naburige dorp Nieukerk) ligt. Te meer denk ik dit, omdat deze naam ook in den saksischen form, als Oldewelt voorkomt. »De oude Werelt,” en »Die nye Werlt” waren oudtijds als huisnamen niet zeldzaam in de nederlandsche steden.

Veel talryker dan de geslachtsnamen, samengesteld uit eenen huisnaam, met een voorzetsel daarvoor, zijn de geslachtsnamen die enkel uit eenen huisnaam bestaan, zelden met, meestal zonder het lidwoord. En evenals de namen der huizen en de uithangteekens aan alle mogelike, soms ook onmogelike zaken en dingen ontleend zijn, zoo treffen wy deze groote verscheidenheid ook by de geslachtsnamen aan, die uit deze namen en teekens ontstaan zijn.

Zoogenoemde heraldische figuren waren vooral in de middeleeuen als huisteekens veel in zwang. En niet minder de namen en afbeeldingen van allerlei wapentuich. Daaraan danken de volgende geslachtsnamen hunnen oorsprong: Moolenyzer en Meulenyzer, Schilt, Silvercruys, Ruitenschild, Arenspoot, Beerepoot, Vogelpoot, Van der Vlugt, Kam, De Kam, Kroon, Helm met Groothelm, Ligthelm en Voorhelm, Degen, Pallast, Sabel, Dolk, Priem, Lans, (Spies—zie bl. 142), Pijl, Piek en Pieck, enz. Ook de samengestelde namen Lancksweirdt, Lancsweert en (in versletenen form) Lanszweert, en Scherpzwaard. De beide eerstgenoemde namen verraden door hunne spelling hunnen hoogen ouderdom. En ook de laatste naam, al komt hy nu in nieuerwetsche spelling voor, is van oude dagteekening. Immers een goudsmid te Utrecht, ten jare 1362, droeg reeds den naam van Elya Scerpswert.38

Uiterst talrijk zijn ook de namen aan allerlei gereedschap en handwerkstuich ontleend: Hamer en Hammer met Hoefhamer, Klaarhamer, Klinkhamer en Voorhamer; Bijl met Berkenbijl, Hakbijl, Klinkenbijl, Quekebijl; Beitel, en Voorbeytel; Kerfyser, Kimmyzer en Schutyzer; Mes en Hakmes; Schaaf en Schaaff, Zaag, Spyker (zie ook bl. 303), Kram en Cramm, enz. De beteekenis van sommigen dezer namen is my niet bekend (Quekebijl, Kimmyzer). Hamer en Hammer kunnen zoo wel oorspronkelik mansvóórnamen zijn, als huisnamen. Immers Hamer, Hamar, Hamr is een oud-germaansche mansvóórnaam, die in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch vermeld wordt. En dat deze naam oudtijds ook wel door onze eigene voorouders gedragen werd, bewyzen onze patronymikale geslachtsnamen Hamers, Hammers, Hameringa, Hamerinck, Hamersma en Hammersma; zie ook bl. 133. Brouwhamer is ook een geslachtsnaam aan eenen huisnaam ontleend. Nog heden is my een huis van dien naam, en dat ook de afbeelding van zulk een werktuich in den gevel voert, te Leeuwarden bekend. Maar wat is een brouhamer? Met brouen, bierbrouen, heeft deze hamer niets te doen. Het woord breeuen, dat is: de naden van een schip dichten, heet in het Friesch brouen. En de hamer waar mede men brout of breeut, waarmede men het werk, het uitgeplozene oud-tou, tusschen de scheepsnaden drijft, is de brouhamer. De geslachtsnaam Brouwer, voor zoo verre deze naam in Friesland inheemsch is, duidt dan ook geenszins in alle gevallen eenen bierbrouer aan, maar is oorspronkelik soms de tegenhanger van den geslachtsnaam Breeuwer, aan de Zaan voorkomende. My is althans een geval bekend dat een friesche scheepstimmerman, een breeuwer, den geslachtsnaam Brouwer aannam, naar aanleiding van zijn bedrijf.

Of de geslachtsnamen Nagel en De Naeghel tot de namen aan werktuigen ontleend, moeten geteld worden, als tegenhangers van Spyker, of dat zy als namen ontleend aan een deel van het menschelik lichaam moeten beschoud worden, en dus in § 139 behooren, kan ik niet uitmaken. De geslachtsnaam De Niet (eene niet is een klein spykerke of nageltje zonder kop) kan hier ook toe gebracht worden. Hoefnagel, Knieriem, Vingerhoed, Knipscheer zijn op bl. 334 reeds besproken. Nevens Knipscheer komt ook nog het enkele woord Schaar en Scheer als geslachtsnaam voor. Van der Scheer echter is geen soortgelyke naam als Van der Schaaf, Van der Zaag, enz. Hy is niet aan eenen huisnaam, althans niet aan een uithangteeken ontleend. Eene oude havesate, tevens een gehucht tusschen Koevorden en Gramsbergen, heet De Scheere. En van dezen plaatsnaam is de geslachtsnaam Van der Scheer, welke ook in die landstreek inheemsch is, ontleend.

Nevens allerlei gereedschap en handwerkstuich is oudtijds ook allerlei huisraad als uithangteeken aan huizen in gebruik geweest, en zijn dien ten gevolge vele geslachtsnamen ontstaan, uit de namen van zulk huishoudelik gereedschap. Zie hier eenigen daarvan, die geene nadere verklaring eischen: Tanghe en De Tanghe, De Rooster, Pot en Pott, Pan.39 De eerste van deze namen kan ook anders worden geduid; te weten als een tegenhanger van den geslachtsnaam Den Dievel. Immers »tange” is een bynaam dien men in West-Vlaanderen den duivel geeft. En wijl juist de geslachtsnamen Tanghe en De Tanghe in dat gewest voorkomen, zoo is het niet onwaarschijnlik dat wy hier oorspronkelik met eenen persoonliken bynaam te doen hebben.

Aan herbergen, waar gelegenheid is om peerden te stallen, hangt dikwijls »de Roskam” uit. Daaraan is de geslachtsnaam Roskam, die ook in oude spelling als Roscamm voorkomt, ontleend. Ander peerdetuich, als huisnamen, vinden wy terug in de geslachtsnamen Den Toom, De Haam, Breydel en Zweep.—Toontuigen werden ook als gevelteekens gebruikt. Reeds in de 16de eeu moet »De Bas” te Amsterdam hebben uitgehangen, zoo als trouens nog heden te Haarlem in de Warmoesstraat het geval is. Pieter Jacobsz Bas en Dr. Dirk Bas, amsterdamsche burgers uit de 16de eeu hadden aan zulk een huisteeken hunnen naam ontleend.40 En nog heden komen de geslachtsnamen Bas en De Bas voor, met Bazuin, Fluit, Trompetje, Viool en Hacquebart. Laatstgenoemde naam vertoont den ouden form en eene oude spelwyze van het woord hakkebord, een oud-nederlandsch toontuich, thans buiten gebruik. De geslachtsnaam De Keghel is zeker ontleend aan een huis waar eene kegelbaan gehouden werd, en dus »De Kegel” uithing. Misschien herinneren de namen Kolff, Kolf en Schaack, Schaak ook aan de spelen van dien naam. Bal en De Bal, Bontenbal, Dobbelsteen en Teerling, Teerlinck, Terlinck danken ook aan speeltuigen hunnen oorsprong. Roosenkrans, Rosenkrans, Rosencrantz en Paternoster zijn aan uithangteekens van gants anderen aard ontleend. »Int Paternoster”, zoo heette een huis te Delft, in 1600. Zie Soutendam, Een wandeling langs Delfts straten en grachten, bl. 34. Den geslachtsnaam Goudschaal reken ik ook van eenen huisnaam afkomstig. Pers en Pars is ontleend aan een huis waar eene »pers” uithing, ’t zy dan eene wijnpers (zie Van de Wijnpersse op bl. 361) of eene drukpers. »De Witte Persse” hing vóór 1610 uit in de Oudebrugsteeg by ’t Water »(te Amsterdam)” en later op ’t Water bij dezelfde steeg, by den boekdrukker Dirck Pietersz, die naar dat symbool den toenaam »Pers” aannam en zich als dichter en historieschryver ook Theodorus Petrejus Persius, ook wel, naar zijne geboorteplaats, »Persius van Emden” liet noemen.41 De geslachtsnaam Guldenarm, aan een huisteeken ontleend, is op bl. 347 reeds verklaard. Een tegenhanger van dezen naam is Goudenhooft. Een gouden manshoofd komt nog heden te Leeuwarden als huisteeken voor. En Andries Boeleszoon in ’t Gouden Hooft was een burger van Amsterdam ten jare 1567. Was zulk een manshoofd uit hout gesneden, niet verguld noch beschilderd, dan noemde men het huis waar dit teeken aan den gevel stond: »het houten Hooft”, of, te Amsterdam in de 16de eeu: »het houten Aangezicht.” In 1600 stond te Delft een huis dat »Int houten Hooft” heette. En in het midden der 16de eeu hing ook te Amsterdam ergens dit huisteeken uit. Immers vinden wy omstreeks dien tijd een amsterdamsch burger, die Laurens ’t houten Aangezicht werd genoemd.42 Ook de heden ten dage nog bestaande geslachtsnamen Houthoofd en Toutenhoofd zijn aan dit huisteeken ontleend. Toutenhoofd is eene samentrekking en misspelling van ’T (H)outenhoofd, het houten hoofd. In Zeeland is deze naam inheemsch. En als Houthoofd in Vlaanderen; uitgesproken »Outooft.” Aan de zeeusche gewoonte om de letter h niet uit te spreken, dankt deze naam zynen hedendaagschen verbijsterden form. De geslachtsnaam Houtekindt, in West-Vlaanderen voorkomende, is vermoedelik ontleend aan een huis waar het houten beeld van een kind, een »houten kind”, als huisteeken aan den gevel gesteld was.—Hoppzak en Haverzak zijn twee geslachtsnamen die ook aan huisnamen ontleend zijn. In den ouden tijd toen hier te lande ook veel hop werd verboud, ten gebruike voor de talryke bierbroueryen, waren er in zeer vele steden herbergen waar »De Hopsack” uithing, en waar brouers en boeren samenkwamen om te handelen. In de 16de eeu heette een huis te Amsterdam »De Hoppezak”, en in de 17de eeu was er een huis van gelyken naam te Dendermonde. In myne jeugd (1850) was er nog eene herberg »De Hopzak” te Leeuwarden in de Kleine Kerkstraat. Ook is »Hoppensack” nog de naam van eene buurt te Hamburg, en eveneens aan een huisnaam ontleend. »De Haverzak” vinden wy, onder anderen, te Amsterdam en te Wijk by Maastricht.43—In 1690 woonde Gerrit Claesz te Amsterdam aan den Singel »in de Blaupot” (een pot met blaue verfstof?), en droeg er zynen toenaam af, die als geslachtsnaam, Blaupot, nog heden bestaat.44 Ook Blaukuip, het waarteeken van den blauverver, komt als geslachtsnaam voor. De byekorf was van ouds een zeer algemeen uithangteeken, vooral by koekbakkers, om den honig. Toch is my een geslachtsnaam, aan dat teeken ontleend, in de noordelike gewesten nooit ontmoet. Wel in Vlaanderen; te weten: als Biebuyk. Dit byzondere woord toch (byebuik, de West-Vlamingen zeggen biebuuk) is in West-Vlaanderen in plaats van het algemeen-nederlandsche byekorf in gebruik.45

Eenige byzondere geslachtsnamen, wier beteekenis my niet ten vollen duidelik is, maar die ik by deze groep meen te moeten voegen, zijn: Den Bandt, Strooband, Ketelbant, Ratelband en Roggeband. Is »De Strooband” een huisteeken geweest, dan moet het oudtijds niet zeldzaam zijn voorgekomen. Immers de naam Strooband is aan vele verschillende geslachten eigen, en komt in allerlei spellingen voor: Strobant, Stroobant, Stroybant, Stroobandt, ook in patronymikalen form: Stroobants, Stroybants.

Dat het dragen van zulke toenamen en geslachtsnamen, aan huisteekens ontleend, en allerlei gereedschap en huisraad noemende, reeds van oude dagteekening is, bewyzen ons, onder vele anderen, de namen van den beroemden en vromen Thomas à Kempis, zoogenoemd naar zyne geboorteplaats Kempen, maar wiens geslachtsnaam eigenlik Hamerken was. Hy leefde in de 15de eeu. Verder Adam Potken, die in 1496 leeraar was in de grieksche taal, te Xanten. De namen dezer inwoners van nederrijnsche stadjes mogen ons zeer wel als voorbeelden dienen. Immers werd die landstreek in de middeleeuen te recht tot Nederland gerekend—en dragen de geslachtsnamen, aldaar inheemsch, nog heden ten duidelikste de nederlandsche kenmerken (zie § 159), gelijk trouens de namen Potken en Hamerken die ook vertoonen. Maar om tot de eigenlike Nederlanden ons te bepalen, zoo vinden wy in den jare 1357 reeds eenen Roger de Hamere te Ingelmunster in West-Vlaanderen. En de naam van Breydel werd reeds in de 13de eeu door een geslacht van brugsche poorters dragen, zekerlik ontleend aan een huis, misschien eene boerenafspanning, waar »De Breydel” uithing, en die misschien stond in de straat die nog heden, te Brugge, de Breydelstraat heet, en die niet naar het geslacht Breydel zoo genoemd is. Wat de vijftiende- en zestiende-eeusche Noord-Nederlanders aangaat, dezen droegen toen ten tyde, zoo zy hunne toenamen ontleenden aan de namen hunner huisteekens, die toenamen nog voluit, met de voorzetsels en lidwoorden er by, en daar door duidelik hunnen oorsprong aanwyzende. Op bl. 360 zijn daarvan reeds eenige voorbeelden genoemd. Zie hier nog eenige dergelyke namen van amsterdamsche ingezetenen uit de 15de en 16de eeu: »Claes Dirksz. in de drie Koningen,” »Jacob Cornelisz. in Sint-Andries,” »Claes in de Gulde Hant,” »Pieter Dirkszoon in ’t Vlasvat,” »Willem Lubbertsz. in den Helm,”46 »Pieter Laurens in den Haen,” »Simon Dirksz. uyt die Poort,” »Arend van den Anxter.”47

Van al de huisnamen, wellicht een zeer enkele uitgezonderd, die, volgens het in deze afdeeling medegedeelde, aanleiding gegeven hebben tot het ontstaan van geslachtsnamen, zijn voorbeelden vermeld in het werk van Van Lennep en Ter Gouw, De Uithangteekens.

§ 130. De oude Nederlanders vergenoegden zich niet met de namen van allerlei handwerkstuich, gereedschap, huisraad, dieren, planten, vruchten, enz. tot hunne huisnamen en uithangteekens te nemen, maar zy ontleenden die ook wel aan de namen van zaken, van denkbeelden, en duidden dezen dan in zinnebeelden op hunne gevelsteenen aan. B. v. »’t Geloof,” »de Hoop,” »de Liefde” kwamen geenszins zeldzaam voor, vooral als er drie gelyke huizen naast elkanderen werden geboud, even als de namen der vijf zintuigen wel moesten dienen by vijf huizen die gelijktydig naast elkanderen werden opgericht. »Het Fortuin,” »De Vrede,” »De Dood,” enz.—allen, en nog velen meer, in het meergemelde boek der Uithangteekens te vinden, zijn eveneens zulke huisnamen. En ook aan deze soort van huisnamen danken eenige hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen hunnen oorsprong. Zie hier eenigen daarvan: De Deugd, De Dood, Dood, Fortuin, Fortuyn en ’t Fortuin’t Fortuin” was steeds een veel begeerd uithangteeken—men dacht aan nomen est omen—van daar ook dat dit woord als geslachtsnaam veelvuldig voorkomt). Verder Den Handel, De Hoop, D’Hoop en samengesmolten als Doop, De Liefde, Trouw en De Trouw, Vrede, Vreede, De Vrede en De Vree, Welvaart, ook als patronymikon Welvaerts, Zeevaart, enz. Zelfs de hemel, de hel en het vagevuur, met het paradys en dergelyke zaken, kwamen als huisnamen voor, gelijk men by Van Lennep en Ter Gouw nalezen kan. En ook aan zulke huisnamen zijn maagschapsnamen ontleend; als Paradies en Paradis, Helleput (en misschien ook NechelputNeckerput, Nikkerput?), Van de Helle, Hemelrijk, Van Hemelrijck, Van den Hemel, Van den Hemele, Van Hemelen, enz.

Eenige geslachtsnamen, die hier nog moeten worden genoemd als besluit van deze groep, zijn niet aan eenig gevelteeken ontleend, maar wel aan de byzondere gesteldheid van den gevel of van een ander deel des huizes. Naar den byzonder fraaien gevel dien het huis vertoonde, waar hy in woonde, heeft iemand in den ouden tijd zynen toenaam verkregen. Die toenaam is op ’s mans kinderen overgegaan, en een vaste geslachtsnaam geworden, die als zoodanig nog heden voorkomt; te weten: Schonegevel. En zoo ook de maagschapsnaam Gladdegevel. Een zeer oud huis, »De gladde Gevel” genoemd, staat nog heden in de Uniabuurt, zoogenoemd »by den Ossekop,” op den hoek van de Oude Oosterstraat, te Leeuwarden. De gevel van dit zonderbaar bonte huis is geheel opgezet met glimmend-gladde, verglaasde, groene en gele tegeltjes, om en om gezet, als de ruiten van een dambord. Van daar de naam van het huis. Maar of de geslachtsnaam Gladdegevel nu juist aan dit huis te Leeuwarden ontleend is, kan ik niet met zekerheid zeggen.

De maagschapsnaam Van Kimmenaede is een byzondere form en verbastering tevens van het woord kemenade. Dit oud-nederlandsche basterdwoord, thans uit onze taal geheel verdwenen, beteekent eigenlik »stookplaats of vuurheerd, schoorsteen in een vertrek,” en is met het fransche woord cheminée en de italiaansche woorden cammino en camminata van den zelfden oorsprong. Maar in de middeleeuen had het woord kemenade hier te lande, even als in Duitschland, de byzondere beteekenis van »vrouevertrek,” de kamer of de zaal waar eene stookplaats was, en waar de vrouen des huizes gewoonlik samen zaten en hun verblijf hielden. Een deel voor het geheel genomen, ging de naam die oorspronkelik den steenen vuurheerd toekwam, en die later op het geheele vrouevertrek was toegepast geworden, ook over op het geheele huis of slot, waarin zulk eene kemenade gevonden werd, en is dien ten gevolge nog wel aan een enkel huis als plaatsnaam gehecht gebleven. Van daar de geslachtsnaam Van Kimmenaede.

Aan byzondere kenmerken van huizen zijn, naar myne meening ook de geslachtsnamen Pilaar, Poort, Trap, Venster en Portael ontleend. Laatstgenoemde naam komt ook als patronymikon—Portaels—voor. Aan byzonder kenmerkende gedeelten van eenig huis, acht ik dat de volgende maagschapsnamen hun ontstaan danken: Hooghkamer, Van de Kamer, Zaal, Keuken en Poestkoke, Kelder, Op den Kelder en Stall. Een steenen kruis, naby of aan een huis opgericht, gelijk wel voorkomt in streken, waar de inwoners den roomschen eeredienst volgen, heeft zekerlik oorsprong gegeven aan den geslachtsnaam Steenecruys, die dan ook in de zuidelike Nederlanden inheemsch is.