H. Geslachtsnamen aan de namen van lichaamsdeelen ontleend.

§ 139. De enkele, eenvoudige namen van menschelike lichaamsdeelen komen ook als geslachtsnamen voor. Ik vermeld deze namen hier in eene afzonderlike groep, als aanhangsel van de andere namen die rechtstreeks ontleend zijn aan voorwerpen en zaken uit de natuur. Ik had aan deze maagschapsnamen, aan de namen van lichaamsdeelen ontleend, ook gevoegelik eene plaats kunnen geven by die geslachtsnamen, welke hun ontstaan danken aan byzondere lichamelike eigenschappen der menschen; § 124–126. Immers velen van de onderwerpelike geslachtsnamen zijn eerst als bynamen in gebruik geweest voor personen, by welke het eene of andere lichaamsdeel, wegens misforming, byzondere grootte, of eenige andere oorzaak, in het byzonder de opmerkzaamheid van andere lieden trok. Zoo krijgt b. v. iemand, die de opmerkzaamheid van anderen opwekt door eenen zeer grooten, of krommen, of rooden neus, al lichtelik den bynaam van »Neus”. En dat zulke bynamen langzamerhand vaste toenamen geworden zijn, en eindelik vaste geslachtsnamen, daarvan zijn in dit werk reeds vele voorbeelden opgenoemd. My is iemand bekend, wiens gebit, door byzonder groote snytanden in de bovenkaak, en door eene korte bovenlip, sterk in het oog loopt. Deze man draagt daar eenen bynaam af, te weten dien van (zeggen wy maar Teake) Tosk. Immers hy woont in Friesland; en tosk (tusk) is het friesche woord voor tand. Dat zulk een bynaam oudtijds in der daad een vaste geslachtsnaam is geworden, wordt door het voorkomen, heden ten dage, van de geslachtsnamen Tand in Holland, Tosch in Friesland, en Zahn in Duitschland (ook van daar in Nederland overgebracht) bewezen. Karl Strackerjan verhaalt in zijn werk Die Jeverländischen Personennamen, bl. 39, van eenen boerenarbeider, die »bekam einmal beim Mähen von seinem Nebenmann mit der Sense in der Wade, plattdeutsch Küet, eine Wunde, an welcher er lange zu leiden hatte. Bald hiess er in seiner Umgebung nur »Behrend Küet”, und als er starb, erbte sein Sohn den Namen. Trotz Widerspruch und Klagen bei der Behörde, zum Theil auch wohl eben deswegen, blieb für ihn der Name »Gerd Küet” und sein Häuschen hiess die Küeterê” (kuitery, in het Hollandsch). »Sicherlich wäre daraus ein Familienname geworden, wenn Kirchen- und Erdbuch noch eine solche Schöpfung des Volksmundes aufgenommen hätten.” Intusschen komt in Nederland werkelik Kuit en Kuyt als geslachtsnaam voor; terwijl te Rotterdam eene brug den naam draagt van Jan-Kuiten-brug, ten bewyze dat ook daar een man geweest is die Jan Kuit heette of aldus genoemd werd.

Als voorbeelden van geslachtsnamen ontleend aan de namen van byzondere lichaamsdeelen, noem ik hier: Hooft en ’T Hooft, met Hoeuft, Heuft en het versletene Heuff, die ik niet anders kan verklaren dan als eene byzondere uitspraak van het woord hooft of hoofd in de eene of andere byzondere gouspraak. In den geslachtsnaam Bleyenheuft komt deze spelwyze ook voor; en eene andere in Schoonhoefd (zie bl. 345). Moet eerstgenoemde geslachtsnaam verklaard worden als »looden hoofd”? Beduidt deze naam niet hoofd of kop van lood, die als uithangteeken diende? en is dus een tegenhanger van de geslachtsnamen Goudenhooft en Houthoofd (zie bl. 367 en 368)? Verder D’Oore, in Vlaanderen voorkomende. De Vlamingen spreken nog zeer te recht en taalkundig zuiver de oore, voor het noord-nederlandsche het oor. Zoo spreken zy ook de ooge, voor het hollandsche het oog, en dien ten gevolge meen ik den vlaamschen geslachtsnaam Doghe te moeten verklaren als D’Oghe, D’Ooghe, De Ooghe, het oog. Misschien echter schuilt in dit Doghe ook de bekende geslachtsnaam De Hooge, De Hoog, op vlaamsche wyze uitgesproken en geschreven, als D’’Oge, De Hoge, De Hooge. Nevens D’Oore in Vlaanderen komt in Holland de geslachtsnaam Oor voor, en zelfs het fransche Oreille. Verder De Neus, Neus, Kaakebeen, Mond (en Bek; zie echter bl. 279), Tand, De Tandt, Kies, Baert, Den Hals, Borst, De Borst, Buyck, Maagh, Lever, Blaas, ’T Hart, Pols, Vuist, De Vuyst, Duim, Duym en zelfs Van Duym, Pinck, Been (en Poot), Kuit en Kuyt, Scheen, Voet en Hiel, Nagel en De Naeghel (zie bl. 365). Eindelik nog Vel en Schornagel (scheurnagel? de man die kenbaar was aan eenen gescheurden nagel).

By deze namen zullen er wel enkelen zijn, die eenen anderen oorsprong hebben, en die slechts toevallig de namen van lichaamsdeelen vertoonen. Zoo kan in Baert een oud-nederlandsche mansvóórnaam schuilen (Baert, Beert, Barend, Berend, Bernard, Bernhart), de zelfde mansvóórnaam die ook aan de patronymikale geslachtsnamen Baarts en Baerts ten grondslag ligt. Blaas komt voor als eene verkorting van den kerkeliken mansvóórnaam Blasius (zie bl. 181), en zoo kan dus de geslachtsnaam Blaas zeer gevoegelik gehouden worden als zynen oorsprong te ontleenen aan genoemden mansnaam. Polle is een friesche mansvóórnaam, en de geslachtsnaam Pols kan zeer wel een tweede naamval, een patronymikale form daar van zijn. Wel is de friesche mansvóórnaam Polle of Pol als zoodanig weinig in gebruik; maar hy ligt toch aan verschillende geslachtsnamen ten grondslag. Te weten aan Pollema, Polsma, Polling, Pollen, Pollsen, enz.; allen vadersnamen. En ook aan het verlatynschte Pollius. In den geslachtsnaam Been kan de friesche mansvóórnaam Bene schuilen, de oud-germaansche naam Beno, welke ook oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamen Beninga, Beenenga, Beening, Beens, Beenen, Benes, Benen, enz. Hile (Hyle) eindelik is nog een friesche mansvóórnaam, die tegenwoordig meest in verkleinform, als Hylke en Hyltje voorkomt. De geslachtsnaam Hiel kan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. Aan de geslachtsnamen Hylen, Hieltjes, Hielkes (zie bl. 150) heeft hy tevens oorsprong gegeven.

I. Geslachtsnamen, aan de namen van spyzen, dranken en kleedingstukken ontleend.

§ 140. Spijs en drank en kleeding zijn zaken die eene groote rol spelen in het dageliksche leven der menschen. Het is dan ook niet vreemd dat de namen daar van wel voorkomen als geslachtsnamen. Iemand toch, die byzonder graag deze of gene spyze of drank at of dronk, die daar voor bekend was by zyne omgeving, kreeg al licht, uit spot, zulk eenen naam als bynaam. En deze bynamen gingen als gebruikelike toenamen, later als vaste geslachtsnamen wel op de kinderen en nakomelingen dier mannen over. En even zoo ging het met de namen van kleedingstukken. Iemand die bekend was wegens het dragen van ’t eene of andere byzondere, ongemeene, of sterk in het oog vallende kleedingstuk, kreeg al licht den naam daar van als bynaam. Ook kwamen de afbeeldingen en namen van spyzen en dranken en kleedingstukken wel als gevelteekens en huisnamen voor. Zoo kan ook langs dien weg menige dergelyke geslachtsnaam in gebruik gekomen zijn.

By de opsomming der geslachtsnamen aan de namen van spyzen ontleend, mogen wy wel beginnen met »den staf des levens”, met het brood. Broodnamen zijn Wittebroodt, Soetbrood, Schoonbrood, Platbroodt. Eerstgenoemde naam is al oud; immers Jan Wytbroot was reeds in 1511 een burger der stad Leeuwarden.80 Ook in Engelland komt de geslachtsnaam Whitbread voor, terwijl het fransche Blanpain in Nederland my voorgekomen is. Verder Teirbroodt, dat is het brood waar men van teert, het dageliksche brood om van te leven. De geslachtsnaam Droogenbroodt is een tegenhanger van den maagschapsnaam Boterenbrood, welke naam ook in den form Botterbrodt voorkomt, en van Kaasenbrood. De laatstgenoemde geslachtsnaam komt ook, half verfranscht, als De Casembroot voor. Te Monster in het Westland ziet men, aan eene herberg, nog »Kaas en brood” als uithangbord.81

Tot het bereiden van brood is koorn noodig; en ook zuurdeeg. Deze woorden zijn ook tot geslachtsnamen geworden; namelik als Broodkoren, Broodcoren, Brotcorne, en zelfs in versletenen form en als vadersnaam Brocorens. En als Zuurdeeg (met den hoogduitschen form Sauerteig).

Als aanhangsel tot deze broodnamen vermelden wy nog de geslachtsnamen Beschuydt en Wermenbol (warme bol) met Krentebol. Eene bol is een bolvormig fijn gebak; in Friesland noemt men nog alle wittebrood »bolle”. Deze bolnamen, waartoe misschien ook Wittebol (zie bl. 343) behoort, voeren geleidelik tot de koeknamen, die vertegenwoordigd worden in de eerste plaats door de eenvoudige geslachtsnamen Koek en Coucke, in Holland en Vlaanderen, en dan door Wittekoek, Krentekoek en Pannekoek, Pankoek, Pannekoucke, enz. De vorm Pantekoek komt ook voor. Wijl my nooit, in geen enkele gouspraak, de uitspraak pantekoek voorgekomen is, in plaats van pannekoek of pankoeke, zoo weet ik het voorkomen van dezen eenigszins zonderlingen naam niet te verklaren.

Zuivelspyzen waren van ouds her by de Nederlanders zeer bemind en werden dageliks genuttigd. Vooral in het veeryke Holland en Friesland. De namen van zulke spyzen vindt men in de geslachtsnamen Heetebry, Wittewronghel, Ouboter, Dolleboter, Kaas en Caes, Hooikaas en Ooykaas, enz. Als men melk by middel van eenig stremsel, gewoonlik van leb, stremt, dan schift zy zich in de vaste, kaasachtige stoffen, wrongel genoemd, en in de vloeibare bestanddeelen, de wei of hui, in de friesche gewesten waei of wai genoemd. (Van daar de noord-hollandsche geslachtsnaam Waaiboer). Die wrongel was vroeger als verkwikkende en verkoelende spyze zeer bemind. Te Groningen, buiten de Heerenpoort, is het Wrongelhuus nog bekend, waar men zich aan wrongel vergasten kan. Ook buiten Hamburg werd my nog, in eene boereherberg, wrongel voorgezet. De oude Vlamingen, in de middeleeuen, schynen ook groote liefhebbers van zuivelspyzen geweest te zijn; althans de vlaamsche boeren, de zoogenoemde »vlaamsche kerelen”, die oorspronkelik Friesen en Saksen waren. Immers luidt het referein van een middeleeusch vlaamsch volkslied, een spotlied op die »keerlen”:

»Wronghele ende wey,

Broot ende caes,

Dat heit hi al den dach!”

En werkelik is ook thans nog de geslachtsnaam Wittewronghel met Wittevronghel en Wittevrongel in Vlaanderen inheemsch. De juiste beteekenis en oorsprong van den zonderlingen naam Dolleboter is my onbekend. Ooykaas houde ik voor eenen versletenen, ouden form van Hooikaas.

In de middeleeuen was karnemelk en wei de dageliksche drank van den geringen man, als hy geen bier bekostigen kon; vooral ook van vrouen en kinderen. Het was het drinken of het zuipen, het suypen, gelijk men toen zich uitdrukte en schreef, als by uitnemendheid. Van daar dat in de friesche taal karnemelk nog heden sûpe (spreek ongeveer als soepe uit) heet. In de friesche steden, waar, b. v. te Leeuwarden en te Sneek, »de Suupmerk”, in deze eeu soms verhollandscht tot »Zuipmarkt”, nog bestaat, zegt men suup. Elders in de noordelike gewesten, b. v. te Groningen, is eene zuivelspyze als diksoepen bekend; en ook in Brabant, b. v. te Breda, kent men zuipen als zuivelspijs. De geslachtsnamen Karmelk, Soetewey en Vetsuypen, met den patronymikalen form Vetsuypens, leggen nog getuigenis af van het zuiveldrinken onzer voorouders.

Vleesch- en vischspyzen zijn my slechts voorgekomen in de geslachtsnamen Potharst, Spek, Ham, Spekham, Worst en De Worst, Pannevis, Pekelharing en Stokvis. De naam Potharst komt menigvuldig voor, ook in de versletene formen Pothast en Potthast. Potharst bestaat uit vuistdikke stukken rundvleesch, van de harst (ruggestreng), met gort en rapen of wortelen samengesmoord. In Holland noemt men dit herfst-gerecht hutspot. Sedert de opkomst der eerdappelen in de Nederlanden, is (jammer genoeg!) de potharst van de tafel der burgery verdwenen; toch is hy hier en daar in onze noordelike en oostelike gewesten nog bekend en in gebruik. Kiliaan heeft »Pot-harst, Sax. Fris. Sicamb. j. hutspot. Caro iussulenta.”—»Schelharst” is de naam van een ander stuk vleesch. Ook dit woord komt als geslachtsnaam voor, maar dan in verbasterden form, door de vage uitspraak der r, byzonder der ar, by de saksische Nederlanders. Te weten als Schelhaas. Nevens den geslachtsnaam Spek komt ook Van der Spek voor, en Van den Ham naast het enkele Ham.—»De Ham”, vooral »De Westfaalsche Ham” was oudtijds als huisnaam niet zeldzaam, en staat nog heden te Haarlem in den Anegang. Daarenboven heeft het woord ham nog eene algemeen-aardrijkskundige beteekenis, en formt als zoodanig aardrijkskundige namen. Vele dorpen en buurten in de verschillende nederlandsche gewesten dragen den naam van Ham en Den Ham, ook in samenstellingen (Drogeham, Blankenham, IJsselham). De geslachtsnaam Van den Ham zal dus waarschijnlik, even als Ten Ham en Hamstra, afgeleid zijn van dit algemeen-aardrijkskundige woord.

Namen van spyzen en gerechten, uit het plantenrijk herkomstig, ontmoeten wy in de geslachtsnamen Kool en Cool, Buiskool, Boerkool, Warmoes, Koolmoes, Witteboon, Gort, Gortworst en Potjegort. Nevens den naam Witteboon komt ook Bonewit voor; beide deze namen zijn aan israëlitische maagschappen eigen. Is de naam Witteboon misschien door een spelend vernuft aangenomen als een ommekeer, een tegenhanger van den reeds bestaanden naam Bonewit? En is deze laatste naam misschien weêr eene verbastering van den eveneens voorkomenden maagschapsnaam Bonewitz, die van slavischen oorsprong is? Zie § 164. In Kool en Cool kan ook de oud-germaansche, door Förstemann vermelde mansvóórnaam Colo schuilen. Zie bl. 102. Nevens Boerkool komt ook de geslachtsnaam Boerkoel voor. Deze laatste naam schijnt my toe niet eene verbastering te zijn van den eerstgenoemden, maar veeleer te behooren tot de koel- (kuil) namen, op bl. 256 en 289 opgenoemd.

Om al deze namen van spyzen en gerechten te besluiten, moet hier nog de geslachtsnaam Braspot vermeld worden, die (brassen = smullen) de kroon op alle voorgaanden zet. En dan, als toegift, noemen wy hier nog de geslachtsnamen Mostert, Olie, Oly en Honig. Vooral de laatste naam is geenszins zeldzaam, en komt in allerlei formen en spelwyzen voor, als Honingh, Honing, Honigh, Hooning en Heuninck.

Van de spyzen tot de dranken overgaande, vinden wy dat bier en wijn, ook in samenstellingen, almede hun aandeel hebben moeten leveren tot het formen van geslachtsnamen. Die woorden komen voor in de geslachtsnamen Bier, Wijn en De Wijn. Vervolgens in Zuurbier (de hoogduitsche form Sauerbier komt ook in Nederland voor) en Soetbeer, hetwelk een platduitsche form is. Beer, in plaats van bier, komt ook in den geslachtsnaam Beerstecher, zie bl. 183 en 311, voor. Verder nog Scherpbier, Dunbier en Dunnebier en Coelenbier met Coelembier. Een byzondere soort van bier dat oudtijds te Groningen gebrouen werd, droeg den naam van Kluun, verhollandscht tot Kluin. Van daar dat het vrachtschip van Groningen op Leeuwarden, het welk oudtijds geheele ladingen van dat veelbegeerde bier bewesten Lauers bracht, in laatstgenoemde stad nog steeds den naam draagt van »kluunskip”, kluinschip. En van daar dat het pijnlike voeteuvel (podagra), dat men zich op den hals, of beter in den voet haalt door onmatig bierdrinken, in het Friesch den naam draagt van »kluunskonk82 Kluun en Kluin zijn twee geslachtsnamen, in de noordelikste gewesten inheemsch.

Nevens Zuurbier treffen wy den geslachtsnaam Soerewyn aan, een friesche en saksische form van »zurewijn”. En als de weêrga van Coelenbier de geslachtsnaam Koelewijn. Andere formen van laatstgenoemden naam vertoonen nog de geslachtsnamen Koldewyn en Kollewyn.83 Maar de geslachtsnamen Coldewey, Kollewei en Kohlwei verwarre men er niet mede. Dezen immers hebben eenen gants anderen oorsprong en beteekenis; het zijn plaatsnamen. Aan verschillende gehuchten in de friesche streken van Oldenburg, in de gemeenten Ferwert of Fedderwarden, Berne, Grootkerk of Hohenkirchen, is deze plaatsnaam eigen. De geslachten die thans in de Nederlanden deze namen voeren, zullen oorspronkelik in genoemde gehuchten gezeten geweest zijn. Als de naam van eene byzondere soort van wijn, die oudtijds door de Nederlanders gedronken werd, komt de geslachtsnaam Romeny voor; en Rummenie, dat slechts eene andere schrijfwyze is van het zelfde woord. Men vergelyke hier echter bl. 210.

Ten slotte noem ik hier nog de geslachtsnamen Koekenbier en Bierenbroodspot. De eerste toont ons een oorbeeldig boerenonthaal. De laatste is de naam van het dageliksche morgen- en avondgerecht onzer voorouders. Roggenbrood, vooral ook roggentweebak, in dunbier gebrokkeld en te zamen verwarmd, dat was »de bier-en-broodspot”, die oudtijds zoo hoog in achting stond, dat hy wel op gevelsteenen en als huisnaam voorkwam, en dat hy zelfs, vermoedelik langs dien weg, geslachtsnaam geworden is.

§ 141. Als geslachtsnamen, die oorspronkelik de namen zijn van kleedingstukken, noemen wy in de eerste plaats Jas (met Van der Jas), Buis en Buys, Broek, Hoos, Das, Mantel, Schorteldoek en Borstlap. De oorspronkelike beteekenis der drie laatstgenoemde namen als kleedingstukken, is buiten twyfel. Niet alzoo is het met de anderen. Jas immers is ook als verkorting van den mansvóórnaam Jasper in gebruik. In Buis en Buys kan ook een mansvóórnaam schuilen, en wel de zelfde die voorkomt in de patronymikale maagschapsnamen Buysing, Büsink, Bussing, Bussink, Buissink, Buisinga, Buisma, Busma, Buyssens, Buyse, Buizen, Buyze, enz.; in verkleinform als Buyskes, Busken en Buska (zie echter bl. 270). Namelik de oud-germaansche mansnaam Buso, door Förstemann vermeld.—Broek kan men ook rekenen tot de namen van algemeen-aardrijkskundigen oorsprong (zie bl. 281), even als men Das tot de diernamen kan tellen. De beteekenis van het woord hoos, als kleedingstuk, zweeft tusschen die van onze hedendaagsche woorden broek en kous. In het hedendaagsche Friesch heeft hoas de beteekenis van kous. Maar in Holland had in de middeleeuen hoos de beduidenis van een kleedingstuk, dat bestond uit broek en kousen aan één stuk, gelijk men in die tyden droeg. Buitendien zoude men den geslachtsnaam Hoos nog kunnen voegen by die welke in § 138 vermeld zijn, omdat hoos ook de naam is van een natuurverschijnsel.

Als ontleend aan de namen van byzondere soorten van kleedingstukken noemen wy nog de maagschapsnamen Ruygrok en Ruifrok, Ruigrok en Ruyfrok, allen het zelfde beteekenende. Immers ruig, ruif, ruw zijn niet aleen woorden van de zelfde beduidenis, maar ook van den zelfden oorsprong. Ook zijn deze namen al van oude dagteekening. Volgens het tijdschrift De oude Tijd, jaargang 1869, bl. 206, komt reeds in eene oorkonde van den jare 1435 zekere Jan Ruychrock voor.—Verder Langerok en Langerock, Zwarterok, Blontrock en Schoonrok, Witjas, Bontemantel, enz. Oudtijds was »De Bontemantel” een huisnaam die meermaals voorkwam; volgens Van Lennep en Ter Gouw onder anderen te Amsterdam, Antwerpen en Delft. Als geslachtsnaam komt Bontemantel, waarschijnlik aan eenen huisnaam ontleend, reeds in het begin der jaren 1500 voor. Een der eerste ontginners van het Bilt in Friesland droeg dezen naam. En deze naam is daar weêr gegeven aan het huis door dien man geboud en bewoond, en als huisnaam, daar tot op den huidigen dag in wezen gebleven. In dit geval heeft dus eerst een huis den naam gegeven aan eenen man, en later is die naam weêr van den man op een huis overgegaan.

In sommige nederlandsche gouspraken, vooral in die van onze noordoostelike gewesten, draagt een mansbroek den naam van bokse. Of de zonderlinge geslachtsnaam Vixseboxse, dien ik anders niet en weet te verklaren, met dat woord in verband staat? En dus fiksche broek beduidt? In dit geval zou deze naam zoo zonderling wezen, dat ik dit naueliks aannemen durf. Trouens, aan zeer zonderlinge namen hebben wy geen gebrek. § 147 en vervolgens leert dat voldoende. Daar zijn er nog wel zonderlinger vermeld dan Vixseboxse, ook al neemt men bovengenoemden oorsprong aan. De geslachtsnaam Kousbroek, die in Vlaanderen in den byzonderen form Van Causbrouck voorkomt, doet aan de middeleeusche hozen, op de vorige bladzyde vermeld, denken. Of aan de geslachtsnamen Blaauwbroek, Bruynbroeck, Wittebrouck en Rybroek de naam van het kleedingstuk ten grondslag ligt, of wel het algemeen-aardrijkskundige woord broek = moeras, is moeielik uit te maken. Ik houd het laatste voor het waarschijnlikste. In Van Swartenbrouck is dit zekerlik het geval. Maar in den als patronymikon voorkomenden geslachtsnaam Swartenbrouckx is het weêr twyfelachtig. Ook is de oorsprong en eigenlike beteekenis van den maagschapsnaam Geuzebroek, waar aan toch hoochst waarschijnlik wel een plaatsnaam ten grondslag ligt, my onbekend gebleven.

Als geslachtsnamen ontleend aan de woorden die hoofddeksels en voetbekleedsels aanduiden, vermeld ik hier: Hoed, Hoet en Hoedt met D’Hoedt, Den Hoed en Den Hoedt. In Ten Hoet schijnt een plaatsnaam te schuilen, dien ik echter niet aanwyzen kan.—Verder Geelhoed en Zwarthoed, met de hoogduitsche namen Grünhut en Schönhuth, die ook in de Nederlanden voorkomen. Ook Pet, Muts en Dubbeldemuts. Dan Laars en Leers, Schoen en Schoe. Deze laatste naam vertoont den oorspronkeliken, zuiveren, eenvoudigen form van het woord. De maagschapsnaam Schoegje vertoont den byzonderen verkleinform (in plaats van »schoentje”), welke in Friesland zoo wel als in het Overmaassche by Dordrecht, der volksspreektaal eigen is. Van der Laars zal oorspronkelik wel de bynaam geweest zijn van eenen leersemaker, even als Van der Jas die van eenen kleêrmaker. Maar deze geslachtsnamen kunnen ook aan huisnamen ontleend zijn. Immers gevelteekens als »De Roode Leers” of »De Rylaers” kwamen oudtijds niet zeldzaam voor.—Ook behooren hier nog vermeld te worden de maagschapsnamen Klomp, Trip (eene muil met houtene zool) en Schaats.

Gedeelten van kleedingstukken leenden hunne namen aan de geslachtsnamen Knoop en Cnoop (die ook in patronymikalen form als Knoops en Cnoops voorkomen), Roksnoer en Mouw. Raadselachtig is my de geslachtsnaam Der Mouw, wegens dat voorvoechsel der; een oud lidwoord? of het verbogene vrouelike lidwoord? By de vier knoopnamen zal men wel liefst te denken hebben aan den mansvóórnaam Knoop of Cnoop, die oudtijds wel in de Nederlanden voorkwam. (Zie De Navorscher, XXII, bl. 566 en 574). Ten slotte komen de namen van kleedingstoffen nog voor in de geslachtsnamen Bommezijn, Chits, Flanel, Katoen, Scharlaecken, Vijfschaft en Witdoeck. Vijfschaft (Fiifskaft) is de friesche en friso-saksische naam van zekere wollen stof die oudtijds door de landlieden in onze noordoostelike gewesten geweven werd. Zy heette alzoo naar hare byzondere wyze van samenstelling. De geslachtsnaam Vijfschaft is dan ook in Drente inheemsch, waar ook nog fiifskaft gedragen wordt. Waarschijnlik zijn al deze namen oorspronkelik bynamen geweest van lieden die in zulke stoffen handel dreven. De naam Witdoeck is aan verschillende geslachten in de zuidelike gewesten eigen. Hy komt daar ook in de spelling Wittouck voor, en tevens in de patronymikale formen Witdouckx en Wittoucx.

J. Geslachtsnamen, afgeleid van de namen van munten, geldsoorten, maten en getallen.

§ 142. De geslachtsnamen die geformd zijn uit de namen van munten en geldsoorten, maten en getallen, hebben gewis ook, althans ten deele, hun ontstaan te danken aan gevelteekens en huisnamen. Voor een ander deel ook aan bynamen, die uit de eene of andere oorzaak, welke nu niet meer na te speuren is, oudtijds dezen of genen man gegeven waren. Dat eene oud-amsterdamsche maagschap, uit de 16de eeu, haren naam Reael ontleende aan »De gouden Reael” (een muntstuk uit dien tijd), zoo als het huis heette aan het Damrak te Amsterdam, waar Laurens Jacobsz. de stamvader van dit geslacht woonde—is bekend. En zoo zal het ook wel gegaan zijn met andere geslachten, die tegenwoordig den naam van een muntstuk of iets dergelijks, als naam voeren.

Om met de kleinste munten te beginnen, vermelden wy eerst de geslachtsnamen Penning en Penninck, en, nog geringer, Kleinpenning. Gering is ook de beteekenis van den naam Schimmelpenninck, al wordt hy door een aanzienlik geslacht gedragen. Een penning echter, die men zoo lang in eenen spaarpot bewaard had, dat hy er beschimmeld uitkwam, was by onze zuinige voorouders, als een bewijs van spaarzaamheid, in hooge weerde. In den form Schimmelpenning is deze geslachtsnaam almede by ons inheemsch. Ook de hoogduitsche form van dezen naam komt in Nederland voor, als de geslachtsnaam Schimmelpfennig; buitendien ook nog versleten als Schimmelpfeng. Minder in achting was de kwade, dat is de valsche penning, die nog in den geslachtsnaam Quapenninck leeft. Zulk een kwade penning werd oudtijds in den winkel waar hy aangeboden of ontdekt werd, met eenen spyker doorgeslagen en aan de toonbank of den toogdisch bevestigd. In de vorige eeu was dit nog in Friesland in gebruik, en dat men het ook in Vlaanderen deed, bewijst dit vlaamsche rijmke, dat tevens den oorsprong van den geslachtsnaam Quapenninck buiten twyfel stelt:

Slaet al wat kwapennink is

Slaet kwapennink aen den disch!

Dat van Brugge tot aen Gent

Heer Kwapennink sta bekend!

Als dat hy kwapennink is!

Slaet kwapennink aen den disch!

De speelpenning had geen eigenlike weerde. Hy was dan ook in den handel niet gangbaar, en vertegenwoordigde slechts eene ingebeelde weerde als hy by eenig spel diende, op de wyze der hedendaagsche beenen vischjes, die men in kwaad fransch wel fiches belieft te noemen. Duitsche speelpenningen, met den stempel »Spielmarke” er op, waren in myne jeugd te Leeuwarden nog in gebruik. In den geslachtsnaam Speelpenning is dit woord bewaard gebleven. De braspenning was in den ouden tijd een muntje, waar men, in die goedkoope dagen, voor »brassen”, smullen kon. Zóó althans verklaart de volksmond dezen naam, by de overlevering van den metselaar die aan St.-Jans-kerk in ’s Hertogenbosch arbeidde, en die den pot met groene-erwten-soep, welke zyne vrou hem als zijn middagmaal bracht, verachtelik omschopte, terwijl hy uitriep:

»Is dat eten voor eenen man.

Die daags eenen braspenning verdienen kan?

De geslachtsnaam Braspenning (zie ook Braspot op bl. 423) komt nog heden ten dage voor. Meer als in al deze enkele penningen leit er opgesloten in den geslachtsnaam Tweepenninck, die ook in patronymikalen form, als Tweepenninckx voorkomt.

Voor wy tot de namen van andere munten overgaan, dient hier nog vermeld, dat men in den geslachtsnaam Penning en Penninck niet onvoorweerdelik den muntnaam zien moet. Immers kan deze naam evenzeer een oud patronymikon zijn van eenen oud-germaanschen mansvóórnaam Penne (Pinne), dien ik wel niet afsonderlik, en als zoodanig, in eenig oud geschrift aantoonen kan, maar die toch zekerlik in gebruik geweest is. Dit blijkt zonder eenigen billiken twyfel uit de geslachtsnamen Penninga en Pennenga, die in Friesland inheemsch zijn. Alsmede waarschijnlik uit Pens, en uit Penninckx in Vlaanderen, uit Penning in Engelland voorkomende, en uit Penninkhof. Verder uit den westfaalschen geslachtsnaam (Von) Pinning, uit den naam van het uitgestorvene oud-friesche geslacht Pingia (dat is eene samentrekking van Pinninga), en misschien ook uit den groningerlandschen geslachtsnaam Pynema, en uit Pienemann. In de plaatsnamen Pennington in Hantshire (Engelland); Pennigbüttel, een dorp by Osterholz in Hanover; Pennigsehl, een dorp in Hoya (Hanover); Pingjum, dat is Pingia-hum, Pingia-heim, Pinninga-heim, woonplaats der Pinninga’s, der Pinningen, der afstammelingen van Pinne, zoo als een dorp heet in Friesland (Wonseradeel); en in Pinning, een dorp by Landau in den Beierschen Palts, komt deze oude mansnaam Penne, Pinne eveneens voor.

Van de penningen tot de duiten en centen overgaande, vinden wy de geslachtsnamen Drieduiten, Duit en Duitgenius, met Deutgenius, Cent en Centen.—Deutgenius houd ik voor eene verlatynsching van Deutgen, en dit is eene oude spelwyze van het woord duitje. Men zie bl. 110, en Van Lennep en Ter Gouw, De Uithangteekens, dl. II, bl. 193, waar wy lezen van »een brabantsch muntje, dat de waarde had van een kwart groot oft deutgen (duitje)”. Deutgen is ook als geslachtsnaam bekend. De geslachtsnaam Cent echter en heeft oorspronkelik met den naam onzer hedendaagsche pasmunt niet te maken, maar is eene volkseigene verkorting van den kerkeliken mansvóórnaam Vincent (Vincentius). En Centen is daarvan een patronymikon, op de wyze als in § 40 vermeld is. De volle vadersnaam Vincenten komt ook als geslachtsnaam voor.

»De Stuiver” kwam reeds in de 15de eeu als uithangteeken voor. Reeds in het midden dier eeu had dit huisteeken zynen naam gegeven aan eenen burgemeester van Amsterdam, Hendrik Dirksz. Stuyver. En omstreeks eene eeu later was zekere Gerrit Stuiver burgemeester van Haarlem.84 Nog heden komen de geslachtsnamen Stuiver en De Stuyver voor, alsmede Kroonstuiver, dat zeker de naam is van eene byzondere soort van stuiver, in stempel of muntslag verschillende van den gewonen.

De stooter is geen eigenlike munt; het is de volksnaam voor eene geldsweerde van 12–1/2 cent. Dit woord formt den geslachtsnaam Stooter, die ook als patronymikon, Stooters, voorkomt. Verder zijn nog de geslachtsnamen Daalder, Gulden en Ducaet muntnamen die geen naderen uitleg eischen, evenmin als Duyzenddaalders. Maar deze laatste naam is eigenlik een basterdvloek, en staat in de plaats van »duizend donders!” Het schijnt dat de man die eerst den zonderlingen naam Duyzenddaalders voerde, dezen basterdvloek zoo dikwijls in den mond genomen heeft, dat hy er eenen bynaam van kreeg. Schild of »schilt”, »scilt”, was de naam van zekere oude munt, en dit woord bestaat nog in den geslachtsnaam Vijftigschild, die ook door afslyting zyne laatste letter verloren heeft, en als Vijftigschil voorkomt. Misschien ook in den enkelvoudigen geslachtsnaam Schilt; zie bl. 364.—In de middeleeuen berekende men de kleine munten, de penningen, ook by het gewicht. Van daar nog de geldsweerden die men noemt »een pond sterling”, in Engelland, »een pond vlaamsch,” in sommige nederlandsche gewesten (Zeeland) nog in gebruik, enz. Deze ponden gelds vindt men nog terug in de geslachtsnamen Tweepondt, Driepont en Dryepondt, Tienpont, Thienpondt en Thienpont. De geslachtsnamen Vijfstuk, Vijffstuk en Grootstuk met het door verbasterde uitspraak misspelde Grautstuk, meen ik ook tot de muntnamen te moeten brengen. Misschien ook Grevenstuk, met welken naam men een »gravenstuk”, eene grafelike munt kan hebben aangeduid.

Algemeene geldnamen zijn nog Kleingeld, Nievergeld en Offergeld met Offergelt en den versletenen form Offergel.—Nievergeld, misspeld voor Nieuwergeld, is Nieuwgeld, nieu geld; even als Niervaart = Nieuwervaart; Nieuwer-Amstel, in de uitspraak ook dikwijls Nieveramstel, enz. Eindelik zoude men de geslachtsnamen Smytegeld, Grijptenduit (zie § 150), ook Met de Penningen en Mettepenningen, ook nog tot de geldnamen kunnen brengen.

§ 143. Slechts weinige geslachtsnamen zijn oorspronkelik de namen van maten. De oorsprong van het grootste deel dezer namen is zekerlik wel in huisnamen te vinden. Zoo was er voor weinige jaren nog te Haarlem een huis dat »De Houtmaat” in den gevel voerde. En als eene woordspeling met het bevel: »houdt maat!” stond er op dien gevelsteen in geestig rijm:

“Want het is een wijs man

Die de maet houden kan.”

Deze aardige gevelsteen is door Van Lennep en Ter Gouw onvermeld gelaten. Daarom heb ik aan zyne beschryving hier een plaatske ingeruimd. Geslachtsnamen, tot deze groep behoorende, zijn Mudde, Schepel, Zoutmaat en Havermaet. Het hoogduitsche Biermasz is my ook in Nederland voorgekomen. Verder nog Goedmaat en Vierendeel met den patronymikalen form Vierendeels. De beteekenis van den naam Goedmaat is niet zeker. Hy zoude ook kunnen beduiden: goede maat, in de beteekenis van goede vriend, en dus een weêrga zijn van den geslachtsnaam Goedvriend; zie § 144.

Zonderling genoeg, en, wat hun oorsprong betreft, voor my vry duister, zijn die geslachtsnamen, welke uit de namen van getallen bestaan. Daarvan zijn de volgenden my bekend: Drie, Zeven, Dertien (ook in patronymikalen form Dertiens), Zestiene, Achttien en Agtien, Sestig, Honderd en Duizend, met den hoogduitschen form Tausend, die almede hier te lande voorkomt. De geslachtsnaam Drie zoude ook zeer wel oorspronkelik de naam kunnen zijn van het gehucht Drie, by Ermeloo op de Veluwe. De geslachtsnaam Van Drie is zonder twyfel aan dien plaatsnaam ontleend. Zoo ook dankt de geslachtsnaam Van Agt zynen oorsprong niet aan het getal acht, maar aan het dorp Acht, in de noord-brabantsche Kempen gelegen. De geslachtsnaam Zeven eindelik zoude oorspronkelik ook een oud-germaansche mansvóórnaam kunnen zijn, de zelfde als de naamstam Sew, door Förstemann vermeld, en die ook oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamen Sevensma en Zevensma in Friesland, en Sevens in Vlaanderen.

K. Geslachtsnamen ontleend aan de verwantschap en de onderlinge betrekkingen der menschen.

§ 144. Het is reeds van ouds her in gebruik geweest om twee personen, die den zelfden naam droegen, van elkanderen te onderscheiden door eenen bynaam, ontleend aan de byzondere betrekking of verwantschap waar in die personen tot elkanderen, of ook tot anderen stonden. Had een vader b. v., die Karel Van Dijk heette, zynen zoon ook Karel genoemd, dan kreeg die vader eerlang, als zijn zoon volwassen werd, ter onderscheiding den bynaam van de Vader; Karel Van Dijk De Vader noemde men hem ter onderscheiding van den jongen Karel Van Dijk. Of ook, als oom en neef den zelfden naam droegen, dan gaf men aan laatstgenoemden wel den bynaam van de Neef. Andere soortgelyke benamingen, als Vondeling, Bastaard, Voogd, Jongeling, Grijsaard, Vriend, Buurman, enz. aan de betrekkingen of verhoudingen der menschen onderling ontleend, werden almede als bynamen gegeven. Velen van die bynamen zijn van den vader op den zoon overgegaan, zijn vaste toenamen gebleven, en eindelik vaste geslachtsnamen geworden. Deze byzondere geslachtsnamen formen eene eigene groep. De volgende namen breng ik daar toe:

Vader, by zeer gebruikelike samentrekking De Vaar en De Vaere, als patronymikon ook Vaders. Waarschijnlik beteekent de reeds in de 15de eeu voorkomende geslachtsnaam De Veer oorspronkelik even eens de Vader. Immers is veer, feer voor vaar, faar, vader, fader, father, oud-friesch ook fether, eene oude noord-hollandsch-friesche uitspraak. Nog heden ten dage luidt het woord vader in den byzonderen frieschen tongval der stede Hindeloopen als feer. Verder Kind, met ’T Kint en ’T Kindt, De Kyndt en Jongkind met Jongkindt. De maagschapsnamen Veefkind en Vollekindt behooren zekerlik ook tot deze groep. Ik kan ze niet verklaren. Over Daenekindt zie men bl. 194. De geslachtsnaam Der Kinderen is op bl. 168 reeds besproken, en De Jong, De Oude, enz. met de talryke verscheidenheden van die namen welke in zekeren zin ook tot deze groep kunnen gebracht worden, zijn op bl. 339 reeds vermeld. De geslachtsnamen Den Oudsten en De Jongste, met Jongste, als in het byzonder de verhouding van broeders onderling aanduidende, dienen hier ter plaatse niet onvermeld gelaten te worden. Ook Jongezoon en ’T Jonck moeten hier vermeld, benevens den byzonderen patronymikalen form ’S Jongers, dat is: des jongers, des jongers (zoon), de zoon van den jongeren (broeder); zie bl. 185. Andere broedernamen zijn nog Broeder, Den Broeder, Oolbroer (een versletene saksische form, ool’ broêr, ool’ broeder, old broeder, oude broeder; zie op bl. 50 den naam Ool-Bekkink). Verder Stillebroer en Bestebroer, en in verkleinform, tevens met de klankwyziging (umlaut), in de frankische en saksische tongvallen gebruikelik, Bestebreurtje. De patronymikale geslachtsnamen Broers, Broeren, Broere, Broersma en Broersema meen ik niet van het woord broeder te moeten afleiden, maar van den mansvóórnaam Broer (zie bl. 175). Zoo ook komt het my aannemeliker voor om de geslachtsnamen Oome, Oomen, Ooms, Oomsz, Omenga, met de verkleinformen daarvan Ohmken en Oomkens, allen patronymikale formen, niet af te leiden van het woord oom, maar van den mansvóórnaam Ome, die nog heden wel eene enkele maal in onze friesche en saksische gewesten voorkomt, en die een byform is van Omme, Ommo, Ummo, Umo, allen oud-germaansche mansvóórnamen. Zie bl. 138.

De maagschapsnamen Peetoom echter, De Peet en De Peter laten geen twyfel over aan hunne oorspronkelike beteekenis. Als weêrga van deze namen bestaat er in Vlaanderen de geslachtsnaam De Vaddere. »Vadder” is in het Oud-Vlaamsch het zelfde wat men thans peter, gevader, godvader noemt (zie Guido Gezelle’s tijdschrift Loquela, jaargang III, 1883, bl. 11). En even duidelik wat hun oorsprong en beteekenis aangaat, zijn ook de maagschapsnamen De Neve, Den Neef, Neef, die ook in de zuidelike Nederlanden half verfranscht voorkomen als Deneve en Denève. Verder de verkleinform van dit woord, als patronymikon, Neefjes, en eindelik de oud-fransche form daar van, die ook in de Nederlanden als geslachtsnaam voorkomt, Nepveu. Of de geslachtsnaam Swagerman ook tot deze groep behoort, in de beteekenis van zwager = aangehuwde verwant, bepaaldelik geen bloedverwant, is niet zeker. Swagerman zoude ook kunnen beteekenen: een man van de Swaag, een inwoner van een der dorpen die de Zwaag heeten. Zie bl. 269 en 270. Iedereen verstaat ook de geslachtsnamen De Wees, De Weze, met het gewestelik-hollandsche Weesie (zie § 156), en met de half-verfranschte formen, die in de zuidelike Nederlanden voorkomen: Dewez en De Vèze. Ook Van Wees en Van der Wees, namen die van eenen byzonderen of algemeen-aardrijkskundigen naam Wees schynen afkomstig te zijn, maar die my onduidelik blyven. Verder De Moerloose en, in eenigszins verbasterden form De Morloose, dat is: de moederlooze.—Een halve wees is ook het kind dat na zijns vaders dood geboren wordt. Zulk een kind noemden de Romeinen een »postumus” of »postuma,” al naar dat dit kind een knaapje was of een meiske. De maagschapsnaam Posthumus is zekerlik oorspronkelik gegeven aan zulk eenen nageborenen knaap. Maar met den geslachtsnaam Posthuma acht ik dit niet het geval; dat men een nageboren meiske Postuma noemde, is zeer wel mogelik, maar die naam kon toch later niet op hare zonen overgaan! De maagschapsnaam Posthuma is in Friesland inheemsch. Zoude hy niet een versierde, quasi-latynsche form zijn van den eveneens aan een friesch geslacht eigenen naam Postma? Ook Postmus komt in Friesland voor, nevens Posthumus. Verder nog Postema en Postsma. Waarschijnlik is er verwarring onder al deze namen, door onverstand ontstaan en door verwisseling en verbastering van Oud-Friesch en Latyn, by toevallige overeenkomst in form en klank. Hoe het zy, ik kan geenen uitweg vinden uit den doolhof van deze geslachtsnamen.

By den wees behoort zijn voogd, en dit woord treffen wy aan in de geslachtsnamen Voogt, De Voogt, De Vooght, in hoogduitschen form als Vogt voorkomende, en ook als Voigt, het welk eveneens eene hoogduitsche spelwyze vertoont, maar in den verouderden form die ook nog gebruikelik is in de benaming van het Voigtland, eene gou in het koninkrijk Saksen. Duidelik is ook de maagschapsnaam Vondeling. En de namen Vindevogel, Vindevoghel met het patronymikale Vindevogels hebben de zelfde beteekenis. De drie laatstgenoemde namen komen in de zuidelike Nederlanden voor, en het woord »vindevogel” heeft ook juist in de volksspreektaal der vlaamsche en brabantsche gewesten de beteekenis van iets dat gevonden wordt in het algemeen. Ook behoort tot deze groep van namen de geslachtsnaam Vindelinckx (waarvan Windelincx een uit misverstand ontstane verbastering schijnt te zijn), die mede in de zuidelike gewesten t’ huis behoort. Het is een patronymikale form van het woord »vindelink,” vindeling, vondeling. Zonderling genoeg, heeft men in den maagschapsnaam Van de Vondel, die nog heden ten dage in de zuidelike Nederlanden, waar hy trouens oorspronkelik inheemsch is, ook nog als Van Vondelen, Van den Vondel, Van der Vondelen en Vervondel voorkomt, eene toespeling meenen te vinden op het woord vondeling. Zoo hadden de Regenten van het Aalmoeseniershuis te Amsterdam, in de laatste jaren der 17de eeu wel eens de aardigheid om vondelingen doopen te laten met den naam Joost of Joostje, al naar gelang dat het kind een jongen was of een meiske. Zy deden dit in toespeling op den naam van onzen grooten dichter Joost Van den Vondel. Intusschen heeft deze geslachtsnaam, in de verschillende formen waarin hy voorkomt, niets met de woorden vinden en vondeling te maken. Immers het woord vondel heeft in deze woorden de beteekenis van een klein, smal brugje, meestal uit eene enkele plank bestaande, die in een voetpad over eene sloot ligt. Men zegt ook vonder en zelfs wel vlonder. De maagschapsnamen Van de Vondel, enz. behooren dus by die welke van algemeen-aardrijkskundigen aard zijn, en in § 105 vermeld werden.

Men is wel verlegen, welke geslachtsnamen men aan vondelingen geven zal, en komt er dan wel toe om namen te ontleenen aan byzondere zaken die by het vinden van het kind aan den dag kwamen, of daar mede in verband stonden. Een voorbeeld daar van is op bl. 412 reeds vermeld. Een ander voorbeeld is my bekend, waar men aan den vondeling den naam van de straat, waar hy gevonden was, als geslachtsnaam gaf. Een derde voorbeeld vind ik in het volgende bericht, voorkomende in het brugsche nieusblad »Burgerwelzijn,” in het nummer van 21 Mei 1884: »Zondagnacht, rond 12 ure, heeft de genaamde A. V. E. te Zuidschote, een pas geboren kind gevonden, dat in een pander verborgen was. Den maandag namiddag is het gedoopt, en het kreeg de namen van Renilde Marie van Pander.”—Zuid-Schote is een dorp in West-Vlaanderen, en een »pander” of »paander” is, in de westvlaamsche gouspraak, een korf of mand.

De maagschapsnamen Basterd, met het half-verdietschte, oorspronkelik fransche Battaerd (bâtard), en Banckaert met Bankert geven getuigenis dat zy oorspronkelik toenamen geweest zijn voor kinderen van zoogenoemde onechte geboorte. Immers dat is de beteekenis dier namen.

De betrekkingen der menschen onderling, van maatschappeliken aard, hebben ook aanleiding gegeven tot het ontstaan van geslachtsnamen. Als zoodanig vermeld ik hier de namen: Vriend, Vrind, De Vriendt en De Vrient, Goedvriend en Cortvriendt, De Macker en misschien ook Slaap. Immers is slaap (bepaaldelik sleep, slep of sliep in de westfriesche taal) het woord dat oudtijds in Noord-Holland en Friesland in gebruik was voor vriend, namelik waar het de byzondere vriendschap tusschen twee jongelingen gold. Op onze westfriesche eilanden (Wieringen, Ameland) is dit woord nog in die beteekenis bekend. (Zie mijn Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon, dl. I, bl. 485 en dl. II bl. 30). Verder De Gast, Buur, Buurman, en Nabuurs als patronymikon. In onze oostelike gewesten (de graafschap Zutfen, Overijssel, Drente) is naber het woord dat voor het hollandsche en friesche buurman, bûrman, voor het vlaamsche gebuer in gebruik is. Dit is de saksische form waaronder dit woord optreedt, en die overeenkomt met het hoogduitsche nachbar en het engelsche neighbour. De Schotten zeggen, meer in overeenstemming met de saksische Nederlanders, neebor. Onder dezen form komt dit woord voor in de gedichten van Burns, die in den schotschen tongval van het saksisch zijn opgesteld. Dit oude woord naber komt ook als maagschapsnaam voor (Naber), de weêrga van den geslachtsnaam Buurman. Zoo zijn ook de geslachtsnamen Nieubuur en Niebuur tegenhangers van Ninaber en Nienaber, en met dezen van de zelfde beteekenis; te weten: nieue buurman. Deze buurnamen vinden in de zuidelike Nederlanden hunne tegenhangers in de geslachtsnamen Goetgebuer en Quagebuer (goede en kwade buurman), die in verschillende spelwyzen en formen voorkomen, als Goetgebuur, Goetghebuer, Goetghebeur, Goegebuer, Goegebeur, ook als Goedegebure in Zeeland; en Quaghebuer. Vooral de eerstgenoemde naam is tamelik algemeen in Vlaanderen en Brabant. De goede buren zijn talryker dan de kwaden.

Eenige geslachtsnamen, die byzondere leeftyden en toestanden der menschen vertegenwoorden, mogen almede by deze groep eene plaats vinden. Het zijn Drieling en Vierling, die op eene gemeenschappelike geboorte, by drieën en vieren te gelijk, betrekking hebben. Verder Knaap, Cnaap en Knape, met den patronymikalen form Knaapen, en, als verkleinwoord met de frankische klankwyziging, Kneepkens; dat is: de zoon van den kleinen knaap. Het woord knaap in deze namen kan ook de oude beteekenis van schildknaap, in de middeleeuen gewoonlik enkel cnape, hebben. In dit geval behooren deze namen eerder by die, welke op bl. 325 vermeld zijn. Verder Jongen en Meisje met Meiske, Jongeling, Jöngeling, Jonkman, De Maegdt en Maagdelijn. Zonderlinge namen voor mannen moet men Meisje, Maagdelijn, enz. noemen. Maagdelijn en De Maegdt echter, vooral de laatstgenoemde naam, kunnen ook aan eenen huisnaam ontleend zijn. Huizen immers die de Maagd van Gent, de Dortse Maagt, de Zeeusche Maeght, enz. heetten, kwamen oudtijds in de nederlandsche steden wel voor. En ook nog heden wel; b. v. De Zeeuwsche Maegd te Gent. By deze namen behoort ook de geslachtsnaam Feynt. Immers het woord feint, veint heeft nog heden ten dage zoowel in Friesland als in Zeeland en Vlaanderen de beteekenis van krachtvolle jongeling, jonge man;—niet volkomen in overeenstemming met de beduidenis die de Hollanders aan hun woord vent hechten. Ten slotte nog Vryer, Fryer en De Vryer, Bruidegom en Bruigom, Ouwerling en Grijsaard en het half-verfranschte Grisar. Het woord ouderling (ouwerling, auerlynk) heeft in de zuidelike Nederlanden niet de protestantsch-kerkelike beteekenis die het in de noordelike gewesten heeft, maar beduidt eenvoudig: oude man, in tegenoverstelling met jongeling.

De geslachtsnamen Mensch en Man, Mann, De Man, ’T Mannetje en Mannekens breng ik, als aanhangsel, mede tot deze groep. Ook De Keirel en De Keyrel (in oud-vlaamsche spelling). In dezen naam heeft het woord kerel zeker niet de hedendaagsch-hollandsche beteekenis, maar veeleer de oud-vlaamsche, te weten, die van een vrye landman in het Brugsche Vrye (West-Vlaanderen); zie bl. 421. Aangaande Vrouwes, Der Weduwe, enz. is op bl. 167 en 168 reeds het een en ander medegedeeld.