decoratieve illustratie

decoratieve illustratie

ZESDE HOOFDSTUK.


DE WEDSTRIJD (race, course, rennen).

Eindelijk is dan de lang verwachte dag aangebroken, die door eene overwinning of eervolle nederlaag de kroon op het werk zal zetten. Velen zijn van meening, dat de roeiers op den dag vóór den wedstrijd denzelfden leefregel moeten volgen, dien zij den ganschen trainingtijd hebben gehad; dus de loopoefening, roeioefeningen, enz. ook dien dag waarnemen. Anderen raden aan, dat eene raceploeg dien dag in volkomen rust moet doorbrengen om op die wijze als 't ware dubbele krachten voor den wedstrijd zelf te verzamelen.

Wij zijn het meer eens met de laatsten en kunnen deze methode bij ondervinding als de beste aanbevelen. Een eindje kalm roeien is dan goed, maar alle inspanning moet vermeden worden.

Wat dus nog al eens in de laatste weken van dien tijd gedaan wordt, „het zoogenaamde baantje roeien“, mag op den dag vóór den wedstrijd volstrekt niet geschieden.

Het beste is om alsdan met kalmen slag de baan een paar keeren af te roeien, zoowel voor den stuurman om zijn koers voor den volgenden dag vast te stellen, als voor de roeiers om zich te oriënteeren en aldus in staat te zijn gedurende den strijd hunne krachten verstandig te verdeelen.

Op den voorgaanden dag dus nooit de roeiers afmatten!

Twee uren vóór den aanvang van den wedstrijd gebruiken de roeiers een stevig, maar niet overvloedig maal, bestaande uit vleesch en eieren; en daar de wedstrijden bij ons te lande meestal te 1 ure aanvangen kan dit maal dus gevoeglijk als lunch gelden, en zal er een kop koffie bij kunnen gebruikt worden.

De stuurman begeve zich intusschen, zoo hij dit den vorigen dag nog niet gedaan heeft, naar de regelingscommissie om alle noodzakelijke inlichtingen aangaande afgaan, baan, draaiboeien, passeeren der winboei, enz. te verkrijgen.

Na dan een uurtje met praten te hebben doorgebracht, wordt het al spoedig tijd zich naar het terrein van den strijd te begeven, de boot te water te laten en een oogenblik met kalmen slag op en neer te roeien om de spieren wat lenig te maken.

Daarna gaan de roeiers op een beschaduwd plekje zitten tot het nummer aan den seinpaal wordt geheschen, dat den wedstrijd aankondigt, waarin zij zullen mededingen. Mochten zij alsdan dorst of liever een droge keel hebben, zoo zal een slok spuitwater geen kwaad doen. Men moet echter op den dag van den wedstrijd niet drinken, zoo men er geen bepaalde behoefte aan heeft, en ook dan nog de kleinste hoeveelheden.

De ploeg stapt dus in, zorgt dat de sliding-seats goed loopen; dat het stootleer van den riem goed, doch niet al te rijkelijk gesmeerd is; dat de spoorplank goed vastzit; dat de voetriem geen gevaar loopt te breken; dat de kleederen niet kunnen knellen, doch vrij en los om het lichaam zitten. Nauwlettendheid is hierbij noodig, daar op alle wedstrijden slechts ongevallen, die door de schuld van mededingers zijn veroorzaakt, recht tot reclame geven. De stuurman zorgt, dat zijne stuurlijnen niet doorgesleten zijn op het juk van het roer, dat zijn zitkussen stevig op den bank bevestigd is, zoodat hij er niet mede naar de zijden kan glijden.

Hij bespreekt nog even met den slag eenige zaken, die zij op den vorigen dag hebben overgelegd b.v. welke theorie te volgen met het afgaan, welke draaiboei te nemen, zoo men de keus heeft, op welke punten spurts te maken, enz.

En daar ligt dan de boot aan de afvaartsboei, wachtende op het schot.

De stuurman heeft beide stuurlijnen in zijn eene, de afvaartsboei in de andere hand, gereed om deze los te laten zoodra het schot afgaat en dan de stuurlijnen terstond op de gewone wijze in handen te nemen.

De roeiers moeten zwijgen en op elk woord van den stuurman letten, die natuurlijk zorgt de boot recht te houden in den voorgeschreven koers en daartoe nu bakboord dan stuurboord iets zal laten ophalen of strijken.

De roeiers zien met voorovergebogen lichaam en gestrekte armen recht voor zich uit en hebben slechts op den slag te letten om tegelijk met hem te kunnen beginnen. Daartoe houden zij dan ook voortdurend het blad van den riem in het water.

Wij herhalen het: de roeiers moeten letten op den slag en niet op het schot. Zoo allen op het hooren van het schot willen afgaan, zal de start nooit zoo regelmatig zijn, als wanneer zij slechts op den slag en op niets anders om zich heen letten.

De slag vangt het schot op d. i. hij moet niet wachten, tot het schot heeft weerklonken, doch als 't ware tegelijk met het afgaan ervan zijn slag beginnen. Op dat oogenblik werpt de stuurman de afvaartsboei flink zijwaarts van zich af, zoodat deze in het water en niet in de boot terecht komt. Wij hebben meermalen gezien, dat de stuurman dat touw, aan het einde gewoonlijk van een stuk kurk voorzien, in plaats van in het water, achter zich in de boot wierp, waar het om een latje slingerde en de boot vasthield. De roeiers moesten dan eerst zich aftobben om door wanhopig rukken dat weerspannige touwtje of het latje waarom het zich gedraaid had, stuk te trekken, vóórdat zij zich op weg konden begeven.

Wij behoeven niet te zeggen, hoe zulk een oogenschijnlijk klein en vergeeflijk verzuim van een stuurman een zes weken langen arbeid kan vruchteloos maken.

Dus het schot heeft weerklonken en pijlsnel schiet de boot voorwaarts. Van dat oogenblik af hebben de roeiers slechts op den slag te letten; zoo hij het tempo versnelt, moeten zij hem hierin terstond volgen; zoo hij het aantal slagen vermindert, ook hierin één met hem zijn; van praten onder den wedstrijd mag geen sprake zijn; slechts de slag zal nu en dan aan den stuurman zijn wil door een wenk te kennen geven, zoodat deze laatste op elke beweging van den slag moet letten, geene vragen aan hem zal doen, waarop het antwoord uit eenige woorden moet bestaan, doch zijne vraag aldus inkleeden, dat een knik van den slag voldoend antwoord is.

Op wedstrijden heeft ieder wel stuurlieden in functie gezien, die door ontzettend te schreeuwen hunne roeiers aanvuren en schor van die inspanning aan land stappen. Dat schreeuwen is natuurlijk tot niets nuttig en zal slechts den lachlust van het publiek kunnen opwekken. Wèl kan het kwaad doen: namelijk de roeiers reeds in het begin tot te groote inspanning verleiden, en niets is op een wedstrijd gevaarlijker dan dat.

Daarom, stuurman, spreek kalm tot uwe roeiers. Het zullen natuurlijk meestal personen zijn, die gij goed kent, zoodat gij allicht weet, welke snaren in hun gemoed moeten worden aangeroerd om hun moed in te boezemen; en dan zal het wèl zooveel indruk maken, zoo gij hen dit kalm en flink toevoegt, dan indien gij met een rood gelaat als een bezetene zit te brullen en te springen.

Thans nog het een en ander over het afgaan.

Vraagt men, wat beter is: terstond alle krachten in te spannen om van den aanvang af de leiding op zich te nemen of in het begin niet al te veel „er op te zetten“, teneinde dan later te toonen wat men kan, zoo zouden wij hierop in het algemeen geen antwoord willen geven, maar wel na eerst de ploeg te hebben leeren kennen, waarvoor het gevraagd wordt.

Eene ploeg, uit zenuwachtige personen bestaande, zal, zoo zij vóór is, al terstond rustiger gestemd worden en dus beter samenwerken. Voor zulke roeiers is het derhalve wel wenschelijk, om, zoo het niet al te veel inspanning moet kosten, reeds in den aanvang vóór te komen. Vooral voor jonge roeiers dus zal dit meestal verkieslijk zijn.

Wat daarentegen ervaren, bedaarde roeiers betreft, die er zich in 't minst niet om bekommeren of zij aanvankelijk vóór of achter zijn, die met een glimlach toezien hoe hunne tegenstanders in woeste vaart hen voorbijvliegen en hunne krachten in het begin verspillen, zulke roeiers zouden wij altijd aanraden flink maar kalm af te gaan.

Wij hebben eene bepaalde baan steeds in korteren tijd afgelegd, wanneer wij bedaard vertrokken en al ons kunnen in het laatste gedeelte legden, dan zoo wij hard afgingen en de baan, naar ons gevoel althans, toch ook konden uitroeien.

Het spreekt van zelf, dat ook dat kalm afgaan en krachten sparen voor het laatst niet moet overdreven worden. Ook dan kan men in een fout vervallen, die de overwinning kosten kan.

Op de verstandige verdeeling der krachten komt dus veel aan.

In andere landen zijn meestal alle roeivereenigingen tot een bond vereenigd, die reglementen voor wedstrijden vaststellen, welke dus voor al die vereenigingen bindend zijn. Bij ons is dit niet het geval, en laat elke vereeniging, die een wedstrijd uitschrijft, op het programma tevens de voor dien wedstrijd geldende bepalingen drukken.

Het is misschien wenschelijk, dat de jaarlijksche vergadering te Amsterdam dit punt eens op haar programma plaatste, n.l. het vaststellen van een reglement voor roeiwedstrijden, uitgeschreven door nederlandsche R. of Z. vereenigingen.

Eenige bepalingen, die algemeen zijn aangenomen, vindt men op elk programma terug, o. a. hetgeen wij over het recht tot reclame zeiden.

Op een paar willen wij nog wijzen:

Een roeier wordt junior genoemd, wanneer hij vóór den 1sten Januari van dat jaar nog geen eersten prijs heeft gewonnen, of slechts op wedstrijden tusschen leden eener zelfde vereeniging of matches (wedstrijden tusschen twee particulieren tengevolge eener uitdaging).

Behaalt een roeier een eersten prijs tegen een of meer vereenigingen, zoo wordt hij met ingang van het volgende jaar senior en mag nooit meer op wedstrijden, uitgeschreven voor juniores, uitkomen.

In België geldt echter de bepaling, dat men slechts door het winnen van een eersten prijs op een internationalen wedstrijd senior wordt. Nationale wedstrijden noemen zij courses d'entraînement.

Oarsmen en scullers vormen twee op zich zelf staande groepen, zoodat een prijs door een oarsman behaald, den winner wèl als oarsman doch niet als sculler senior maakt; en zoo omgekeerd.

Wij laten nog als slot volgen een concept algemeen reglement voor wedstrijden:

1. Het sein van afvaart wordt door den „starter“ gegeven, nadat deze zich verzekerd heeft, dat alle mededingende partijen gereed zijn.

2. Indien de starter van oordeel is dat eenige onregelmatigheid heeft plaats gehad bij de afvaart, dan zal hij dadelijk de partijen terugroepen; elke partij, die weigert een tweede maal af te gaan, zal buiten mededinging worden gesteld.

3. Elke partij, die niet op 't bepaalde sein binnen den voor den wedstrijd vooraf bepaalden tijd aan de afvaartsboei verschijnt, kan buiten mededinging worden gesteld.

4. Bij loting wordt aan iedere partij hare boei van omvaart aangewezen.

5. Iedere partij moet gedurende de geheele baan in haar eigen vaarwater blijven. Begeeft zij zich in een anders water, dan geschiedt dit op haar eigen risico; met ieders water wordt bedoeld die lijn recht voor zich uit, die evenwijdig loopt met den koers van de andere booten tot aan de winboei toe.

6. De partij, door wier schuld aanvaring of averij ontstaat, verliest alle aanspraak op den prijs, tenzij de scheidsrechter, wegens het onbeduidende er van, anders mocht beslissen.

7. Averij, niet door toedoen van mededingers geschied, geeft geen recht tot reclame.

8. In geval van aanvaring kan de scheidsrechter beslissen, dat de mededingende partijen behalve die, door wier schuld de aanvaring is geschied, nogmaals op denzelfden dag of op een nader bepaalden anderen dag de geheele baan tegen elkander roeien.

9. Alle geschillen betreffende den race, van de afvaart af tot aan de aankomst aan de winboei worden beslist in hoogste instantie door den Scheidsrechter of door eene Jury, bestaande uit een oneven aantal leden. Reclames moeten dadelijk na aankomst worden ingediend.

10. De beslissing, welke partij 't eerst de winboei bereike, komt toe aan een op die hoogte geposteerden persoon.

11. De leiding van den wedstrijd is opgedragen aan eene afzonderlijke commissie, die de volgorde van het programma bepaalt, vaststelt over welke zijde de booten om de boei van omvaart moeten gaan, en de stuurlieden de noodige aanwijzingen geeft.

decoratieve illustratie

Overzicht aangebrachte correcties

De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:

PlaatsBronCorrectie
Blz. 3[Niet in Bron.],
Blz. 16ChapionshipChampionship
Blz. 17engelschegoudengelsche goud
Blz. 18CampionshipChampionship
Blz. 21denden
Blz. 29[Niet in Bron.].
Blz. 31MorlakeMortlake
Blz. 32RowingClubRowing Club
Blz. 32[Niet in Bron.],
Blz. 34
Blz. 34[Niet in Bron.].
Blz. 38ontriggersoutriggers
Blz. 38swivling-rowlocksswiveling-rowlocks
Blz. 44 of  of 
Blz. 46ee
Blz. 54Joinville-le PontJoinville-le-Pont
Blz. 55DeichmanDeichmann
Blz. 63Jui steJuiste
Blz. 66op nieuwopnieuw
Blz. 73PlotsingPlotseling
Blz. 74beginebeginne
Blz. 81beginniugbeginning
Blz. 85slidingseatsliding-seat
Blz. 92,.
Blz. 106onmiddelijkonmiddellijk
Blz. 110ee
Blz. 117voorschrifteninvoorschriften in
Blz. 135,