Het heerschzuchtige en wreede optreden van Karel verwekte al spoedig wrok en opstand, zoowel in Sicilië, waar hij zich bijzonder gehaat maakte door ondragelijke afpersingen en zijn plan om Napels in plaats van Palermo tot hoofdstad van zijn koninkrijk te maken, als ook in het noorden, waar de Ghibellijnen, aangevoerd door Pisa en Siena, weder krachtig begonnen te worden en hun blikken richtten naar Duitschland, want de jonge Duitsche koning, Konradijn, die nu veertien jaar oud was, scheen neiging te gevoelen zijn krijgskans tegen den Franschen overweldiger te beproeven.
Het was een vreemde stand van zaken, een goed voorbeeld van de ingewikkeldheid der Italiaansche geschiedenis. Hier zien wij, hoe de helft van de bewoners van Italië zich tot een Duitschen jongeling richt om hen te helpen, daar zij zuchten onder de zweep van den Franschen tyran, die hun is opgedrongen door den Paus, den hoogsten beschermer van hun zedelijke en geestelijke welvaart; wij zien, hoe de Paus dezen vreemden overweldiger aanhitst en tegelijkertijd krachtig de zaak van de republikeinsche vrijheid begunstigt, om zich bondgenooten te verschaffen tegen het “addergebroed” van Duitsche vorsten; wij zien, dat sommige van de zoogenaamde republieken de zaak van de vrijheid ontrouw worden alleen om zich te wreken op politieke mededingers, een verbond sluiten met het Pausdom en op verzoek van den Paus zich verlagen om Karel van Anjou als heer en meester te erkennen, ja zelfs hem tot Podestà kiezen, zooals Florence deed, tot haar eeuwige schande.
55. S. Zeno (Maggiore), Verona.
In het jaar 1267 trok de jonge, dappere Konradijn de Alpen over. Hij werd te Pavia en Pisa en in de andere Ghibellijnsche steden met geestdrift ontvangen. De zwakke banbliksem, die door den Paus uit Viterbo geslingerd werd, had geen uitwerking en in het midden van den zomer 1268 was de jonge koning te Rome, waar hij, op het Capitool door de wispelturige menigte tot Keizer werd uitgeroepen. Daar hij er zeer naar verlangde zijn vijand te ontmoeten, trok hij, misschien wat al te vroeg, met zijn troepen uit. Hij vond Karel niet ver van Tagliacozza, in de nabijheid van den Lago di Fucino. In den beginne was het geluk hem gunstig; maar zijn troepen sloegen aan het plunderen en werden toen plotseling aangevallen en verslagen door een sterke reserve van ruiterij onder aanvoering van Karel zelf en Valéry, connétable van Champagne. Konradijn ontsnapte met vijfhonderd ruiters en bereikte Rome; doch daar ontving men hem aarzelend en hij besloot met een klein aantal getrouwen te vluchten. Zij trokken naar het zuiden, naar de Pontijnsche moerassen, zooals eenmaal Caius Marius en Cicero hadden gedaan. Te Astura, dat toen een klein visschersdorp was, vond hij een schip en ging aan boord, in de hoop Pisa te zullen bereiken, maar de eigenaar van het nabijzijnde kasteel26, een van de Frangipani, maakte jacht op hem, nam hem gevangen en gaf hem aan zijn vervolgers over.
Karel had de meeste van zijn aanzienlijke gevangenen laten afmaken; velen liet hij de handen en voeten afhakken, maar toen dit te omslachtig en onaangenaam was, liet hij de overigen in een houten gebouw opsluiten en dit in brand steken. Hij vond het evenwel verstandig Konradijn voor een schijn-rechtbank te laten veroordeelen. Van de rechters, die door Karel waren benoemd om het vonnis, dat hij wenschte, uit te spreken, gaf slechts éen zijn stem daarvoor; éen waagde, evenals Socrates, zijn leven door er tegen te stemmen; de overigen zwegen. Toen sprak Karel, die dit zwijgen als instemming opvatte, het doodvonnis over den jongen koning en twaalf van zijn strijdmakkers uit. Konradijn ontving dit bericht, terwijl hij met zijn bloedverwant en medeslachtoffer, Hertog Frederik van Baden, een partij schaak speelde. Op den 29en October 1268 vond de droevige terechtstelling plaats te Napels, op de Piazza del Mercato, die toen uitzicht had op de zee27. Konradijn, die slechts zestien jaar oud was, toonde, naar men vertelt, geen vrees, maar omarmde zijn makkers en den beul, legde zijn hoofd op het blok en riep uit: “O, mijn moeder, welk een verdriet heb ik u berokkend!”
Een maand later stierf Paus Clemens, die het niet meer gewaagd had naar Rome terug te keeren, te Viterbo. Hij had, naar aanleiding van de bloedige en ruwe daad van Karel, op geenerlei wijze zijn afgrijzen te kennen gegeven. Integendeel, hij juichte over de verdelging van het gehate “addergebroed” van de Hohenstaufen. Maar het begon hem zonder twijfel wel duidelijk te worden, dat Karel zijn meester was, dat hij een boozen geest had opgeroepen, dien hij niet kon bezweren. En dat Karel de macht volkomen in handen had, blijkt wel uit het feit, dat ongeveer drie jaren lang geen Paus werd gekozen, daar de Kardinalen verlamd waren door de onbeschaamdheid van de Fransche prelaten en beambten. En hij was ook niet tevreden met de heerschappij over de Beide Siciliën, Rome en het grootste deel van Italië. Hij droomde van een veel grooter rijk. Nadat hij zijn broeder, Lodewijk den Heilige, had overreed een kruistocht te ondernemen tegen Tunis (waar Lodewijk aan de pest stierf) trachtte hij zijn heerschappij in diens gebied te vestigen en uit te te breiden. Daarna richtte hij zijn blikken naar het oosten en verloofde zijn dochter met den zoon en erfgenaam van den verbannen Latijnschen Keizer van Byzantium, Boudewijn van Courtenay, die hem de provincie Thessalonica aanbood, wanneer hij den troon weder zou hebben bestegen; op die wijze hoopte Karel een dynastie te grondvesten, die over het vereenigde Keizerrijk van het Oosten en het Westen zou heerschen. Maar Boudewijn, die door Michael Palaeologus werd verdreven, bracht de rest van zijn leven door met hulp te vragen aan de vorsten van Europa en aldus werd de hoop van Karel de bodem ingeslagen.
In 1271 eindelijk waagden de kardinalen het te Viterbo bijeen te komen om een Paus te kiezen; maar de Fransche prelaten trachtten dit voortdurend te verhinderen, totdat ten slotte het volk van Viterbo het dak van het gebouw, waarin de kardinalen waren opgesloten afbrak, om hun beslissing te bespoedigen. Terwijl dit alles gebeurde, verscheen Karel, die juist van Tunis was teruggekeerd, op het tooneel. Ook Guy de Montfort die nu zijn stadhouder in Toskane was, kwam met hem. Hij was de kleinzoon van den verschrikkelijken Simon de Montfort, die de Albigenzen heeft uitgeroeid. Zijn vader, Earl Simon of Leicester was gedood (1265) in den slag van Evesham en zijn lijk was smadelijk behandeld.
Met Karel was uit Tunis gekomen een Engelschen prins, een verwant van Guy, Hendrik van Cornwall, die een neef van Hendrik III van Engeland, den verbitterden vijand van de Montforts was. De aanblik van dien jeugdigen Hendrik maakte Guy de Montfort zoo razend van woede, dat hij hem gedurende de mis, in tegenwoordigheid van Karel en de kardinalen, bij het hoogaltaar doodde en hem bij zijn haren uit de kerk sleurde. Guy vluchtte; doch Karel nam geen maatregelen om zijn stadhouder voor deze afschuwelijke daad te straffen, een feit, dat een somber licht werpt op zijn schrikbewind. Maar Dante heeft den moordenaar gestraft en in het diepste gedeelte van de Rivier van Bloed geplaatst28. Waarom hij Karel van Anjou niet tot een soortgelijke straf heeft veroordeeld, maar hem een aangename plaats in het Antipurgatorium heeft aangewezen29, is moeilijk te begrijpen, maar moet waarschijnlijk worden toegeschreven aan het feit, dat de dichter een warme vriendschap gevoelde voor zijn kleinzoon, Karel Martel30.
De kardinalen kozen eindelijk, blijkbaar als protest tegen dezen moord en tegen Karel en zijn Fransche ambtenaren, een Italiaanschen diaken, die in Palestina in dienst was van Prins Eduard van Engeland. Deze Gregorius X toonde zich, dadelijk nadat hij te Brindisi geland was, een verstandigen, maar beslisten tegenstander van Karel, en toen in October 1273 Rudolf van Habsburg tot Duitsch Koning of liever Duitsch Keizer31 was gekozen, hechtte hij aan die verkiezing zijn volkomen goedkeuring, een daad, die natuurlijk den toorn van Karel opwekte, want de nieuwe Duitsche Keizer begon weldra den Duitschen invloed in Noord-Italië en in Toskane te herstellen. Bovendien deed Gregorius, in tegenstelling met de politiek van bloedige onderdrukking, die Karel uitoefende, moeite de partijen met elkander te verzoenen. Hij slaagde hierin tot op zekere hoogte te Bologna en Milaan, maar zijn pogingen leden schipbreuk te Florence, waar de Welfsche partij de overhand had gekregen, doch waar de belangen van de Welfen of republikeinen geenszins dezelfde waren als die van den Paus32. Gregorius stelde zich ook tegenover Karel van Anjou door Michael Palaeologus te begunstigen en bovendien weigerde hij den verbannen Keizer Boudewijn te ontvangen; toen hij nu in 1275 er werkelijk toe overging met Rudolf een samenkomst te houden te Lausanne, waarbij hij beloofde hem tot Keizer te kronen, moest er wel een openlijke vijandschap uitbreken.
Maar in het begin van 1276 stierf Gregorius X te Arezzo, waar in den Duomo zijn graftombe is. Gedurende de volgende achttien maanden verschenen er drie Pausen op het tooneel en verdwenen wederom. Daarna werd, na verloop van zes maanden, Nicolaas III, uit het geslacht der Orsini, tot Paus gekozen33. Men vertelde, dat hij zijn nicht met Karel wilde laten trouwen, en dat hij, toen dit voorstel smadelijk werd afgewezen, niet alleen Gregorius’ anti-Fransche politiek heeft voortgezet, maar ook den opstand heeft aangestookt, die eindigde met den Siciliaanschen Vesper.
In het noorden van Italië nam de invloed van Rudolf en de Ghibellijnsche edelen snel toe. In Milaan kregen de Visconti de overhand; in Verona de Scaligeri; bijna overal werd de haat tegen Karel en de Franschen heviger, behalve in Florence, waar de handel van de Arti (gilden) door zijn politiek begunstigd werd. De storm kwam met vaart opzetten; maar het was uit het zuiden, dat de noodlottige vlaag zou komen.
Voordat Konradijn zijn hoofd op het blok legde, wierp hij, naar men vertelt, zijn handschoen onder de menigte. Deze handschoen werd gebracht aan Pedro van Arragon, een Spaanschen prins, die met de dochter van Manfred, Constantia, gehuwd was en later (1276) Koning van Arragon en Catalonië werd; hij had Valencia en Majorca reeds op de Mooren veroverd en zich aldus een vrijen toegang tot Sicilië verschaft. Aangespoord door zijn gemalin, gaf hij gehoor aan de smeekbeden der Sicilianen, die tot wanhoop waren gedreven door de tyrannie van Karel en zijn Fransche ambtenaren en aan de raadgevingen van Giovanni da Procida, een geleerden geneeskundige, die na den slag bij Tagliacozzo naar Spanje was gevlucht en reeds tien jaar lang Pedro had aangezet om zijn rechten op de kroon van de Beide Siciliën, als erfgenaam van Manfred, te laten gelden. En nu wachtte Pedro op het gunstige oogenblik, dat weldra kwam.
Toen Paus Nicolaas in 1280 gestorven was, kwamen de kardinalen wederom te Viterbo bijeen en ook Karel begaf zich daarheen, omdat hij vast besloten was ditmaal een geschikten Paus te laten kiezen; de Franschman, die gekozen werd, Martinus IV, keurde alles, wat Karel wenschte, goed en steunde zijn despotisch bestuur krachtig, totdat hij, een paar jaren later, overleed aan het overmatig gebruik van Bolsena-paling en Vernaccia-wijn, zooals Dante verhaalt34, die hem op den Louteringsberg ontmoet, waar hij boete doet voor zijn gulzigheid.
Het gebeurde op den Dinsdag na Paschen in 1282, toen Karel juist, vertrouwend op zijn pauselijken bondgenoot, weder plannen maakte om het Keizerrijk in het Oosten te veroveren, dat een beleediging, die een Fransche soldaat een Siciliaansche bruid had aangedaan, een verschrikkelijke uitbarsting ten gevolge had. Geheel Palermo stond op, schreeuwde “sterf, sterf”, zooals Dante zegt, en bijna alle Franschen op Sicilië werden vermoord35.
De geschiedenis van Italië gedurende dit tijdperk (1282–1302) wordt beheerscht en verduisterd door de verwarring van den langen en hardnekkigen strijd tusschen de Fransche vorsten van Anjou en de Spaansche vorsten van Arragon over het bezit van Sicilië. Ofschoon zij natuurlijk voor de toekomst van Italië van groot belang was, staat deze worsteling tusschen de vreemde overweldigers niet rechtstreeks in verband met de geschiedenis van dit land. Derhalve zal hier slechts een kort verslag van dezen strijd gegeven worden en zullen wij daarna overgaan tot de bespreking der toestanden in Rome en andere steden gedurende het Pontificaat van den vorst der nieuwe Farizeeërs, zooals Dante Paus Bonifacius VIII noemt36.
Toen het bloedblad van den Siciliaansche Vesper plaats vond, was Koning Pedro van Arragon bezig een veldtocht voor te bereiden, in naam tegen Tunis, maar zonder twijfel was Sicilië zijn verder doel. Nadat het hem niet gelukt was Tunis in te nemen, zeilde hij met zijn vloot naar het noorden. In vijf dagen was hij bij Trapani en vijf dagen later, den vierden September 1282 te Palermo, waar hij tot Koning van Sicilië werd uitgeroepen. Karel, verontwaardigd en woedend, zond een sterk leger naar Sicilië onder aanvoering van zijn zoon, Karel den Lamme (Carlo lo Zoppo). Maar de “Kreupele van Jeruzalem”, zooals Dante37 hem noemt, was weldra gedwongen zijn strijdkracht van het eiland weg te trekken en de admiraal van Pedro, Loria, bracht de vloot van Karel twee verpletterende nederlagen toe, eerst bij Malta en daarna in de golf van Napels; bovendien gelukte het hem lo Zoppo zelf gevangen te nemen. Ook in Calabrië stond het volk tegen de Franschen op. Karel zag zich genoodzaakt naar het noorden te trekken en terwijl hij op versterkingen uit Frankrijk wachtte, stierf hij te Foggia (Januari, 1285).
Zijn jeugdige kleinzoon, Karel Martel38, werd in plaats van zijn vader, die in gevangenschap verkeerde, tot koning uitgeroepen; maar ongeveer vier jaar later werd door den invloed van Koning Eduard I van Engeland Carlo lo Zoppo in vrijheid gesteld en was gedurende de volgende twintig jaren Koning van Napels en Zuid-Italië; bovendien maakte hij aanspraak op den troon van Sicilië, die door een Spaanschen vorst bezet werd. Deze Spaansche monarch was evenwel niet Pedro van Arragon en Sicilië, want die was in hetzelfde jaar gestorven als zijn groote tegenstander, Karel van Anjou, en was in Sicilië opgevolgd door zijn zoon Jacob (den Rechtvaardige). Jacob en Karel II (de Lamme) voerden met eenige onderbreking oorlog, doch richtten weinig uit. In 1290 werd Johan Koning van Arragon, na den dood van zijn oudsten broeder Alfonso, en zijn jongste broeder, Frederik, werd de Spaansche onderkoning van Sicilië.
Frederik was met dezen titel evenwel niet tevreden en liet zich in 1296 tot Koning van Sicilië uitroepen. Tusschen de beide broeders ontstond nu een hevige twist, die nog werd aangewakkerd door de duivelsche boosaardigheid en eerzucht van Paus Bonifacius, die ten slotte Constantia, de vrome weduwe van Koning Pedro overreedde naar Rome te gaan met haar oudsten zoon, Koning Jacob en een schandelijke overeenkomst te sluiten met den doodvijand van haar jongsten zoon, Carlo lo Zoppo, waarbij zij hem haar dochter Violante tot gemalin gaf. De broeder-oorlog werd ondertusschen met groote bitterheid hernieuwd en de oude Spaansche admiraal, Loria, die Frederik ontrouw was geworden en de partij der Anjou’s had gekozen, bracht de Siciliaansche vloot een gevoelige nederlaag toe. Eindelijk, in 1302, ging Bonifacius zelfs zoo ver, dat hij Karel van Valois naar Italië riep (wij zullen later zien, hoe deze onderneming mislukte); maar de partijen, die den strijd moede waren, sloten, zeer tot ongenoegen van Paus Bonifacius, den vrede van Caltabellotta, waarbij het koningschap over Sicilië aan Frederik voor zijn leven werd toegestaan; doch hij beloofde Leonore, de dochter van Karel II (lo Zoppo) te trouwen, onder voorwaarde, dat een eventueele erfgenaam Sardinië of Cyprus zou krijgen, maar Sicilië aan het geslacht van Anjou zou overgeven, een voorwaarde, die bij zijn dood in 1337 niet is vervuld, omdat de Sicilianen weigerden onderdanen te worden van de Fransche vorsten39.
In hetzelfde jaar (1285), waarin Karel van Anjou en Pedro van Arragon overleden, stierf de Fransche Paus Martinus IV aan het overmatig gebruik van paling en vernaccia-wijn. De vredelievende, maar jichtige oude kardinaal, die hem opvolgde, Honorius IV, was een broeder van den Senator van Rome, Pandulf, uit het doorluchtige geslacht van de Savelli. De beide broeders, de een in het Lateraan en de ander op het Capitool, oefenden een weldadigen invloed uit, en beteugelden gedurende twee jaren de woede van de partijen der Orsini en Colonna, ofschoon beide zoo hevig door de jicht waren aangetast, dat de Senator niet meer kon loopen en de Paus van een mechanische uitvinding moest gebruik maken om de Hostie op te heffen. Na den dood van Honorius was er tien maanden lang geen Paus, hetgeen niet slechts het gevolg was van de verbittering der partijen maar ook van de pest, die zes kardinalen ten grave sleepte. Eindelijk werd Nicolaas IV, de bisschop van Palestrina (den burcht der Orsini) gekozen; deze was vroeger een vriend geweest van den Paus der Orsini, Nicolaas III (“den zoon van de berin”). Naar aanleiding van deze benoeming brak de veete tusschen de twee families der Orsini en der Colonna’s met vernieuwde heftigheid uit; zij noemden zich Welfen en Ghibellijnen, maar deze namen beteekenden slechts, dat degenen, die zoo heetten, doodvijanden waren en dat beide partijen er naar streefden den kardinaalshoed en de pauselijke tiara te bemachtigen.
56. De paleizen Loredan en Farsetti, Venetië.
Toen deze Paus stierf (1292), ontstond er zulk een hardnekkige strijd tusschen de kardinalen, dat er twee jaren lang geen verkiezing plaats vond, een toestand, waardoor Karel de Lamme in staat werd gesteld, evenals vroeger zijn vader, zich zulk een machtige positie te verwerven, alsof hij inderdaad het hoofd van de Kerk was. Eindelijk, toen de kardinalen te Perugia verzameld waren en er volstrekt geen voortgang in de zaken kwam, noemde iemand een zekeren kluizenaar, Pietro geheeten, die in een hol van den berg Morrone leefde, in de Abruzzi, ongeveer 75 K.M. ten noord-oosten van Rome, waar hij een godsdienstige Orde had gesticht en beroemd was geworden wegens zijn visioenen en mirakels40. Een kardinaal stelde, misschien in scherts, voor dezen kluizenaar te kiezen om de moeilijkheden op te lossen, en met een plotselinge, algemeene geestdrift werd die oplossing aangenomen. Drie bisschoppen werden afgevaardigd om Pietro van zijn benoeming in kennis te stellen.
De eenvoudige, oude monnik (hij was twee en zeventig jaar oud) stond verstomd en weigerde op het voorstel in te gaan. Toen begaf zich een groote menigte van edelen en prelaten en andere personen, onder aanvoering van Koning Karel en zijn zoon Karel Martel, naar de grot en ten slotte liet Pietro da Morronne zich mede voeren, terwijl de koning en zijn zoon den ezel, waarop hij gekleed in zijn eenvoudig kluizenaarsgewaad was gezeten, bij de teugels leidden. In een kerk dicht bij Aquila, blijkbaar de S. Maria di Collemaggio (plaat 49), die zijn graftombe bevat, werd hij gewijd; de kerk was geheel vol en omringd, naar men vertelt, door 200.000 menschen.
Karel liet den nieuwen Paus, Celestinus V, niet naar Rome gaan, maar nam hem mede naar zijn hof te Napels, om hem voor zijn eigen plannen te gebruiken. Maar weldra bemerkte hij, dat Celestinus onbruikbaar was voor zijn doeleinden, en voordat er vier maanden verstreken waren, trad de arme, oude kluizenaar, voor wien de toestand ondragelijk was geworden, af; en men zegt, dat hij hiertoe werd aangespoord door de stemmen van engelen, die zich in zijn slaapkamer lieten hooren door de vernuftige listen of ventriloquistische bekwaamheden41 van een kardinaal, Benedetto geheeten, een afstammeling van de adelijke familie der Gaetani van Anagni (of, zooals Dante42 de stad noemt, Alagna). Deze sluwe, aanmatigende en vermetele man had, naar men vertelt, reeds geheime bijeenkomsten met Koning Karel gehouden en hem beloofd zijn politiek te steunen met alle middelen, die een Paus ten dienste stonden; en tien dagen, nadat Celestinus was afgetreden (Kerstavond, 1294) werd hij door de vreesachtige kardinalen gekozen, ofschoon vele van hen blijkbaar overtuigd waren van de waarheid der mededeelingen, volgens welke hij beschuldigd werd van de schandelijkste misdaden en de onsterfelijkheid van de ziel, de goddelijkheid van Christus en zelfs het bestaan van God ontkende. Tien dagen later hield hij zijn intocht in Rome met een pracht, “die nooit te voren in Rome was gezien.” Koning Karel en zijn zoon, Karel Martel van Hongarije leidden thans geen nederigen ezel maar het prachtige, witte, rijk getuigde ros, waarop Benedetto was gezeten met een gouden kroon op het hoofd; en daarna, toen de schitterende plechtigheid van de wijding in de St. Pieter was afgeloopen, vergezelden de beide koningen hem naar het Lateraan en stonden bij het feestmaal achter zijn troon.
De eerste daad van den nieuwen Paus, Bonifacius VIII, was zich meester te maken van den persoon van zijn voorganger; want er waren velen die de geldigheid van de nieuwe verkiezing verwierpen; zij beweerden, dat, ofschoon er wel Pausen waren afgezet (Hendrik III, bijvoorbeeld, had er drie tegelijk afgezet), geen Paus vrijwillig kon aftreden, en dat een dergelijke poging niet alleen een zware zonde was tegen den Heiligen Geest, maar ook alle uitwerking miste43. Celestinus was teruggekeerd naar zijn grot in den Monte Morrone. Toen hij bericht kreeg van het plan van Bonifacius, besloot hij te vluchten. Na lang rondzwerven bereikte hij de Adriatische zee en scheepte zich in om naar Dalmatië te varen; maar een storm sloeg hem terug op de Italiaansche kust en eenige goede, maar domme menschen begroetten hem openlijk als Paus en bewerkten aldus dat hij werd ontdekt en gevangen genomen. Bonifacius zette hem gevangen in het kasteel van Fumone, welks geweldige Cyclopische muren de stad Alatri, in Latium, nog beheerschen. Een paar maanden daarna werd hij dood gevonden, waarschijnlijk vergiftigd, ofschoon eenige monniken van zijn Orde, de Celestini, beweerden een spijker te bezitten, waarmede Bonifacius volgens hun verklaring zijn slachtoffer had gedood, zooals Jael Sisera vermoordde.
Nadat Bonifacius aldus den armen, ouden Celestinus uit den weg had geruimd en zich in het veilig bezit bevond van de geestelijke souvereiniteit over het koninkrijk van Karel, dien hij als zijn leenman beschouwde, wenschte hij vurig ook het Siciliaansche koninkrijk als pauselijk leen te bemachtigen en zijn mijter met de dubbele kroon van de Beide Siciliën te versieren. Wij hebben reeds gezien, hoe hij Koning Jacob van Arragon en zijn vrome moeder Constantia overreedde een schandelijk verdrag met Karel te sluiten en hoe hij de langdurigen en wreeden oorlog aanstichtte en aanwakkerde tusschen Jacob en zijn broeder Frederik, dien de Sicilianen als hun koning hadden aangenomen.
Tot de voornaamste vijanden van Bonifacius behoorden de Colonna. Hoe machtiger en aanmatigender hij zelf werd en hoe meer hij de Kerk plunderde om de invloedrijke partij van de Gaetani te steunen, des te heviger werd de vijandschap van deze edelen, vooral van den kant der twee kardinalen van het geslacht Colonna. In 1297 ging Bonifacius over tot een daad, die nog nooit had plaats gevonden en liet deze beide prelaten afzetten. Maar de familie der Colonna’s aanvaardde den strijd. Zij verklaarden de verkiezing van Bonifacius nietig en eischten, dat er een Concilie zou worden bijeengeroepen. Zij hechtten hun Manifest aan het hoogaltaar in de St. Pieter. Bonifacius sprak terstond over de ontslagen kardinalen den banvloek uit en kondigde een Heiligen Oorlog tegen hen af. De Colonna’s trokken naar hun burchten op het land; de sterkste van deze was Palestrina. De hardnekkige worsteling eindigde met de overweldiging en vernedering der Colonna’s. De geëxcommuniceerde kardinalen en edelen verschenen voor den zegevierenden paus als smeekelingen, met een touw om den hals. Men vertelt (het wordt echter ook tegengesproken), dat Bonifacius den schijn aannam hun vergiffenis te schenken, en aldus Palestrina in zijn bezit kreeg. Hoe dit ook zij, het staat vast, dat hij het bemachtigd heeft en dat hij, zooals Sulla vroeger had gedaan, het geheel en al heeft verwoest; slechts de kathedraal bleef gespaard; want zijn Bul, die nog over is, beveelt, dat de ploeg over de plaats44 moet worden getrokken en in de voren zout moet worden gezaaid, “zooals met het Afrikaansche Carthago was gedaan”. Nadat hij alle bezittingen van de inwoners had verbeurd verklaard, beval hij hen een nieuwe stad te bouwen, die hij Civitas Papalis noemde; maar kort daarna liet hij die in een vlaag van woede afbreken en de menschen werden verbannen. De Colonna’s vluchtten naar vreemde hoven, sommige zelfs naar Engeland. Dat waren de daden van den Hoogsten Herder van de Christelijke Kerk, “die een oorlog voerde dicht bij het Lateraan en niet tegen Saracenen en evenmin tegen Joden” (Inferno XXVII. 86).
De Paus had het jaar 1300 als een jubeljaar van de Kerk aangekondigd. Hij gebruikte die gelegenheid om pelgrims naar Rome te lokken en rijkelijke aflaten te beloven aan allen, die de groote Romeinsche basilieken bezochten. Het was een groote triumf voor Bonifacius. Op den hoogsten troon van het Christendom gezeten, werd hij vereerd als de Vicarius van God door twee of drie millioen vrome geloovigen die uit alle landen van Europa naar Rome stroomden, ieder om zijn offer te brengen45. Onder hen was waarschijnlijk ook Giotto (zie plaat 50) en Dante; want ofschoon sommige beweren, dat Dante het volgend jaar Rome het eerst zag bij gelegenheid van het gewichtig gezantschap46, waarmede hij belast werd, is de beroemde beschrijving, waar de dichter twee groepen van verdoemden in de hel vergelijkt met de twee stroomen, die zich in tegengestelde richtingen over de brug van het Vaticaan bewegen47, zoo levendig, dat deze wel op eigen aanschouwing zal berusten. Er was nog een ander beroemd schrijver aanwezig, Giovanni Villani, die in dien tijd koopman was. Hij vertelt ons, dat, hetgeen hij bij die gelegenheid te Rome zag, hem opwekte tot het schrijven van zijn Kroniek, waaraan hij in datzelfde jaar begon (het jaar, waarin de handeling der Divina Commedia valt) bij zijn terugkeer te Florence; dit werk, voortgezet en voltooid door zijn broeder en zijn neef, werd het grootste der Italiaansche geschiedwerken48.
Een ontzaglijke massa geld stroomde bijeen door de offers van de geloovigen, die zoo rijkelijk schonken, dat, zooals een ooggetuige zegt, “dag en nacht twee priesters bij het altaar van den H. Paulus stonden met harken in hun handen, waarmede zij het geld opharkten.” Een deel van dit geld werd door Bonifacius gebruikt om den onrechtvaardigen oorlog weer aan te wakkeren en door te zetten tusschen Jacob van Arragon en zijn broeder, Frederik van Sicilië, en ook om de plannen van Karel II (lo Zoppo) te bevorderen, zooals hij beloofd had te zullen doen. Maar het geld, dat met zulke schandelijke bedoelingen was verworven en werd uitgegeven, bracht weinig voordeel aan. Hierover verontwaardigd wendde Bonifacius zich, evenals Urbanus IV had gedaan, tot het Fransche hof en noodigde den jongsten broeder van den Franschen koning, Karel van Valois, den achterneef van Karel van Anjou, uit naar Italië te komen. Toen de Fransche prins te Anagni, de geboortestad en de geliefde verblijfplaats van Bonifacius was gekomen, werd hij benoemd tot Kapitein-Generaal van de Kerk en Vrede-stichter van Toskane. Hij werd door den Paus naar Florence gezonden om daar den vrede te herstellen, maar hij bewerkte slechts, dat de twisten nog in hevigheid toenamen en dat alle Ghibellijnen en afvallige Welfen, waaronder zich ook Dante49 bevond, werden verbannen. Karel van Valois bereikte in het zuiden niet veel meer, en nadat door den vrede van Caltabellotta een einde was gemaakt aan den broeder-oorlog tusschen Jacob en Frederik, moesten de vorsten van Anjou en de Paus alle hoop opgeven om Sicilië te heroveren.
Deze tegenspoed had natuurlijk oneenigheid tusschen Bonifacius en Karel van Valois ten gevolge en maakte den Paus aan het Fransche hof gehaat. En Frankrijk was in de laatste jaren tot hooge macht gestegen. Het had een onafhankelijkheid en nationale zelfbewustheid ontwikkeld, zooals in dien tijd nergens in Europa bestond50. Koning Philips IV, de Schoone, wist, dat hij het geheele volk achter zich had en toen hij geld noodig had voor zijn oorlogen tegen Engeland en later tegen de Vlamingen, vooral na den slag bij Kortrijk (1302), legde hij de geestelijken en de kloosters belastingen op; Bonifacius, ofschoon woedend, stond hier machteloos tegenover, want Philips werd gesteund door de publieke meening in Frankrijk, en zoowel de leeken als ook de geestelijken kozen de zijde van hun vorst en toonden zich ook op godsdienstig gebied onafhankelijk. De gezant, die in 1302 een aanmatigende Bul van den verbitterden Paus bracht, werd gevangen gezet en daarna weggejaagd en de Bul werd in het openbaar verbrand in de Notre Dame, een daad, die zeker, ofschoon de uitwerking daarvan niet zulke een verre strekking heeft gehad als het verbranden van de Bul te Wittenberg, toch een diepen indruk moet gemaakt hebben, vooral, toen kort daarna de Staten-Generaal van Frankrijk voor de eerste maal bijeenkwamen en de handeling van den Koning door alle drie staten van zijn rijk bekrachtigd werd.
Ondertusschen wekte Bonifacius te Rome hevige verontwaardiging op door groote massa’s geld bijeen te schrapen en zich veel land toe te eigenen. Een groot gedeelte van deze schandelijk verworven rijkdommen werd gebruikt om zijn bloedverwanten, de Gaetani, te verrijken, die aldus in het bezit kwamen van een groot aantal kasteelen en prachtige landgoederen in Latium51, waarvan sommige nu nog het eigendom zijn van den Hertog van Sermoneta en de familie der Gaetani; zoo kreeg de Paus een machtigen aanhang, die zeer veel aan hem verplicht was. Dit alles werd door de verdreven Colonna’s aan het Fransche hof verteld en tevens kwam het bericht, dat de Paus van plan was den banvloek over Philips uit te spreken; de algemeene verontwaardiging in Frankrijk bereikte naar aanleiding hiervan zulk een hoogte, dat er een bond van kruisvaarders werd gevormd om het Christendom te bevrijden van den ellendeling, dien zij beschouwden als een pseudo-Paus en een openlijken atheïst, verslaafd aan de schandelijkste ondeugden en een handlanger van den Duivel; Koning Philips stelde zich zelf aan het hoofd van de samenzwering; de uitvoering van het plan werd opgedragen aan Sciarra Colonna en Guillaume de Nogaret, een bekwaam rechtsgeleerde en een krachtig verdediger van de rechten van de kroon en het burgerlijke gezag.
In den nacht van den zevenden September 1303 drongen de samenzweerders, begeleid door een sterke troep gewapenden, Anagni binnen en na een hevig gevecht, baanden zij zich, nadat het pauselijk paleis en de aangrenzende kathedraal in brand waren gestoken, een weg naar Bonifacius zelf, dien zij op zijn troon gezeten aantroffen, de tiara met dubbele kroon op het hoofd en in zijn handen de sleutels en een gouden kruis. Sciarra greep, naar men vertelt, den Paus bij een arm, sleurde hem van zijn troon en trachtte hem met zijn dolk te dooden (Nogaret ontkende dit en Villani bevestigt het niet). Nadat Bonifacius drie dagen lang gevangen had gezeten en uit vrees voor vergiftiging alle voedsel had geweigerd, werd hij door het volk van Anagni bevrijd en namen de samenzweerders de vlucht. Daarna werd hij door twee kardinalen uit het geslacht Orsini en een troep van 400 gewapenden naar Rome geleid. Toen hij een bezoek aan de St. Pieter had gebracht en het volk hem vriendelijk had begroet, verbeeldde hij zich waarschijnlijk in veiligheid te zijn, daar hij wist, dat de Orsini doodvijanden waren van de Colonna’s en hij ook hulp hoopte te ontvangen van Karel II (lo Zoppo). Maar hij begreep weldra, dat zijn brieven onderschept werden en dat hij nauwkeurig werd bewaakt; want de Orsini hadden den Engelenburg en den Borgo met hun gewapende mannen bezet. Ongeveer vier weken later, October 1303 vond men hem dood. Men vertelde, dat hij in een vlaag van woede met zijn hoofd tegen den muur van zijn kamer was geloopen en zich aldus van het leven had beroofd52.
De volgende Paus, Benedictus XI, schijnt een achtenswaardig en dapper man geweest te zijn. Twee dagen voordat hij werd aangevallen, had Bonifacius het besluit genomen den banvloek over Koning Philips af te kondigen van denzelfden kansel in de kathedraal te Anagni, vanwaar de banbliksem was geslingerd tegen Frederik I Barbarossa en Frederik II. De nieuwe paus voerde het besluit van Bonifacius niet uit, maar bevrijdde de Colonna’s van den ban, met uitzondering van Sciarra; hij beval, dat alles, wat aan de Kerk ontstolen was, moest worden teruggegeven; hij veroordeelde en vernietigde openlijk verschillende onrechtvaardige daden van Bonifacius; hij veroordeelde ook in het openbaar de beleediging, die den vorigen Paus te Anagni was aangedaan en sprak over de voornaamste schuldigen den banvloek uit. Het was zonder twijfel een ramp voor de Kerk, dat hij na acht maanden stierf; en het was een nog grooter ramp, dat tot zijn opvolger de Aartsbisschop van Bordeaux werd gekozen, die den naam Clemens V aannam. Hij was een handlanger geweest van Bonifacius, maar nu was hij, om gekozen te worden, een slaafsche dienaar van Koning Philips geworden53. Hij werd te Lyon gewijd, in tegenwoordigheid van het Fransche hof, en nadat hij ongeveer drie jaren (1305–1308) in Frankrijk had geresideerd, verplaatste hij den zetel van het Pausdom naar Avignon, aan de Beneden-Rhône, waar de Pausen juist zeventig jaar gevestigd bleven (de jaren van de zoogenaamde Babylonische ballingschap) en waar zij het geweldige gebouw, le Palais des Papes oprichtten, dat nu nog de stad en de groote rivier als een machtige donderwolk beheerscht.
57. (1) Mozaïek in S. Maria in Trastevere. (2) Giotto’s Navicella in de St. Pieterskerk, Rome.
Het is eenigzins bevreemdend, dat Clemens, ofschoon hij in andere opzichten blijkbaar het willige werktuig van Koning Philips was, hardnekkig zou hebben weerstand geboden aan het verlangen van dien monarch om voor zichzelf of voor zijn broeder Karel van Valois de keizerskroon te verwerven. Misschien gevoelde de koning inderdaad weinig lust om te vechten voor een ijdelen titel, omdat hij den onafhankelijken en vijandigen geest van de Italianen kende en zich herinnerde, hoe slecht het in Italië met Karel was afgeloopen; wellicht bedacht Clemens, dat met een Franschen Keizer het Pausdom zijn volkomen ondergang zou te gemoet gaan. Hoe dit ook zij, hij begunstigde eerst in het geheim en steunde daarna openlijk de aanspraken van Hendrik VII, die tot Duitsch koning was gekozen en ook tot Koning der Romeinen, waardoor hij niet alleen als Keizer van Duitschland werd beschouwd, maar ook als aangewezen Keizer, die recht had op de wettige bekrachtiging van zijn titel door het Romeinsche volk en den Paus.
Hendrik VII, die als graaf van Luxemburg zelf geen regierender Fürst was geweest en geen gewapende leenmannen tot zijn beschikking had gehad, was op den troon gekomen te midden van de woelingen, die volgden op de vermoording van Keizer Albrecht door zijn neef, Johan van Zwaben. Sinds de dagen van Frederik II was geen Duitsche monarch de Alpen overgetrokken om in Italië de gouden kroon te ontvangen54. Maar Hendrik koesterde hooger idealen. Zijn grootste eerzucht was het Duitsch-Italiaansche Keizerrijk te herstellen en in Rome gekroond te worden. De meeste van de Duitsche edelen weigerden hem te volgen, maar in 1310 verzamelde hij een paar duizend man te Lausanne, trok den Mont Cenis over en werd met groot gejuich door de Ghibellijnsche, en zelfs door eenige afvallige Welfsche steden van Noord-Italië ontvangen; en zijn leger werd aanmerkelijk vermeerderd door sterke contingenten, die verscheidene machtige edelen hem zonden. Doch er moesten ernstige moeilijkheden overwonnen worden: ten eerste de vijandschap van den Koning van Napels, thans Robert van Calabrië55; ten tweede de haat van de oude Welfen, zooals de partij der Neri (Zwarten) en Donati te Florence, die zoowel de Ghibellijnen als de afvallige Welfen, en met hen ook Dante56, had verbannen; ten derde, hetgeen het voornaamste was, de verontwaardiging van hen, die hem met zoo groote geestdrift hadden ingehaald, doch bitter teleurgesteld waren, omdat deze rex pacificus, zooals hij zichzelf noemde, alle plaatselijke partijen trachtte te vereenigen voor zijn imperialistisch doel, en de persoonlijke veeten, die de namen Welfsch en Ghibellijnsch hadden gekregen, niet in aanmerking nam, alsof deze te onbeteekenend waren en zijn aandacht niet verdienden.
Toch was in den beginne de geestdrift groot. Venetië, Genua en Florence, waar het republikeinsche gevoel zeer sterk ontwikkeld was, gromden en lieten hun tanden zien, maar Cremona, Padua, Brescia, Pisa, Verona, Mantua en andere Ghibellijnsche steden en Signorie zonden gezanten om hem leenmanschap te beloven en onder groot gejuich en gejubel werd Hendrik (Januari 1311) in de S. Ambrogio te Milaan met de IJzeren Kroon gekroond.
Evenwel was deze vreugde van korten duur. Als Pacificator had hij de Milaneesche Visconti uit de ballingschap teruggeroepen, in de hoop hen te verzoenen met hun gelukkige Welfsche mededingers, de partij Della Torre; maar de goed-gemeende tusschenkomst had een uitbarsting ten gevolge, die hem wel zal ontsteld hebben. Een oproer brak uit en na veel bloedvergieten werden de Torriani verdreven. Daarop stonden Cremona, Brescia, en andere steden op en trotseerden Hendrik; deze was nu genoodzaakt zijn taak als rex pacificus op te geven; hij plunderde Cremona en liet de muren slechten; Brescia dwong hij te capituleeren na een beleg van vier maanden, waarbij aan beide kanten de afschuwelijkste wreedheden werden bedreven.
Een heel jaar was nu voorbijgegaan en nog steeds bevond zich Hendrik op een grooten afstand van Rome. In October 1311 trok hij met zijn troepen de vijandig gezinde stad Genua binnen, waar hij eenigen tijd bleef wegens de ziekte en den dood van zijn gemalin. In Maart 1312 werd hij te Pisa verwelkomd, dat, zooals gewoonlijk, aan de zijde van keizersgezinden stond uit haat tegen Florence. Te Pisa vernam hij, dat te Rome de Colonna’s en andere imperialisten, die reeds gezanten gezonden hadden om hem (en ook Paus Clemens) uit te noodigen, ijverig bezig waren voor zijn kroning, maar dat de Orsini daarentegen Koning Robert van Napels naar Rome geroepen hadden en dat de Florentijnen alles deden, wat in hun macht was, om hem tegen te werken; zij kochten het Fransche hof en den Paus om en brachten een verbond van de Welfsche steden tot stand om Koning Robert te helpen in alle pogingen, die hij in het werk zou stellen om den barbaarschen Duitschen vijand van Italië, lo straniero, il Tedesco, il barbaro nemico d’ Italia e della sua libertà, te verdrijven. Hendrik hoorde ook, dat Robert in antwoord op dit verzoek en deze uitnoodigingen zijn broeder Jan had gestuurd met troepen om zich te Rome met de Orsini te verbinden en dat zij het Vaticaan, den Engelenburg en het Trastevere hadden bezet.
Maar ondanks dit alles, ondanks het hartstochtelijk verzoek van Dante, om eerst “den adder, die zich tegen zijn eigen moeder richtte, het schurftige schaap, dat gansch de kudde aanstak, Florence, doodelijk te treffen57, marcheerde Hendrik naar het zuiden, trok in Mei 1312 door de Porta del Popolo Rome binnen en vestigde zich in het Lateraan. Weldra begon den strijd tusschen zijn troepen en die van Koning Robert. Hendrik bezette het Capitool en trachtte de rivier over te steken, maar werd met ernstige verliezen teruggeslagen. Eindelijk moest hij zijn plan, om in de St. Pieter gekroond te worden, opgeven en zich tevreden stellen met een plechtige kroning in de basiliek van het Lateraan58, waar hij de kroon ontving uit de handen van een pauselijken gezant, daar Paus Clemens het niet gewaagd had naar Rome te komen59.
In de buitengewoon heete maand Augustus verliet Hendrik Rome en marcheerde naar het noorden met zijn leger, dat door koortsen veel geleden had; hij was van plan den raad van Dante op te volgen en Florence te verpletteren. Maar de Florentijnen hadden, zooals Villani zegt, “een ontelbaar aantal voetknechten” verzameld, benevens ongeveer 4000 ruiters, en waren besloten hem te trotseeren; zij sloten de poorten van de stad aan den kant van S. Salvi, waar hij zijn legerplaats had opgeslagen. Ten slotte, toen hij zag, dat hij niets kon uitrichten, brak hij gedurende den nacht op en marcheerde weder naar het zuiden, alsof hij naar Rome wilde terugkeeren, maar hield halt te Poggibonsi, niet ver van Siena60. Hier bleef hij tot Maart 1313. Toen trok hij terug naar Pisa, waar hij naar lichaam en geest uitgeput aankwam.
Nadat Hendrik uit Rome was vertrokken, had het volk de overhand gekregen in een worsteling met den adel en wederom een republikeinschen regeeringsvorm ingesteld. Zij noodigden hem nu uit terug te komen en de keizerlijke waardigheid uit hun handen te aanvaarden, terwijl zij hiermede te kennen wilden geven, dat zij alleen het recht hadden die te verleenen. Hendrik was geneigd de uitnoodiging aan te nemen. Hij verlangde er ook zeer naar Koning Robert voor zijn onbeschaamdheid te straffen en met die bedoeling had hij reeds een verbond gesloten met Frederik van Sicilië, een daad, die den Paus zoo woedend maakte, dat hij, hoewel te laat, den banvloek over den Keizer uitsprak.
Hendrik verzamelde een sterk landleger, dat gesteund zou worden door ongeveer 150 oorlogs-galeien, die door Genua, Pisa en Sicilië waren geleverd; toen brak hij nog eens naar het zuiden op. Het was wederom midden in den zomer en zijn manschappen hadden vreeselijk te lijden van de hitte en de moeraskoorts. Hij had Buonconvento, ongeveer dertig kilometer ten zuiden van Siena bijna bereikt, toen hij plotseling stierf, waarschijnlijk aan een aanval van malaria of aan een bloedvergiftiging, ofschoon men vertelde en algemeen geloofde, dat het noodlottige vergift hem in de heilige hostie of op een andere wijze door een Dominicaner priester was toegediend. Zijn lichaam werd naar Pisa gebracht en in de kathedraal bijgezet. Later werd het verplaatst naar den Campo Santo (zie plaat 51 en verklaring).
Met den dood van Hendrik van Luxemburg eindigde voor altijd het middeleeuwsche Duitsch-Italiaansche Romeinsche Keizerrijk, om een juisten naam voor deze eenigszins fictieve zaak te gebruiken. Wel trokken er nog andere Keizers met verschillende staatkundige bedoelingen de Alpen over, maar geen ander kwam, zooals hij, om als een opvolger van Augustus het Romeinsche Keizerrijk te herstellen op zijn ouden grondslag, den wil van het Romeinsche volk. Met den dood van Bonifacius VIII en de verplaatsing van den pauselijken stoel van Rome naar Avignon eindigde ook het Italiaansche Pausdom van de Middeleeuwen.
Maar die zoogenaamde Middeleeuwen kwamen niet zoo plotseling tot een einde. Het was een overgangstijd, zooals de tooverachtige schemering tusschen het eerste ochtendgrauw en het eerste goud van de zon, of misschien kunnen wij, met terzijdestelling van bedriegelijke zonne-vergelijkingen, op de litteratuur en de kunst wijzen, die in dit geval ten minste een juist beeld van dien tijd geven en waardoor de verschillende trappen van de ontwikkeling van hetgeen gewoonlijk de Renaissance of de Rinascimento wordt genoemd, het best worden aangeduid.
De tijd van Bonifacius VIII en van Hendrik VII was ook de tijd van Dante en in de Italiaansche letterkunde schijnt de geweldige figuur van Dante de geheele ruimte tusschen het einde van de Middeleeuwen en het begin van de nieuwe wetenschap te vullen. Van verschillend standpunt beschouwd is hij voor ons de eenige groote dichter van de middeleeuwsche litteratuur en de eerste groote moderne dichter. Hij staat alleen. Voor hem waren er wel een paar zwakke zangers, die in de nieuwe Italiaansche taal de zoete en bevallige rijmen der liefde zongen, maar, om weder tot een zonne-vergelijking terug te keeren, zij waren als morgensterren, die verbleeken voor het licht van de zon. En na zijn dood staan wij, als het ware, voor een plotselingen afgrond; want, ofschoon de levens van Dante en Petrarca gedurende zeventien jaren samenvallen, bestaat er tusschen hen beiden zulk een onoverkomelijke kloof, dat zij tot twee geheel verschillende eeuwen schijnen te behooren. Zoo wordt hier een merkwaardig rustpunt in de geschiedenis van het Italiaansche volk aangegeven. Het is waar, dat velen “de Middeleeuwen” tot een aanmerkelijk lateren datum uitbreiden. Sommigen strekken dit tijdperk uit tot de inneming van Constantinopel door de Turken in 1453 of zelfs tot de ontdekking van Amerika in 1492. Maar wij kunnen met recht het groote gedicht van Dante, dat tusschen 1301 en 1320 geschreven is, als den waren grenssteen beschouwen tusschen middeleeuwsch en modern Italië, of misschien juister het Italië van de Renaissance. Wat de kunst betreft (beeldhouwkunst en schilderkunst) geldt hetzelfde, ofschoon de verschillende trappen van den overgangstijd niet altijd samenvallen met de ontwikkelingstrappen der Italiaansche litteratuur. De herleving der beeldhouwkunst ging, om redenen, die wij later zullen vermelden, aan die van de schilderkunst vooraf, maar, in het algemeen gesproken, kunnen wij de Pisani en Giotto toch wel tijdgenooten van Dante noemen, en, zooals hij zelf, staan ook deze kunstenaars daar bijna zonder voorgangers en volgt daarop een tijdperk, zooals er komt tusschen de wilde bloemen van het voorjaar en die van den zomer, een tamelijk lange en dorre tijd, die niet veel merkwaardigs voortbracht behalve Orcagna en de Gaddi; doch daarna komt de groote opbloei van kunst in de dagen van della Quercia, Brunelleschi, Ghiberti, Donatello en Fra Angelico. Bij het begin van dezen overgangstijd en ongeveer bij het einde van Dante’s leven heb ik besloten dit overzicht van de geschiedenis van Italië in de Middeleeuwen, een overzicht, dat ruim duizend jaar heeft omvat, te eindigen.
Italië ten tijde van Dante
C. 1300
De grenzen staan natuurlijk niet geheel vast. Zij veranderden waarschijnlijk voortdurend. Corsica en Sardinië stonden lang onder Saraceensche heerschappij, maar werden door Pisa en Genua bevrijd (omstreeks 1016). Na den slag bij Meloria (1284) verdreven de Genueezen de Pisanen. Ofschoon de Pausen zich het recht aanmatigden om de investituur aan verschillende vorsten te schenken, (Frederik II, de Anjou’s, en de vorsten van Arragon), moeten de eilanden toch in het algemeen beschouwd worden als te behooren tot de noordelijke republikeinsche Staten en Signorie.