Het epitheton “Romaansch” wordt soms toegekend aan alle rondboogstijlen van de middeleeuwsche bouwkunst, die men afleidt van den Romeinschen stijl—aan den vroeg-Christelijken (basiliek-stijl), Byzantijnsch-, Lombardisch-, Toskaansch-, Normandisch-, (Fransch-, Engelsch-, Siciliaansch)-, Duitsch- en Spaansch-Romaanschen stijl, zelfs aan den Saraceenschen, daar deze onder invloed van den Romeinschen of Byzantijnschen stond; en sommige schrijvers gaan zelfs zoo ver, dat zij den Gotischen stijl een vorm van den Romaanschen noemen, en dien beschouwen als het eindelijke resultaat van het overgangstijdperk, de rondbogen-periode. Dit gebruik van het woord kan men misschien wel verdedigen; maar ik heb er de voorkeur aan gegeven den Italiaanschen basiliek-stijl, den Byzantijnschen en den Romaanschen stijl als specifiek verschillend2 te beschouwen en in een voorafgaand hoofdstuk is in het kort de oorsprong behandeld van die architectuur, die naar mijn meening met evenveel recht vroeg-Italiaansch-Romaansch of Romeinsch-Lombardisch kan worden genoemd, wanneer wij er slechts om denken, dat het woord “Lombardisch” de Romeinsch-Lombardische bouwkunst volstrekt niet beperkt tot hetgeen nu Lombardije heet.
Eenige van de vroeg-Romaansche overblijfselen van het Lombardische tijdperk en van de periode van Karel den Groote zijn reeds beschreven. Gedurende den daarop volgenden tijd, de regeeringen der Karolingers en de Donkere Eeuwen, onderging de architectuur, zooals alle andere kunsten, een totale eclips, die ongeveer twee eeuwen duurde3. Te Rome duurde de duisternis inderdaad nog veel langer. Wij hooren van restauraties en reconstructies, waarvoor de antieke gebouwen onbarmhartig werden geplunderd, en eenige mozaïeken en muurschilderingen van dezen tijd zijn nog over; maar tot de twaalfde eeuw of later, bleef Rome in diepe duisternis gehuld, terwijl in andere deelen van Italië, zoowel in het noorden als in het zuiden, een nieuwe, schitterende architectuur snel opkwam; deze bouwkunst ontwikkelde zich tot wondere volmaaktheid uit de Romeinsch-Lombardische architectuur, die reeds in de dagen van Koningin Theodelinda (c. 600) was ontstaan, doch in haar groei blijkbaar is tegengehouden tot het einde van de tiende eeuw, niettegenstaande een tijdlang de kunsten en wetenschappen door Karel den Groote met zooveel geestdrift zijn begunstigd. Misschien heeft de angst, dat de wereld in het jaar 1000 na Chr. te gronde zou gaan, eenigermate het Christendom verlamd en de meening verbreid, dat de oprichting van aanzienlijke kerken overbodig was; maar, wat ook de redenen mogen geweest zijn, kort na het jaar 1000 werd bijna de geheele Christelijke wereld aangegrepen door een plotseling verlangen om prachtige kerken te bouwen—om de oude plunje weg te gooien, zooals Rodolf Glaber (omstreeks 1045) schrijft, en een nieuw, wit gewaad aan te trekken (candidam ecclesiarum vestem induere).
De Romaansche stijl is voortgekomen uit de vereeniging van de oude Romeinsche architectuur met die van de noordelijke streken, het vaderland van de Longobarden, en zooals Ruskin heeft aangetoond, moet men sommige van de eigenaardigheden, die dezen stijl scherp van den Basiliek- en Byzantijnschen stijl onderscheiden, blijkbaar toeschrijven aan noordelijke invloeden. Een Romaansche kerk, bijvoorbeeld, biedt meestal een treffende tegenstelling met de rijkelijk gekleurde en versierde oppervlakten, de glanzende zuilen, de met marmer bedekte muren en de groote mozaïeken van de Byzantijnsche bouworde. Wij, menschen van het noorden, schijnen soms eenig wantrouwen te koesteren jegens heldere kleuren en rijke decoratie; de meeste van ons geven de voorkeur aan hetgeen dof en bijna kleurloos is—het schaakbord en het spel van licht en schaduw in de schemering van bosschen of in de groote, holle Normandische kathedralen. In Italië had de bouwmeester van noordelijke afkomst het voordeel in de gelegenheid te zijn zich prachtige marmeren zuilen te verschaffen of van oude gebouwen te stelen in plaats van zware pijlers te moeten bouwen, en de tegenstellingen van marmer, gehouwen en gebakken steen in de Italiaansch-Romaansche bouworde zijn dikwijls buitengewoon mooi. Men streefde niet in de eerste plaats naar een decoratief effect, dat bereikt werd door kleur en weerspiegeling, maar belangrijker vond men het spel van licht en schaduw tusschen de lijsten, het beeldhouwwerk, de bogenreeksen, en alle soorten van concaaf en convex bouwwerk. Derhalve hebben wij in het gebouw convexe vormen, zooals gebeeldhouwde kapiteelen en hoogreliefs, om het licht op te vangen, en aan de buitenzijde holten, die door arcades zijn gevormd, en façades met zuilenrijen, laag-reliefs, overhangende draagsteenen, en prachtige, diep terugwijkende portalen en ramen, die de schaduw opvangen en die, als achtergrond voor beeldhouwwerk en marmeren kunstwerken, het gebouw van buiten gezien een schoonheid verleenen, die onvergelijkelijk veel hooger staat, dan van eenige oude basiliek, en misschien zelfs den luister van zulk een kleurendroom als de S. Marco overtreft.
Fresco van Paus Bonifacius VIII, Rome.
Zie de lijst der Illustraties.
Standbeeld van Paus Bonifacius VIII, Florence.
Zie de lijst der Illustraties.
Een zeker mate van kleurversiering werd in den Italiaansch-Romaanschen stijl toegelaten, in het bijzonder in Toskane, waar marmer en mozaïek vrijelijk werden gebruikt. De houten zolderingen, die vlak waren (zooals in de Pisa-Kathedraal), of voorzien van open timmerwerk, zooals in de S. Zeno en S. Miniato, werden met vroolijke kleuren beschilderd. Maar deze beschilderde houten zolderingen gaven aanleiding tot het ontstaan van het leelijke van ribben voorziene tongewelf en uit de rechthoekige kruising van twee tongewelven kwam het kruisgewelf voort. Deze vorm van gewelven verdween gelukkig door de invoering van den Gotischen spitsboog en het echte Gotische gewelf.
Een ander, ietwat latere uitvinding van den Italiaansch-Romaanschen stijl, die daarna ook door de Gotische bouwkunst wordt aangenomen, was het roos- of radvenster, waarvan nog prachtige voorbeelden over zijn (zie plaat 25 en 26).
Het heerschende beginsel van de Romaansche bouworde was nog steeds strenge, stijve kracht. Bij het antieke systeem van zuilenrijen en architraven (wat Gotische zeloten de “kruipende, verachtelijke, horizontale” bouworde noemen, ofschoon het leidende beginsel juist het volmaakt verticale is) bestond geen buitengewoon zware druk van boven en bijna volstrekt geen zijdelingsche druk (deze laatste was inderdaad afwezig, wanneer het dak ontbrak of vlak was). Toen de door bogen gedragen “clerestory”4 van de basilieken hooger werd, brachten de zijbeuken voldoenden steun aan; maar toen de Byzantijnsche koepels, de Romaansche bogen en apsiden grootere afmetingen begonnen aan te nemen, werd het noodzakelijk muren van geweldige dikte te bouwen of deze aan de buitenzijde te versterken. En hier kan er in het voorbijgaan op gewezen worden, dat het beginsel van evenwicht (in plaats van strenge kracht), dat later in de Gotische architectuur werd toegepast, het mogelijk maakte, dat de zwaarste massa’s gedragen werden door een systeem van bogen en pijlers (of “bundelpijlers”) en uitwendige contraforten (steunbeeren), zoodat betrekkelijk dunne muren, nog verzwakt door geweldige ramen, in staat waren het geheel met groote zekerheid omhoog te houden, ofschoon men moet toegeven, dat het inwendige van een groote Gotische Kathedraal, wanneer men een oogenblik het uitwendige stelsel van contra-forten vergeet, wel geschikt is om iemand een gevoel van onbehaaglijke onveiligheid te geven.
Doch voordat wij eenige van de voornaamste voorbeelden zullen geven van Italiaansch-Romaansche bouworde is het noodig te wijzen (ofschoon het onmogelijk is dit hier uitvoerig te bespreken) op het lastige vraagstuk van de verwantschap tusschen deze en den zoogenaamden “Normandischen” en en Duitsch-Romaanschen stijl. De vraag loopt hierover, of de architectuur van de Noormannen in Normandië, waardoor de prachtige kerken van Caen ontstonden en die door de Noormannen in Engeland werd ingevoerd, als ook de Romaansche bouwstijl in het overige Frankrijk met zijn schitterende kerken van Angoulême, Toulouse, Vézelay en Arles, en in België met de heerlijke kathedraal van Doornik, en in Duitschland met de prachtige kathedralen van Mainz, Worms, Trier en Spiers, en in Spanje met zijn kerken te Toro en Tarragona en op Sicilië (Palermo en Cefalù), en ten slotte, wat wij noemen den Italiaansch-Romaanschen stijl—de vraag is of al deze bouworden, zooals sommigen meenen, moeten worden toegeschreven aan het vindingrijke vernuft van de bouwmeesters der Vikings of dat deze bouwstijl door een merkwaardige coïncidentie onafhankelijk van elkander in al deze verschillende landen ontstond—of dat eindelijk, zooals ik heb voorondersteld, deze architectuur is opgekomen, toen, omstreeks de zevende eeuw, de Longobardische vorsten in Noord-Italië, en later de Longobardische hertogen van Zuid- en Midden-Italië inheemsche bouwmeesters, misschien de beroemde magistri comacini (zie p. 247) gebruikten om kerken en paleizen in Italië op te richten. Wanneer dit zoo is, lijkt het zeer waarschijnlijk, dat de nieuwe bouwstijl zich van Italië over de Alpen verbreid heeft langs den loop van den Rijn5, en in Bourgondië, en daarna (c. 1060) door de hertogen van Normandië is overgenomen. Maar in Normandië kan die architectuur ook langs een anderen weg gekomen zijn, want deze Normandische hertogen stonden in rechtstreeksche verbinding met Italië door hun stamgenooten, die reeds veertig jaren in Zuid-Italië waren, voordat de grootsche St. Etienne van Willem den Veroveraar te Caen begon te verrijzen6.
Dit vraagstuk over den oorsprong van de Normandische bouworde zal ieder van ons verschillend beantwoorden, naarmate hij zich meer door zijn vaderlandsliefde of door verstandelijke redeneering laat leiden. Maar wanneer men aldus handelt is het noodzakelijk er op te wijzen, dat het bestaan van een gelijken bouwstijl in landen, die ver van elkander verwijderd liggen, dikwijls verklaard kan worden door het feit, dat bouwmeesters en werklieden niet zelden uit de beroemde centra van architectuur werden ontboden naar ver afgelegen plaatsen. Zoo liet Venetië voortdurend bouwmeesters komen uit Constantinopel, en Karel de Groote en andere Frankische en Duitsche vorsten gebruikten in hun noordelijke landen ongetwijfeld vele Italiaansche architecten; men moet zich er dus niet over verbazen, wanneer men in Engeland en Frankrijk karaktertrekken van den Italiaansch-Romaanschen stijl vindt of zelfs Byzantijnsche en Oostersche versieringen (die door de kruisvaarders zijn gebracht), of wanneer men in Italië de zigzaglijn (die, evenals de overal voorkomende swastika7, soms misschien spontaan is opgekomen), aantreft, of wanneer de kerk van den S. Spirito, omdat de Engelschman Of a Mill (Offamilio) aartsbisschop en kanselier te Palermo was, met de zware pijlers en eenigszins gespitste bogen is gebouwd, die den Engelsch-Normandischen stijl van denzelfden tijd (c. 1175) kenmerken. Uit zulke feiten moeten wij nog niet afleiden, dat de Italiaansch- en Siciliaansch-Romaansche architectuur made in Engeland was, of zelfs ook maar in Normandië.
Een treffende en schoone eigenaardigheid van de Italiaansch-Romaansche bouwkunst is de klokketoren. Wij hebben reeds gezien (p. 251), dat de Italiaansche campanili van oude dagteekening zijn en dat eenige van de oude basilieken zeer mooie, ronde klokketorens hebben; maar de hooge, vierkante campanili, die zoo kenmerkend voor Italië zijn (en waarmede de ronde, scheeve toren van Pisa zulk een merkwaardige tegenstelling vormt), moeten worden toegeschreven aan den Romaanschen stijl. Te Rome, dat in andere opzichten niet sterk onder Romaanschen invloed is gekomen, bestaan vele fraaie, vierkante klokketorens van de twaalfde en dertiende eeuw, zooals die van de S. Maria in Cosmedin (plaat 21), S. Maria in Trastevere en SS. Giovanni e Paolo8. Te Rome heeft de campanile in dezen tijd gewoonlijk verdiepingen van donkerbruin baksteen, die gescheiden zijn door kroonlijsten van marmer of terra-cotta en bovenaan een plat dak (want torenspitsen zijn bijvoegsels van later datum). Behalve de benedenste heeft meestal iedere verdieping aan elke zijde twee ramen, open of blind, met marmeren zuiltjes (colonelli), terwijl bij de campanili van Noord-Italië het aantal vensters, zooals bij den klokketoren van Siena, waar elke verdieping een raam meer heeft, naar den top van het gebouw toeneemt (zie plaat 41, 55, 65).
De Romaansche bouwkunst van Lombardije schiet dikwijls te kort in fijnheid van ornamenteering, zooals men door haar half-noordelijken aard wel kan verwachten en neigt soms tot het fantastische en grillige, maar toch is het karakter manlijker en gezonder dan het Toskaansche, of misschien moeten wij zeggen, het Pisaansche. De voornaamste kenmerken van de Lombardisch-Romaansche kerken zijn de buitengewoon mooie verhoudingen van de uitwendige architectuur, de grootsche façades met zuilenrijen en soms rijkelijk met beeldhouwwerk versierd, de fijne arcaden van de apsiden, de prachtige inspringende portalen en ramen, de vooruitstekende portieken met zuilen, die dikwijls op marmeren leeuwen rusten, de heerlijke campanili en bij latere gebouwen de groote roosvensters. De volgende zijn de belangrijkste van deze kerken. Eenige daarvan zal men beschreven vinden in de lijst der Illustraties. De jaartallen geven bij benadering aan, wanneer de Romaansche gedeelten van deze kerken oorspronkelijk zijn gebouwd.
Behalve deze is er nog een zeer belangrijke kerk, de S. Ambrogio te Milaan, waarvan reeds herhaaldelijk melding is gemaakt. Men zegt, dat zij omstreeks het jaar 380 door St. Ambrosius is gesticht, maar het schijnt, dat in de negende eeuw deze kerk door Aartsbisschop Anspert is herbouwd en ten slotte omstreeks 1140 in Romaanschen stijl is gereconstrueerd. Het fraaie atrium dateert waarschijnlijk uit den tijd van Aartsbisschop Anspert en de klokketoren is ongeveer 1130 gebouwd. Uitwendig is de kerk eenvoudig, vroeg Romaansch, maar het inwendige, dat toch uit dezelfde periode is, toont zeer merkwaardige, Gotische kenmerken door het van ribben voorziene gewelf van het schip en de beuken, de bundelpijlers en de pilaren, die zich verheffen boven de kapiteelen van de benedenste pijlers (zie p. 250). De vraag is, of deze nieuwe bouworde van den anderen kant van de Alpen werd ingevoerd in een tijd, toen dit ternauwernood bekend was in de noordelijke landen, of dat het inderdaad hier reeds zoo vroeg ontworpen werd9. Dit zullen wij behandelen, wanneer wij de Italiaansch-Gotische architectuur bespreken.
De groep van prachtige gebouwen, die zich plotseling vertoonen, wanneer iemand van de Via Solferino of de Via Niccola Pisano op de Piazza del Duomo te Pisa komt, geeft een onuitwischbaren indruk van de voornaamste trekken van hetgeen men Toskaansch-Romaansche architectuur noemt, die misschien evenwel juister Pisaansch-Romaansch genoemd zou kunnen worden. Wanneer men kort geleden de kerken van Lombardije bezocht heeft, zal men gevoelen, dat men hier een variëteit van Romaanschen stijl voor zich heeft, dien men wel een anderen naam zou kunnen geven. Het is onmogelijk om dit punt uitvoeriger te bespreken, maar een enkele blik op plaat 40 zal ons toonen, dat de kenmerkende eigenaardigheden in alle drie gebouwen (de Kathedraal, de ronde, scheeve Toren, en de benedenste helft van het Baptisterium, want de bovenste helft is jonger en in Gotischen stijl opgetrokken) hierin bestaan, dat de onderste verdieping versierd is met zuilen en hooge, blinde arcaden en dat de hoogere gedeelten, vooral van de campanile en de façade van de Kathedraal eenige rijen van prachtige open colonnades hebben10. Deze mooie voorzijden, die men te Pisa zoo goed kan zien en te Lucca niet zoo volmaakt zijn, kent men in Lombardije nauwelijks, en het feit, dat zij in Dalmatië worden gevonden, schijnt er op te wijzen, dat zij moeten worden toegeschreven aan Byzantijnsche of Oostersche invloeden, zooals men wel kan verwachten in een tijd, toen de Pisaansche vloten de Saracenen van de zeeën joegen en de kusten van de Levant bezochten.
Er zijn in Pisa nog verscheidene andere Romaansche kerken, namelijk de S. Sisto (c. 1090) en de S. Frediano (c. 1150) en de S. Paolo (c. 1220?), welke laatste een fraaie Pisaansche façade heeft. Te Lucca zijn veel kerken11 in navolging van de Pisaansche gebouwen opgericht, maar wat de schoonheid der verhoudingen betreft, moeten zij voor den Dom van Pisa onderdoen, zooals men kan zien op de afbeelding van de kathedraal, wier voorzijde van 1204 ongeveer dateert (zie plaat 41). Een nog grooter gebrek aan artistiek gevoel vertoont de S. Michele, bij welke kerk de gevel aanmerkelijk hooger is opgetrokken dan het dak, om ruimte te krijgen voor de Pisaansche façade met colonnades. Een ander overdreven navolging van deze voorzijde wordt geleverd door de S. Giovanni te Pistoia.
Van de Florentijnsch-Romaansche architectuur is het meeste verdwenen, maar behalve de overblijfselen, die nog gedeelten vormen van de SS. Apostoli, S. Spirito en S. Lorenzo, is er nog een zeer beroemd en volmaakt voorbeeld over, de S. Miniato:
la chiesa, che soggioga
La ben guidata sopra Rubaconte12.
In sommige opzichten lijkt de S. Miniato meer op een Latijnsche basiliek dan op een Lombardisch-Romaansche kerk. Het is een van de meest belangwekkende voorbeelden van den overgang van de basilieken naar den Romaanschen stijl en een bewijs, dat de Florentijnen de Romaansche bouworde, evenals later de Gotische architectuur, met bedachtzame terughoudendheid beschouwden. De voornaamste, kenmerkende trekken kan men gemakkelijk op de plaat waarnemen (zie pl. 30). Hier kan slechts de aandacht gevestigd worden op het verschil met den Romaanschen stijl door de opmerking, dat de rijke marmer-incrustatie van de binnenmuren en de voorzijde13, die een opgewekten indruk maakt door het gebruik van wit en zwart marmer, zonder eenige open arcades of effect van licht en schaduw, meer in den geest van de Byzantijnsche dan van de Romaansche bouwkunst is en bijna even ver van de Lombardisch-Romaansche architectuur verwijderd schijnt te zijn als de Pisaansche daarvan verschilt. Zooals wij zullen zien, bloeide de Byzantijnsche schilderkunst vóor de dagen van Cimabue te Florence, hetzij door tusschenkomst van Venetië of door de Byzantijnsche schilderkunst in Zuid-Italië, en waarschijnlijk moet men de met marmer ingelegde façade van de S. Miniato, evenals bij sommige andere Toskaansche kerken, aan dergelijke invloeden toeschrijven.
In het tijdperk, toen (1000–1100) in Italië de architectuur begon te herleven, werd Florence door de Markgraven, Ugo, Bonifacius en Guelf bestuurd en was noch met het Keizerrijk noch met Lombardische steden op goeden voet. Dit is misschien de oorzaak van het feit, dat de Lombardische vorm van Romaansche architectuur hier niet begunstigd werd, en uitgezonderd een periode van vriendschap, die slechts kort duurde (zie p. 387), schijnen Florence en Pisa in een toestand van onafgebroken vijandschap en naijver verkeerd te hebben, zoodat men er zich niet over behoeft te verwonderen, dat de zelfgenoegzame en onafhankelijke Florentijnen zich niet wilden verlagen om de voortbrengselen van de Pisaansche bouwmeesters na te volgen.
51. Tombe van Hendrik van Luxemburg, Pisa.
Maar in andere streken van Toskane bestaan nog eenige prachtige overblijfselen van Lombardisch-Romaansch bouwwerk. Toscanella is reeds vermeld in verband met den vroeg Romeinsch-Lombardischen stijl (zie p. 249). De buitengewoon mooie portalen en roos-vensters van de S. Pietro en S. Maria Maggiore (plaat 25, 26) dagteekenen van c. 1040. Te Volterra was vroeger een fraai Lombardisch-Romaansch gebouw, de Duomo, en het oude Baptisterium heeft nog een prachtige portiek van c. 1200 (plaat 32). Te S. Gimignano zijn verscheidene kerken van de Tempeliers van de twaalfde eeuw, en de Duomo of Collegiata, die naar men meent van c. 1148 dateert, bezit een mooi Romaansch schip en zuilen (plaat 42). De twee groote centra van de Lombardische heerschappij in Midden- en Zuid-Italië waren Spoleto en Benevento en hier vinden wij, zooals men wel kan verwachten, zeer schoone voorbeelden van de Lombardisch-Romaansche bouworde. De Duomo te Spoleto dagteekent van 1050 ongeveer en werd omstreeks 1150 herbouwd; de Duomo van Benevento werd, naar men vertelt, in het jaar 1047 door Adalbert van Bremen bewonderd. Het is Lombardisch werk, dat onder invloed stond van de Saraceensche architectuur. Een zeer merkwaardig voorbeeld is ook de S. Maria di Collemaggio te Aquila (plaat 49).
Aldus kunnen wij de uitbreiding van de Lombardisch-Romaansche architectuur van Noord-Italië in de oude Lombardische hertogdommen nagaan, totdat deze bouwstijl, terwijl Rome bijna niet onder zijn invloed kwam, in aanraking kwam met den Byzantijnschen en Saraceenschen (Arabischen); en weldra zullen wij zien, dat de Noormannen in Zuid-Italië en op Sicilië deze Noordelijke, Romaansch-Lombardische bouworde aanvaardden en tegelijkertijd den invloed ondergingen van de Byzantijnsche en Arabische architectuur in het zuiden.
In vele steden van Campanië, Apulië en Calabrië staan kerken, waarvan de meeste op barbaarsche wijze bedorven zijn, die oorspronkelijk Romaansch waren of Byzantijnsch met prachtige koepels, en door de Noormannen in Romaanschen (soms eenigszins Saraceenschen) stijl zijn herbouwd of vergroot. Te Canosa (in Apulië) vertoont de Byzantijnsche kerk van S. Sabino, die vijf koepels heeft, eenige Lombardische toevoegsels van de Noormannen (in deze kerk staat de graftombe van den kruisvaarder Bohemund, den zoon van Robert Guiscard). Te Trani heeft de Byzantijnsche kathedraal een prachtige Romaansche portiek. Te Bari zijn verscheidene oude Byzantijnsche kerken in Romaanschen stijl bijgewerkt ten tijde van Koning Roger. De kathedraal van Salerno werd (c. 1070) door Robert Guiscard gebouwd, en de mooie Romaansche architectuur is nog wel waarneembaar, ofschoon de kerk door moderne restauratie afschuwelijk ontsierd is. (Het atrium met zijn heerlijke antieke zuilen van Paestum ontkwam aan die “herstelling”). Verder kunnen wij te Amalfi en het naburige Ravello merkwaardige, doch ook leelijk bedorven, voorbeelden van den Zuid-Italiaanschen stijl in de kathedralen aldaar zien. Beide kerken werden misschien reeds in de elfde eeuw gebouwd, zelfs vóor de heerschappij van Robert Guiscard en de ontwikkeling van de Lombardische architectuur der Noormannen. Maar het is waarschijnlijker, dat de kathedraal te Amalfi dagteekent uit den tijd, toen de stad, die eeuwenlang in meerdere of mindere mate te midden van haar vele vijanden onafhankelijk was gebleven, zich aan den koning der Noormannen, Roger van Sicilië, in het jaar (1131), dat op zijn kroning volgde, had onderworpen.
In een vroeger hoofdstuk hebben wij de opkomst en het kortstondige, maar schitterende bestaan van de heerschappij der Noormannen in Zuid-Italië en Sicilië geschetst en wij hebben gewezen op de schilderachtige mengeling van rassen in de bevolking van dergelijke steden als Palermo, de residentie van de koningen der Noormannen. Palermo was, zooals het grootste gedeelte van Sicilië, langer dan 240 jaren (830–1072) in de macht van de Saracenen geweest. Het aantal zijner inwoners was 300.000 en men zegt, dat het niet minder dan 300 moskeeën heeft bezeten, groote en kleine. De Saracenen hadden veel van de voorafgaande Byzantijnsche beschaving aanvaard, en de Noormannen op hun beurt gaven, in plaats van de ongeloovige Muzelmannen uit te roeien, hun tamelijk groote religieuze en civiele vrijheid, gebruikten hen als soldaten en als ambtenaren en namen veel van hun wetenschap en kunst over.
Natuurlijk vertoont de Siciliaansche architectuur in de periode van de heerschappij der Noormannen Byzantijnsche en Saraceensche kenmerken gepaard met eigenschappen van de Romaansche bouworde der Noormannen, waarvan de voornaamste bron, zooals wij zagen, de Lombardisch-Romaansche stijl van Zuid-Italië was14. Van de vele prachtige kerken, die door de Koningen der Noormannen, vooral door Koning Roger en Willem den Goede, in Palermo en elders op Sicilië zijn opgericht, waren sommige, wat het ontwerp betrof, duidelijk Byzantijnsch, zooals de Martorana (met een koepel en drie apsiden), de S. Cataldo (met drie koepels) en de S. Giovanni degli Eremite (met vijf koepels) terwijl andere beslist Romaansch van bouw waren, zooals de kathedralen te Monreale en Cefalù en de kerk S. Spirito, niet ver van Palermo15, die reeds vermeld is als een herinnering aan de Engelsche architectuur der Noormannen.
Vier van de meest belangrijke dezer Siciliaansche kathedralen, die door de koningen der Noormannen werden gebouwd, zijn gegeven in de illustraties (plaat 33, 36, 43, 44) en beschreven in de Lijst, en ook de graftomben van Koning Roger en Keizer Frederik II (plaat 35 en 47) zijn in de Lijst der Illustraties besproken, zoodat hier slechts de opmerking behoeft bijgevoegd te worden, dat de aanwezigheid van den spitsboog door sommigen wordt toegeschreven aan Saraceenschen invloed, terwijl anderen daarin een voorbode zien van den Gotischen bouwstijl, zooals wij reeds hebben opgemerkt bij de S. Ambrogio. Doch de spitsboog werd in de Romaanschen stijl niet zelden gebruikt, reeds lang voor de komst van de Gotische architectuur, en wordt ook in Engeland gevonden in gebouwen, die zijn opgericht vóor het zoogenaamde overgangstijdperk tusschen de bouwkunst der Noormannen en de vroeg-Engelsche b.v. in de Fountains- en in de Malmesbury-Abdij, welke beide echt bouwwerk van de Noormannen zijn en in denzelfden tijd zijn gebouwd als de prachtige Capella Palatina (plaat 33), die opgericht is door Koning Roger als de Koninklijke Kapel van zijn paleis te Palermo—eenmaal het kasteel van de Saraceensche Emirs, hetgeen toen, zooals Villari zegt, “het eerste waarlijk koninklijke paleis in Europa” was, en nu behalve de buitengewoon mooie Capella, een treurige ruïne is16.
1 Voor verdere bijzonderheden zie Lijst der Illustraties.
2 De beginselen, die tot uiting kwamen door den boog, die door zuilen gedragen wordt, den door hangbogen gedragen koepel en den spitsboog schijnen te wijzen op de ontwikkeling van een nieuwen stijl. Ook de Romaansche bouwkunst bezat oorspronkelijkheid.
3 Het was juist in deze twee eeuwen (800–1000), zooals wij hebben gezien, dat de Venetianen hun stad met prachtige gebouwen begonnen te versieren. (De oorspronkelijke S. Marco dateert van 830; het oorspronkelijk Doge-Paleis en de S. Zaccaria zijn uit dezelfde periode; de tegenwoordige Torcello-Kathedraal is grootendeels van 864). Maar Venetië stond in nauwe betrekking met de Oostersche en de Byzantijnsche architectuur en nam geen voornaam deel aan de Romaansche beweging, ofschoon het eenige zeer schoone voorbeelden van Romaanschen stijl bezat, zooals de paleizen, die men op Plaat 56 kan zien, en de apsis (die nu afschuwelijk gerestaureerd is) van Murano’s basiliek, die Ruskin met zoo groote bewondering noemt.
4 De vensters van de hoofdbeuk, zie p. 265.
5 De volgende kerken zijn de voornaamste van vroeg Duitsch-Romaanschen stijl. De jaartallen wijzen aan, wanneer de oorspronkelijk Romaansche gedeelten van deze kerken, (waarvan de meeste nu herbouwd zijn) werden opgericht: Gernrode (960). Keulen, St. Maria im Capitol en de kerk van de Apostelen (960–1020). Mainz, Dom (970–1050). Trier, Dom (1016) Spiers, Dom (1030–1100). Worms, Dom (1120–1200). Laach-Abdij (1100).
6 Ongeveer 1060 bouwde Robert Guiscard te Salerno en op andere plaatsen kerken in den Lombardisch-Romaanschen stijl, die door de koningen der Noormannen later in Sicilië werd ingevoerd.
7 Het Indisch godsdienstig symbool, dat uit een kruis, met vier gelijke armen bestaat, wier uiteinden in den vorm eener gamma zijn omgebogen. Swastika.
8 Dit is de eenige kerk in Rome, die uitwendig duidelijk Romaansche trekken vertoont b.v. een diep terugwijkende arcade rondom het bovengedeelte van de apsis, die in de twaalfde eeuw gebouwd is, na de verwoesting van de oude kerk door de Saracenen van Robert Guiscard in 1084.
9 Ruskin in zijn Stones of Venice beschouwt die schacht als een “versteenden” vorm van de houten opstanden in de oude gebouwen van het Noorden. “De opstand-pilaar op den pijler van het schip blijft in het steenen gebouw. In dien vorm brachten de Lombarden het in Italië in de zevende eeuw en het bestaat nog heden ten dage in de S. Ambrogio te Milaan en in de S. Michele te Pavia”.
10 Merkwaardig is het kleiner aantal zuilen van de tweede en vierde rij in de façade en de middelste zuilen van de twee hoogste rijen boven de middelste bogen van de twee lagere; ook de negentien bogen van de eerste rij tegen éen en twintig van de tweede. De façade dagteekent waarschijnlijk uit 1120, ofschoon sommigen het een eeuw later stellen. Zonder twijfel werd het dikwijls gerestaureerd. Met den klokketoren werd zeker omstreeks 1175 een begin gemaakt, maar hij veel later voltooid.
11 Een zeer interessante kerk te Lucca is de S. Frediano, oorspronkelijk gesticht, evenals de Duomo, omstreeks 570 door den Ierschen bisschop Frigidianus. Die kerk werd c. 1120 herbouwd. Zij heeft de gewone Romaansche colonnade om de buitenzijde van de apsis, doch met horizontale architraven in plaats van bogen. De vierkante klokketoren van den Duomo heeft prachtige verhoudingen. De ronde, Pisaansche campanile met arcaden schijnt geen navolging gevonden te hebben.
12 Purgatorio XII, 101. “De kerk, die de goed bestuurde (d.w.z. slecht bestuurde) stad boven den Ponte di Rubaconta beheerscht”. Zij staat op een heuvel, Monte alle Croci, bij de stad, aan den zuidelijker oever van den Arno. De brug heet thans Ponte della Grazie. Volgens Machiavelli was die kerk in 1002 ongeveer door Hendrik II gesticht. Anderen geven het jaartal 1013.
13 Volgens sommigen is de façade van de vijftiende eeuw of later; zonder twijfel is er veel aan gerestaureerd en bijgevoegd, maar waarschijnlijk is het geheele plan toch van de elfde eeuw.
14 Zonder twijfel bestaat er meer dan toevallige overeenkomst tusschen de bouwkunst der Noormannen op Sicilië en in Normandië, zooals men kan zien bij de kathedraal te Cefalù, die blijkbaar volgens hetzelfde plan is gebouwd als de groote St.-Etienne te Caen van Willem den Veroveraar. De kathedraal te Cefalù werd waarschijnlijk gesticht in 1129 en de St. Etienne werd kort na Willem’s dood, die in 1087 plaats vond, voltooid.
15 Buiten de Porta Agata en dicht bij het tooneel van den Siciliaanschen Vesper. Deze kerk werd gesticht door den Engelschen Aartsbisschop van Palermo, Of a Mill (Offamilio). Wij moeten ook niet vergeten, dat de Koningin van Sicilië in dezen tijd een Engelsche prinses was (zie p. 365).
16 Van de andere zeer talrijke paleizen in en rondom Palermo, bestaan er nog slechts weinige, zooals de Zisa (door Willem I gebouwd), de Cuba (door Willem II gebouwd) en de Favara, een Saraceensch kasteel van de Noormannen, dat later door Frederik II werd gebruikt.