„Man fragt um’s Was und nicht um’s Wie;
Ich musste keine Schiffahrt kennen.
Krieg, Handel und Piraterie,
Dreieinig sind sie nicht zu trennen.”

Bij de maatregelen, welke door de oorlogvoerenden werden genomen, werden de bij tractaat geregelde rechten der neutralen allengs minder ontzien en bleken helaas de wederzijdsche verbittering der belligerenten en de wederzijdsche zucht om elkander op elke denkbare en uitvoerbare wijze te benadeelen, meer en meer de overhand te verkrijgen boven het in den aanvang nog eenigermate medesprekend rechtsbesef, dat eenmaal gesloten verdragen geëerbiedigd dienden te worden. Alle oorlogvoerenden werden allengs doof, niet alleen voor elke overweging die niet was ingegeven door het oorlogsbelang van henzelven of van hunne verbondenen, maar ook voor elk volkenrechtelijk bezwaar tegen maatregelen, die zij in dat belang meenden te moeten en dus ook te mogen nemen.

Men heeft hieruit wel de pessimistische conclusie getrokken, dat de thans woedende krijg bewijzen zou, dat internationale verdragen, als het er op aankomt, niet meer dan scheurpapier zijn. Gelukkig is voor dat pessimisme geen reden. Dat het volkenrecht in dezen oorlog sterk is gehavend, is niet voor tegenspraak vatbaar, maar dit maakt het nog niet waardeloos. Internationale verdragen zullen, naar te verwachten is, in de toekomst het uitbreken van oorlog in nog meer gevallen kunnen voorkomen, dan in het verleden het geval was. Ook in den oorlog zelf zullen zij in de toekomst worden geëerbiedigd, zoo dikwijls de machtsverhoudingen tusschen neutralen en oorlogvoerenden zoodanig zijn zal, dat de onzijdigen door bedreiging met feitelijkheden tegen den overtreder, de inachtneming van het internationale verdrag kunnen afdwingen. Wanneer echter, zooals thans, de groote mogendheden van een geheel werelddeel allen met elkander in oorlog zijn en het in dien krijg, naar de overtuiging van elk der belligerenten, gaat om eigen lijfs- of althans om eigen machtsbehoud, zijn verdragen niet in staat hen te houden binnen de grenzen van in vredestijd gestelde regelen van volkenrecht, ook al hebben zij zelven tot het stellen dier regelen uit vrijen wil en uit overweging van het belang van geregelde internationale rechtsverhoudingen, zoo al niet uit innige rechtsovertuiging medegewerkt. De oorlog brengt zulk een geweldigen omkeer in den gemoedstoestand zoowel der regeeringen als der bevolkingen van krijgvoerende landen teweeg, dat men daar alles geoorloofd waant, wat den vijand afbreuk kan doen en het haast landverraad zou achten, zich daarvan te laten weerhouden of daarbij te laten intoomen door overwegingen van recht, zoolang men door machtigeren daartoe niet wordt verplicht. Oorlogvoerenden bevinden zich, door het enkele feit dat zij oorlog voeren, naar eigen overtuiging in den noodtoestand die wetten verbreekt, de wet van het recht niet minder dan de wet der menschelijkheid.

De kleine neutrale staten moeten zich zulke schendingen van verdragen wel laten welgevallen, al laten zij niet na, er tegen te protesteeren. Een casus belli leveren zij alleen dan op, wanneer zij tevens een ernstige schending der souvereiniteit inhouden. Zoover is het gelukkig, hoe hinderlijk, vaak zelfs ergerlijk die schendingen ook zijn geweest, voor ons land niet gekomen. Het is bij protesten gebleven en het kon daarbij blijven. Bij velen heeft dat een gevoel van wrevel gewekt. Begrijpelijk, maar ongegrond. Waar het recht de macht aan het woord moet laten, hebben de kleine naties daarvoor wel te buigen. Door echter, zonder onderscheid te maken tusschen de belligerente partijen, telkens te protesteeren, wanneer het volkenrecht ten nadeele van Nederland werd geschonden, diende onze Regeering niet alleen het belang van het land als handeldrijvende en zeevarende natie, kwam zij niet alleen op voor de waardigheid en de hoogheid van den staat, maar vervulde zij tevens voor haar deel de taak, die aan de neutralen in deze reuzenworsteling is weggelegd. Zij hielp er toe mede, het rechtsgeweten der oorlogvoerenden niet geheel te doen inslapen en daarmede tevens de kiemen te bewaren, waaruit straks een nieuw en, laat ons hopen, hechter gebouwde regeling van het voor de menschelijke beschaving onmisbaar volkerenverkeer tot ontwikkeling zal komen.


Doch ik moet nog, met een enkel woord althans, in herinnering brengen hoe het met onzen handel onder al die moeilijkheden van den oorlogstoestand gegaan is. Dat daardoor onze buitenlandsche handel zeer werd gehandicapt, spreekt wel van zelf. Enkele onderdeelen daarvan werden geheel stopgezet of sterk verminderd. Dit werd nog verergerd, toen de belligerenten verschillende neutrale kooplieden gingen keuren en, al naar gelang deze al dan niet ook met den vijand handel dreven, hen op blanke of zwarte lijsten plaatsten. Die lijsten op zich zelf zijn een negatie van het recht van den neutrale om zaken te doen met alle oorlogvoerenden en een niet onbedenkelijke poging om verder te reiken dan het eigen rechtsgebied en om, naast den eigen onderdaan, ook den vreemdeling „the trading with the enemy” te verbieden. Zoowel de goederen- als de geldhandel worden door die lijsten belemmerd, niet alleen voor het heden, maar ook voor de toekomst. Daarbij komt voor den effectenhandel in buitenlandsche fondsen nog een speciale moeilijkheid. De oorlogvoerende staten verlangen bij de uitbetaling der coupons hunner schulden waarborgen dat de stukken niet toebehooren aan onderdanen van vijandige naties. Dit geeft heel wat oponthoud en ongerief, zoowel voor de beleggers zelven als voor de bankiers en commissionnairs. Bovendien heeft de politiek der economische isoleering van de centrale mogendheden er toe gevoerd, niet alleen hun invoer van goederen te fnuiken, maar ook hen te belemmeren in het zich verschaffen van geld of crediet door verkoop van buitenlandsche effecten. Met deze financieele isoleering begon Engeland niet aanstonds; er zijn dan ook zeker heel wat Amerikaansche fondsen over de Amsterdamsche beurs voor Duitsche rekening naar Amerika verkocht. Een tusschenkomst die volkomen geoorloofd was, maar die toch ook weer geleid heeft tot maatregelen van de Britsche regeering, waarbij het recht voor het belang van Engeland als belligerent moest wijken. De aanhouding van groote waarden door Groot-Brittannië, op vermoeden dat daarbij vijandelijke belangen betrokken waren, en de toenemende moeilijkheid voor den internationalen geld- en effectenhandel hebben er ten slotte toe geleid, dat zelfs een financieele afdeeling van de N. O. T. moest worden in werking gesteld. Dit bewijst genoegzaam, hoe ook de Nederlandsche geld- en effectenhandel zwarigheid ondervond van de economische oorlogspolitiek van de geallieerden, met name van Groot-Brittannië.

Het is moeilijk een algemeen oordeel te vellen hoe de handel onder den oorlog gevaren is. De groote geld- en effectenhandelaars behoeven zeker geen medelijden; zij zullen daar ook wel niet om vragen. De kleinere commissionnairs zijn er over het algemeen heel wat slechter aan toe. De provinciale bankiers ondervinden den gunstigen terugslag van de welvaart in den boerenstand.

Tegenover de belemmeringen van den overzeeschen handel staat, dat de export naar Duitschland in allerlei voedingsmiddelen zich sterk ontwikkeld heeft. Niet alleen land- en tuinbouw en enkele fabrieken van voedings- en genotmiddelen, maar ook sommige kringen uit den groothandel hebben daarvan profijt getrokken. Ten gevolge van de economische politiek der geallieerden tegenover Duitschland steeg daar de vraag naar producten van onzen bodem zoodanig, dat onze exporthandel er aanmerkelijk veel hoogere prijzen kon maken dan in Engeland of Frankrijk. Het gevolg hiervan is een sterke overhelling van dien handel in Duitsche richting. Dat is niet toe te schrijven aan sympathie of antipathie, maar aan zuiver economische oorzaken. Men kan het den boeren, fabrikanten en handelaren, voor zoover zij goederen uit te voeren hebben, niet kwalijk nemen, dat zij die daarheen zenden waar zij er de hoogste markt voor vinden. Het is echter niet te miskennen, dat het tijdelijk verwaarloozen van de Engelsche en Fransche markt voor de toekomst niet zonder bedenking is. Gelukkig komen er organisaties om het hierin liggend gevaar zooveel mogelijk te keeren.

Aan het opmaken van een balans van den stilstand of achteruitgang in den eenen en de verlevendiging in den anderen tak van handel, durf ik mij niet wagen. Men zal wel niet ver van de waarheid af zijn, wanneer men aanneemt, dat over het algemeen de groothandel niet al te slecht is weggekomen. De tusschenhandel en meer nog de kleinhandel hebben het minder goed gehad. Vooral in den aanvang was het hiermede droevig gesteld. Maar toch heeft zich zelfs voor de grossiers en de winkeliers de toestand langzamerhand ten goede gekeerd in een mate als waarop men aanvankelijk niet had durven hopen. Na hetgeen ik daaromtrent reeds opmerkte bij de bespreking van het middenstandscrediet in hoofdstuk IV[26] behoef ik daarop hier niet meer terug te komen.

[26] Zie bl. 218/9.

De handel heeft zeker niet zulk een gulden tijd gehad als de landbouw. Onder de kooplieden, dit geldt zoowel voor den geld- en den effectenhandel als voor den goederenhandel, hebben over het algemeen de grooten de meeste baat gevonden en zijn er heel wat kleineren, die moeten worstelen om het hoofd boven water te houden. De oorlog heeft over het algemeen de bedrijfsconcentratie in de hand gewerkt en zal, naar het zich laat aanzien, in deze richting nog lang nawerken. Alles bij elkaar genomen is er, zoo al geen stof tot juichen dan toch wel tot tevredenheid over den toestand van den handel, nadat meer dan twee jaren van oorlogstoestand zijn doorgemaakt.


Neemt men alle takken van ons volksbestaan, welke ik in dit hoofdstuk de revue liet passeeren, bij elkaar, dan is er ongetwijfeld reden om van geluk te spreken.

De klippen zijn wij echter nog niet voorbij. Wij leven nog in een zeer bijzonderen tijd, die ook voor het economisch leven ongekende gevaren in zijn schoot kan bergen, niet slechts gedurende den oorlogstoestand, maar ook als er eindelijk weer vrede op aarde zijn zal. Daarom zij men zoo voorzichtig niet te voorbarig juichtonen aan te heffen. De toekomst is daarvoor veel te onzeker. Terecht waarschuwt de heer Posthuma daartegen aan het slot van zijn Economische Nota, die den toestand in het begin van het jaar 1916 beschrijft. Maar toch stemt het tot blijdschap, dat hij zonder overdrijving kon neerschrijven: „Vat men de indrukken van het geheele economische leven te zamen, dan is de slotsom dat er, de omstandigheden in aanmerking genomen, alleszins reden tot dankbaarheid bestaat.”

Ik deed gelukkig geen vergeefsch beroep op de natie in al haar geledingen, toen ik, sprekende in de tegelijk zoo rustige en ernstige, maar toch ook innerlijk zoo bewogen vergadering van 3 Augustus 1914, aan het slot mijner rede zeide:

„Wanneer dan ieder van zijn standpunt, gelijk de Regeering hoopt van het hare te doen, onder deze moeilijke omstandigheden wel tracht te voorzien in de gevaren die dreigen, maar aan den anderen kant het hoofd koel te houden en zijn kalmte te bewaren, dan ben ik overtuigd, dat de bronnen van welvaart waarover Nederland beschikt, ons in staat zullen stellen aan deze heel zware economische crisis het hoofd te bieden.”

Wat ook de toekomst nog moge brengen, reeds nu heeft de uitkomst bewezen, dat ik omtrent de levenskracht van ons volk mijne verwachtingen niet te hoog gespannen had. Zeker, wij kunnen nog voor nieuwe crisissen te staan komen, maar die van 1914/5 heeft Nederland glansrijk doorstaan en overwonnen. Men mag en moet dit zeggen, trots de slagen die hier en daar vielen, trots de moeilijkheden waarin het oploopen der prijzen breede lagen van de bevolking bracht. Dat resultaat dankt Nederland aan de onmisbare samenwerking van vele en velerlei krachten, die met groote energie en volharding aan alle kanten tegelijk de schouders er onder hebben gezet. Natuurlijk werden er fouten gemaakt; natuurlijk zijn er leemten, zelfs groote leemten aan te wijzen; natuurlijk is niet ieder tevreden; natuurlijk zijn er die goede redenen tot klagen hebben; maar als men er zich in terugdenkt, wat men in Augustus 1914 had te vreezen, zich voorstelt, hoe het had kunnen worden, en ziet hoe het in werkelijkheid geworden is, mogen allen, die daartoe hun beste krachten gaven, groote voldoening gevoelen over hetgeen met vereende krachten werd bereikt, al heeft niemand het recht zich de verdienste ervan toe te zeggen, dat het gegaan is zooals het ging. Hieraan wordt niets te kort gedaan door het feit, dat het verkregen resultaat mede, zoo niet grootendeels, tevens te danken is aan factoren, die buiten onze macht staan en waaraan men zich had te onderwerpen. De conjunctuur is voor Nederland gunstig geweest; dit stemt tot grooten dank. Door aller samenwerking is van die conjunctuur gemaakt, wat er van te maken was; dit stemt tot voldoening. Het Nederlandsche volk heeft in den oorlogstoestand wel is waar enkele minder gunstige eigenschappen vertoond, maar daarnaast blijk gegeven van een hoogst verblijdende levenskracht. Dit wekt vertrouwen in ’s lands toekomst.


HOOFDSTUK VI.
DE OORLOGSTOESTAND EN DE SCHATKIST.

§ 1. De Staatsleening 1914.

Toen de oorlog uitbrak, was de economische toestand van het land goed; de toestand van ’s Rijks schatkist slecht. Zoo kan men met een enkel woord uitdrukken, hoe het in Augustus 1914 hier te lande gesteld was. Nederland had een tijdperk van groote welvaart doorgemaakt, doch terzelfder tijd had men geworsteld met voortdurende tekorten op de Staatsbegrooting. Wel is waar werden die geraamde tekorten in werkelijkheid telkens ingehaald en was er, met uitzondering van het jaar 1908, waarin de opbrengst der belastingen onder den invloed stond van de pas doorgemaakte crisis, een zoodanig grootere opbrengst der middelen boven de raming, dat het geraamde tekort in een werkelijk overschot omsloeg, maar dit gunstige kasresultaat werd alleen bereikt, doordien tot het jaar 1913 toe, de Staatsbegrooting nog niet werd gedrukt door de verschillende uitgaven op sociaal gebied, die bij groot verschil in uitgangspunt over hetgeen op dit terrein te doen valt, bij groot verschil ook ten aanzien van den omvang en den aard der maatregelen, waarom het gaat, algemeen noodzakelijk werden geacht. Waren de ouderdomsrenten volgens de Invaliditeitswet-Talma—om slechts één voorbeeld te noemen—in plaats van op 9 December met 1 Januari 1913 begonnen, dan zou het overschot op den dienst van 1913 ten bedrage van omstreeks ƒ 4 millioen, zijn omgeslagen in een tekort van ƒ 6 à ƒ 7 millioen.

Bij het optreden van het Ministerie Cort van der Linden moest er op gerekend worden, dat voor ƒ 25 à ƒ 30 millioen nieuwe belastingen ter bestrijding van uitgaven voor den gewonen dienst zouden moeten worden opgelegd, waarin voor een deel zou worden bijgedragen door de Rijksinkomstenbelasting, waarvan het ontwerp als dankbaar aanvaard onderdeel van de nalatenschap der vorige Regeering werd overgenomen. Doch toen ik, na in October 1914 te zijn opgetreden als Minister van Financiën, den toestand wat meer in bijzonderheden naging, kwam ik tot de weinig bemoedigende ontdekking, dat, zonder misrekening in de te verwachten uitgaven, mede in verband met het sociaal program van het Kabinet, niet ƒ 25 à ƒ 30 millioen aan nieuwe middelen zou moeten worden gevonden, met inbegrip van de inkomstenbelasting, maar niet minder dan omstreeks ƒ 60 millioen, nadat de inkomstenbelasting reeds was in rekening gebracht. Toen ik op 10 December 1914, sprekende in de Tweede Kamer, dit cijfer noemde, sloeg aan enkele kamerleden waarschijnlijk wel eenigszins de schrik om het hart. Maar mijn nadere verklaring daarvan gaf geen aanleiding tot critiek. Het was van hetgeen ik dien dag zeide haast het eenige, dat niet gecritiseerd werd; alleen werd mij tegemoet gevoerd, dat ik niet ƒ 60 maar ƒ 70 millioen had moeten noemen, als bedrag waarin, afgezien van de uitgaven als gevolg van den oorlogstoestand, voorzien zou moeten worden.

Het is mijn bedoeling niet, hier op den algemeenen toestand van ’s Rijks kas in te gaan noch op hetgeen door mij werd voorgesteld ter voorziening van het tekort dat de gewone dienst der Staatsbegrooting bij normale ontwikkeling der staatswerkzaamheid op sociaal gebied, speciaal ten aanzien van het onderwijs en het verzekeringswezen en in verband met de uitgaven voor de verdediging zoowel van Nederlandsch-Indië als van het moederland en ter verbetering van land- en waterwegen in de komende jaren, onvermijdelijk zal te zien geven, tenzij het gat wordt gestopt door invoering van nieuwe en verhooging van bestaande belastingen. Dat onderwerp ligt buiten het bestek van dit boek. Ik maak er slechts melding van om de tegenstelling, waarmede ik dit hoofdstuk begon, eenigszins toe te lichten. Hier heb ik alleen te maken met de uitgaven van het Rijk als gevolg van den oorlogstoestand en met de wijze waarop dekking van die uitgaven werd gezocht en gevonden.

Zoodra de oorlog was uitgebroken en het duidelijk was, dat het land voor ongekend hooge buitengewone uitgaven zou komen te staan, werden de reeds opgemaakte begrootingen, die eerst ongewijzigd moesten worden ingediend, herzien en zooveel mogelijk besnoeid. Veel heeft dat niet kunnen baten. Groote bezuinigingen waren niet aan te brengen. Een der hoofdzaken was, dat alle uitgaven voor niet periodieke salarisverhoogingen van ambtenaren werden geschrapt. Een goed jaar later moest, als gevolg van de toenemende duurte van levensmiddelen, een tegenovergestelde weg worden bewandeld en moesten duurtetoeslagen worden toegekend. Uit hetgeen ik in hoofdstuk II opmerkte, is duidelijk gebleken, dat ik geen groot voorstander daarvan ben en in oorlogstijd veel meer gevoel voor een politiek, die de prijzen binnen redelijke grenzen houdt. Toen de maatregelen in deze richting getroffen, de prijsstijging niet voldoende konden beletten, kon de Regeering den aandrang tot het geven van een duurtetoeslag niet langer weerstaan. Zulk een toeslag werd toegezegd door den tijdelijken voorzitter van den Ministerraad bij de behandeling der Staatsbegrooting voor 1916. Die toezegging werd verwezenlijkt, nadat ik als minister was afgetreden. De duurtetoeslag der Rijksambtenaren verhoogt de buitengewone uitgaven van den oorlogstoestand met omstreeks ƒ 2 millioen.

Doch ik loop door deze mededeeling op de gebeurtenissen en hun financieele gevolgen vooruit. De eerste weken van de mobilisatie brachten natuurlijk verschillende niet periodiek weerkeerende kosten mede en waren dus de duurste. Vandaar dat zij in de eerste maand op ongeveer ƒ 20 millioen te staan kwam. Normaal, voor zoover men bij een zoo buitengewonen toestand van normaal kan spreken, was de uitgaaf voor het leger omstreeks ƒ 500.000 per dag. Na de eerste maand waren de kosten van den oorlogstoestand in totaal op omstreeks ƒ 20 millioen per maand te stellen. Later werden zij hooger, zoowel door de verder gaande sociale maatregelen, men denke—om slechts een voorbeeld te noemen—aan de bruinbroodregeling, als door de stijging van verschillende prijzen en, in verband daarmede, ook door de verhooging der vergoedingen voor gezinnen van gemobiliseerden. Er moest toen gerekend worden met omstreeks ƒ 22 millioen per maand. Het zou mij niet verwonderen, als thans de crisisuitgaven gemiddeld maandelijks het bedrag van ƒ 25 millioen naderen. Rekenend met gemiddeld ƒ 21 millioen per maand over alle verloopen oorlogsmaanden, komt men er toe, dat de oorlogstoestand gedurende de twee oorlogsjaren, welke op het oogenblik dat ik dit schrijf, juist verstreken zijn, de schatkist op een crisis-uitgaaf van rond een half milliard zijn te staan gekomen.

Dat het zulk een vaart zou loopen, kon men in den aanvang niet vermoeden, maar wel was het duidelijk dat, waar men voor onbepaalden tijd voor een ongekend groote extra-uitgaaf stond, maatregelen tot dekking daarvan niet mochten uitblijven. Te meer was dit noodig, omdat bij het uitbreken van den oorlog niet alleen ’s Rijks financieele toestand, zooals ik vermeldde, niet al te sterk was, maar ook over den toestand van ’s Rijks kas niet te roemen viel. In het voorjaar van 1914 was de uitgifte van een leening door en ten laste van Nederlandsch-Indië tot een bedrag van ƒ 100 millioen in voorbereiding. De oorlog haalde in de eerste maanden door dit leeningsplan een streep, zooals hij door zooveel goede voornemens gedaan heeft. Dit was voor de Nederlandsche schatkist een tegenvaller. Zoolang Nederlandsch-Indië niet door eigen leeningsgeld in de dekking zijner buitengewone uitgaven kon voorzien, steunde het daarvoor op de schatkist van het moederland, welke bij het uitbreken van den oorlog aan het Ned. Indische Gouvernement ongeveer ƒ 60 millioen had voorgeschoten. In verband daarmede waren er toen ongeveer ƒ 69 millioen schatkistbiljetten en schatkistpromessen in omloop, die voor het grootste deel waren geplaatst bij de Nederlandsche Bank. In totaal was de vlottende schuld toen omstreeks ƒ 84 millioen; men moest er op rekenen dat die schuld, als zij niet werd geconsolideerd, met omstreeks ƒ 20 millioen per maand zou stijgen. Die rekening werd door de feiten geheel bevestigd. Op 1 December was de vlottende schuld, met inbegrip van de toen uitstaande zilverbons, gestegen tot ruim ƒ 152 millioen en zij zou nog omstreeks ƒ 7 millioen hooger zijn geweest, indien niet tot dit bedrag winst was gemaakt op het zilvergeld, dat ten beloope van ruim ƒ 14 millioen sedert 1 Augustus was aangemaakt en in omloop gebracht.

Daar het schatkistpapier voor het grootste deel, rechtstreeks of indirect, bij de Nederlandsche Bank terecht kwam, moest de schatkist, indien de vlottende schuld niet werd geconsolideerd, allengs meer op de Bank steunen. Dit mocht de Regeering niet lijdelijk toezien. Indien zij doorging met in zoo hooge mate gebruik te maken van de diensten der Bank, zou ’s Rijks financieele toestand bedenkelijk en daarmede ’s lands veiligheid in groot gevaar zijn geweest, indien ons land onverhoopt in den oorlog mocht worden betrokken. Hierin moest worden voorzien. Men behoorde de weerkracht van het land naar alle kanten zoo groot mogelijk te maken; niet minder dan de militaire moest de financieele weerkracht gericht zijn op het oorlogsgevaar, waaraan het land blootstond.

Reeds aanstonds werd aan de Staten-Generaal een oorlogscrediet gevraagd van 50 millioen, dat den 3den Augustus 1914 verleend werd; den 7den Augustus werd dit verhoogd met ƒ 5 millioen voor Marine en den 16den October met op nieuw ƒ 50 millioen voor het Departement van Oorlog; dat was eerst het begin.

Zelfs al ware te voorzien geweest, dat de toevloed van goud uit het buitenland zoo groot zou worden, als het geval is geweest—en dat kon door niemand worden voorzien—,zelfs dan zou men met het laten oploopen der vlottende schuld niet verantwoord zijn geweest. Zoo zag de Regeering het terecht in. De geleidelijke verbetering in den toestand van de Nederlandsche Bank, die van September 1914 af was waar te nemen, mocht haar niet weerhouden, de medewerking der Staten-Generaal te vragen voor haar voorstel tot consolidatie der vlottende schuld.

Dat voorstel was niet het product van een invallende gedachte, en het vasthouden daaraan niet toe te schrijven aan stijfhoofdigheid van een enkelen regeeringspersoon. Het was het resultaat van herhaalde uitvoerige besprekingen in den Ministerraad en met leidende personen uit de bankwereld. Reeds in September 1914 had in het gebouw, waarin het Ministerie van Binnenlandsche Zaken destijds tijdelijk was ondergebracht, een vergadering plaats, welke geleid werd door den tijdelijken voorzitter van den Ministerraad en waarin ook de Minister van Financiën en ik tegenwoordig waren. Daartoe waren met den president van de Nederlandsche Bank en den president van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, vertegenwoordigers van de geheele „haute finance” uitgenoodigd. Van regeeringszijde werd daar met een enkel woord de toestand, die trouwens aan de heeren volkomen bekend was, ter inleiding uiteengezet. Bij de bespreking die volgde, kwam het denkbeeld der heffing in eens, dat toen nog niet was gelanceerd geworden, niet ter tafel. Wel werd door eenige bankiers in overweging gegeven een leening, des noods een gedwongen leening, te sluiten voor korten termijn bijv. voor twee of drie jaar en de financiën definitief te regelen, zoodra de oorlogstoestand zou voorbij zijn. Dat denkbeeld, dat later in de Kamer ook eenige voorstanders bleek te hebben, werd van de zijde van de Regeering terstond afgewezen. Dit kon wel niet anders. Ware men er op ingegaan en had Nederland een korte leening van drie jaren gesloten, dan had het terstond na het einde van den oorlog, wanneer, gelijk algemeen werd en wordt voorzien, er van alle kanten een buitengewoon sterke vraag op de geldmarkt zal opkomen, een beroep op die markt moeten doen. Het oorlogsgevaar zou dan geweken zijn en het in oorlogstijd geldend motief voor het, zoo noodig, uitschrijven eener gedwongen leening, dat de schatkist ter wille van de veiligheid van het land het geld, waaraan zij behoefte heeft, moet krijgen, had dan geen dienst meer kunnen doen. Het effect van het volgen van dien raad zou geweest zijn, dat na den oorlog de bankiers den toestand geheel zouden hebben beheerscht en dat de Regeering dan met handen en voeten aan de „haute finance” zou zijn gebonden geweest. Hiermede bedoel ik niet, dat de financiers die dezen raad gaven, het waren er slechts zeer enkelen, hun advies uit eigen belang gaven. Ik wil gaarne aannemen, dat dit daarbij niet medesprak en dat zij de zaak alleen anders inzagen dan de Regeering. Deze echter zag haar in, gelijk ik hier aangaf, en liet daarom aanstonds blijken, dat zij die oplossing niet wenschte te aanvaarden.

Er werd in die bijeenkomst voorts nog heel wat gesproken over het bedrag, dat geleend zou moeten worden. De Regeering, die de bijeenkomst had belegd om bij de leidende persoonlijkheden uit de financieele wereld haar licht op te steken, had op dat oogenblik nog geen gevestigde opinie omtrent het bedrag dat geleend zou moeten worden. Alleen zooveel stond reeds toen wel vast, dat de uit te schrijven leening niet lager dan ƒ 150 à ƒ 200 millioen zou moeten zijn. Ook de groote bankiers waren in September 1914 met zulk een som nog niet vertrouwd. Zij wezen er op, hoe steeds in veel kleinere leeningen van den Nederlandschen staat voor een aanzienlijk bedrag door buitenlandsche huizen was ingeschreven. Nu die medewerking ontbrak, zou het al veel zijn, als binnenslands omstreeks ƒ 40 millioen zou zijn te plaatsen. Toen het bleek, dat de in de eerste plaats deskundigen zulk een weinig bemoedigenden kijk op den toestand hadden, werd hun ook gevraagd, wat zij verwachtten van het uitschrijven eener gedwongen leening, indien een vrijwillige niet mocht slagen. Zooals van zelf spreekt, waren allen het er over eens, dat het voor het staatscrediet hoogst bedenkelijk zijn zou, als het tot een gedwongen leening zou moeten komen. Hieromtrent maakte ook de Regeering zich niet de minste illusie. Als stok achter de deur werd daarentegen de gedwongen leening niet ondienstig geoordeeld. Maar zelfs met dat dreigement als prikkel tot deelneming, durfde men de opbrengst eener uit te schrijven leening niet op hooger dan omstreeks ƒ 60 millioen begrooten. Bij de beoordeeling van dit advies vergete men intusschen niet, dat het gegeven werd in September 1914, onder den verschen indruk van de heftige crisis, die de geldmarkt in Augustus had doorgemaakt. Ieder onzer heeft in den oorlogstoestand, en vooral in de eerste maanden daarvan, zeer snel geleefd.

Toen ik op 24 October 1914 den heer Bertling als Minister van Financiën had vervangen, werden de verdere besprekingen ter voorbereiding van de eerste oorlogsleening door mij gevoerd, waarbij ik voortdurend werd bijgestaan door den tegenwoordigen Minister van Financiën, den heer Mr. A. van Gijn, destijds Thesaurier-Generaal. Er werd overleg gepleegd ook met vertegenwoordigers van de kleinere bankinstellingen, met name met die van provinciale kantoren, alsmede met de directies van de grootere levensverzekeringmaatschappijen. Bovendien werd nog herhaaldelijk overlegd zoowel met den president van de Nederlandsche Bank als met dien der Nederlandsche Handel-Maatschappij. Al die besprekingen stemden de Regeering allengs wel optimistischer over het resultaat, dat van een groote oorlogsleening was te verwachten, maar hetgeen ik hier laat volgen uit de Nota, welke door mij op 6 November 1914 aan de Kamer werd overgelegd, bewijst toch wel dat ik—en de geheele Regeering met mij—omtrent den te verwachten uitslag zeer in onzekerheid verkeerde.

„Het oordeel van de verschillende geraadpleegde groepen was, wat de kansen eener geheel vrijwillige leening aangaat, vrij eenstemmig. Daarentegen oordeelden de vertegenwoordigers der bankinstellingen, die meer over het geheel land verspreid zijn, vrij optimistisch over eene leening, die door wettelijken dwang zou worden gesteund. Van de grootere levensverzekeringmaatschappijen kreeg ondergeteekende den indruk, dat indien het mogelijk zal blijken, dat deze op niet te bezwarende wijze een deel harer reserves zullen kunnen beleenen, een niet onbelangrijke medewerking van die zijde voor zulk eene leening is te verwachten.

„Uit een en ander meent ondergeteekende te mogen afleiden, dat de kans op het slagen eener vrijwillige leening toch niet geheel uitgesloten is te achten, wanneer het geldbeleggend publiek beseft, dat indien de leening niet vrijwillig wordt genomen, de deelneming daaraan onder alsdan minder gunstige voorwaarden zal worden opgelegd. Onder deze omstandigheden meent de Regeering het uitschrijven eener vrijwillige leening althans te moeten beproeven. Echter moet zij in dat geval toch aan den wetgever terstond de machtiging vragen het deelnemen aan eene leening aan de meervermogenden op te leggen, indien of voor zoover de vrijwillige leening niet mocht slagen.”

Intusschen was ongeveer een maand voordat deze Nota aan de Tweede Kamer werd gezonden, de Regeering verrast door het denkbeeld, door Dr. Bos in de Octoberaflevering van de Vragen des Tijds opgeworpen en in de November-aflevering van dat tijdschrift nader uiteengezet, dat de oorlogsuitgaven niet zouden worden bestreden uit een leening, maar uit een heffing in eens. Voor alle leden van het Kabinet was dit een verrassing; niemand hunner wist of kon vermoeden, dat een zoo radicaal van haar eigen voornemens omtrent de dekking der oorlogsuitgaven afwijkend denkbeeld in het publiek zou worden geworpen. Toen het eenmaal was gelanceerd, kreeg het terstond grooten aanhang. Met uitzondering van de vrij-liberalen, grepen alle groepen van de linkerzijde het aan, en er werd terstond, vooral door vrijzinnigdemocraten en sociaaldemocraten, een krachtige propaganda voor gemaakt. De leuze „in eens er af” werkte aanstekelijk en haar zegetocht onder een groot deel van het publiek werd niet weinig bevorderd, toen een onzer grootste industrieelen, die ook op politiek een bekende figuur is, de heer D. W. Stork, zich bij haar aansloot.

Er was evenwel een zeer belangrijk onderscheid niet alleen tusschen de wijze waarop de heer Stork het denkbeeld aanprees en de agitatie, welke ten gunste daarvan door vrijzinnigdemocraten en sociaaldemocraten werd gewekt; ook hetgeen er mee beoogd werd, was bij den heer Stork hemelsbreed verschillend van wat Dr. Bos en de democraten wilden. De heer Stork meende, dat men de vermogenden wel in eens voor de oorlogsuitgaven kon en mocht laten opkomen, maar dat men hen daartegenover dan ook in de eerste 10 jaar niet met nieuwe belastingen zou moeten bespringen. Hij gaf voor de vermogenden de voorkeur aan het in eens worden uitgebraden boven het „être brulés à petit feu”. In dien gedachtengang vond hij steun bij den oud-president van den Hoogen Raad Mr. Eyssell, die zijn denkbeeld aanprees op een wijze, welke zelfs den heer Stork wel het hoofd zal hebben doen schudden.

Lijnrecht daartegen in ging hetgeen de democratische voorstanders van de heffing in eens daarmede bedoelden. Zij zagen daarin het middel om van de oorlogslasten in eens af te komen en zoodoende de baan vrij te houden tot het opleggen ook en in de eerste plaats aan de vermogenden, van de lasten welke opgelegd zullen moeten worden ter bestrijding van de kosten der sociale maatregelen, die in het belang der arbeidende klasse en der volksontwikkeling in de toekomst noodig zullen zijn.

Indien de Regeering in de noodzakelijkheid was gekomen tusschen die beide standpunten te kiezen, zou zij zich zeker niet aan de zijde van den heer Stork hebben geplaatst. De regeling van de dekking der lasten van den oorlogstoestand moest, ook naar haar oordeel, in de eerste plaats aan dezen eisch voldoen, dat zij de medewerking van den Staat aan de maatschappelijke ontwikkeling, voor zoover deze daartoe geroepen is, zoo min mogelijk mocht belemmeren. Te dezen aanzien was er eenstemmigheid tusschen de Regeering en de democratische voorstanders van de heffing in eens, al was er verschil over enkele der maatregelen, welke daartoe van staatswege zouden moeten worden getroffen. De vraag was echter, of de dekking der oorlogsuitgaven door een in betrekkelijk korten termijn af te lossen leening niet uit financieel-technisch oogpunt de voorkeur verdiende en of daardoor de bevolking in haar geheel niet meer zou worden gebaat, dan door eene heffing in eens van ƒ 200 à ƒ 300 millioen, hoe aanlokkelijk het denkbeeld van zulk een heffing voor de groote meerderheid, die er niet in zou hebben bij te dragen, ook wezen mocht. Geheel in overeenstemming met het oordeel mijner ambtgenooten heb ik tegen de sterk opkomende strooming ten gunste eener heffing in eens, aan de dekking der kosten van den oorlogstoestand door een leening op niet te langen termijn vastgehouden. Ik zal niet in den breede terugtreden in den daarover gevoerden strijd. De hoofdpunten daarvan moet ik echter in herinnering brengen.

Nadat met de Nederlandsche Bank in beginsel was overeengekomen over eene gemakkelijke beleenbaarheid van de uit te geven obligaties, werd een wetsontwerp opgemaakt tot het aangaan van een leening van ƒ 275 millioen tegen een rente van 5%, welke zou worden geamortiseerd in 15 jaar en binnen 6 jaar niet convertabel zijn zou. Ter bestrijding van de uitgaven voor rente en aflossing van die leening zou jaarlijks, gedurende 15 jaar, noodig zijn ƒ 2612 millioen, boven en behalve hetgeen zal moeten worden opgebracht tot dekking van het tekort op den gewonen dienst.

De moeilijkheid waarvoor de Regeering ten aanzien van de wijze van dekking dezer ƒ 2612 millioen was geplaatst, was vooral hierom zoo groot, omdat men onder den indruk van het oorlogsgevaar, dat vooral in 1914 zwaar drukte, zonder eenige afspraak gekomen was tot een politiek bestand, en dat men door die dekking voor te stellen op een wijze, welke het volgen van een principieele lijn in de belastingpolitiek zou aanduiden, onvermijdelijk tot principieele debatten aanleiding zou hebben gegeven. De Regeering mocht van haar zijde zulk een debat, waardoor het bestand zou zijn verbroken, niet uitlokken.

„Deze overweging—zoo zeide ik in de zooeven aangehaalde Nota—heeft de Regeering tot het inzicht geleid, dat zij voor de dekking van de thans noodige leening geen nieuwe belastingen moest voorstellen, maar zich moest bepalen tot opcentenheffing, gedurende het tijdvak, waarvoor de leening loopen zal. Zij is voornemens voor te stellen, dat geheven zullen worden 20 opcenten op alle directe belastingen zonder onderscheid, op de successiebelasting, den wijnaccijns en den suikeraccijns. Wat den suikeraccijns betreft echter met dien verstande, dat de hoofdsom daarvan zal worden verlaagd van ƒ 27 tot ƒ 22.50, waardoor het bedrag voorloopig gelijk blijft en toch voldaan wordt aan de bedoeling der wet op het zoogenaamde „suikerpotje”, zoodat voortaan hetgeen het gedistilleerd meer zal opbrengen dan ƒ 25,2 millioen, onder de gewone middelen zal worden gebracht. Eene algemeene opcentenheffing op de zegelrechten stuit af op practische bezwaren. Daartegenover ligt het in de bedoeling 50 opcenten te heffen op het zegel voor buitenlandsche effecten. Wanneer voorts op de registratierechten, de hypotheekrechten en op de invoerrechten, den accijns op het geslacht en den gedistilleerd-accijns 10 opcenten worden geheven, zullen deze opcenten, bijeengenomen, voldoende opleveren voor rente en aflossing der leening. Ruim de helft zal dan worden opgebracht door de directe belastingen en het successierecht.

„Ondergeteekende ontveinst zich allerminst, dat tegen zulk eene wijze van dekking allerlei bezwaren zijn aan te voeren. Men houde echter in het oog, dat het hier geen opcenten geldt tot dekking van een tekort op de gewone jaarlijksche begrooting, maar opcenten, die voor 15 jaar vastliggen, en die ook zullen worden geheven van belastingen, die voor de heffingen, waarop zij thans zullen rusten, in de plaats zullen komen.”

Met dit laatste werd vooral gedoeld op de inkomstenbelasting, welke voor de bedrijfsbelasting zou in de plaats komen. Aan de bovenstaande verklaring van de beweegredenen, die tot het voorstellen van dit opcentenstelsel hadden geleid, werd nog eens uitdrukkelijk toegevoegd, dat ik een andere wijze van dekking zou hebben voorgesteld, als ik er niet mede had moeten rekenen, dat mijn eigen belastingdenkbeelden principieele strijdvragen zouden hebben doen ontbranden en als ik mij niet verplicht had geacht, zooveel mogelijk naar politieke kleurloosheid te streven.

De opcentenregeling werd, als gevolg van het overleg met de Tweede Kamer, in dien zin veranderd en verbeterd, dat de opcenten op de invoerrechten, den accijns op het geslacht en het successierecht vervielen en daartegenover die op de bedrijfsbelasting (later op de Rijksinkomstenbelasting) en de vermogensbelasting van 20 op 33 gebracht werden.

De Nota, waaruit ik zooeven enkele gedeelten overnam, was een gevolg van een bijeenkomst, welke op 30 October 1914, op verzoek van de voorzitters der Kamerclubs, onder presidium van den Voorzitter van de Tweede Kamer met hen werd gehouden. De Regeering was daar vertegenwoordigd door den heer Cort van der Linden als tijdelijken voorzitter van den Ministerraad en door mij, als Minister van Financiën. In die bijeenkomst werd door de voorstanders van de heffing in eens hun denkbeeld verdedigd en zetten de heer Cort van der Linden en ik in hoofdtrekken uiteen, hoe de Regeering zich voorstelde de oorlogsuitgaven te dekken en waarom zij met het denkbeeld der heffing in eens niet kon meegaan. Ter vergemakkelijking van de gedachtenwisseling zegde ik aan het slot dier bijeenkomst toe, de plannen der Regeering in een Nota uiteen te zetten. Op verzoek van de voorzitters der verschillende Kamerclubs werd de Nota geheim gehouden, omdat men het niet gewenscht achtte tot publicatie over te gaan, zoolang nog niet zou zijn gebleken in hoever toenadering tusschen de Regeering en de voorstanders van de heffing in eens mogelijk zou zijn. Nadat de Nota als geheim stuk aan de kamerleden was rondgezonden, had er op 14 November 1914 een tweede vergadering plaats, waar dezelfde personen tegenwoordig waren. Resultaat daarvan was, dat de termijn van zes jaar, waarbinnen de voor te stellen leening niet zou kunnen worden geconverteerd, tot drie jaar werd teruggebracht en dat in het wetsontwerp, dat op 16 November werd ingediend, uitdrukkelijk werd bepaald, dat uiterlijk vóór 1 Januari 1920 een voorstel tot herziening of tot bestendiging der bepalingen omtrent de dekking van rente en aflossing bij de Tweede Kamer zou moeten worden ingediend. „In verband met de periodieke verkiezingen van 1917—zoo schreef ik in de Memorie van Toelichting—kon deze termijn zich niet aansluiten bij dien van de uitsluiting der conversie.”

Bij de behandeling van het ontwerp-leeningswet in de afdeelingen bleek men in de Tweede Kamer over dit punt anders te denken en er van de zijde van die voorstanders der heffing in eens, die tot toenadering tot het standpunt der Regeering gedurende den oorlogstijd wel geneigd waren, voorts op gesteld te zijn, dat de opcentenheffing slechts voor drie jaar zou worden geregeld, zoodat vóór 1 Januari 1917 een voorstel van wet zou moeten worden ingediend ter bepaling of, na afloop van die drie jaar, de opcentenheffingen zouden worden bestendigd, herzien of door eene heffing in eens of op andere wijze vervangen zouden worden. Bij het mondeling overleg met de Commissie van Rapporteurs verklaarde ik mij bereid, als bewijs van toenadering van de zijde der Regeering, de verlangde wijziging in het ontwerp aan te brengen. Ik betwijfel wel eenigszins of allen die den aandrang op mij oefenden om den termijn van 1 Januari 1920 tot 1 Januari 1917 in te korten, thans—indien zij er ongepraejudiceerd nog eens over konden oordeelen,—dien aandrang zouden herhalen.

Verder kon de Regeering in haar toenadering niet gaan. In de Nota, welke, toen de reden waarom haar aanvankelijke geheimhouding door de voorzitters der Kamerclubs was verzocht, vervallen was, als bijlage bij de Memorie van Toelichting bij het leeningsontwerp was gevoegd, werd het denkbeeld der heffing in eens afgewezen. „Ten slotte nog een kort woord—zoo schreef ik daar—waarom de Regeering niet heeft kunnen treden in het denkbeeld, het door de omstandigheden benoodigde geld te vinden door de heffing in eens van een oorlogsbelasting. Naar hare overtuiging heeft dat denkbeeld overwegende bezwaren zoowel van practischen als van meer principieelen aard. Principieel schijnt het niet wel gerechtvaardigd buitengewone uitgaven, die in het belang van het geheele volk noodzakelijk zijn, te doen dragen door een betrekkelijk zeer kleine groep van meervermogenden. Practisch schijnt het ongeraden, om, waar straks voor maatregelen van socialen aard, voor verbetering van het volksonderwijs, voor bijlegging van den strijd op onderwijsgebied, voor de verdediging der koloniën, in één woord voor verhooging van de volkskracht en van ’s lands weerbaarheid, nieuwe belastingen zullen moeten worden opgelegd, en daarin het vermogen, zonder twijfel, een belangrijk deel zal hebben bij te dragen, nu op eenmaal aan de vermogens een aderlating te doen ondergaan van 275 millioen. Daarbij komt dat zulk een belasting thans, nu, evenals ook voorheen in oorlogsjaren het geval was, de vermogens bij uitstek groote schommelingen ondergaan, nu sommige rijken zoo al niet arm dan toch veel minder rijk worden en verschillende niet of weinig bezittenden plotseling vermogens vergaren, die nog niet voor het oog van de belastingambtenaren zichtbaar zijn, een oorlogsbelasting van een zoo hoog bedrag als noodig is, al bijzonder ongelijk treffen zou. Velen die onder de omstandigheden toch reeds zwaar gebukt gaan, zouden daardoor nog dieper zinken en anderen die eerst thans bezig zijn vermogend te worden en wier draagkracht veel grooter is, zouden daarvan bevrijd blijven. Aan dat bezwaar is ook niet te ontkomen door in de eenmalige oorlogsbelasting ook de hoogere bedrijfsinkomsten te treffen. Zal een oorlogsbelasting als waarom het hier gaat, voldoende opbrengen, dan zullen alle daarin aangeslagen vermogens een groot deel van hun opbrengst van een enkel jaar moeten afstaan en de grootere zelfs sommen moeten betalen, die de opbrengst van een enkel jaar ver overtreffen. Bij de groote inkomens uit bedrijf kan hiervan geen sprake zijn. Deze zullen toch slechts voor een relatief klein deel in de eenmalige oorlogsbelasting aangeslagen kunnen worden. Haar mede in die belasting trekken, is verklaarbaar als uiting van rechtvaardigheids- en billjkheidszin; voor de opbrengst der belasting en dus voor de bepaling van het heffingspercentage der vermogens doet het weinig ter zake. Vandaar dan ook dat het tot wegneming en zelfs verzachting van het zooeven ontwikkelde bezwaar zeer weinig kan bijdragen.”

Voorts werd er nog eens op gewezen, dat de heffing in eens niet zou strooken met het politiek bestand en dat, al kon de Regeering niet beletten, dat anderen een principieel debat op het gebied der financieele politiek zouden ontketenen, zij zelve voor het uitlokken daarvan de verantwoordelijkheid niet wilde dragen.

Nauwlijks was het leeningsontwerp verschenen, of er werd van sociaaldemocratische zoowel als van vrijzinnigdemocratische zijde een groote agitatie daartegen en voor het denkbeeld der heffing in eens gewekt. Niet alleen de pers dier partijen en enkele kleinere bladen van liberale richting vergaten, dat er nog oorlogsgevaar was en maakten propaganda tegen de Regeering en haar voorstel, zonder zich te bekommeren om de politieke gevolgen, welke die propaganda kon hebben. Er werden volksvergaderingen belegd, waarin het ontwerp werd gebrandmerkt als een schandaal, als het begin van een uitputtingspolitiek der Regeering en met name van den Minister van Financiën jegens de armen. Mij werd beginselverzaking, heulen met de rechterzijde, loopen aan den leiband van Dr. Kuyper verweten en meer vriendelijks van dien aard voor de voeten geworpen.

Het Voorloopig Verslag, dat op 2 December werd vastgesteld en dat naast détailpunten, op enkele waarvan ik nog terugkom, zooals van zelf spreekt ook een pleidooi voor de heffing in eens bevatte, werd op 3 December aan de leden van de Kamer rondgedeeld. Het werd zonder verwijl door mij beantwoord. De Memorie van Antwoord werd den 4den December aan de Tweede Kamer ingezonden en den volgenden dag aan de leden rondgedeeld. Tot het betrachten van dien grooten spoed werd ik geleid door de dubbele overweging, dat aan de in het land gewekte agitatie zoo spoedig mogelijk een einde moest komen, en vooral ook dat de inschrijving op de voorgestelde leening, zoo eenigszins mogelijk in de eerste dagen van het jaar 1915 zou moeten openstaan, wilde men het meest geschikte oogenblik daarvoor niet ongebruikt laten voorbijgaan. In het mondeling debat, dat van 8 tot 11 December duurde, veroordeelde ik de gevoerde agitatie streng, als misplaatst in den nog altijd zeer gespannen internationalen toestand. Verder legde ik in die rede vooral den nadruk op den economischen kant van het moeilijke en voor behandeling in volksvergaderingen geheel ongeschikte financieele vraagstuk der dekking van oorlogsuitgaven door leening of door heffing eener eenmalige oorlogsbelasting. Het door mij in de vergadering van 10 December geleverde betoog had tot hoofdstrekking er op te wijzen, hoezeer naast de financieel-technische bezwaren tegen het denkbeeld der heffing in eens, de verwezenlijking daarvan bedenkelijk zou zijn wegens den last dien het op een aantal ondernemingen leggen zou. Ik wees er op, dat men bij dit vraagstuk niet alleen en niet in de eerste plaats mocht denken aan den rentenier, maar zijn aandacht vooral had te schenken aan de vermogens die in ondernemingen zijn vastgelegd en waaraan niet een meer of minder aanzienlijk percentage kan worden onttrokken, zonder de credietbehoefte van die ondernemingen te vergrooten. In verband daarmede vestigde ik er de aandacht op, welk een nadeelig gevolg dit zou moeten hebben, nu de credietbehoefte als gevolg van den oorlogstoestand toch reeds zoozeer was uitgezet en nu te verwachten was, dat de groote schommelingen in de conjunctuur na het einde van den oorlog (een einde dat toen vrijwel algemeen spoediger werd verwacht dan het helaas komen wil) eerst waarschijnlijk een tijdperk van fictieven opbloei zouden teweeg brengen, die spoedig op een crisis van ongekende heftigheid zou moeten uitloopen. Onder zulke omstandigheden de credietbehoefte der ondernemingen nog te vergrooten door het onttrekken van kapitaal ter wille van de schatkist, zou—zoo betoogde ik verder—inzonderheid gevaarlijk kunnen worden voor de ondernemingen, die nog juist op de grens der winstgevendheid staan en voor welke zulk een nieuwe schok, vooral in de bewogen tijden, die wij ook op economisch gebied doormaken, noodlottig zou kunnen worden. Op die wijze trachtte ik duidelijk te maken, dat de voorstanders der heffing in eens zich de zaak veel te eenvoudig hadden voorgesteld, de indirecte economische gevolgen daarvan niet voldoende hadden overwogen en niet hadden bedacht, dat zulk een heffing, wanneer zij tot omstreeks ƒ 300 millioen zou moeten worden opgevoerd, wel verre van geheel langs de arbeidersbevolking heen te gaan, handel en nijverheid voor nieuwe moeilijkheden stellen zou, de zwakkere ondernemingen zou kunnen doen vallen of tot inkrimping van het bedrijf noodzaken, en indirect zou kunnen bijdragen tot vergrooting der werkloosheid, die toen toch al zoo buitengewoon groot was.

Daartegenover stelde ik, dat de onderneming die, uit vrees van te worden aangeslagen in de gedwongen leening, zelfs als het haar minder convenieerde, deelnam in de oorlogsleening, daartegenover staatsobligatiën zou ontvangen, welke zij, zoo noodig, terstond kon beleenen en dat de ondernemingen aan welke dit in het geheel niet paste, zich van zelf wel van inschrijving zouden onthouden. In een crisistijd, zoo was het hoofdpunt van mijn betoog, is het crediet van den staat heel wat grooter dan dat van particuliere ondernemingen en vooral van de minder gunstig gestelde daaronder; in zulk een tijd zou het niet verantwoord zijn, den staat te ontheffen van de noodzakelijkheid een beroep op de credietmarkt te doen, als daarvan het onvermijdelijk gevolg zou wezen dat een aantal industrieelen en handelaars gedwongen zou worden tot voor hen zooveel bezwarender credietoperaties om den voor afschrijving in eens te zwaren aanslag in de eenmalige oorlogsbelasting over een grooter of kleiner aantal jaren te verdeelen. Een heffing in eens kan, ook al gaat zij tot zeer hoog bedrag, economisch verdedigbaar zijn, als het land in oorlog is of met oorlog bedreigd wordt en het er om gaat zijn zelfstandigheid te bewaren. Zoolang met zulk een gevaar wel moet worden gerekend, maar het nog niet voor de deur staat en er kans is er aan te ontkomen, is zulk een heffing, zoodra zij een matig bedrag te boven gaat, economisch niet verantwoord, in een crisistijd minder dan ooit.

Naast en in aansluiting aan dit economisch betoog wees ik op de groote moeilijkheid om de aanslagen in een eenmalige oorlogsbelasting tot een zoo hoog bedrag, als noodig was, zonder groote misslagen en groote onbillijkheden te regelen. Om het argument, dat de leening met een daaraan verbonden opcentenheffing tot een bedrag van meer dan ƒ 26 millioen gedurende 15 jaar, den staat buiten de mogelijkheid zou stellen zijn taak op sociaal gebied in de toekomst naar behooren te vervullen, afdoende te weerleggen, ontvouwde ik aan het slot mijner rede de hoofdtrekken van een plan van belastinghervorming, dat de schatkist jaarlijks ongeveer ƒ 60 millioen meer inkomsten zou doen trekken. Dat plan kon ik, vóór het een jaar verder was, uitgewerkt aan de Staten-Generaal voorleggen.

Mijn rede kenmerkte zich zeker niet door groote vriendelijkheid jegens de voorstanders van de heffing in eens, maar men bedenke dat zij werd uitgesproken onder den indruk van de tegen het regeeringsvoorstel gewekte agitatie en van verontwaardiging over de lichtvaardige wijze, waarop in een tijdperk van oorlogsgevaar een zoo bij uitstek moeilijk financieel vraagstuk in volksvergaderingen was gebracht, waarbij de Regeering, wier taak waarlijk al zwaar genoeg was, niet alleen een spaak in het wiel werd gestoken, maar zij bovendien, juist terwijl zij het algemeen vertrouwen zoo hoog noodig had, bij een groot deel der bevolking verdacht werd gemaakt.

Vooral mijn verklaring dat van mij voorbereiding van een heffing in eens ter vervanging van de oorlogsopcenten niet te verwachten zou zijn, gaf ontstemming. De voorstanders van zulk een heffing zagen daarin van de zijde van de Regeering een terugkomen op het gesloten compromis, krachtens hetwelk de opcenten slechts voor drie jaar werden vastgesteld en vóór 1 Januari 1917 een nieuw dekkingsvoorstel moest worden gedaan. Reeds den volgenden dag had ik gelegenheid dit punt in een antwoord aan den heer Tydeman, die hoewel hij in de leeningskwestie aan de zijde der Regeering stond, mij te weinig meegaandheid had verweten, nader toe te lichten en te doen uitkomen, dat indien mijn ministerieele levensdraad niet ontijdig werd doorgesneden, het mijn taak zou zijn het nieuwe voorstel, dat vóór 1 Januari 1917 moet worden ingediend, voor te bereiden en daarvoor de verantwoordelijkheid te dragen. Aangezien ik voorzag, dat de groote credietstoornissen, die ik voor de eerste jaren na het einde der vijandelijkheden vreesde en nog vrees, vóór den tijd niet tot de geschiedenis zouden behooren, achtte ik mij verplicht de Kamer te waarschuwen, dat mijn toegeven op het punt der wettelijke mogelijkheid om reeds in 1917 de opcenten door een heffing in eens te vervangen, niet mocht worden opgevat als de opwekking eener gegronde verwachting, dat een voorstel tot die vervanging van mij zou uitgaan. Evenwel voegde ik er aanstonds aan toe, dat een voorstel om een deel der oorlogslasten, mits het niet te groot zijn zou, door een buitengewone oorlogsbelasting te dekken, bij mij niet op tegenstand zou stuiten.

In de Eerste Kamer, waar de heer Polak de heffing in eens verdedigde, maakte de heer Drucker, niet tot mijne verwondering maar wel tot mijn groote voldoening, zich van het standpunt dat de vrijzinnigdemocraten in de Tweede Kamer hadden ingenomen, geheel los. Deze afgevaardigde die, vóór hij van de Tweede Kamer naar de Eerste was overgestapt, op een wijze die ook buiten de kringen zijner partijgenooten hoog werd gewaardeerd, het voorzitterschap van de vrijzinnigdemocratische Kamerclub had bekleed, eindigde zijne rede aldus: „Onze mannen behoeven gelukkig nog niet te staan in de loopgraven en onderwaterzettingen, om de ellende van den oorlog aan den lijve te gevoelen. Onze vrouwen behoeven geen gesneuvelden te beweenen of gewonden te verplegen, maar laten wij Nederlanders, die nog de betrekkelijke weldaden van den vrede genieten, onze vaderlandsliefde toonen, doordat wij de Regeering, die in deze maanden de eer van het land hoog heeft gehouden en op voortreffelijke wijze onze economische belangen heeft behartigd, in staat stellen haar werk tot handhaving van onze zelfstandigheid en onzijdigheid, tot opbeuring van ons maatschappelijk leven, tot steun van zwakken en noodlijdenden, krachtdadig voort te zetten.”

De heer Drucker, die de in het land tegen het leeningsvoorstel gewekte agitatie niet minder sterk veroordeelde dan ik, had mij evenwel toegevoegd, dat ik beter had gedaan tegenover de voorstanders der heffing in eens minder agressief op te treden en de mogelijkheid van een toekomstig vergelijk meer open te laten. De heer van Nierop, die evenals de heer Drucker het ontwerp tegenover de agitatie voor de heffing in eens had in bescherming genomen en zich aan de zijde der Regeering had geschaard, had zich wat het laatste punt betreft, in gelijken geest uitgelaten. Dit gaf mij aanleiding dit punt nog wat uitvoeriger te bespreken dan ik in de Tweede Kamer had gedaan. „Het kan zijn—zeide ik in mijn antwoord—dat ik mij iets te kras heb uitgelaten. Wanneer ik een enkele maal zondig naar een van beide kanten, overkomt het mij meer, dat ik zondig naar de zijde van het mij te kras uitdrukken dan het omgekeerde. Maar men heeft mij bovendien iets veel krassers laten zeggen, dan ik gezegd heb; vandaar dat een gedeelte van de oppositie, die tegen deze uiting in de Tweede Kamer is gekomen, niet ging tegen hetgeen ik gezegd heb, maar tegen hetgeen men mij in den mond heeft gelegd. Ik heb niet gezegd dat ik nooit zou komen tot het voorstellen van een heffing in eens. Neen, zoo voorzichtig ben ik toch ook nog wel.” Daarop resumeerde ik in het kort, wat ik in de Tweede Kamer had betoogd over de door mij voor de eerste jaren na den oorlog verwachte credietstoornissen, om dit deel van mijn antwoord aldus te eindigen: „En nu heb ik gedacht, dat ik juist zou handelen in den geest van overtuigde voorstanders van een heffing ineens, door hun te zeggen: ik ben door overweging van het voor en tegen tot de conclusie gekomen, dat in de eerste jaren, in de periode van groote economische schommelingen, waarvan niemand kan zeggen waartoe zij zullen leiden, het niet de tijd is om op te leggen een heffing in eens. Daarom, als gij, besliste voorstanders van een heffing in eens, meent, dat dit denkbeeld op financieel gebied alles overheerschend zijn moet, maak dan duidelijk, dat ik, ten gevolge van mijn opvatting, op dit punt—misschien op andere wel—niet meer uw vertrouwen heb, dan zal ik plaats maken voor een ander. Ik had gehoopt, dat men dit zou zien in het licht, waarin ik het nu stel en ik meen nu wel duidelijk gemaakt te hebben, dat er niet de minste agressieve bedoeling lag in hetgeen ik toen gezegd heb.

„Ik wil hier intusschen wel dit bijzeggen—ik heb dat ook gezegd aan den heer Tydeman—, dat wanneer het mogelijk mocht zijn te komen tot een overleg, ik dit zeer zou toejuichen. In 1917 zullen ongeveer 30 millioen zijn afgelost. Er blijven dan een, laat ons zeggen, 250 millioen over—het bedrag doet er niet toe—en indien er nu, behoudens een degelijke herziening van het middel der opcenten, waar ik mij met geen enkel woord tegen heb verklaard, een billijke regeling zou kunnen worden gevonden, waarbij men een matig bedrag zou dekken door een heffing in eens—het moet bescheiden afmetingen hebben, want anders vervallen wij weer in dezelfde moeilijkheid—,dan zou ik de eerste zijn om dit toe te juichen.”

Behalve over de hoofdkwestie: leening of heffing in eens, liepen de debatten in de Tweede Kamer ook over enkele punten die op zich zelf van groot belang waren, maar die toch tegenover de hoofdzaak op den achtergrond raakten. Ik breng daarvan alleen in herinnering de gedachtenwisseling over het gekozen rentetype en de samenstelling van het bedrag van ƒ 275 millioen, waarop de oorlogsleening werd gesteld.

Tegen de rente van 5% werd van verschillende zijden bezwaar gemaakt. Men vreesde als gevolg van de omstandigheid dat de Staat tegen een zoo hooge rente leende, een nadeeligen terugslag op den interest, die voor leeningen ten behoeve van particuliere instellingen en personen zou worden verlangd, en dat inzonderheid ook het hypothecair crediet daardoor in moeilijkheid zou komen. Bovendien meende men dat de spaarbanken zouden worden leeggezogen. Van de zijde der Regeering werd niet ontkend, dat de rente hoog was gesteld en dat daarvan eenigen invloed in ongunstige richting op het particuliere crediet was te verwachten. Ik bracht echter tegen de voorstellingen, welke daaromtrent uit de Kamer waren gegeven, in het midden, dat men den invloed dien de Staatsleening op den algemeenen rentestand hebben zou, overschatte en dat deze door nog een aantal andere factoren wordt bepaald. Reeds in den loop van 1915 bleek, dat dit juist gezien was. Natuurlijk zou de Regeering ook liever een 412% dan een 5% leening hebben voorgesteld. Gegeven den stand van de geldmarkt in de laatste maanden van 1914 en gehoord de adviezen uit zeer verschillende kringen van deskundigen, mocht zij ter wille van het welslagen der vrijwillige leening de rente niet beneden 5% stellen. Er was voor het staatscrediet te veel aan gelegen, dat het ultimum remedium van de gedwongen leening niet in toepassing zou behoeven te komen.

Het bedrag der vrijwillige leening werd van enkele zijden te hoog geacht. Voor zoover dit hieruit voortsproot, dat men een te optimistischen kijk had op den vermoedelijken duur van den oorlog, spreek ik er niet over. Niemand onzer heeft zich niet op een of ander punt in zijn verwachtingen ter zake van den oorlog bedrogen gezien. Van beteekenis daarentegen was de vraag, of ook geleend mocht worden ter goedmaking van mindere opbrengst van belastingen als gevolg van den oorlogstoestand. De Regeering stelde zich op het standpunt, dat zulk een vermindering van inkomsten als gevolg van de zeer buitengewone omstandigheden, ten aanzien van het dekkingsvraagstuk geheel op één lijn staat met verhooging van uitgaven als resultaat van diezelfde omstandigheden. Hiertegenover werd in het Voorloopig Verslag opgemerkt, dat het bedenkelijk is te leenen voor toekomstige jaartekorten. In het algemeen is voor zulk een bedenking alleszins reden. Maar een financieele toestand als door den oorlog werd in het leven geroepen en de invloed daarvan ook op de belastingen waren zoo geheel exceptioneel, dat hier niet mocht gesproken worden van leenen voor toekomstige jaartekorten. Men had hier te doen met leenen tot dekking van een der vele effecten van den oorlogstoestand. Als te verwachten inzinking der belastingopbrengst gedurende de jaren 1914-1917 werd een bedrag van ƒ 73 millioen gesteld. Dit was aan den veiligen kant gehouden. Als gevolg van de vrij spoedige en zeer verblijdende opleving van het bedrijfsleven, is die vermindering belangrijk minder geweest dan gevreesd werd. Zij zal, tenzij nieuwe stoornissen haar vergrooten over het genoemde tijdvak wel beneden de helft van het in November 1914 geraamde bedrag blijven.

Voor de kosten van vluchtelingen werd een bedrag van ƒ 5 millioen gesteld. Wij zagen reeds[27] dat dit wel driemaal zoo veel zal beloopen. Voor de verschillende sociale oorlogsmaatregelen werd een bedrag van ƒ 60 millioen geraamd, waaronder een som van ƒ 25 millioen voor voorschotten aan gemeenten. Over dit laatste onderdeel was geen eenstemmigheid. Er werd aangevoerd, dat door het Rijk niet mocht worden geleend ter tegemoetkoming aan gemeenten, die leeningsgeld behoefden. Daartegenover stelde de Regeering zich op het standpunt, dat het veel beter was ook gemeenten (en provinciën) aan hetgeen deze strikt noodig hadden, tijdelijk te helpen tegen gelijke rente als het Rijk moest betalen, dan haar te verplichten tegen hooge rente eigen leeningen te sluiten, zoo zij daarin al zouden slagen. Veel oppositie vond dit standpunt ten slotte niet. Het vasthouden daaraan heeft tot het betrekkelijk gunstig verloop van de credietcrisis voor enkele gemeenten en provinciën veel bijgedragen. In den eersten tijd, toen er nog groote terughoudendheid bestond, het geld nog bij lange na niet zoo ruim was, als het later is geworden, en de onttrekking van een zoo belangrijk bedrag als de Staat door de leening tot zich trok, de moeilijkheid voor gemeenten en provinciën om leeningsgeld te vinden, nog vergrootte, is de hulp van den Staat aan enkele provinciën en aan eenige gemeenten, waaronder de grootste, zeer te stade gekomen. Het bedrag dat uit de opbrengst der leening aan provinciën en gemeenten werd toegezegd, beliep omstreeks half April 1915 zelfs iets meer dan ƒ 31 millioen, daarop werd tot ten naastebij ƒ 17 millioen uitbetaald. Zoodra echter het geld ruimer werd, kwam er een gunstige kentering. De provinciën en gemeenten konden toen voor zich zelf leenen en aan den Staat het haar verstrekte voorschot teruggeven. Dientengevolge zijn thans de uitstaande voorschotten tot beneden één millioen gedaald.