Met het bedrag van ƒ 35 millioen, dat van de ƒ 60 millioen voor kosten van maatregelen van socialen aard overbleef, nadat de gemeenten daaruit de voor haar geraamde som als voorschot zouden hebben genoten, zal het waarschijnlijk gaan als met de som die voor vluchtelingenhulp werd uitgetrokken. Hoe hoog die uitgaven van socialen aard wel loopen zullen, is nog niet bij benadering aan te geven. Het zou mij echter niet verwonderen, als zij per slot van rekening dichter bij de ƒ 70 dan bij de ƒ 35 millioen zullen blijken te liggen. De mobilisatiekosten werden tot 1 April 1915 op ƒ 135 millioen geschat. Die schatting is niet ver van de werkelijkheid gebleven.
Daar de som voor compensatie van belastinginzinking, zelfs als zij achteraf niet gebleken was aan den zeer voorzichtigen kant te zijn gesteld, niet terstond noodig was, en de uitgaven voor maatregelen van socialen aard eerst in de tweede helft van het jaar 1915 grootere verhoudingen begonnen aan te nemen, kon de opbrengst der leening langer toereiken dan tot April en was zij tot bestrijding der verschillende oorlogsuitgaven, waarvan die der mobilisatie het leeuwendeel vormden, tot omstreeks September 1915 voldoende.
Over de gedwongen leening behoef ik gelukkig niet veel te zeggen. Zij was alleen bedoeld als waarschuwing voor hetgeen te wachten zou staan, indien de vrijwillige leening niet althans het minimum zou opbrengen dat terstond noodig was. Hiervoor werd een bedrag van ƒ 150 millioen gesteld. In de gedwongen leening zouden alleen zij verplicht zijn tot deelneming die een vermogen hebben van ƒ 75,000 of meer, alsmede de naamlooze vennootschappen. Voor de laatste was de helft van de belastbare winst als eventueele verplichte deelneming gesteld; voor de particuliere personen werd de verplichting tot deelneming uitgedrukt in een progressief percentage van het bezit, dat voor vermogens van ƒ 75000 tot ƒ 100.000 op 1% en voor vermogens van ƒ 5 millioen en hooger op 7% werd bepaald. De inschrijvers op de vrijwillige leening kregen stortingsbewijzen, waarmede aan den eventueelen deelnemingsplicht in de gedwongen leening zou kunnen worden voldaan. De rente, die voor de gedwongen leening zou worden vergoed, werd op 4% gesteld.
Het leeningsontwerp werd in de Tweede Kamer met groote meerderheid aangenomen; de sociaaldemocraten en de vrijzinnigdemocraten, met uitzondering van den heer van Deventer, stemden tegen. In de Eerste Kamer werd zij zonder hoofdelijke stemming aangenomen, nadat de heer Polak had verklaard dat hij en zijn partijgenoot Van Kol er tegen waren. Den 23sten December werd de Leeningwet 1914 door de Koningin bekrachtigd.
De gelegenheid tot inschrijving was bij de wet zeer ruim gesteld. Zij kon geschieden bij betaalmeesters, ontvangers der directe belastingen en postkantoren. Terstond werden de noodige maatregelen genomen om de inschrijving in de eerste week van Januari 1915 te kunnen openstellen. Zij had plaats van 2 tot 11 Januari. Door de Regeering werd een uitnoodiging tot deelneming verspreid, welke door den heer Cort van der Linden als tijdelijken voorzitter van den Ministerraad en door mij als Minister van Financiën werd onderteekend. Daarin werd met een beroep op de vaderlandsliefde van het Nederlandsche volk tot algemeene deelneming aan de leening opgewekt en het vertrouwen uitgesproken, dat het tot de gedwongen leening niet zou behoeven te komen. Die opwekking vond algemeen weerklank in de pers, die zich beijverde haar krachtig te steunen.
Den 28sten December werd voorts door mij als Minister van Financiën een uitgewerkte bekendmaking omtrent de wijze waarop de obligaties der Staatsleening bij de Nederlandsche Bank zouden kunnen worden beleend, in de Staatscourant openbaar gemaakt. Die beleening, waarvoor door de Nederlandsche Bank een surplus van slechts 5% verlangd werd, was voor de inschrijvers op de leening zoo gemakkelijk mogelijk gemaakt.
Toen de inschrijving werd opengesteld, gaf de Koningin het voorbeeld. Niettegenstaande het Hare Majesteit niet mogelijk was een zoo groote som in eens los te maken en ook door Haar van het middel der beleening bij de Nederlandsche Bank zou moeten worden gebruik gemaakt, schreef Zij in voor een bedrag van 21⁄2 millioen. De Directeur van het Kabinet der Koningin kwam mij persoonlijk daarvan mededeeling doen. In de eerste dagen wilde het echter met de inschrijving niet vlotten. Op 8 Januari was nog slechts voor ƒ 86 millioen ingeschreven. Na overleg met den President van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, die daaromtrent ook het gevoelen van enkele andere financiers had gevraagd, werd den volgenden dag door mij een communiqué aan de bladen gezonden, waarin op het traag inkomen der inschrijvingen werd gewezen. Hoe groot het effect van dat communiqué is geweest, is niet te zeggen. Zeker zou ook zonder dat de leening volteekend zijn, maar op het bedrag dat werd ingeschreven, heeft het ongetwijfeld invloed geoefend.
Er werd geteekend voor ruim ƒ 407 millioen, met het gevolg dat de inschrijvingen, nadat de kleinere preferente bedragen haar vol bedrag hadden gekregen, slechts voor 50 pct. konden worden toegewezen.
Aan de inschrijvers was bij de wet toegestaan het hun toegewezen bedrag in vier termijnen te voldoen, waarvan de eerste op 8 Februari, de laatste op 7 Juli verviel. Indien het totaal bedrag der leening niet noodig was geweest, had de laatste termijn onopgevorderd kunnen blijven. Deze bepaling verloor, toen de oorlog bleef aanhouden, haar waarde. De geheele betaling in termijnen bleek weinig noodig. Slechts een zeer kleine minderheid der inschrijvers maakte daarvan gebruik; in den loop van Februari werd reeds bijna ƒ 261 millioen gestort.
Ook van de beleening der stukken bij de Nederlandsche Rank werd veel minder gebruik gemaakt dan verwacht was. Het Verslag der Bank zegt daarvan: „Wij hadden ons ingericht op het aangaan van een zeer groot aantal beleeningen, ten einde de stortingen op de inschrijvingen voor rekening van het publiek te kunnen doen plaats vinden. De uitkomst ook hiervan is zeer medegevallen in zooverre, dat wij slechts een aantal van 4736 afzonderlijke beleeningen (inclusief voorschotten in rekening-courant) op deze Staats-obligatiën hebben behoeven te sluiten. Weliswaar op zich zelve nog een groot aantal, maar bij lange na niet zoo groot als waarop wij met onze organisatie hadden gerekend.”
De eerste oorlogsleening is een onbetwistbaar succes geweest en een gerechtvaardigde voldoening voor de Regeering tevens. Zij heeft een groot vertrouwen van het geldbeleggend publiek in de credietwaardigheid van den Staat, alsook in de wijze waarop het land in den oorlogstijd werd geregeerd, aan het licht gebracht.
Toen bij de oorlogsleening van 1914 was gebleken, dat met vertrouwen een beroep op de geldmarkt mocht worden gedaan, werd spoedig de hand geslagen aan het inschrijven eener leening ten laste van Nederlandsch-Indië, opdat het Indische Gouvernement althans een deel van zijn schuld aan ’s Rijks schatkist zou kunnen afdoen. In Februari 1915 werd het ontwerp ingediend van een 5% leening ten laste van Nederlandsch-Indië groot ƒ 621⁄2 millioen, af te lossen in 25 gelijke jaarlijksche termijnen. Aangezien het hier de eerste leening gold, die door de Oost-Indische kolonie als afzonderlijk rechtspersoon werd aangegaan, was het zaak zich zoo veel mogelijk te waarborgen, dat dit beroep op de geldmarkt slagen zou. Daarom werd door den Minister van Koloniën, in overleg met mij, een overeenkomst getroffen met eenige bankiers onder leiding van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, welk consortium een gedeelte der leening overnam en zich de optie voorbehield voor het overige deel daarvan. Van die optie werd door het consortium gebruik gemaakt vóór de inschrijving voor het publiek werd geopend. Er was alle aanleiding zich op die wijze den steun der groote banken, die zich meer in het bijzonder met koloniale zaken bezig houden, te verzekeren. Een stok achter de deur, als bij de Staatsleening had dienst gedaan, kon hier niet worden gebruikt. Hoe het geldbeleggend publiek een leening ten laste van Nederlandsch Indië zou opnemen, was geheel onzeker; aangezien daarvoor nog nooit een beroep op de geldmarkt was gedaan, tastte men te dezen aanzien geheel in het duister. Toch heeft het gebruik maken van het bankiersconsortium tot eene minder aangename gedachtenwisseling in de Tweede Kamer aanleiding gegeven. De rede, door den Minister van Koloniën uitgesproken bij de behandeling van het ontwerp in de Tweede Kamer, had eenig misverstand doen ontstaan omtrent den aard der tusschenkomst welke door de bankiers werd verleend. De Minister had een beroep gedaan op de vaderlandsliefde en wel inzonderheid op het groote belang van Nederland als koloniale mogendheid, dat de eerste leening ten laste van het Rijk in de koloniën een succes zou zijn. Men verweet hem achteraf dat hij daarin te ver gegaan was en het belang van het land had verward met dat van de groep, welke de leening had overgenomen. Dit verwijt was ongegrond en getuigde van kortzichtigheid. De heer Pleyte had beter gedaan, zich met wat meer terughouding uit te laten, maar overigens waren zijn woorden, zoowel als de overeenkomst zelve met het bankiersconsortium, volkomen correct. Op het oogenblik dat hij zijne geïncrimineerde rede in de Kamer hield, was de leening nog niet in haar geheel overgenomen. Bovendien sprak het van zelf, dat hij niet mocht gewagen van het gegarandeerd zijn der leening, hetzij dan voor het geheel hetzij voor een grooter of kleiner deel. Het karakter van dergelijke garanties brengt mede, dat zij niet publiek mogen worden gemaakt anders zou de waarborg het succes der leening bederven; in stede van het te steunen. Zulke garanties blijven dan ook steeds binnenskamers; daaraan wordt hoogstens eerst à posteriori ruchtbaarheid gegeven. Ook al zou Nederlandsch-Indië er rechtstreeks geen gulden schade bij hebben geleden, als de leening eens niet was geslaagd, en al zou het volle nadeel van zulk een fiasco op het consortium zijn neergekomen, dan nog zou zulk een niet-slagen voor het crediet der koloniën zóó nadeelig zijn geweest, dat de Minister van Koloniën het volste recht had het groote algemeen belang van het welslagen der leening te doen uitkomen. Dit was niet alleen zijn recht, maar zelfs zijn plicht, consortium of geen consortium. Dat hij door de woorden, welke hij daarbij koos, bij sommigen misverstand wekte, is te betreuren geweest, maar dat is dan ook alles.
De eerste Indische leening is een groot succes geweest. Het volle bedrag daarvan werd in Nederland ingeschreven en de deelneming in Nederlandsch-Indië was haast even groot als die in het moederland. De Nederlandsche Bank had zich, evenals de Javasche Bank, bereid verklaard, de obligaties van de Nederlandsch-Indische leening op overeenkomstige wijze te beleenen, als met de obligaties der staatsleening was geschied. In zijn verslag over het boekjaar 1914/15 zegt het bestuur van de Nederlandsche Bank, na een mededeeling te hebben gedaan over de opengestelde beleeningsmogelijkheid en het resultaat der inschrijving te hebben vermeld: „Dit succes van een eerste leening van ons schoone Nederlandsch-Indische Rijk is niet genoeg te waardeeren, omdat daarmede op schitterende wijze het vertrouwen in de financieele kracht en de levensvatbaarheid van dit Koloniale Rijk is uitgesproken.”
Voor een eerste leening had men het bedrag niet grooter durven nemen, maar men wist dat het niet toereikend was. Het Nederlandsch-Indische gouvernement stond niet alleen bij de Nederlandsche schatkist in het krijt. Daar deze, in verband met de stortingen op de staatsleening, geen behoefte had aan kasmiddelen en zelfs eenige maanden bij de Nederlandsche Bank credit stond, werd slechts ongeveer de helft van de opbrengst der Nederlandsch-Indische leening gebruikt tot aflossing van schuld aan het moederland. In den loop van het jaar namen de kasbehoeften van het Nederlandsch-Indische gouvernement geleidelijk weer zoodanig toe, dat het aan de schatkist evenveel schuldig werd als vóór de leening van Maart 1915 het geval was geweest. Daar het bovendien nog voor verschillende buitengewone uitgaven geld behoefde, werd in het najaar begonnen met de voorbereiding van een tweede koloniale leening. Bij die voorbereiding drong ik aanvankelijk aan op de keuze van een 41⁄2 pct. rente, in verband met de verlaging van den rentestand als gevolg van de geldruimte. Mij werd echter verzekerd, dat een 41⁄2% leening in Indië weinig aftrek vinden zou en geen aanbeveling verdiende. Toen ik als Minister van Financiën aftrad, was over de rente van 5% al overeenstemming verkregen. Besloten werd, na hetgeen de eerste maal over het consortium voorgevallen was, niet op nieuw van de tusschenkomst van een garandeerende bankiersgroep gebruik te maken, maar daartegenover de inschrijving bij verschillende bankierskantoren open te stellen en, door hun een extra-provisie toe te kennen over de bedragen welke bij hen ingeschreven werden, de belangstelling van den geldhandel bij de tweede Indische leening te prikkelen. Zij werd geregeld bij de wet van 8 Juni 1916 en beliep ƒ 80 millioen; een op zich zelf hoog cijfer, maar dat met het oog op de behoeften van Nederlandsch-Indië toch niet hoog genoeg was. Het zal zeker niet zoo heel lang duren, vóór er een derde Indische leening zal moeten volgen. Ook de tweede Indische leening was een groot succes. De inschrijvingen uit Nederlandsch-Indië waren minder hoog dan de eerste maal, namelijk iets beneden ƒ 22 millioen; daarentegen werd in Nederland tot een bedrag van bijna ƒ 124 millioen ingeschreven.
Volledigheidshalve heb ik de Indische leeningen niet met stilzwijgen willen voorbijgaan, hoewel zij met den oorlogstoestand slechts in een zeer los verband staan. Ik keer nu tot de Nederlandsche schatkist terug. Aangezien de opbrengst der leening 1914 in September 1915 aan militaire en sociale oorlogsuitgaven was opgebruikt, moest op nieuw aan het vinden van geldmiddelen ter bestrijding der kosten van den steeds voortdurenden toestand van gewapenden vrede worden gedacht.
In de Memorie van Toelichting bij het door mijn opvolger aan het Ministerie van Financiën ingetrokken ontwerp van wet houdende Grondslagen van het stelsel van ’s Rijks belastingen, dat bij Koninklijke boodschap van den 23sten October 1915 aan de Tweede Kamer werd aangeboden, nam ik hieromtrent, alsmede omtrent de nieuwe bepaling der dekking van de leening 1914, welke voor 1 Januari 1917 moest zijn ingediend, het volgende op: „Ter voldoening aan het voorschrift van artikel 38 der Leeningwet 1914 is in het ontwerp ook geregeld, in hoever de krachtens die wet geheven opcenten ook na het jaar 1917 zullen worden bestendigd, of door eene heffing in eens of op andere wijze zullen worden vervangen.
„De heffing in eens kon daarbij geen dienst doen. Ondergeteekende acht het onnoodig de verschillende argumenten, door hem bij de behandeling der Leeningwet 1914 ter bestrijding van dit denkbeeld aangevoerd, hier opnieuw uiteen te zetten. En dit te meer, omdat, naar hij meent te mogen aannemen, zelfs de meest overtuigde voorstanders der heffing in eens zich wel niet meer aan de illusie zullen overgeven, dat zulk een heffing de leening 1914 nog zou kunnen vervangen. Nu de oorlog zooveel langer duurt dan over het algemeen verwacht werd en het reeds vaststaat, dat met de leening van 1914 de buitengewone kosten van den oorlogstoestand niet geheel zullen zijn te dekken, zal het denkbeeld eener heffing in eens overwogen kunnen en misschien wel moeten worden, als de tijd gekomen zal zijn de vraag te bespreken der dekking van de buitengewone defensie- en crisisuitgaven, die uit de leening 1914 niet meer konden worden bestreden. Het zal wel overbodig zijn te verzekeren, dat ondergeteekende de vraag der dekking van die hoogere uitgaven boven hetgeen uit de leening 1914 is te vinden, niet uit het oog verliest. Hij meent echter, dat het de voorkeur verdient thans daaromtrent nog geen voorstellen te doen en zelfs nog geen denkbeelden te opperen. Immers zal het vraagstuk der dekking dier hoogere buitengewone uitgaven ten nauwste samenhangen met het bedrag, waartoe zij zullen oploopen. Aangezien nu hieromtrent nog zelfs bij benadering niets is te bepalen of met grond te ramen, zou elk thans geopperd denkbeeld gevaar loopen door den loop der omstandigheden te worden ter zijde gesteld.
„Slechts meent ondergeteekende ten aanzien van dit hoogst belangrijke punt te mogen en te moeten opmerken, dat—naar hij hoopt—de omstandigheden zullen veroorloven met een voorstel tot regeling daarvan te wachten, totdat het geheel der kosten van den oorlogstoestand zal zijn te overzien. Mocht echter de toestand van gewapende neutraliteit nog langer duren dan tot het voorjaar van 1916, dan staat te vreezen dat een tweede voorstel tot bestrijding der kosten van den oorlogstoestand zal moeten worden gedaan, zonder dat dit het karakter van eindvoorstel zal kunnen dragen.
„Met het hier aangeroerde probleem staat tevens in verband het onderzoek, waarmede de bij Koninklijk besluit van 5 October 1915 no. 1, ingestelde Staatscommissie zich thans bezig houdt, omtrent de wijze waarop eene tijdelijke belasting kan worden ingericht, welke ten doel heeft buitengewone vermeerdering van inkomen of van vermogen als direct of indirect gevolg van den oorlogstoestand te treffen.”
Hieruit bleek wel reeds, dat het in mijn voornemen lag voor te stellen, de verdere oorlogslasten ten deele uit leening en ten deele uit een heffing in eens te dekken. In dien geest werden in December 1915 voorstellen voorbereid, welke in Januari 1916 om advies naar den Raad van State werden gezonden. Wachten tot de oorlog zou zijn geëindigd, bleek helaas niet mogelijk. Die voorstellen waren bij mijn aftreden nog niet van den Raad van State terug ontvangen, doch werden met enkele wijzigingen, meer nog in de toelichting dan in de ontwerpen zelf, door mijn opvolger overgenomen. Daarbij werd voorzien in een bedrag, dat geschat werd op ƒ 250 millioen, waarvan ongeveer ƒ 200 millioen zou noodig zijn voor de bestrijding der uitgaven van den oorlogstoestand tot in den zomer van 1916, en omstreeks ƒ 50 millioen zou kunnen strekken tot dekking van de tekorten op de staatsrekeningen over 1914 en volgende jaren, indien de uitgaven voor den oorlogstoestand na Augustus of September 1916 zouden kunnen ophouden, een stille hoop die helaas niet verwezenlijkt is.
Van die som zou ƒ 40 à ƒ 45 millioen zijn te vinden uit een oorlogswinstbelasting, omstreeks ƒ 80 millioen uit een (gesplitste) heffing in eens en ƒ 125 millioen uit een tweede oorlogsleening. Bij de voorbereiding der tweede oorlogsleening heb ik aanvankelijk het voornemen gehad, een leeningsvoorstel van wijder strekking met conversie der oude leeningen van lager rente-type uit te werken, in den geest van denkbeelden, die in het najaar van 1914 door enkele financiers waren ontwikkeld. Na een uitvoerig onderhoud hierover met de presidenten van de Nederlandsche Bank en de Nederlandsche Handel-Maatschappij, die mij dat denkbeeld ontrieden, liet ik het los. Daartegenover had ik het succes, dat de beide heeren hun aanvankelijk ongunstig advies over het kiezen van het 41⁄2% rentetype voor de nieuw uit te schrijven leening na ons onderhoud wijzigden en een schriftelijk rapport ten gunste van een leening van ƒ 125 millioen tegen een rente van 41⁄2% uitbrachten, onder voorwaarde dat die vrijwillige leening op nieuw door de machtiging van den wetgever tot het uitschrijven van een gedwongen leening zou worden gesteund, voor het geval zij niet mocht slagen. Na dat advies werd met den vereischten spoed aan de uitwerking van het leeningsontwerp begonnen, waarbij de leeningwet 1914 grootendeels werd gevolgd. Er was echter een groote moeilijkheid te overwinnen. Op 23 October 1915 waren een aantal belastingvoorstellen bij de Kamers ingezonden, die, als zij werden aangenomen, den belastingdruk voor de bestrijding der gewone Rijksuitgaven met ongeveer ƒ 60 millioen per jaar zouden vergrooten. Het ging niet wel aan, daarnaast nog een nieuwe belastingverhooging voor te stellen voor rente en aflossing van de nieuwe leening. De oplossing van deze moeilijkheid werd in deze richting gezocht en gevonden, dat rente en aflossing zouden geschieden uit het leeningfonds 1914, dat bij de Leeningwet van dat jaar was gevormd en waarin de opbrengst der oorlogsopcenten worden gestort. De aflossing der nieuwe leening werd behoudens een kleine jaarlijksche amortisatie van een 1⁄4% per jaar, verschoven tot na de aflossing der leening 1914, dus waarschijnlijk tot het jaar 1929.
Het leeningfonds wordt op die wijze bezwaard met een nieuwen last van ten naastebij ƒ 6 millioen. Mocht de opbrengst der opcenten, of der andere belastingen die daarvoor in de plaats zullen komen, niet voldoende zijn om het leeningfonds in staat te stellen, rente en aflossing van beide leeningen te bekostigen, dan zal het ontbrekende uit de gewone middelen aan dit fonds worden vergoed.
Kort na mijn aftreden kwam het tweede oorlogsleenings-ontwerp van den Raad van State terug en werd het, na hier en daar te zijn gewijzigd, aan de Tweede Kamer ingediend. Het ontmoette ditmaal geen principieelen tegenstand en werd, na een spoedige behandeling in de beide Kamers der Staten-Generaal, den 17den Maart 1916 tot wet verheven. De inschrijving werd opengesteld van 27 tot 29 Maart. Het succes was ook ditmaal groot. Er werd ingeschreven voor een bedrag van niet minder dan ruim ƒ 185 millioen. Een nieuw en afdoende bewijs van het ongeschokt vertrouwen van het geldbeleggend publiek in de credietwaardigheid van den Nederlandschen Staat en in het bijzonder ook in de leiding van ’s lands zaken in den oorlogstijd door de aan het bewind zijnde Regeering.
De heffing in eens werd gesplitst in twee belastingen. De eene bestond uit: a. een duplicaat heffing der vermogensbelasting over het dienstjaar 1916/7, b. een buitengewone progressieve heffing van de vermogens volgens een progressieschaal, die bij een vermogen van ƒ 50.000 begon en dan 0.2 pCt. van het vermogen boven ƒ 50.000 bedroeg, en die bij een vermogen van ƒ 10 millioen omstreeks 31⁄2% van het geheele vermogen uitmaakte; voorzichtigheidshalve was er aan toegevoegd dat de belasting niet hooger zou kunnen stijgen dan 6% van het vermogen. De vennootschappen zijn in deze oorlogsbelasting niet opgenomen; het onroerend goed wordt er in aangeslagen naar zijn verkoopwaarde. De andere oorlogsbelasting was een duplicaat-heffing van de inkomstenbelasting over het dienstjaar 1916/7. Daar de beide belastingen de bepaalde bestemming hadden, te dienen ter bestrijding van een deel der kosten van de verdediging van ’s lands souvereiniteit en neutraliteit, noemde ik ze, in overeenstemming met hetgeen ik in de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van wet houdende Grondslagen van het stelsel van ’s Rijks belastingen, over de bestemmingsheffingen had ontwikkeld: Verdedigingsbelasting I en Verdedigingsbelasting II. Hoewel tegen de bestemmingsheffingen in het algemeen tal van bezwaren werden ontwikkeld, is het wel eigenaardig dat men tegen de eerste bestemmingsheffingen, welke aan de Staten-Generaal werden voorgelegd, geen bezwaren wegens haar karakter als zoodanig inbracht. Men zal het mij wel ten goede houden, dat ik daarover in stilte een oogenblik heb geglimlacht.
In de Memorie van Toelichting, waarin de Verdedigingsbelasting I op een opbrengst van ƒ 50 millioen, die van de Verdedigingsbelasting II in opbrengst op ƒ 30 millioen werd geschat, werd uiteengezet hoe op deze wijze ieder die in de inkomstenbelasting of in de vermogensbelasting is aangeslagen, in de oorlogsbelasting zal bijdragen en hoe bij de voorgestelde regeling de grootste druk absoluut en relatief werd gelegd op de grootste vermogens, zonder dat deze in een buitensporigen last kon ontaarden. Opdat die last over 21⁄2 à 3 jaar zou kunnen worden verdeeld, werd in de beide wetsontwerpen opgenomen, dat zij zouden kunnen worden voldaan in 10 driemaandelijksche termijnen. Bij de behandeling der ontwerpen in de Tweede Kamer werden er enkele wijzigingen in gebracht, die ik, als van niet principieele beteekenis, onvermeld laat. Eén verandering van beteekenis werd echter aangebracht. Zij was van den heer de Geer afkomstig en werd door de Regeering overgenomen. De heffing van de verdedigingsbelastingen over één jaar met bevoegdheid tot betaling in zoodanige termijnen dat de druk over drie jaar kon worden verdeeld, werd veranderd in drie buitengewone jaarlijksche heffingen over de dienstjaren 1916/17, 1917/18, en 1918/19 ieder ongeveer tot 1⁄3 van het bedrag der aanvankelijk voorgestelde eenmalige belastingen. Deze verandering was een verbetering tevens. Daarbij kwam nog duidelijker uit, hoe de leuze „in eens er af”, zelfs voor zoover er een zoogenaamde heffing in eens werd opgelegd, inderdaad niet meer dan een leuze was, die bij toepassing met een voor principieele voorstanders moeilijk verduwbare hoeveelheid korreltjes zout moest worden genuttigd. Na eene uitvoerige gedachtenwisseling werden de beide wetsontwerpen in de vergaderingen van de Tweede Kamer van 27 en 28 Juni zonder hoofdelijke stemming aangenomen, na verwerping van het voorstel van de vrijzinnigdemocratische kamerclub tot heffing eener oorlogsbelasting, welke ƒ 200 millioen zou opbrengen. De Eerste Kamer nam de wetsontwerpen op 17 Augustus aan, nadat de heer de Vos van Steenwijk had opgemerkt, dat uit zijn stem voor de Verdedigingsbelasting I geen consequenties mochten worden getrokken ten aanzien van den aanslag der onroerende goederen in de jaarlijksche vermogensbelasting.
Volledigheidshalve vermeld ik nog, dat het zooeven bedoelde wetsvoorstel van de vrijzinnigdemocratische leden van de Tweede Kamer in Januari 1916 werd ingediend. Het strekte tot heffing van een oorlogsbelasting tot een bedrag van ƒ 200 millioen. Aangezien dat voorstel reeds verworpen is, heb ik noch aanleiding noch lust er bij stil te staan. Het geven van „le coup de pied de l’âne” aan een gevallene, laat ik gaarne aan anderen over.
De Kamerleden, die zich er in hebben verheugd dat de thans door de Staten-Generaal aangenomen verdedigingsbelastingen bewijzen dat de Regeering de door mij in December 1914 ontwikkelde bezwaren tegen een heffing in eens van ƒ 200 à ƒ 300 millioen heeft losgelaten, gun ik dat genoegen gaarne. Zij zullen mij, na hetgeen ik mededeelde over mijn aandeel in de voorbereiding daarvan, bovendien van inconsequentie kunnen betichten. Inderdaad kleven aan de Verdedigingsbelastingen, zooals zij door de Tweede Kamer aangenomen zijn, nog zeer ernstige fouten. Deze schuilen niet in de techniek der regelingen maar in het enkele feit, dat zulke hooge buitengewone belastingen moeten worden geheven in een zóó onzekeren tijd als wij thans doormaken, met zóó groote schommelingen in de vermogens. Maar ieder onpartijdig beoordeelaar zal wel inzien en erkennen, dat de economische bezwaren, welke ik, met het oog op de kapitalen die in ondernemingen zijn vastgesteld, ontwikkelde in verband met de te verwachten credietstoornissen, als er weer vrede zijn zal, aanmerkelijk veel minder wegen bij buitengewone heffingen, die gedurende drie jaar elk jaar ƒ 25 à ƒ 30 millioen zullen hebben op te brengen, dan bij een heffing in eens van ƒ 200 à ƒ 300 millioen. Wie dat niet inziet, zal ik in de enkele regels die ik hier aan dit onderwerp wijden kan, daarvan niet overtuigen.
Men stond in het begin van het jaar voor de noodzakelijkheid op nieuw ƒ 250 millioen te vinden. Dat dit niet zou gaan zonder eenig bezwaar, sprak van zelf. Men had te zoeken naar een combinatie van maatregelen, welke dit in verband met elkander tot een minimum terugbrachten. Daartoe werden de leening van ƒ 125 millioen, de verdedigingsbelastingen en de zoo aanstonds met een enkel woord te bespreken oorlogswinstbelasting aan elkander gekoppeld. Op die wijze werd de benoodigde som voor de eene helft uit leeningsgeld, voor de andere uit belastingen gevonden. De belastingen werden bovendien nog gesplitst, zoodat geen enkele tot een al te buitensporig hoog bedrag behoefde te stijgen. Door de verandering, welke de verdedigingsbelastingen tijdens de behandeling in de Tweede Kamer ondergingen, werd die splitsing nog verder doorgevoerd en werd elke der drie jaar lang te heffen buitengewone verdedingsbelastingen niet alleen in opbrengst en in heffingspercentage ongeveer getierceerd, maar geschiedde dit, wegens den jaarlijks nieuwen aanslag, ook met de fouten, die elke dergelijke belasting onvermijdelijk aankleven en die in een oorlogstijd met belangrijke economische schommelingen nog heel wat grooter zijn, dan in normale tijden met vastere vermogens- en inkomensverhoudingen. Ik aarzel dan ook niet de in toepassing gebrachte combinatie zoo gelukkig te noemen, als de omstandigheden dit toelieten, en ik vlei mij tegenover deze laatste financieele operatie van het Rijk onpartijdig genoeg te staan, om mij bij dit oordeel niet te laten leiden door ingenomenheid met het aandeel, dat ik in het geestelijk vaderschap daarvan heb gehad.
Toch meen ik ook deze gelegenheid te baat te moeten nemen, om een woord van waarschuwing te doen hooren tegen het te ver doorgaan op den weg der heffingen in eens of in drieën, onder welken naam zij ook ten doop worden gehouden. Ik zal daartoe niet terugtreden in hetgeen ik hierboven[28] memoreerde over de economische nadeelen van hooge heffingen, die geheel of ten deele uit het bedrijfskapitaal van ondernemingen moeten betaald worden, in verband met de credietbehoefte der bedrijven, inzonderheid in oorlogstijd. Ook wil ik aannemen dat het overbodig is, er lang bij stil te staan, dat als heffingen van dien aard niet zeer exceptioneel blijven, zij de kip met de gouden eieren slachten. Belastingen moeten uit het jaarlijksch volksinkomen betaald kunnen worden en betaald worden. Zoodra zij zóó hoog loopen, dat zij het volkskapitaal aantasten, knagen zij aan ’s lands productievermogen en brengen zij ’s lands welvaart en ontwikkeling in gevaar. Belastingen die niet slechts naar het vermogen worden gemeten, maar ook uit het vermogen moeten worden gekweten, mogen des noods in zeer buitengewone omstandigheden worden opgelegd, als met ’s lands zelfstandigheid ook het volksvermogen met gevaar van schending of vernietiging door een buitenlandschen vijand wordt bedreigd. Zoodra zij buiten die grens treden en een blijvend of periodiek weerkeerend verschijnsel worden, tasten zij ’s lands economische toekomst in een harer meest onmisbare pijlers aan.
Hooge heffingen naar één criterium zijn op zich zelf bedenkelijk, ook al kleven daaraan de zooeven aangestipte algemeen economische bezwaren niet. Dit behoort tot de allereerste beginselen der belastingtechniek, maar het dreigt tot schade voor het land onder den indruk van den oorlogstoestand te worden vergeten. De oorlogstoestand heeft ons aan groote cijfers gewend; men spreekt thans over millioenen, zoo niet over milliarden, als vroeger over tonnen. Waar breedheid van opvatting en breedheid van zien nu niet juist de meest naar voren komende karaktertrekken van den gemiddelden Nederlander zijn, heeft dit ongetwijfeld een lichtzijde. Maar een schaduwzijde heeft het ook. Het leidt er toe, te meenen, dat men ook wel straffeloos zeer hooge belastingen naar een enkel criterium kan opleggen. Zeer merkbaar heeft de oorlog gedrongen in de richting van den impôt unique, van de eene en afdoende belasting die, geheven naar ieders draagkracht, alles opbrengt wat de Staat van zijn belastingplichtige onderdanen moet opvragen. Het denkbeeld van den impôt unique heeft altijd veel aantrekkingskracht gehad voor het groote publiek, waarvan niet kan worden verwacht dat het in de moeilijkheden der belastingtechniek is doorgedrongen. Het behoeft dan ook niet te verwonderen dat het telkens weer opduikt. Het is ook zoo eenvoudig: men belast ieder naar zijn draagkracht, en daarmede uit. Ja, als men ieders draagkracht naar kenmerken, welke door den fiscus in theorie kunnen worden gemeten, kon vaststellen, en als men die theoretisch vastgestelde kenmerken, in werkelijkheid, des noods met een voor allen gelijke fout benaderen kon,—ja dan behoefde men zich het hoofd niet te breken met belastingstelsels. Maar de ervaring van eeuwen heeft geleerd, dat het er zóó niet mee gesteld is. Men kan wel rekening houden, en men houdt ook zoo goed mogelijk rekening, met de hoofdfactoren, welke de draagkracht der belastingplichtigen bepalen, maar die hoofdfactoren worden bij elken individueelen belastingplichtige doorkruist door een aantal nevenomstandigheden, welke de belastingwetgever niet in rekening kan brengen, en die toch op de resultante, de werkelijke draagkracht overwegenden invloed hebben. Men kan ook wel de hoofdfactoren, waarmede de belastingwetgever rekent, in de uitvoering meer of minder goed benaderen; maar de fout die daarbij wordt gemaakt, is bij lange na niet voor allen gelijk. De een woont voor den belastingambtenaar in een glazen huisje, de ander in een donkeren kelder. Ook voor de theoretisch meest rechtvaardige en billijke belasting geldt, dat de wetgever onvermijdelijk fouten maakt bij haar regeling en de belastingadministratie, even onvermijdelijk, die fouten nog verergert bij haar uitvoering. Daarom kleven aan elke belasting, ook aan de theoretisch beste, groote gebreken; gebreken die minder wegen naar gelang de opbrengst, welke er door moet worden verkregen, kleiner is, doch die toenemen in beteekenis, naar gelang men meer van haar verlangt. Ook al zou een belasting welke naar draagkracht bedoelt te heffen, wanneer van haar voor ons land ƒ 100 millioen of meer verlangd wordt, het kapitaal niet aantasten, dan nemen de technische fouten daarvan zoowel in de regeling als in die uitvoering zulke verhoudingen aan, dat zij voert tot de grootste ongelijkheden en de grofste onbillijkheden.
Dit dreigt zoozeer vergeten te worden, dat bij de waardeering, welke ik in de pers vrij algemeen mocht ondervinden voor mijn poging tot vernieuwing en versterking van ons belastingstelsel, haast even algemeen de opmerking was gevoegd, dat ik naar grooter eenvoud had moeten streven. Helaas is het er bij de belastingheffing zoodanig mede gesteld, dat men er met eenvoud niet komt, welke bekoring deze ook moge hebben voor het oog en welke streeling voor het gemoed. Alleen door heffing van verschillende belastingen naar velerlei kenmerken, kan men elke afzonderlijke belasting binnen zóó redelijke grenzen houden, dat de fouten ervan niet te groot worden en kan men bij zorgvuldige combinatie dier verschillende heffingen een stelsel verkrijgen, waarvan de gebreken in de onderdeelen elkander ten deele compenseeren en, voor zoover zij dit niet doen, geen afmetingen aannemen, welke billijkheidshalve niet toelaatbaar zijn.
Deze overweging heeft mij ook eenigszins huiverig gemaakt voor de oorlogswinstbelasting. Na hetgeen ik over de oorlogswinsten en het recht van den staat om daarin in te grijpen in hoofdstuk II[29] zeide, zal het wel duidelijk zijn, dat die huivering niet voortsproot uit vrees de oorlogswinsttrekkers in de kosten van den oorlogstoestand te doen bijdragen. De grondgedachte van de oorlogswinstbelasting is zóó gezond: zij draagt haar rechtvaardiging zóó duidelijk op het voorhoofd, dat elk debat daarover geheel overbodig is. Principieel is zij haast volmaakt. Maar de regeling ervan is zonder groote fouten niet te treffen, en de benadering der feiten, die benaderd moeten worden, zal slechts zoo gebrekkig kunnen geschieden, dat het resultaat vol onbillijkheid zijn moet. Wanneer het hierbij nu gold een belasting, die ƒ 10 of ƒ 20 millioen moest opbrengen en waarbij men zich bepaalde van de oorlogswinsten die men aanwijzen en aanpakken kan, 5 tot 10% voor den Staat af te nemen, zou het wel te betreuren zijn, dat daarnaast een aantal oorlogswinsttrekkers zich aan den greep van den fiscus wisten te onttrekken, maar zou men zich daarover niet al te warm behoeven te maken. Maar zulk een kleine oorlogswinstbelasting wilde niemand. Pakt men de oorlogswinsten aan, dan moet men het flink doen, dan behooren zij in de kosten van den oorlogstoestand een som bij te dragen die zoden aan den dijk zet. Flink of niet, moest hier het parool zijn.
Deze overwegingen brachten er mij toe, zoodra ik als Minister van Financiën optrad, een poging te doen om althans een belangrijk deel der oorlogswinsten bij de bron te treffen. Daartoe strekte het ontwerp van wet dat bij Koninklijke boodschap van 2 November 1914 werd ingediend en dat bedoelde een uitvoerrecht te heffen van 8% over de verkoopwaarde van uitgevoerde goederen in het land waarheen zij uitgevoerd werden, met een maximum van 50% van de daarmede te maken winst.
In de Memorie van Toelichting bij dat ontwerp zeide ik o.m.: „Niettegenstaande den algemeen gedrukten toestand van handel en verkeer, is de buitenlandsche vraag naar sommige artikelen evenwel zóó groot, dat de prijs daarvan belangrijk boven het normale peil is gestegen en dat zij die dergelijke artikelen in voorraad hebben of voortbrengen kunnen, buitengewone winsten maken.
„Het is billijk dat zij die in zulk een bevoorrechte positie verkeeren, althans een deel der winsten, die zij maken, aan de schatkist afstaan. Te meer is daartoe aanleiding nu dezelfde omstandigheden, welke die gelukkige exporteurs zulke voordeelen bezorgen, den Staat tot het doen van buitengewoon zware uitgaven nopen.
„Vandaar dat de heffing van een uitvoerrecht, dat onder gewone omstandigheden geheel in strijd zou zijn met gezonde begrippen van handels- en financieele politiek, thans alleszins is gerechtvaardigd. Dit is evenwel slechts het geval onder de voorwaarde dat de heffing op tweeërlei wijze aan de noodige beperking zij gebonden. In tijd behoort de heffing beperkt te zijn tot zoolang er oorlogsgevaar bestaat of althans een normale toestand nog niet is teruggekeerd. In omvang moet de heffing begrensd zijn, omdat zij aan den uitvoer van een aantal artikelen, die niet in prijs zijn gestegen (dit aantal is thans heel wat kleiner dan het in het laatst van 1914 was) en welker uitvoer toch reeds ongewone bezwaren ondervindt, geen nieuwe hinderpalen in den weg mag leggen.”
In de afdeelingen van de Tweede Kamer werd het ontwerp, blijkens het Voorloopig Verslag, bedolven onder een stortvloed van theoretische en practische bezwaren. Onder gewone omstandigheden zou mij dit geen aanleiding hebben gegeven daarmede op de vlucht te gaan. In het land vierde toen echter de agitatie tegen het leeningsontwerp en voor de heffing in eens hoogtij. Het was niet gewenscht de Regeering in den persoon van den Minister van Financiën nog meer kwetsbaar te maken door de heffing der uitvoerrechten op oorlogswinstgoederen door te zetten en daardoor gevaar te loopen een nieuwe agitatie te ontketenen. Er moest rust komen, ook om het resultaat van de oorlogsleening niet in de waagschaal te stellen. Van daar dat ik aan de Koningin machtiging verzocht het ontwerp in te trekken. Nadat ik die machtiging bekomen had, geschiedde de intrekking op 8 Januari 1915.
Had de Tweede Kamer bij gelegenheid der schriftelijke behandeling van het uitvoerrecht op oorlogswinstgoederen zich wat minder afwerend gedragen, ’s Rijks schatkist zou thans een groot aantal millioenen rijker of, beter gezegd, minder arm hebben kunnen zijn.
Na die ervaring liet ik de oorlogswinsten voorloopig met rust. Ik had de handen vol aan de herziening en versterking van ons belastingstelsel, een arbeid dien ik mij had opgelegd om het onmisbare financieele fundament te construeeren voor hetgeen den Staat in de komende jaren te wachten staat, wil hij de ontwikkeling van ’s lands welvaart en kracht naar eisch steunen en bevorderen. Intusschen werd het trekken van oorlogswinsten door verschillende groepen der bevolking steeds duidelijker zichtbaar en steeg, begrijpelijkerwijze, het algemeene verlangen, dat de Staat in den vorm van belasting een deel daarvan tot zich trekken zou.
Dit gaf mij aanleiding in September 1915 aan Hare Majesteit voor te stellen een commissie te benoemen tot het onderzoeken op welke wijze eene tijdelijke belasting kan worden ingericht, welke ten doel heeft buitengewone vermeerdering van inkomen, als direct of indirect gevolg van den oorlogstoestand te treffen, met opdracht haar verslag met de noodige wetsvoorstellen uit te brengen aan den Minister van Financiën. Tot voorzitter werd benoemd Dr. D. Bos, het bekende en betreurde lid van de Tweede Kamer. Als leden werden aangewezen, naast eenige hoofdambtenaren der belastingen en leden van de Eerste en de Tweede Kamer, gekozen uit de verschillende politieke groepen, een aantal personen uit alle hoofdtakken van ’s lands bedrijfsleven. De Regeering hoopte op die wijze niet alleen een wetsontwerp te zullen verkrijgen, waarbij met de eigenaardigheden der verschillende soorten van oorlogswinsten zou zijn rekening gehouden, maar ook een eenigszins betrouwbare raming te ontvangen van de te verwachten opbrengst der voor te stellen heffing. Ten aanzien van het tweede deel is zij bedrogen uitgekomen. Ook de Staatscommissie voor de oorlogswinstbelasting heeft zich aan zulk een raming niet gewaagd. Het cijfer dat daarvoor in de Memorie van Toelichting bij het tweede leeningsontwerp gesteld wordt, maakt er geen aanspraak op, een eigenlijk ramingscijfer te zijn. Ik zou dit niet zeggen, als het niet van mijzelven afkomstig was en dus ook voorafging aan de indiening van het verslag der Staatscommissie aan den Minister van Financiën. Dat cijfer werd aldus gevonden. Er is ƒ 250 millioen noodig; daarvan wordt ƒ 125 millioen gevonden uit leening; ƒ 80 à ƒ 85 millioen uit de beide verdedigingsbelastingen, dus de oorlogswinstbelasting moet ƒ 40 à ƒ 45 millioen opbrengen. Of zij zoo vriendelijk zijn zal, die opdracht te vervullen, zal de toekomst moeten leeren.
Bij mijn aftreden was de Staatscommissie met haar onderzoek nog niet gereed. Den 23en Februari diende zij haar verslag aan mijn opvolger in. De secretaris der commissie, de heer J. M. J. Schepper, die een verdienstelijke commentaar op de Wet op de Oorlogswinstbelasting het licht deed zien, schrijft over hetgeen er met het ontwerp der Staatscommissie voorviel, het volgende: „De Minister bracht in het door de Staatscommissie als vrucht van haren arbeid aangeboden ontwerp geen groote wijzigingen. Naast een paar veranderingen van redactioneelen of louter formeelen aard, werd het tarief gewijzigd. De Staatscommissie had het bedrag der belasting op 25 pct. gesteld, met een algemeenen aftrek van ƒ 1000, en bij natuurlijke personen een degressie voor de inkomstenvermeerderingen beneden ƒ 20.000 tot 10 pct. toe. De Minister kon zich met de degressie niet vereenigen, maar stelde den algemeenen aftrek op ƒ 2000 (Bij de Nota van Wijzigingen, die de Memorie van Antwoord vergezelde, is voor inkomsten- of winstvermeerderingen beneden ƒ 2500 de aftrek op ƒ 1000 gesteld en het tarief op 10%). Verder werd het percentage verhoogd en op 30 bepaald, om het Rijk in de gelegenheid te stellen aan de gemeenten wier financiën tengevolge van den oorlogstoestand in de war zijn, uit de opbrengst dezer belasting een uitkeering te doen. Den 10den Maart werd het aldus gewijzigde ontwerp bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediend. Den 18en Mei nam de Tweede Kamer het ontwerp zonder hoofdelijke stemming aan, nadat het nog eenige wijziging had ondergaan. Den 21en Juni werd het—eveneens zonder hoofdelijke stemming—door de Eerste Kamer goedgekeurd en daarna door de Koningin bekrachtigd”. Zoo kwam de Wet op de Oorlogswinstbelasting van 22 Juni 1916 tot stand.
De oorlogswinstbelasting is, zooals wel van zelf spreekt, alleen bedoeld als heffing in oorlogstijd. Nadat de oorlogstoestand zal zijn geëindigd moet een wetsvoorstel worden ingediend, om haar te doen vervallen. Op de bijzonderheden harer regeling ga ik niet in. Haar beginsel wordt algemeen als rechtvaardig erkend en haar uitwerking is met veel zorg en met veel kennis van zaken geschied. Toch heb ik op de boven aangevoerde gronden geen onbeperkt vertrouwen in de billijkheid harer werking, noch in het bedrag dat zij zal opbrengen. De oorlogswinsten der vennootschappen zal zij weten te vinden en te treffen; daarentegen vrees ik dat een groot deel der oorlogswinsten van particuliere handelslieden, industrieelen en landbouwers door haar niet zullen worden bereikt. Wordt dit vermoeden bewaarheid, dan zal zij leiden tot ontstemming en zal haar opbrengst onder den invloed van dat gebrek staan. Ware dit niet het geval, dan zou het zooeven genoemde cijfer van ƒ 40 à ƒ 45 millioen waarschijnlijk wel meer dan verdubbeld, zoo niet verdrievoudigd kunnen worden. Niemand zal het meer toejuichen dan ik, indien de uitkomst mijne niet al te hoog gestemde verwachtingen zal beschamen.
De oorlogstoestand is nog niet ten einde. Nog steeds verlangt hij van het Rijk offers, die, in stede van geleidelijk lager te worden, voortdurend klimmen. Hoe lang dat nog zal duren, en hoe hoog die offers zullen stijgen, kan niemand zeggen. Maar zelfs al mocht dit meevallen en al mochten de buitengewone belastingen, die reeds wet zijn geworden of die de Staten-Generaal hebben gepasseerd, veel meer opbrengen dan waarop gerekend wordt, dan nog zal er meer geld noodig zijn, veel meer geld dan kan worden opgebracht door de belastingen uit mijn algemeen herzieningsplan, welke thans bij de Staten-Generaal in behandeling zijn.
Wat de krijg, als hij eindelijk zal zijn geëindigd, over Europa en inzonderheid over ons land brengen zal—wie zal het zeggen? Te dien aanzien staan wij allen voor een groot vraagteeken. Slechts zooveel is zeker, er zal een tijdperk aanbreken van haast onbegrensde mogelijkheden, maar ook van haast onbegrensde gevaren. Of door Nederland die mogelijkheden begrepen, die gevaren omzeild zullen worden, zal—indien wij buiten den oorlog mogen blijven—in de eerste plaats afhangen van de energie onzer industrieelen, zeevaarders, boeren en handelaars, en wel vooral van de jongeren onder hen, die nog hun ganschen mannen-leeftijd voor zich hebben. Naast energie zal breedheid van inzicht en opvatting in de naaste toekomst meer dan ooit noodig zijn.
Maar opdat Nederland met grooter kracht zal te voorschijn komen uit de geweldige omwenteling, welke de oorlog bezig is over Europa te brengen, zal daarnaast ook noodig zijn, dat de Staat het zijne tot ontwikkeling en verhooging van de volkskracht bijdrage. Daartoe zal hij geld, veel geld behoeven. Aan alle regeeringen van de komende jaren, uit welke partij zij zullen voortkomen, door welke beginselen zij zullen worden gedragen, zal de Nederlandsche Maagd steeds als een harer eerste eischen stellen: „faites moi de bonnes finances!”
’s Lands toekomst hangt af in de eerste plaats van het inzicht, den durf en de energie, van het kennen en kunnen zijner zonen, maar daarnaast ook van hetgeen de Staat, door zwakkeren te steunen, overmachtigen in toom te houden en regelend, ordenend en helpend op te treden, er toe kan bijdragen, om de kracht, die in de lagere lagen des volks al te vaak sluimert en verdrukt wordt, en onder dien druk al te vaak in verkeerde richting wordt geperst, tot volle ontplooiing te doen komen en haar er toe te leiden zich dienstbaar te maken aan de verhooging van Neerlands welvaart en Neerlands bloei.
Tot besluit nog een enkel woord over hetgeen na den vrede zal moeten geschieden tot ontwarring van den toestand, dien de worsteling der groote mogendheden heeft gebracht. Ik zal hierbij kort zijn, al was het alleen omdat de oorlogswerkelijkheid met alle voorspellingen heeft gespot en ons heeft geleerd voorzichtig te zijn met het uitspreken van verwachtingen ook omtrent de liquidatie van de crisis, welke als gevolg van den krijg intrad. Alleen enkele hoofdlijnen, waarlangs de ontwarring daarvan naar alle waarschijnlijkheid zal loopen, kan men aangeven, zonder gevaar al te zeer mis te tasten.
Dat na den oorlog op economisch gebied alles weer worden zal zooals het daarvóór was, gelooft wel niemand. Een zóó geweldige gebeurtenis als over Europa is gekomen, laat haar sporen op elk gebied na. De nog steeds woedende krijg kan met maar al te veel recht van zichzelf getuigen: