OP "DE LEDIGE UREN" VAN DEN GEESTRIJKEN HEERE CONSTANTIN HUYGENS[1].

De groote Constantijn[2] mag brallen op zijn tronen
En op 't geheiligd goud van Oost- en Wester-kronen;
Maar gij, o Constantijn! de Fenix van ons Hof[3],
En naamt zijn kronen-goud niet voor uw lauwer-lof.
De keizer bouwde een stad[4], om met zijn naam te pralen,
Gij bouwt Apollo's kerk in vierderhande talen[5].
Geen stad bewaart den naam (zij stort of zij verbernt),
Maar de opgehangen lier in 't midden van 't gesternt.

[1] Onder den Latijnschen titel Otia, in zes boeken, in 1625 in 't licht gegeven. Verg. voorts Hoofts' schrijven aan Huygens, Brieven II, bl. 450.

[2] De Romeinsche keizer.

[3] Als geheimschrijver des Prinsen.

[4] Constantinopel.

[5] Zinspeling op Huygens' Latijnsche, Italiaansche, Spaansche, en Hollandsche verzen.


Correcties gemaakt door de bewerker

paginaoriginele tekstcorrectie
149awederstreven.wederstreven."
149bbinden.binden."
151b, n1435a34a
152anituit
156b, n53146b154b
160ahalfland-meerminnenhalf land-meerminnen
160b, n31136150
161b, n61159a160a
163a, n3:verwijzing onduidelijk. Er is geen aant. 12 op pagina 153a.
164asteken.steken."
169avoetnootnummer mist[1]
169bontzien.ontzien."
169bLatijn,Latijn.