[Inhoud]

De anansi-tori en het bijgeloof.60

Eens op een Zondag,—den dag, waarop men zich nog al eens verveelt—wilde ik den tijd trachten te dooden door naar eene gelegenheid te zoeken, om eenige anansi-tori’s op te doen.

Ik noodigde daartoe eenige gasten ten mijnent uit en wachtte op een geschikt oogenblik, om het verzoek tot hen te richten, mij eenige anansi-tori’s te willen vertellen.

„Voor de mooisten heb ik wel eenige sigaren over”.

De heeren lachten uit volle borst:

Wo! taki anansi-tori bigi-bigi dei, Kà!61

„Wel, waarom niet?”

„Je weet toch, dat anansi-tori’s niet ieder oogenblik mogen verteld worden en vooral niet als het dag is; hij die er zich niet aan houdt, moet zich een ooghaar uittrekken”.62

„Och kom, je kent er een massa, dat weet ik”.

„Dat is waar, maar op dit oogenblik mag ik er U geen enkele vertellen, want kerki sidòn kabà.63 Vandaag is het een dag om te zingen en vroolijk te zijn”.

„Wel man, wees toch niet zoo dom en vertel er mij eenigen, dan geef ik je sigaren”.

De man antwoordde mij niet en ging weg. Een der [247]overigen zuchtte en sloeg zijn blikken naar boven. Ik vroeg hem wat dat beteekenen moest, waarop hij met neêrgeslagen oogen en zachte stem antwoordde:

Máss’ra, joe a no wan pikíen, joe kánkan Sranam krioro, en joe sabi srefi sani anansi-tori wanni taki”.64

Arnitri”.65

„En je bent nog zoo bijgeloovig en wilt geen anansi-tori’s vertellen? Foei man, schaam je wat!”

Ik vroeg hem daarop, om welke reden men geen anansi-tori’s bij dag wil vertellen en waarom, als er gevraagd wordt „vertel een anansi-tori, men steeds ten antwoord krijgt „mi no sabi66.

Meneer de gouddelver stond op en vroeg mij op eenigszins heftigen toon of ik dan niet wist, dat de skietnis of de anansi-tori tooverij is?

Eenige mijner vrienden, die bij het gesprek tegenwoordig waren, konden zich niet inhouden, en schaterden het uit, waarop de gouddelver vertrekken wilde.

„Word toch niet boos, vriend, het is immers maar gekheid”.

„Ja, maar ik word door jelui uitgelachen, en jelui denkt, dat ik lieg; om U de waarheid te zeggen, anansi-tori’s zijn dingen, die niet maar zoo besproken worden en die in een sterfhuis thuis hooren, niet bij ons op dit oogenblik.

Je weet toch dat, als iemand begraven is, des avonds déde-hóso67 gehouden wordt en er gezongen wordt en dat daarna eerst verteld wordt van de daden van Spin.

Om die zelfde anansi-tori’s heb ik een man eens een pak slaag gegeven. Luister:

„Ik was in een sterfhuis en begon eenige pittige anansi-tori’s [248]te vertellen, toen een onverzochte gast mij telkens in de rede viel. Ik vertelde van anansi, die de bakroe*68 genezen had, toen die snapper mij toeriep:

„Je liegt, vent”.

Ik deed alsof ik het niet hoorde, en ging verder. Doch al weêr viel de man mij in de rede:

Joe no de taki na tori boen”.69

Ik kookte inwendig, meneer, en gaf hem geen antwoord, want dat was hij niet waard. U moet weten, hij behoorde tot de déde-hóso aratta.70 Toen ik eindelijk zóóver met het verhaal gevorderd was, dat de bakroe door anansi genezen was, viel de vent me alweder in de rede, zeggende:

„Ik kan me niet begrijpen, hoe jelui je door dien man voor den gek kunt laten houden; weet je dan niet, dat hij u maar wat zit voor te liegen?”71

Toen ik het woord liegen hoorde, kon ik me niet meer inhouden; ik stond op en gaf hem een muilpeer, die zóó hard aankwam, dat hij onderste boven op den grond tuimelde. De overige gasten hadden er echter plezier in, dat die déde-hóso aratta mij eens aan de kaak stelde; ze waren niet tot bedaren te krijgen, totdat een hunner opmerkte: [249]

„Je moet niet driftig worden, dat is juist de pret te a koti na tori”.72

De gasten trachtten de déde-hóso aratta te kalmeeren, waarop deze het woord nam en ook een anansi-tori begon te vertellen. Hem mocht echter niemand in de rede vallen. Ik keek hem strak aan, en raadt eens, wat hij mij durfde te zeggen:

„Jij mag naar mijn mond kijken, maar jou mondje moet je houden, vriend, want anansi-tori’s moet je nog gaan leeren”.

Joe si, fa gajoe de soekoe mi nande trobi”.73

Hij vertelde verder en a de koti ado nomo na mi tappoe.74

„Weet je wat, als je hier gekomen bent om me weg te jagen, heb je het maar te zeggen, dan zal ik gaan”.

Hari hoedoe! Hari hoedoe!75

Toen sprong ik voor de tweede maal op, en gaf hem een zóó harden mep, dat hij met zijn koffie en beschuiten op den grond tuimelde. Voor de tweede maal sloeg ik een mal figuur, want de gasten hadden plezier en lachten mij uit.

Van dien dag af heb ik besloten nooit meer anansi-tori’s te vertellen, omdat zij mij een ongeluk zouden kunnen bezorgen. Is U het niet met mij eens?”

Ik zuchtte, gaf den man twee sigaren, en o, wonder! toen kwam hij los en begon hij mij door tal van voorbeelden op het gevaar te wijzen, waaraan men zich door het vertellen van anansi-tori’s blootstelt.

Hij vertelde mij o.a. dat hij, sedert hij die klappen in het sterfhuis had uitgedeeld, pijn aan zijn arm gekregen had en niet zoo goed meer werken kon. [250]

„Die man moet bepaald een gevaarlijke inenting hebben gehad, want door hem ben ik ziek geworden en sukkel ik voortdurend. Daarom, meneer, geloof mij, waar ik ook ben, als er anansi-tori’s verteld worden, ga ik heen, want steeds mi han de kisi anansi;76 en, pikien mass’ra77 als ik U een raad mag geven, dan is het deze: hoor ze ook niet aan, want dat zijn dingen, die den mensch kwaad kunnen doen”.

Onder het gesprek kwam onze waschvrouw binnen, die ik als nog veel bijgelooviger dan den gouddelver had leeren kennen. Zij was ter kerke geweest, en na ons gegroet te hebben, kwam ze bij ons zitten. Doch niet zoodra had zij vernomen, over welk onderwerp wij het hadden, of ze wilde opstaan en weggaan.

Maar toen ze pogingen daartoe deed, schreeuwde zij: mi foetoe de kisi anansi78 en mij met een woedenden blik aanziende, zeide zij:

Ma pikien mass’ra, na Gado dei joe sa taki anansi-tori!79

Mijn zuster, die ook tegenwoordig was, had schik in den angst harer oude waschvrouw en kon niet laten te zeggen:

„Mijn tijd!80 Wasje, ik ben blij, dat anansi je te pakken heeft”.

Eenigen tijd daarna stond de vrouw op en ging zich verkleedden onder ’t zingen van een lied. De gouddelver scheen ook schik te hebben in het geval en begon haar uit te lachen.

„Jij kent Gods weg niet, anders zou jij, zoo’n oude man, den Zondag niet bederven met die dwaasheden”. [251]

„Die vrouw is gek”.

Er volgde nu een algemeene scheldpartij, waarbij de vrouw den gouddelver voor Azéman*, Leba* en meer dergelijke lieflijkheden uitmaakte.

Ik weêrhield den gouddelver, die woedend was opgestoven, en Wasje, die boos naar boven was geloopen, kwam kort daarna even naar beneden, mij toeroepende, dat ik haar den Zondag bedorven had; doch ik had nog niet genoeg, want ook de gouddelver, angstig geworden door de op hem gerichte vurige blikken der vrouw, kwam mij weder die verwenschte anansi-tori’s verwijten, er bijvoegende, dat de vrouw een Azéman moest zijn, getuige hare roode oogen en hare naar den grond gerichte teenen.

De gouddelver was geheel van streek en vervolgde:

„Heb ik U straks niet het gebeurde met dien déde-hóso aratta verteld, en nu schijnt het zich te zullen repeteeren, maar Gode zij dank, dat Hij mijne driften heeft doen stillen, anders had ik de vrouw geslagen en na so soema de déde nanga leigi bere.81 Heb ik nu geen gelijk, dat ik geen anansi-tori’s wil vertellen? U ziet er nu zelf de gevolgen van”.

„Je bent driftig”, zei ik, „anansi-tori’s zijn immers slechts sprookjes, die door de Afrikanen en hunne kinderen vervaardigd zijn en die hier al 2 à 300 jaar bestaan”.

„Ja, maar meneer, de Afrikanen waren ook niet gedoopt en er waren toen nog geen kerken. Ze wisten van niets en ze deden ook kwaad. Zij hebben de Bakróes, de Azémans, Afreketes of Lebas ingevoerd”.

„Zeg mij eens wat een Azéman is”, vroeg ik.

„Hm, meneer, een Azéman is een geest, die de gedaante van een neger kan aannemen”.

„Dat is het niet wat ik bedoel, je moet er mij eens een beschrijven”. [252]

„Meneer, joe no moe haksi alla sanni so fini-fini en joe wanni go dipi nanga mi”.82

Doch toen hij zag, dat ik niet tevreden was, zei hij:

„De meeste oude menschen (negers), die roode oogen hebben en naar den grond gerichte teenen, behooren tot die klasse. Een Azéman voedt zich met menschenbloed. Hij of zij—want vrouwen zoowel als mannen doen het—bezit de kunst, om het lichaam van het vel te ontdoen en daardoor de macht van een joroka* te verkrijgen, gesloten huizen binnen te dringen en de menschen bloed uit te zuigen. Is het bloed bitter, dan braakt de Azéman het weêr uit, doch smaakt het, dan gaat hij voort met zuigen, totdat de persoon sterft.”

De waschvrouw stond op, met aandacht luisterend en toen ik vroeg, hoe men kan weten, dat er een Azéman in de buurt is, antwoordde de vrome waschvrouw:

Hm, we a no de koti brau faja; mi ben si wan na srafoe tem na pranasi, a ben de kom driengi basia Kofi wefi.—Wè! datti a noti jete, bakra kondre, bakra srefi kan taki.83 Ik ging het bosch in, en daar trok er een de rivier over vóór de plantage de Morgenstond; hij begon ons uit te schelden en wij hem ook. Die zelfde Azéman is toen gevangen genomen in de Boven-Commewijne door de Piai-iengis.84 Ik kan me nog goed herinneren uit mijn jeugd, dat er een op plantage Brouwerslust gevangen genomen werd. Sanì de!85

Ik vroeg toen op mijn beurt, hoe een Azéman gevangen genomen kan worden, als hij de gedaante van een geest kan aannemen, en de kunst bezit, een gesloten huis binnen [253]te gaan, zonder een deur of raam te openen, dan de menschen uit te zuigen en weêr te vertrekken, zonder dat iemand er iets van merkt of voelt.

„Wel”, zei de vrouw, „de Azéman verdooft de plek met zijn lippen en zuigt daarna het bloed uit. De tong van zoo’n Azéman is als chloroform, meneer!”

„Maar ik wil weten, hoe men hem vangt”.

„Wel, die kunst bezitten de indianen, doch ook negers”, zei de gouddelver. „Ik heb gehoord, dat men hem vangt met rauwe rijst; daar waar hij gewoon is te komen, loert men op hem, nadat rijst of ook wel abónjera* (sesamzaad) achter de deur is neêrgelegd. De Azéman kan dan niet verder, en begint de korrels stuk voor stuk op te pikken. Doch door hetgeen men bij de korrels heeft neêrgelegd, zooals de nagels van de Man-gronuil,86 vallen de korrels weêr neêr, zoodat de Azéman tot aan het aanbreken van den dag blijft doorpikken. Dan echter is zijn lot beslist, want zoodra het zonlicht op hem schijnt, valt hij dood neêr”.

„Op Brouwerslust hebben ze de Azéman op een andere wijze gevangen”, zei de waschvrouw.

Hij had zijn vel onder een matta-mátta87 gelegd in de keuken. Twee rijpe mannen hebben het opgenomen en in pekel gelegd; daarna plaatsten zij het weêr onder de mat. Toen de Azéman terugkwam, kon hij zijn mantel niet meer aantrekken, daar hij in de pekel gekrompen was.

Men zeide, dat het de zwager was van den bastiaan Kofi”.

„Wat hebben ze toen met hem gedaan?”

„Met een prasára sisíbi88 afgeranseld, en hij is gestorven ook. Ik herinner me nog goed, dat dien avond een [254]soesà* werd gegeven en dat zijn jorokà bij de dansers kwam.

De waschvrouw wist nog andere manieren te vertellen, waarop men den Azéman in handen kan krijgen, allemaal herinneringen uit haar jeugd, toen zij als slavin op een plantage werkte en er rare dingen gebeurden.

Ik luisterde met aandacht en toen zij uitgesproken had, riep ik uit: „ben jij nu de waschvrouw, die geen anansi-tori’s wil vertellen!”

Des avonds kwam de gouddelver ons weêr bezoeken. Het gesprek kwam alweder op de geheimzinnige wereld, want nauwelijks gezeten, begon de man te vertellen van de bakróe, een gevaarlijk element, op een mensch gelijkend.

„De bakróe wordt door menschenhanden gemaakt. De wintiman89 vormt hem eerst uit plantenslijm; daarna brengt hij hem naar huis en plaatst hem onder een banaan; nadat hij dan eenige formulieren heeft opgezegd, gelijkt hij op een jongen van drie jaar.

Hij bezit een bovennatuurlijke kracht, gooit de sterkst gespierde mannen omver, is gehoorzaam en voldoet aan zijn’s meester’s opdracht.

De bakróe bezit de macht, om zich in het binnenste van het mensch te nestelen. Is hij eenmaal binnengedrongen, dan is er geen professor of arts ter wereld, die hem er uit weet te krijgen; alleen de dátra90 of wintiman* kan het doen.

De dátra behandelt zijn patiënt op een zeer vreemde wijze; deze moet in een tobbe water zitten en ondergaat een bad, daarna wordt hij door de assistenten met een prasára-sisíbi afgeranseld. De wintiman geraakt dan in een abnormalen toestand, spreekt indiaansch, afrikaansch en de taal der boozen. Is de patiënt genezen, dan moeten [255]nog enkele formaliteiten plaats vinden, zooals het betalen van wegen en paden (offeren).

„Maar”, zoo viel de waschvrouw in de rede, „ik heb wel eens gehoord, dat er ook kópro bakróe91 bestaan, die niet zoo gemakkelijk te verwijderen zijn, daar deze listiger zijn dan de dátra zelf. Alleen een Indiaansche piaiman kan hem wegkrijgen.

„Er komen ook onbeheerde bakróes voor; deze houden verblijf in trenzen* of ook wel in groote boomen, die op spaan-hoekoe92 staan, zoodat ik bang ben ’s avonds alleen te loopen”.

„Tot dezelfde familie”, begon de gouddelver weêr, „behoort ook de léba. Meneer, maar daar kan ik U niet veel van vertellen, want deze schijnt uit te sterven, hetgeen met de bakróe niet het geval is”.

„De léba is een mensch, die vol schurft en ongedierte zit en in lompen gehuld is; U zoudt hem niet kunnen herkennen, hoewel hij op een mensch gelijkt”.

„Dat kan niet zijn”, merkte de waschvrouw op, „de léba is een soort joroká; des nachts om twaalf uur zijn er te vinden op spaan-hoekoe. Raakt de léba iemand aan, dan gaat diens ziekte op hem over. Máss’ra, ’sanì de!93 De blanken weten het heel goed, maar ze spreken het tegen, om de menschen er niet aan te doen gelooven.

Later vroeg ik aan verschillende inboorlingen naar deze dingen en zij verklaarden gehoord te hebben, dat ze bestaan. Doch de gouddelver en de waschvrouw hielden vol, ze gezien te hebben.

Máss’ra”, zeide de vrouw, „U bent pas komen kijken, en we leven nu in een verlichten tijd; wat U niet weet of niet gezien hebt, behoeft U niet te ondervinden. Vraagt [256]U eens aan oude menschen, dan zult U hooren, wat er alzoo in den slaventijd gebeurde. Er werden verschillende feesten gegeven, zooals de Doe*, de Banjà*, de Soesà*”, zeide zij, terwijl zij de tong tegen haar verhemelte sloeg; „ik deed niet onder voor de beste dansers, bája94, het is zoo aangenaam de kwakwà95 te hooren spelen! Als ik aan dien tijd denk, komt alles mij nog als den dag van gisteren voor oogen.

„Bij alles wat heilig is”, zoo ging zij met zachte stem voort, „zoo verzeker ik U, dat alles wat ik nu vertellen zal, waarheid is, omdat blanken er niet aan gelooven willen, en maar steeds volhouden, dat het bijgeloof is.

„Welnu dan, ik heb bijgewoond, toen men winti* danste, dat een man een gloeiend kapmes, dat een half uur in het vuur was geweest, heeft afgelikt, totdat het ijzer geheel bekoeld was. De man kreeg niet het minste letsel. Daarna nam de wintiman een scheermes en sneed verschillende anderen de tong af. Van een vrouw sneed hij die geheel af, en legde haar op een wit bord met spiritus, om haar daarna weêr aan het stuk, dat nog in den mond was blijven zitten, vast te lijmen. Geen mensch die zien kon, waar de tong afgesneden was geweest!

„De vroegere negers—Máss’ra, no plei fóeloe nánga dem96—deden een heele boel!

„Er was een bekend weglooperskamp, genaamd no méri mi97; daar werd op de schildpad gekeken (voorspeld), zeggen de oude menschen en alles kwam uit; zij verstonden de ware zwarte kunsten. Máss’ra, U zult me niet gelooven, maar er zijn nog van die soort geweren, wier kogels niet raken, al mikt men nog zoo juist”. [257]

„O ja, dat is een feit, merkte de gouddelver op, ma’ a de dàngra soema hede.98

„Hm, zuchtte de vrome waschvrouw, ge moogt er niet aan gelooven, maar die dingen bestaan, dat weet men zelfs tot in bakrà kóndre.99

Mass’ra, u gelooft zeker ook niet aan wísi100 maar het bestaat hoor! Ze hebben moeite gedaan, om mij van kant te maken, maar mi akrâ101 is sterker dan het hunne”.

„Mijnheer er zijn verborgenheden, geloof mij” verzekerde de gouddelver. „Op de voormalige plantage Groot-Meerzorg kon de rietmolen geen dienst doen, alvorens hij een menschenlever of een menschenhart ten geschenke had gekregen”.

A móro bétre wi kiri tàki102 merkte de waschvrouw op, „sribi de kíli mi”.103

De gouddelver stond op en ging heen.

Wasje ging naar boven en alvorens haar slaapkamer binnen te gaan, strooide zij rijstkorrels voor de deur.

Gran tàngi foe dem bakrà di opo dem sóema hai di men’ tàpoe104 dacht ik, en teleurgesteld, dat ik heden geen anansi-tori’s had mogen hooren, zocht ook ik mijn legerstede op. [258]