Baarmoeder, atavisme in de —, 66;
meer of min verdeelde — bij den mensch, 67;
dubbele — bij de vroegere voorouders van den mensch, 283.

Baars, schitterende kleuren van het mannetje gedurende den paartijd, II 12.

Babbage, C., groot aantal vrouwelijke onwettige geboorten, 479.

Bachman, Dr., over de vruchtbaarheid bij de Mulatten, 335.

Baco, over den nijd, 198.

Baer, K. E. von, over de embryonale ontwikkeling, 15;
over de ontwikkeling van verwante dieren, 397.

Bagehot, W., over de sociale deugden onder de oorspronkelijke menschen, 203;
over de waarde der gehoorzaamheid, 240;
over des menschen vooruitgang, 244;
over het instandblijven van wilde stammen in klassieke tijden, 350.

Bailly, E. M., over hertengevechten, II 238;
over de wijze van strijden van den Italiaanschen buffel, II 236.

Bain, A., over het gevoel van plicht, 181;
over den grondslag van het medegevoel, 190;
over het haken naar lof enz., 194;
over het denkbeeld van schoonheid, II 345.

Baird, W., over het verschil in kleur tusschen de mannetjes en wijfjes van sommige ingewandswormen, 511.

Bake, C. C., over de kaak van la Naulette, 70.

Baker, de heer, opmerking omtrent de verhouding der seksen bij jonge fazanten, 484.

Baker, Sir S., over de voorkeur die Arabieren geven aan wanluidende muziek, II 63;
over het seksueel kleurverschil bij een antilope, II 279;
over den afkeer van den olifant en neushoorn van witte en grijze paarden, II 284;
over het zich misvormen van negers, II 32, 285;
over de insnijdingen in wangen en slapen in Arabische landen, II 332;
over het kapsel der Noord-Afrikanen, II 333;
over het doorboren van de onderlip door de vrouwen van Latoeka, II 334;
over het onderscheid in kapsel bij de stammen van Centraal-Afrika, II 335;
over het kapsel der Arabische vrouwen, II 344.

Bakkebaarden, bij apen, 270.

Balzen van den korhaan, II 43, 97.

Banyai, kleur van de —, II 338.

Bantamhoenders, Sebright, 439, 471.

Banteng-rund, horens van het —, II 232;
seksueel kleurverschil bij het —, II 280.

Barmsijsje, verhouding der seksen bij het —, 484.

Barr, de heer, over seksueele voorkeur bij honden, II 255.

Barrington, Daines, over de taal der vogels, 136;
over het klokken van de hen, II 49;
over het doel van het zingen der vogels, II 50;
over het zingen van vrouwelijke vogels, II 51;
over vogels die het gezang van andere vogels overnemen, II 52;
over het weinig zingen van vrouwelijke vogels, II 157.

Bartels, over overtallige tepels, 65.

Bartlett, A. D., over den tragopan, 448;
over de ontwikkeling der sporen bij Crossoptilon auritum, 468;
over den strijd der mannetjes van Plectropterus gambensis, II 45;
over [408]den kanoetstrandlooper, II 78;
over het pronken van mannelijke vogels, II 82;
over het pronken met het gevederte door den mannelijken Polyplectron, II 86;
over de gewoonten van Lophophorus, II 116;
over de kleur van den snavel van den Buceros bicornis, II 124;
over het broeden van het mannetje van den casuaris, II 193;
over den Kaapschen buffel, II 236;
over het gebruik van de horens door de antilopen, II 237;
over de gevechten der mannelijke breedsnuitige varkens, II 250;
over Ammotragus tragelaphus, II 273;
over de kleuren van het gelaat der apen, II 297;
over naakte plekken op het lichaam der apen, II 369;
over het pronken van den Argus-fazant, II 87.

Bartram, over de vrijage van den mannelijken alligator, II 26.

Baskische taal, zeer kunstig, 142.

Bastaardnachtegaal, II 187;
jongen van den —, II 197.

Bastaardvogels, voortbrenging van —, II 109.

Bate, C. S., over de groote bedrijvigheid der mannelijke schaaldieren, 450;
over de verhouding der seksen bij de krabben, 495;
over de knijpers der schaaldieren, 518;
over de betrekkelijke grootte der seksen bij de schaaldieren, 520;
over de kleuren der schaaldieren, 523.

Bates, H. W., over de verscheidenheid in den vorm van het hoofd bij de Indianen van het Amazonengebied, 55;
over de verhouding der seksen bij de vlinders van het Amazonengebied, 488;
over seksueele verschillen in de vleugels der dagvlinders, 534;
over den veldkrekel, 541;
over Pyrodes pulcherrimus, 555;
over de horens van de Bladsprietige Kevers, 557;
over de kleuren van Epicalia, 577;
over de kleuren der tropische dagvlinders, 580;
over de veranderlijkheid van Papilio Sesostris en Childrenae, 590;
over mannelijke en vrouwelijke dagvlinders die zich op verschillende plaatsen ophouden, 590;
over nabootsing (mimickry), 597;
over de rups van een sphinx, 600;
over de stemorganen van den regenschermvogel, II 56;
over den toecan, II 212;
over Brachyurus calvus, II 296.

Batoka’s, het uittrekken der twee bovenste snijtanden door de —, II 333.

Batrachia, zie Anura.

Batrachiërs, II 22;
vurigheid der mannetjes van —, 450.

Baviaan, gebruikt een mat om zich voor de zonnehitte te beschutten, 132;
blijk van geheugen bij een —, 122;
een — door zijn makkers beschermd, 87;
woede bij een — opgewekt door lezen, 118;
verstand bij een —, 117.

Baviaan, Choak-kama — van de Kaap, manen van de mannetjes, II 251;
Hamadryas —, manen van het mannetje, II 251.

Bavianen, invloed van sterke dranken op —, 13;
ooren der —, 22;
blijk van moederlijke genegenheid bij de —, 117;
steenen door — als wapenen gebruikt, 130, 131;
onderlinge hulp bij de —, 185;
stilte der — op rooftochten, 188;
verscheidenheid der geestvermogens bij de —, 54;
gebruik der handen bij de —, 81;
gewoonten der—, 81;
veranderlijkheid van den staart bij de—, 91;
vermoedelijke veelwijverij der —,445;
veelwijverij en gezellige levenswijze der —, II 356.

Beavan, Luitnt., over de ontwikkeling der horens bij Cervus Eldi, 466.

Bechstein, over vrouwelijke vogels die de beste zangers onder de mannetjes uitkiezen, II 50;
over ijverzucht onder de zangvogels, II 50;
over het zingen van wijfjesvogels, II 51;
over vogels die het zingen van andere vogels overnemen, II 52;
over het paren van de kanarie en het sijsje, II 111;
over een subvariëteit van de Monck-duif, II 126;
over hennen met sporen, II 156. [409]

Beddoe, Dr., over de oorzaken van het verschil in lichaamsgrootte, 59.

Bedrijven, nadeelige invloed van sommige — op de lichaamsgrootte, 59;
invloed der — op de evenredigheid van de lichaamsdeelen, 58.

Been, kunstmatige wijziging van de kuit van het —, II 333.

Beenderen, toeneming der — in lengte en dikte bij vermeerdering van gewicht, 60.

Beenen, verschil in de lengte der —, 52;
lengte der — bij soldaten en matrozen, 60.

Beenen werktuigen, vernuft bij het vervaardigen van —, 80.

Beeldhouwkunst, uitdrukken van het ideaal van schoonheid door de —, II 341.

Beenkam, bij mannelijke apen en Australiërs, II 314.

Beerrupsvlinders, zie Arctiidae.

Beflijster, kleuren en nestbouw van de —, II 163.

Beginsel van het grootste geluk, 207.

Behaardheid, verschil in — der seksen bij den mensch, II 315;
verschil in — bij de verschillende menschenrassen, II 316.

Bekken, wijziging van het — toen de mensch rechtopgaande werd, 84;
verschillen in het — bij de seksen van den mensch, II 313.

Belcher, Sir E., over de Sandwich-eilanders, 356.

België, oude bewoners van —, 348.

Bell, P., over de verhouding der seksen bij de mollen, 483;
over de watersalamanders, II 21;
over het kwaken van den kikvorsch, II 25;
over het verschil in de kleur der seksen bij Zootoca vivipara, II 33;
over de gevechten der mollen II 225.

Bell, Sir C., over de spieren die gemoedsaandoeningen uitdrukken, 10;
over „bromspieren”, 70;
over de hand, 83.

Beloop der vleugeladeren, verschil van het — bij de beide seksen van sommige Dagvlinders en Hymenoptera, 534.

Belt, over het voordeel dat de mensch van zijn onbehaardheid trekt, 90;
over „mimickry” bij de Leptaliden, 599;
over het nut van het lichten van den glimworm, 535;
over de vrijage van Florisuga mellivora, II 146;
over een kikvorsch uit Nicaragua, II 23.

Bennet, A. W., over de gewoonten van Dromaeus irroratus, II 194.

Bennet, Dr., over paradijsvogels, II 84;
over mandarijneenden, II 104.

Bernicla antarctica, kleur van —, II 213.

Bergstammen van Engelsch-Indië, gevoelig voor verandering van klimaat, 356.

Beroerten, bij Cebus Azarae, 13.

Berouw, 242;
gemis van — bij de wilden, 242;
aard en kracht van —, 199.

Beschaving, uitwerkselen der — op de natuurlijke teeltkeus, 248;
invloed der — op den wedstrijd der natiën, 350.

Beschermende aard der minder opzichtige kleuren van vrouwelijke Lepidoptera, 591, 592, 599.

Beschermende gelijkenis bij visschen, II 15.

Beschermende kleuren bij Dagvlinders, 580;
bij visschen, II 15;
bij hagedissen, II 33;
bij vogels, II 187, 209;
bij zoogdieren, II 286, 288.

Bestelen, het — van vreemdelingen voor eervol gehouden, 204.

Bettoni, E., over plaatselijke verschillen in de nesten van Italiaansche vogels, II 164.

Bever, instinkt en verstand van den —, 115;
stem van den —, II 268;
bevergeil of castoreum van den —, II 270.

Bevers, gevechten der mannelijke —, II 225.

Bevruchting, invloed van het tijdstip der — op de sekse, 497.

Bevruchting, verschijnselen van
[410]—bij planten, 451;
—van laag georganiseerde dieren, 452.

Bezoar-Geit, zie Capra aegagrus.

Bhotea’s, kleur van den baard bij de —, II 315.

Bhringa, gewijzigde vederen bij —, II 80.

Bibio, seksueel verschil in het geslacht —, 538.

Bichat, over de schoonheid, II 345.

Bickes, over de verhouding tusschen het aantal mannelijke en vrouwelijke geboorten in Europa, 477.

Biggetjes, Guineesche, de gevolgen van operaties erfelijk bij —, II 372.

Bimana, 268.

Birgus latro, gewoonten van —, 523.

Birkbeck, de heer, over het vinden van nieuwe gezellen door den gouden arend, II 101.

Birmanen, kleur van den baard bij de —, II 315.

Bischoff, overeenkomst tusschen de hersenen van den mensch en den Orang oetan, 12;
afbeelding van het embryo van een hond, 16;
over de hersenwindingen van den menschelijken foetus, 17;
over het verschil tusschen de schedels van den mensch en de vierhandige zoogdieren, 268;
over de hersenen van den mensch en de apen, 390.

Bishop, J., over de stemorganen der kikvorschen, II 25;
over de stemorganen der kraaiachtige vogels, II 52;
over de luchtpijp (trachea) van den grooten zaagbek (Merganser), II 57.

Bishop, A., over de kindersterfte op de Sandwich-eilanden, 355.

Bison, Amerikaanschen, manen van den mannelijken —, II 251.

Biziura lobata, muskusgeur van den mannelijken —, II 37.

Blaasvogels, kleuren en nestbouw van de —, II 163.

Blacklock (Dr.), over de eerste taal, II 330.

Blackwall, J., over het spreken van den ekster, 141;
over het verlaten der jongen door de zwaluwen, 192;
over de groote bedrijvigheid der mannelijke spinnen, 450; over de verhouding der seksen bij de spinnen, 494;
over seksueele kleurverschillen bij de spinnen, 525;
over mannetjes-spinnen, 525.

Bladsprietige Kevers, horenachtige uitsteeksels op den kop en het borststuk der —, 557, 559;
anologie der — met Herkauwende Dieren, 559;
invloed der seksueele teeltkeus bij —, 563.

Bladeren, tinten der afvallende —, 513.

Bladkevers, zie Chrysomelidae.

Bladvlinder, zie Kallima.

Bladwesp, strijdlustigheid van een —, 551.

Bladwespen, verhouding der seksen bij de —, 493.

Blaine, over de genegenheid bij de honden, II 254.

Blair, Dr., over den betrekkelijken aanleg van Europeanen voor gele koorts, 364.

Blakiston, Kapt., over de Amerikaansche snip, II 60;
over de dansen van Tetrao phasianellus, II 65.

Blasius, Dr., over de soorten van Europeesche vogels, 119.

Blauwborstje, roodkelig, seksueele verschillen bij het —, II 185.

Blenkiron, de heer, over seksueele voorkeur bij paarden, II 255.

Bledius taurus, horenachtige uitsteeksels van den mannelijken —, 561.

Blethisa multipunctata, sjirpen van —, 565.

Blinde darm, 28;
groot bij de voorouders van den mensch, 282.

Bloch, over de verhouding der seksen bij de visschen, 485.

Bloed, slagaderlijk, roode kleur van het —, 513.

Bloeding, neiging tot overmatige —, 469.

Bloedfazant, aantal sporen bij den —, II 43.

Bloedverwantschap, namen voor de graden van—, II 353. [411]

Blumenbach, over den Mensch, 55;
over de groote schedelholten bij de inboorlingen van Amerika, 62;
over de plaats van den mensch, 268;
over het aantal menschenrassen, 339.

Blyth, E., opmerkingen omtrent Indische kraaien, 186;
over de inrichting van de hand bij de soorten van Hylobates, 82;
over het onderscheiden der sekse van jonge goudvinken door het uittrekken van borstveêren, II 201;
over de vurigheid der mannetjes bij de Gallicrex cristata, II 39;
over de aanwezigheid van sporen bij den vrouwelijken Euplocamus erythrophthalmus, II 44;
over de vurigheid van de amadavat, II 47;
over den lepelaar, II 57;
over het ruien van Anthus, II 79;
over het ruien van trapganzen en plevierachtige vogels en Gallus bankiva, II 80;
over den Indischen wespendief, II 121;
over het seksueel verschil in kleur en oogen bij neushorenvogels, II 123;
over Oriolus melanocephalus, II 170;
over Palaeornis javanicus, II 171;
over het geslacht Ardetta, II 171;
over Falco peregrinus, II 171;
over jonge wijfjes die mannelijke kenmerken krijgen, II 171;
over het onvolwassen gevederte der vogels, II 177;
over elkander vertegenwoordigende soorten van vogels, II 181;
over de jongen van den Turnix, II 192;
over afwijkende jongen van Lanius rufus en Columbus glacialis, II 199;
over de seksen en jongen der musschen, II 200;
over tweevormige reigersoorten, II 202;
over wielewalen die met onvolwassen gevederte broeden, II 202;
over de seksen en jongen bij Buphus en Anastomus, II 204;
over de jongen van den zwartkop en de zwarte lijster, II 206;
over de jongen van den roodborst-tapuit, II 206;
over het witte gevederte van Anastomus, II 213;
over de horens van de Antilope bezoartica, II 231;
over de horens van runderen, II 232;
over de wijze van vechten bij Ovis cycloceros, II 236;
over de stem van de gibbons, II 268;
over den haarkam van den wilden bok, II 273;
over de kleuren van Portax picta, II 279;
over de kleuren van de Antilope bezoartica, II 279;
over de ontwikkeling van de horens bij de Koedoe- en Eland-antilopen, 466;
over de kleur van het Axis-hert, II 280;
over seksueel kleurverschil bij Hylobates hoolock, II 281;
over het zwijnshert, II 292;
over het door ouderdom grijs worden van den baard en de bakkebaarden bij een aap, II 315.

Blyth, over de horens van gesneden mannetjes van Antilope bezoartica, II 234.

Boardman, over het verband tusschen de kleur van vogels en hun vrijage, II 115.

Boemerang, 259.

Bogen, gebruik van —, 345.

Boitard en Corbié, over het overplanten van seksueele bijzonderheden bij duiven, 461;
over den afkeer dien sommige vrouwelijke duiven tegen zekere mannetjes openbaren, II 114.

Bok, horens van den —, II 235;
geur van den —, II 270;
haarkam van den wilden —, II 273;
manen, halskwab enz., van den Berbura —, II 275;
seksueel kleurverschil bij den Kemas —, II 280.

Boktorren, zie Longicornia.

Bold, de Heer, over het zingen van een onvruchtbare bastaard-kanarie, II 50.

Bombet, over de veranderlijkheid van den maatstaf van schoonheid in Europa, II 363.

Bombus, verschil der seksen bij —, 552.

Bombycidae, kleur van de —, 582;
paren van de—, 588;
kleuren der—, 588.

Bombycilla carolinensis, roode aanhangsels van —, II 170.

Bombyx cynthia, 535;
verhouding der seksen bij —, 488, 489;
paren van —, 588. [412]

Bombyx mori, verschil in grootte van de mannelijke en vrouwelijke cocons bij —, 535;
paring van —, 588.

Bombyx Pernyi, verhouding der seksen bij —, 492.

Bonaparte, C. L., over de roepstem van den wilden kalkoenschen haan, II 57.

Bond, F., over het vinden van nieuwe gezellen door de kraaien, II 100.

Boner, C., over het voorkomen van mannelijke kenmerken bij een oude vrouwelijke gems, II 230;
over de horens van het edelhert, II 238;
over de paring van het edelhert, II 252.

Bontbek-plevier, zie Charadrius hiaticula.

Bonwick, J., over het uitsterven der Tasmaniërs, 351.

Boomkikvorschen, zie Hylae.

Boomklevers, zie Sitta.

Boom-patrijzen, zie Arboricola.

Boreus hyemalis, zeldzaamheid van den mannelijken —, 494.

Borstkas, afmetingen der — bij soldaten en matrozen, 60;
groote — bij de Quechua en Aymara Indianen, 62.

Borststuk, van insecten, zie Thorax.

Bory de St. Vincent, over het aantal menschenrassen, 339;
over de kleuren van Labrus pavo, II 15.

Boschhoenders, de roode Schotsche — leven met één wijfje, 448;
strijdlustigheid van de jonge mannelijke —, II 47;
het geluid door de — voortgebracht, door met hun vleugels langs den grond te slaan, II 58;
duur van de vrijage der —, II 97;
kleuren en nestbouw der —, II 103.

Bos primigenius, II 226.

Bos sondaicus, horens van —, II 232;
kleur van —, II 280.

Bos moschatus, II 232.

Bosjesmannen, 98, II 336.

Botocudo’s, 367;
levenswijze van de —, 357;
misvorming van de ooren en de onderlip bij de —, II 334.

Boucher de Perthes, J. C. de, over de oudheid van den mensch, 8.

Bourbon, verhouding der seksen bij een soort van Papilio van —, 488.

Bouriens, over de huwelijken bij de wilden van Insulinde, II 366.

Bovenkaak, de linker — bij het mannetje van Taphroderes distortus zeer vergroot, 534.

Bovenkaken, gebruik der — bij Ammophila, 532;
groote — van Corydalis cornutus, 532;
groote — van het mannetje van Lucanus Elaphus, 532.

Bovidae, kwabben of huidplooien aan den hals bij —, II 275.

Brachiopoda, 513.

Brachycephalen schedelvorm, mogelijke verklaring van den —, 88.

Brachyura, 523.

Brachyurus calvus, scharlakenrood gelaat van —, II 296.

Bradley, over den musculus abductor ossis metatarsi quinti, 72.

Brakenridge, Dr., over den invloed van het klimaat, 59.

Bramen page, zie Tecla rubi.

Brandt, Prof. Alex., over menschen met harige lichamen, 26.

Brasem, verhouding der seksen bij den —, 487.

Braubach, Prof., over het quasi-godsdienstig gevoel van een hond jegens zijn baas, 148;
over zelfbeheersching bij honden, 187.

Brauer, F., over dimorphisme bij Neurothemis, 550.

Brazilië, schedels gevonden in holen in —, 332;
bevolking van —, 339;
samendrukking van den neus door de inboorlingen van —, II 343.

Breedsnuitig varken, tanden en kussens van het—, II 250.

Brehm, over den invloed van sterke dranken bij apen, 14;
over de herkenning van vrouwen door mannelijke Cynocephali, 14;
over de wraakzuchtigheid der apen, 116;
[413]over het toonen van moederlijke genegenheid bij apen en bavianen, 117;
over de instinktmatige vrees van apen voor slangen, 119;
over een baviaan die zich met een mat voor de zonnestralen beschut, 132;
over het gebruik dat bavianen van steenen maken als werptuigen, 131;
over apen die schildwachten uitzetten, 184;
over onderlinge hulp bij dieren, 184;
over een arend die een jongen Cercopithecus aanvalt, 185;
over bavianen die in gevangen staat een van hen voor straf beveiligen, 186;
over de gewoonte der bavianen op hun plundertochten, 187;
over de verscheidenheid der verstandelijke vermogens bij de apen, 54;
over de levenswijze der bavianen, 82;
over de veelwijverij van Cynocephalus en Cebus, 445;
over de getalsverhouding der seksen bij vogels, 483;
over den liefdedans van den korhaan, II 43;
over Palamedea cornuta, II 45;
over de levenswijze van de korhoenders, II 43;
over het geluid der Paradijsvogels, II 59;
over de bijeenkomsten van boschhoenders, II 98;
over het vinden van nieuwe gezellen door vogels, II 102;
over het vechten van wilde zwijnen, II 248.