Schoone, smaak voor het — bij vogels, II 104;
bij vierhandige zoogdieren, II 285.

Schoonheid, gevoel voor — bij dieren, 143;
waardeering der — bij vogels II 106;
invloed der —, II 331;
veranderlijkheid van den standaard der —, II 362.

Schopenhauer, over de belangrijkheid van de geslachtsliefde bij den mensch, II 350.

Schrik, werking van — op lagere dieren en menschen, 116.

Schrijfkunst, 258.

Schrijven, erfelijkheid van den aanleg om goed te leeren —, 139.

Schubvleugelige insekten, zie Lepidoptera.

Schulte, Dr., over de schoone kleuren van vlinders, 612.

Schweinfurth, over de Monbuttoe’s, II 312.

Schijfkwallen, schitterende kleuren van sommige —, 512.

Sciaena aquila, geluid van —, II 21.

Sclater, P. L., over gewijzigde secundaire vleugelslagpennen bij de mannetjes van Pipra, II 62;
over verlengde vederen bij Nachtzwaluwen, II 70;
over de soorten van Chasmorhynchus, II 76;
over het gevederte van Pelecanus onocrotalus, II 81;
over de Pisangvreters, II 169;
over het broeien der Struthiones, II 194;
over de seksen en jongen van Tadorna variegata, II 195;
over de kleuren van Lemur macaco, II 280;
over de strepen van ezels, II 294.

Scolecida, gemis van secundaire seksueele kenmerken bij de —, 511.

Scolopax frenata, staartvederen van —, II 60.

Scolopax gallinago, trommelend geluid van —, II 59.

Scolopax javensis, staartvederen van —, II 60.

Scolopax major, bijeenkomsten van —, II 97.

Scolopax Wilsonii, geluid door — voortgebracht, II 60.

Scolytus, gesjirp van —, 565.

Scott, (Dr.), over idioten, 64.

Scott, J., over de kleur van den baard bij den mensch, II 315.

Scrope, over de strijdlustigheid van den mannelijken zalm, II 3;
over de gevechten van herten, II 226.

Scudder, S. H., nabootsing van het gesjirp van Orthoptera, 542;
het gesjirp van Acridiidae, 545;
over een fossiel insekt in de Devonische vorming, 548;
over het gesjirp, II 324.

Sebituani, II 333. [471]

Sebright Bantamhoen, 471.

Secundaire seksueele kenmerken, 434;
betrekking der veelwijvigheid tot de —, 445;
trapsgewijze overgangen der — bij vogels, II 129;
door beide seksen heên overgeplant, 459.

Sedgwick, W., over erfelijken aanleg om tweelingen voort te brengen, 75.

Seeman, Dr., over de verschillende waardeering van de muziek door verschillende volken, II 327;
over den invloed van de muziek, II 328.

Seidlitz, over de horens van rendieren, II 233.

Sekse, de overerving beperkt door de —, 460.

Seksen, getalsverhouding der — bij den mensch, 476;
betrekkelijke grootte der — bij den mensch, II 316;
onderlinge betrekking der — bij den oorspronkelijken mensch, II 356.

Seksen met betrekking tot natuurlijke teeltkeus, de verhouding der —, 495.

Seksueele kenmerken, secundaire —, 434;
betrekking tusschen veelwijverij en —, 445;
— overgeplant door beide seksen heen, 459;
trapsgewijze overgangen van — bij vogels, II 129.

Seksueele kenmerken, invloed van het verlies der —, 461;
beperking der —, 462.

Seksueele overeenkomst, 456.

Seksueele teeltkeus, 434;
verklaring van —, 436, 440, 449;
invloed der — op de kleur van Lepidoptera, 591;
werking der — bij den mensch, II 361;
— bij de apen, II 306.

Seksueele en natuurlijke teeltkeus, vergeleken, 457.

Seksueele verschillen bij den mensch, 15, II 312.

Selasphorus platycercus, de eerste primaire vleugelslagpen van — uitgesneden, II 61.

Selby, P. J., over de gewoonten van den korhaan en den rooden Schotschen boschhaan, 448.

Semnopithecus, 274;
lang haar op den kop van soorten van —, 270, II 373.

Semnopithecus chrysomelas, seksueele kleurverschillen bij —, II 281.

Semnopithecus comatus, haar tot versiering op den kop van —, II 295.

Semnopithecus frontatus, baard enz. van —, II 296.

Semnopithecus nasicus, neus van —, 271.

Semnopithecus rubicundus, haar tot versiering op den kop van —, II 294.

Serranus, hermaphroditisme bij —, 284.

Sharpe, R. B., over Tanysiptera sylvia, II 159;
over Ceryle, II 165;
over de jonge mannetjes van Dacelo Gaudichaudii, II 179;
over den invloed der zon op een blanke en op een zwarte huid, 366;
over den invloed van de kleur van het haar op de vatbaarheid voor sommige ziekten, 365.

Shaw, J., over de versiering der vogels, II 68.

Shaw, de heer, over de strijdlustigheid van den mannelijken zalm, II 3.

Shooter, J., over de Kaffers, II 339;
over de huwelijksgebruiken der Kaffers, II 366.

Shuckard, W. E., over seksueele verschillen in de vleugels van Hymenoptera, 534.

Siagonium, verhouding der seksen bij —, 493;
dimorphisme bij de mannetjes van —, 561.

Siam, verhouding der mannelijke en vrouwelijke geboorten in —, 479.

Siameesche harige familie, II 370.

Siameezen, over het algemeen baardeloos, II 316;
denkbeelden van schoonheid bij de —, II 337.

Sidgwick, over beweegredenen van het gedrag, 207.

Siebold, C. T. von, over het gehoorwerktuig van sjirpende Orthoptera, 542. [472]

Siervederen op den kop der vogels, seksueele verschillen in de —, II 158.

Signaalkreten der apen, 138.

Simiadae, 273;
hun oorsprong en verdeeling, 288.

Singaleezen, oordeel der Chineezen over het voorkomen der —, II 337.

Sirenia, onbehaardheid der —, 89.

Sirex juvencus, 552.

Siricidae, verschil der seksen bij de —, 552.

Sitana, keelzak der mannetjes van —, II 30, 33.

Sitta, geestvermogens van —, II 103.

Slagader, invloed van het afbinden van een — op de zijdelingsche kanalen, 60.

Slagaderen, verscheidenheden in den loop der —, 53.

Slakprik, 281, 288.

Slangen, instinktmatige vrees der apen voor —, 113, 119;
seksueele verschillen der —, II 26;
vurigheid der mannetjes van de —, II 27;
kleuren van de —, II 26;
verstandelijke vermogens van de —, II 28;
geluiden van de —, II 28.

Slaven, verschil tusschen veld- en huis—, 367.

Slavernij, het heerschen van —, 204;
— der vrouwen, II 359.

Sluipwespen, zie Ichneumonidae.

Slijkschildpad, lange klauwen van de —, II 25.

Slijmvisschen, op den kop van het mannetje der — een kam die zich ontwikkelt gedurende den rijtijd, II 11.

Smaak voor het schoone, bij de vierhandige zoogdieren, II 285;
bestendigheid van den — bij wilden en dieren, II 216.

Smient, paren van een — met een pijlstaarteend, II 110.

Smith, Adam, over den grondslag van het medegevoel, 190.

Smith, Sir A., over de herkenning van vrouwen door mannelijke cynocephalen, 14;
over een voorbeeld van geheugen bij een mannelijken baviaan, 122;
over het behouden der kleur door de Nederlanders in Zuid-Afrika, 362;
over de veelwijvigheid der Zuid-Afrikaansche Antilopen, 446;
over de verhouding der seksen bij Kobus ellipsiprymnus, 483;
over Bucephalus capensis, II 26;
over Zuid-Afrikaansche hagedissen, II 33;
over vechtende gnoes, II 226;
over de horens van neushorens, II 232;
over het vechten van leeuwen, II 250;
over de kleuren van den Kaapschen Eland, II 279;
over de kleuren van Antilope caama, II 279;
over de begrippen der Hottentotten omtrent schoonheid, II 338;
over verstand bij een baviaan, 116;
over communale huwelijken, II 353.

Smith, F., over de Cynipidae en Tenthredinidae, 493;
over de betrekkelijke grootte der seksen van Angeldragende Vliesvleugelige Insekten, 536;
over het verschil tusschen de seksen van mieren en bijen, 552;
over het gesjirp van Trox sabulosus, 566;
over het sjirpen van Mononychus pseudacori, 568.

Smynthurus luteus, vrijage van —, 537.

Snatervogels, zie Cotingidae.

Snaveldieren, zie Monotremata.

Snavel, seksueel verschil in den vorm van den —, II 39;
in de kleur van den —, II 69.

Snavels, van vogels, levendige kleuren van de —, II 211.

Sneeuwgans, witheid van de —, II 213.

Sneeuwhoen, eenwijvig, 448;
zomer- en winterkleed van het —, II 78, 79;
bruiloftsbijeenkomsten van het —, II 98;
drievoudige ruiing van het —, II 172;
beschermende kleur van het —, II 188.

Snip, goud—, seksen en jongen van de —, II 192.

Snip, poel—, bijeenkomsten van de —, II 97.

Snip, water—, trommelend geluid van de —, II 59;
kleur van de —, II 211. [473]

Snippen, aankomst van de mannelijke — vóór de wijfjes, 440;
strijdlustigheid der mannelijke —, II 41;
dubbele ruiing der —, II 77.

Snoek, het verslinden van de mannetjes van den — door de wijfjes, 486;
schitterende kleuren van een Amerikaanschen — in den rijtijd, II 12.

Snoerwormen, zie Nemertina.

Snuit, seksueel verschil in de lengte van den — bij snuitkevers, 436.

Snuitkevers, seksueel verschil in de lengte van den snuit bij sommige —, 436.

Snijtanden, het uitslaan of afvijlen der — door de wilden, II 333.

Sociale dieren, genegenheid der — voor elkander, 185;
verdediging van sommige — door de mannetjes, 192.

Sociale instinkten, het gevoel van plicht staat in verband met de —, 181.

Sociale vermogens, 240.

Soldaten, het meten van Amerikaansche —, 58;
verschil in de verhoudingen van — en matrozen, 60.

Solenostoma, levendige kleuren en broedzak van de wijfjes van —, II 19.

Soorten, oorzaken van den vooruitgang der —, 250;
onderscheidene kenmerken der —, 329;
menschenrassen of menschen—, 331;
vruchtbaarheid en onvruchtbaarheid der — bij kruising, 334;
veronderstelde menschen—, 339;
moeilijkheid om te bepalen wat — zijn, 339;
vertegenwoordigende — van vogels, II 181;
verschil tusschen de seksen bij verschillende — van vogels, II 183.

Sorex, geur van —, II 270.

Spanje, verval van —, 255.

Spanners, zie Geometrae.

Spanrupsen, zie Geometrae.

Sparassus smaragdulus, verschil in kleur bij de seksen van —, 525.

Sparta, teeltkeus te —, 56.

Spathura Underwoodi, II 75.

Specht, keus van een gezel door een vrouwelijke —, 111.

Spechten, II 59;
trillend geluid der —, II 59;
kleuren en nestbouw der —, II 163, 166, 209;
kenmerken der jonge —, II 177, 189, 197.

Spechtmees, blauwe, zie Dendrophila frontalis.

Spectrum femoratum, verschil van kleur bij de seksen van —, 548.

Speer, oorsprong van de —, 346.

Spel” van den korhaan, II 57.

Spencer, Herbert, over de eerste schemeringen van het verstand, 114;
over den oorsprong van het geloof in geestelijke krachten, 146;
over den oorsprong van het zedelijk gevoel, 211;
over den invloed van het voedsel op de grootte der kaken, 61;
over muziek, II 329.

Sphingidae, kleur der —, 583.

Sphinx, de heer Bates, over de rups van een —, 600.

Spiegel, leeuwerikken gelokt door een —, II 108.

Spieren, aanwezigheid van rudimentaire — bij den mensch, 19;
variabiliteit der —, 53;
invloed van het gebruik en onbruik der —, 59;
dierlijke abnormaliteiten der — bij den mensch, 70;
correlatie der — van armen en beenen, 74;
invloed van de kauw— op den schedel en de gelaatsuitdrukking der apen, 85;
wijziging der aangezichtsbeenderen door zich dikwijls herhalende krampen in de —, 88;
de — van de vroege voorouders van den mensch, 282;
grootere variabiliteit der — bij mannen dan bij vrouwen, 453.

Spierkracht, geringe — van den mensch, 97.

Spijt, aard en kracht van —, 199.

Spilosoma menthrasti, weggeworpen door kalkoenen, 586.

Spinnen, 525;
de mannelijke — bedrijviger dan de vrouwelijke, 450;
verhouding der seksen bij de —, 495;
de mannelijke — kleiner dan de wijfjes, 526.

Spinners, zie Bombycidae.

Spitsmuizen, geur der —, II 270. [474]

Spookinsekten, nabootsing der bladeren door de —, 598.

Spoorvleugelige gans, II 45.

Sporen, aanwezigheid van — bij vrouwelijke vogels, 458;
ontwikkeling der — bij verschillende soorten van fazanten, 467;
— der hoenderachtige vogels, II 42, 43;
ontwikkeling der — bij vrouwelijke hoenderachtige vogels, II 156.

Spotlijster, gedeeltelijke verhuizing van de —, II 105;
jongen van de —, II 206;
zie Turdus polyglottus.

Spraak, een kunst, 136;
oorsprong der gearticuleerde —, 137;
betrekking tusschen den vooruitgang van de — en de ontwikkeling der hersenen, 138;
invloed der erfelijkheid ten opzichte der spraak, 139.

Spraakorganen bij den mensch, 139.

Spreeuw, II 101.

Spreeuw, roodvleugelige, keus van een makker door het wijfje van den —, II 111.

Spreeuwen, Amerikaansche veld—, strijdlustigheid van de —, II 48;
drie — in het zelfde nest, 448, II 102;
het vinden van nieuwe gezellen door —, II 102.

Spreken, het, voorafgegaan door het zingen, II 330.

Sprengel, C. K., over de bevruchting der planten, 440.

Sprieten, zie Antennae.

Springbok, horens van den —, II 236.

Springkevers, lichtgevende —, 535, zie Elateridae.

Springstaarten, 537.

Sprinkhaan, een fraai gekleurde — door hagedissen en vogels weggeworpen, 548;
Trek—, 541.

Sproat, de heer, over het uitsterven der wilden op Vancouver’s eiland, 350;
over het uittrekken der haren in het gelaat door de inboorlingen van Vancouver’s eiland, II 340;
over den staart der Motmots, II 373;
over het uittrekken van den baard door de Indianen van Vancouver’s eiland, II 372.

Squilla, verschillende kleuren van de seksen eener soort van —, 524.

Staart, aanwezigheid van een rudimentairen — bij den mensch, 30;
samengerold lichaam aan het uiteinde van den —, 30;
gemis van een — bij den mensch en de hoogere apen, 90, 272;
veranderlijkheid van den — bij soorten van Macacus en bij de bavianen, 92;
aanwezigheid van een — bij de vroegere voorouders van den mensch, 282;
lengte van den — bij fazanten, II 151, 158, 159;
verschil in lengte van den — bij de beide seksen der vogels, II 158.

Staartwervels, aantal — bij een Macacus en bij bavianen, 91;
eerste — der apen in het lichaam gelegen, 92.

Staartbeen, zie Koekoeksbeen.

Stainton, H. T., over de getalsverhouding der seksen hij kleinere nachtvlinders, 489;
gewoonten van Elachista rufocinerea, 490;
over de kleur der nachtvlinders, 584;
over het wegwerpen van Spilosoma menthrasti door kalkoenen;
over de seksen van Agrotis exclamationis, 586.

Staley, Bisschop, over de Sandwich-eilanders, 355.

Stamboom van den mensch, 288.

Stammen, uitgestorven —, 239;
uitsterven van —, 348.

Standbeelden, Grieksche, Egyptische, Assyrische — enz., met elkander vergeleken, II 341.

Stansbury, Kapt., opmerkingen omtrent pelikanen, 186.

Staphylinidae, horenachtige uitsteeksels bij de mannelijke —, 560.

Stark, Dr., over de sterfteverhouding in steden en op het land, 251;
over den invloed van het huwelijk op de sterfte, 252;
over de grootere sterfte van mannen dan vrouwen, 478.

Staudinger, D., lijst van Lepidoptera, [475]489;
over het kweeken van Lepidoptera, 491.

Staunton, Sir G., de afkeer van onwelvoegelijkheid een moderne deugd, 206.

Stebbing, T. R., over de onbehaardheid van het menschelijk lichaam, II 368.

Steden, het verblijf in de — een oorzaak van mindere lichaamsgrootte, 59.

Steekmuggen, dansen der —, 538.

Steenbok, het vallen van den — op zijn horens, II 235;
baard van den —, II 274.

Steenen, door apen gebruikt om harde vruchten te breken, en als werptuigen, 81, 130.

Steenen werktuigen, moeilijkheid van het maken van —, 80;
als sporen van uitgestorven stammen, 348.

Steenhoopen, 345.

Steenkraai, roode bek van den —, II 212.

Stekelbaars, veelwijvig, 449;
vrijage van den mannelijken —, II 2;
schitterende kleur van het mannetje in den rijtijd, II 2;
nestbouw van den —, II 17;
ruwstaartige —, zie Gasterosteus trachurus;
driedoornige —, zie Gasterosteus leiurus.

Stekelhuidigen, zie Echinodermata.

Stekelvarken, stom, behalve in den paartijd, II 266.

Stelen van schitterende voorwerpen door vogels, II 108.

Steltloopers, zie Grallatores.

Stem, bij de zoogdieren, II 265;
— bij de apen en den mensch, II 314;
— van den mensch, II 324;
oorsprong van de — bij luchtademende zoogdieren, II 325.

Stemmatopus, II 270.

Stemorganen, der vogels, 140, II 157;
— der kikvorschen, II 24;
— der Roestvogels, II 52;
verschil in de — bij de seksen van vogels, II 52;
— oorspronkelijk gebruikt in verband met de voortteling der soort, II 382.

Stenobothrus pratorum, sjirporganen van —, 544, 545.

Stephen, Leslie, over het vormen van algemeene begrippen bij honden, 140.

Sterfte, betrekkelijke — van jongens en meisjes, 443, 478;
grooter — in de steden dan op het land, 251;
— van mannelijke kinderen, oorzaken der grootere —, 478.

Sterna, zomer- en winterkleed van —, II 213.

Stieren, twee jonge — die een ouden aanvallen, 184;
wijze van vechten van de —, II 235;
gevechten van wilde —, II 226.

Stilstand in de ontwikkeling, 64.

Stinkdier, stank van het —, II 270;
trekt voordeel van zijn kleur, II 288.

Stokes, Kapt., over de levenswijze van den Grooten Priëelvogel, II 67.

Stokken, als werktuigen en wapenen gebruikt door apen, 130.

Stolicza, Dr., over de kleuren van slangen, II 27.

Stormvogels, kleuren der —, II 214.

Story, Dr., over de Tasmaniërs, 351.

Strandkrab, gewone, zie Carcinos moenas.

Strandkrab, zie Gelasimus.

Strandloopers, zie Tringa.

Strange, de heer, over den Satijnvogel, II 65.

Strepen, bij geheele groepen van vogels bewaard gebleven, II 125;
verdwijning der — bij Zoogdieren, II 292.

Strepsiceros Kuda, horens van —, II 240;
kenmerken van —, II 288.

Stretch, de heer, over de getalsverhouding der seksen bij kuikens, 483.

Strix flammea, II 101.

Strottenhoofd, spieren van het — der zangvogels, II 52.

Struthers, Dr., over het foramen supra-condyloïdeum in het opperarmbeen van den mensch, 28. [476]

Struisvogels, strepen der jonge —, II 176;
seksen en broeien der Afrikaansche —, II 194.

Strijd, wet van den —, 258;
— bij kevers, 561;
— bij vogels, II 39;
— bij zoogdieren, II 225 en v.v.;
— bij den mensch, II 318.

Strijd om het bestaan bij den mensch, 256, 264.

Strijdhaan, zie Haan.

Strijdhanen, vroege strijdlustigheid der —, 471.