Z.
Zablak. Ivan Tzrnoyevitch zeilt naar—, 136; bruiloftsgasten uitgenoodigd door Ivan Tzrnoyevitch, slaan hun tenten op in de vlakte van—, 140; Yovan ziet in een droom, dat het vuur de schoone hoofdstad—verwoest, 140; Milosh zal Maximus’ bruid geleiden naar—, 142—145.
Zadrooga. Servische familievereenigingen —, 20—21.
Zagoryé. Berg waarop Milosh de Herder zich voegt bij den bruiloftsstoet van Tsaar Doushan—, 156.
Zagreb (Agram). Croaten hadden reeds in de elfde eeuw een bisdom gesticht te—21.
Zahoumlye. (Herzegowina). In bezit genomen door Stephen Voïslav —, 10. [412]
Zand. “St. Petrus en het”—, Een Servische volksanecdote, 357.
Zdral. Paard van Ivan Tzrnoyevitch —, 136—141—143.
Zee. De Heiligen verdeelen de schatten der—, 194—196.
“Zelenko” en “Krgno”. De twee beroemde kanonnen van Ivan Tzrnoyevitch—, 141.
Zemlyitch, Styepan. Vergezelt den doge van Venetië, die optreedt als Marko’s koom—, 98—101.
Zeta of Skadar de hoofdstad van het Montenegro van de modernetijden, 120—121.
Zetina. Wateren van—, beroerd door de uitbarsting van Ivan Tzrnoyevitch’ kanonnen—, 141.
Zigeuners. In het Servisch Tziganen 358; “De Edelman en de”—, een Servische Volksanecdote; het stelen en verkoopen van paarden hun voornaamste bezigheid, 358.
Zmay. Het Servische woord voor draak—, 130; de—van Yastrebatz, en de Tsarina Militza, 130.
Zondag. De Veela weigert te helpen bij gevechten op—, 24, 115.
Zonnegod. De heiden offert in Servië aan den—, 53.
Zuidelijke Slaven. In ’t begin schoot het Christelijk geloof niet diep wortel bij de—, 34; het leven van—, doorweven van bijgeloof, 36—57; nationale gebruiken van—, 37—57; beteekenis op fresco’s, het duel voorstellende tusschen Marko en Moussa op de gevels der herbergen in de dorpen der—, 109.
Zwaard. Novak maakt een beroemd —, voor prins Marko, 112.