Overzicht over de regels voor de samenstelling.

213. De grondbeginselen en regels, die wij bij het schrijven van samengestelde woorden in het oog houden, komen derhalve kortelijk hierop neder:

I. In samenstellingen, wier eerste lid een onverbuigbaar woord (indeclinabile, zie § 50, aanm.) is, komen geene verbindingsletters voor, zoomin ten behoeve der Welluidendheid als om eenige andere reden (§ 178). Geen der volgende regels is derhalve daarop toepasselijk. Wij schrijven dus zonder n: medearbeider, medeërfgenaam, medehelper, medehulp.

II. Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden komen niet als eerste lid in samenstellingen voor. Composita als aardenwerk, tarwenbrood, roggenbrood, gerstenpap enz., voor aardewerk, roggebrood enz., bestaan er niet (§ 180), evenmin als berkenboom, eikenboom enz. (§ 181).

Het behoeft nauwelijks aangemerkt te worden, dat verbindingen van een adjectief met het eerste lid eener samenstelling, door het koppelteeken aangeduid, als oude-mannenhuis enz. (§ 158), niet tot de eigenlijke samenstellingen te rekenen zijn, en dus buiten dezen regel vallen. Het adjectief blijft daar op zich zelf als adjectief bestaan; niets verhindert dus om desnoods gouden-horlogemaker, koperen-balansenfabriek, zijden-kousenfabrikant enz. te schrijven, ofschoon zulke verbindingen niet fraai zijn te noemen.

III. De n achter de toonlooze e dient in samenstellingen òf 1º. tot vermijding van den hiatus; òf 2º. achter zelfstandige naamwoorden ter aanduiding van het meervoud; òf 3º. achter bijvoeglijke woorden ter uitdrukking van eenen naamval. De zwakke genitief wordt in samenstellingen niet meer gevoeld: het is dus geene afdoende reden voor het inlasschen eener n, dat zij den enkelvoudigen 2den naamval zou moeten uitdrukken (§ 172 en 185).

IV. Samenstellingen, wier tweede lid met eenen klinker of eene h begint, krijgen achter eene toonlooze e eene n ter vermijding van den hiatus; b.v. ganzenei, hondenhaar (§ 204 en 205).

V. De samenstellingen, wier eerste lid een zelfstandig naamwoord is, zijn vierderlei:

1º het eerste lid brengt noodwendig de voorstelling van een meervoud mede; b.v. in heldenschaar, eikenlaan (§ 188);

2º het eerste lid vertegenwoordigt noodwendig een enkelvoud, b.v. in druivepit, tinnegieter (§ 190);

3º het eerste lid is, te gelijker tijd, voor tweeërlei opvatting vatbaar, kan èn als enkel- èn als meervoudig gedacht worden; b.v. in kurketrekker, mutsebol (§ 191 en 192);

4º het eerste lid kan, bij afwisseling, nu een enkel-, dan een meervoud voorstellen; b.v. in schapevleesch en schapenvleesch (§ 197).

A) Met n achter de toonlooze e worden geschreven

a) al de woorden, bedoeld in nº. 1 (§ 188);

b) van de woorden, bedoeld in nº 3:

α) de samenstellingen, wier eerste lid een één- of tweelettergrepige persoonsnaam is; alsmede de woorden op -in of -inne, -es of -esse, die meerlettergrepig zijn; b.v. boerendochter, heldendaad, vrouwenkleed, koninginnenmantel (§ 193);

β) de samenstellingen, wier eerste lid een manlijke diernaam is, die geene composita met s vormt; b.v. apengezicht, berenklauw (§ 194);

γ) botanische benamingen, wier eerste lid een diernaam is, onverschillig manlijk, vrouwelijk of onzijdig, wanneer de samenstelling geen lichaamsdeel aanduidt, maar op de geheele diersoort ziet; b.v. duivenkervel, slangenkruid (§ 195).

B) Zonder n achter de toonlooze e worden geschreven

a) al de woorden, bedoeld in nº 2, tenzij de n door Regel IV voor de welluidendheid gevorderd wordt (§ 190);

b) van de woorden, bedoeld in nº 3:

α) die, welke het dagelijksch leven en de huishouding betreffen, b.v. pennemes, kurketang (§ 192);

β) namen van boomen, wier eerste lid de naam is eener vrucht of eener bloem, b.v. pereboom, tulpeboom (§ 196).

C) Naar gelang der omstandigheden worden afwisselend zonder of met n geschreven de woorden, bedoeld in nº 4 (§ 197).

VI. Bij samenstellingen, wier eerste lid een bijvoeglijk woord is, komen geene twijfelachtige gevallen voor; de spraakkunst beslist ondubbelzinnig het al of niet aanwezig zijn eener n (§ 198–201). In woorden, wier eerste lid een werkwoord is, wordt nooit eene n ingelascht (§ 202 en 203).

VII. De verbindings-s dient in samenstellingen, wier eerste lid een naamwoord is, òf als teeken van den tweeden naamval van het enkelvoud, òf als teeken van het meervoud (§ 208–211). In de weinige woorden, waarin zij achter een werkwoord voorkomt, staat zij alleen om den wille der welluidendheid (§ 212).

VIII. Eene verbindings-s is alleen twijfelachtig in samengestelde woorden, wier tweede lid begint met eene s, of met eene z, die scherp (als s) wordt uitgesproken (§ 207).

A) Eene twijfelachtige s wordt ingevoegd

a) als teeken van den 2den naamval enkelvoud:

α) in samenstellingen, wier eerste lid een substantief is, dat in niet twijfelachtige gevallen eene s aanneemt; b.v. in dorpsschool, om de analogie van dorpsbestuur, dorpsherberg, dorpsleeraar, dorpsonderwijzer (§ 208);

β) in de samenstellingen met het woord zin, als alleszins, eenigszins enz. (§ 125 en 211);

b) als teeken van het meervoud in samenstellingen, wier eerste lid een persoonsnaam is, die op -ier eindigt, als kanonnierskazerne (§ 209).

B) Eene twijfelachtige s wordt niet ingevoegd in de volgende gevallen:

a) niet in samenstellingen, wier eerste lid een substantief is, dat op -el, -em, -en of -er eindigt, wanneer de s zou moeten dienen om het meervoud te vertegenwoordigen; b.v. niet in burgerstand (§ 209);

b) niet in absolute genitieven, als goedschiks, niet goedsschiks (§ 210);

c) niet achter werkwoorden, b.v. leidstar, niet leidsstar (§ 212).

De spelling der bastaardwoorden.

214. Evenals ieder beschaafd volk bezigen wij een aantal woorden, die niet in den boezem onzer eigene taal ontstaan, maar bij onderscheidene gelegenheden uit andere talen ontleend zijn. Die vreemde woorden vervallen vanzelve in drie klassen: 1) de zoodanige, die geheel Nederlandsch geworden, met het volle burgerrecht begiftigd, als het ware genaturaliseerd zijn; 2) de woorden, die geheel vreemd zijn gebleven; en 3) de woorden, die tusschen deze beide soorten in staan, d.i. de eigenlijk gezegde bastaardwoorden.

215. De eerste klasse bestaat uit dezulke, die, meestal sedert onheuglijke tijden bij ons in gebruik, hun vreemden vorm geheel en al hebben afgelegd, in alle opzichten, in klemtoon zoowel als in klank, aan echte Nederlandsche woorden gelijk zijn geworden, en wier derivata op Nederlandsche wijze gevormd zijn. Deze schijnen geene uitheemsche bestanddeelen, geene vreemde voor- noch achtervoegsels te bevatten, en onderscheiden zich in niets van oorspronkelijke Nederlandsche woorden dan door hunne afkomst en het gemis van Nederlandsche verwanten in opklimmende linie. Tot de zoodanige behoort b.v. kerk, gr. κυριακόν. Dit woord verschilt in vorm niet van berk, merk en werk, het heeft echt Nederlandsche afstammelingen: kerkje, kerksch, kerkelijk, moederkerk, kerkdeur enz., maar κύριος, het grondwoord waarvan κυριακόν gevormd is, ligt buiten het Nederlandsche taalgebied.

Het grootste aantal der tot deze klasse behoorende woorden is eenlettergrepig, als: aas (gewicht), ark, beest, beurs, boei, bres, brief, bul (open brief), dom(kerk), feest, fijn, fraai, gom, graad, inkt, kaap, kaars, kaart, kaas, kalk, kelk, kers, keurs, klaar, klerk, kleur, kluis, koers, koets, koor, koord, korst, kous, krent, kroon, kroot, kruin, kruis, kuur, kwart, lamp, lans, leek, lijn, mijl, munt, nis, paar, paard, paars, part, peer, pen, pers, pijl, pijn, pil, plaats, plein, pleit, pluim, pool, poort, poos, pop, post, preek, prent, proef, prooi, proost, rest, saus, sein, soep, stool, straal, taart, test, tijm, toer, toets, toon, toorts, trein, troef, troon, vlam, vork, wijl (sluier).

Een groot aantal andere is tweelettergrepig met den klemtoon op de eerste syllabe, onverschillig of deze reeds in den oorspronkelijken vorm den klemtoon had of dien eerst in het Nederlandsch gekregen heeft. De tweede lettergreep is dan meestal geheel of nagenoeg toonloos, waardoor zoodanige woorden het voorkomen hebben van Nederlandsche woorden met een achtervoegsel. Hiertoe behooren: bijbel, duivel, engel, fakkel, kamer, kamfer, kanker, karper, keizer, kerker, ketter, kevie, kluister, konkel, koppel, kouter, kussen, lelie, letter, menie, mijter, mode, monnik, mosterd, neger, olie, orde, orgel, pauze, peper, perzik, priester, regel, rente, sekse, sekte, singel, sintel, spiegel, suiker, tafel, tegel, tempel, tichel, tijger, toren, zegen(wensch), zemel enz.

Verplaatsing van den klemtoon is geschied bij deken (decanus), kansel, kelder, kemel, kervel, keten, keuken, kolder, schotel, venster, vijver, zegen (vischnet), zolder en andere. Genoemde woorden komen in vorm overeen met de echt Nederlandsche teugel, hamer, naaister, lomperd, koude, merrie.

Zeldzaam zijn de tweelettergrepige, die, gelijk beschuit, bestel en vernis, het voorkomen hebben van Nederlandsche woorden met praefixen, als bedrog, verval. Andere gelijken weder op andere wijzen naar echt Nederlandsche woorden: zoo hebben bakelaar en kandelaar denzelfden vorm als kakelaar en wandelaar. Weder andere hebben den schijn van composita, als aalmoes, altaar, bisschop, luipaard, meerkat, pelgrim, die uiterlijk niet verschillen van aschschop enz.

216. De tweede klasse bestaat uit woorden, wier uitspraak en accentuatie niet in het geringste veranderd of gewijzigd is, en die juist zoo als in de vreemde taal worden uitgesproken. Hiertoe behooren b.v.: facto, jure, incognito, partim, passim, raptim, totaliter, generaliter, pro, contra, ergo, idem, item, punctum, anno, datum, primo, secundo, medio, ultimo, lustrum, grammatica, logica, physica, centrum, hypotenusa, praesens, praeteritum, participium, banco, bon, bruto, franco, netto, tarra, debet, credit, a costi, whist, spadille, manille, quadrille, basta, ponto, misère, budget, bonbon, bureau, blanc-manger, bougie, cadeau, chapeau, chenille, conservatoire, douche, eau de Cologne, joujou, shawl of châle, savoir-vivre, souper, diner, carte-blanche, vaudeville enz.

217. De derde klasse bestaat uit woorden, die in de uitspraak eene geringere of grootere wijziging hebben ondergaan, welke echter niet voldoende is om hun het uitheemsch voorkomen geheel te ontnemen. Zoodanige woorden zijn door die wijziging gerukt uit de taal, waartoe zij oorspronkelijk behoorden, en zijn in zekeren zin Nederlandsch geworden; doch het overblijfsel van de vreemde uitspraak of van den vreemden vorm verhindert, ze gelijk te stellen met echt Nederlandsche woorden en ze in de eerste klasse te rangschikken. Zij behooren dus eigenlijk eenigermate aan twee talen, waarom men ze niet ongepast bastaardwoorden kan noemen.

Wanneer woorden der tweede klasse op Nederlandsche wijze worden verbogen of een Nederlandsch affix bekomen, al blijft hun vorm voor het overige onaangetast, dan treden zij natuurlijk in de klasse der bastaardwoorden; b.v. bougies, bons, datums, items, paternosters, doctors of doctoren, bònnetje, cadeaus, cadeautjes, itempjes, militairen, militaire macht enz.

218. De veranderingen, die de eigenlijke bastaardwoorden ondergaan hebben, bepalen zich in den regel tot het uiteinde van het woord. Soms wordt de vreemde uitgang geheel weggelaten, b.v. in praefix, lat. praefixum; instinct, lat. instinctum; soms wordt die uitgang slechts gewijzigd, b.v. in linie, lat. linea; olie, lat. oleum; citroen, fr. citron; meloen, fr. melon; consequent, nu eens lat. consequens, dan eens lat. consequenter; syllogisme, gr. συλλογισμός. Het afwerpen of wijzigen van den uitgang heeft niet zelden ook eene wijziging der voorgaande lettergreep ten gevolge: b.v. in titel, lat. titulus; artikel, lat. articulus; vocaal, lat. vocalis; systeem, gr. σύστημα; republiek, fr. république; sigaar, sp. cigarro.—Somtijds echter bepaalt de geheele verandering zich tot de wijziging van de uitspraak der eindlettergreep, zonder dat zulks eene verandering in de spelling teweegbrengt; b.v. in officier, fr. officier.

Bij woorden, uit levende talen ontleend, heeft echter niet zelden ook eene wijziging in het lichaam van het woord plaats; b.v. in grenadier en genie, waarin niet slechts de uitgangen ier en ie anders klinken dan in fr. grenadier en génie, maar ook de g van gre en de e van ge; vermicelli wordt bij ons doorgaans uitgesproken als vermiselli, zelden als in het Italiaansch: vermitsjelli.

219. Dergelijke wijzigingen zijn echter verre van toereikend om in alle gevallen aan een vreemd woord het voorkomen van een echt Nederlandsch te geven. Niet zelden blijft er desniettegenstaande een vreemde klank in over, b.v. in genie, logement, sergeant enz.; zoo ook in artikel, titel, citer, die, om geheel Nederlandsch te kunnen heeten, in artijkel, tijtel en sijter hadden behooren te veranderen, gelijk onder andere met bijbel, mijter, tijger heeft plaats gehad. Zelfs het zoo gebruikelijke cijfer kan niet als volkomen Nederlandsch beschouwd worden, vermits de f van het lat. cifra niet in v is overgegaan, en de uitgang -fer wel achter korte, als b.v. blaffer, keffer, koffer, duffer, maar nooit achter lange klinkers of tweeklanken voorkomt. In dit geval toch treft men alleen -ver aan: b.v. in braver, gever, liever, grover, zuiver, ijver, stijver enz. In de meeste gevallen blijft de accentuatie van het bastaardwoord zijn vreemden oorsprong verraden. Hoogst zelden toch treedt de klemtoon in meerlettergrepige woorden op de eerste syllabe over, waardoor zij, gelijk aalmoes, altaar, kandelaar, olifant, het voorkomen van Nederlandsche composita, of, gelijk ketel, schotel, venster, van Nederlandsche derivata verkrijgen. Blijft de klemtoon op de tweede of derde lettergreep rusten, als b.v. in probléém, publiék, orkáán, diáken, epìstel, convocátie, execútie, dan worden zij terstond als vreemde woorden herkend, te meer daar de klemtoon in meerlettergrepige bastaardwoorden zelden die van echt Nederlandsche in kracht evenaart; vergelijk b.v. evangelie, publicatie, met overmoedig, onderdanig. Ten gevolge van een en ander onderkent men oogenblikkelijk diameter, circulatie, evangelist enz. als vreemde woorden.

220. Ook nog op eene andere wijze openbaart zich niet zelden de vreemde herkomst en natuur der bastaardwoorden, namelijk uit de onmogelijkheid om op Nederlandsche wijze derivata te vormen. Wanneer men het deminutief-suffix uitzondert, dat zelfs achter woorden der tweede klasse kan treden, b.v. in bureautje, assessortje, dan is men doorgaans genoodzaakt van de zoogenaamde bastaardachtervoegsels gebruik te maken. Tiran of tyran b.v. levert niet op: tyransch, tyrannelijk, tyranschap, noch het werkwoord tyrannen, maar tyranniek, tyrannij, tyranniseeren; souverein niet souvereinschap, maar souvereiniteit. Dikwijls komt daarbij de oudere, minder sterk gewijzigde vorm weder te voorschijn; b.v. in apostolisch of apostoliek van apostel; diaconie, diaconaal van diaken; of liever, apostoliek, diaconie, diaconaal zijn niet afgeleid van apostel en diaken, maar zijn de—onafhankelijk van apostel en diaken—overgenomen vreemde woorden apostolicus, diaconia, diaconalis; gelijk systematisch en syntactisch niet in den boezem onzer taal gevormd zijn van systeem en syntaxe, maar van de adjectieven systematicus, syntacticus. Hetzelfde heeft plaats bij titulair, commissaris, commissionnair, die niet van titel en commissie zijn gevormd.

Zelfs woorden, die men anders tot de eerste klasse zou brengen, blijven op deze wijze van hunne vreemde herkomst getuigen; b.v. abt, doordien het niet abdesse, maar abdis, lat. abbatissa, geeft; fout door foutief; klant door klandizie; cirkel door circulatie en circulaire; cel door cellulair; cent zelfs door centesimaal, terwijl het niet één Nederlandsch derivaat heeft.

221. De spelling der woorden, die stellig tot de eerste klasse behooren, levert weinig zwarigheden op. Die woorden worden beschouwd als genaturaliseerd, als geheel verdietscht en met het volle burgerrecht begiftigd. Zij worden daarom nagenoeg algemeen als oorspronkelijke Nederlandsche woorden geschreven. Niemand spelt thans meer caars, caart, cleur, clooster, coster, coucen, cruis, groupe, persic, punct, train, troupe, enz. De Redactie meent overeenkomstig dit gebruik als beginsel te moeten aannemen, dat de Nederlandsche spelling in al die woorden behoort gevolgd te worden, ook in die, waaromtrent de gevoelens min of meer verdeeld zijn. Zij schrijft derhalve sieren en singel met eene s, en troon zonder h, ofschoon sommigen nog aan cieren, cieraad, cingel en throon de voorkeur geven. Deze woorden toch worden geheel als Nederlandsche behandeld en verbogen, treden met echt Nederlandsche in compositie en vormen derivata op Nederlandsche wijze: opsieren, versieren, sierplant, sieraden, sieradiën (gelijk kleinoodiën, dat echt Nederlandsch is); omsingelen; onttronen, hemeltroon, troonopvolger, enz.

222. De woorden cedel (blijkens den ouderen vorm cedul het Fransche cédule, en niet naar het lat. schedula gevormd), ceder, lat. cedrus, en cijns, lat. census, geven bedenking, of zij al of niet tot de eerste klasse moeten gebracht worden. Zij zijn volkomen Nederlandsch van klank en hebben geene vreemd klinkende derivaten. Cedel wordt zelfs saamgetrokken tot ceêl, en helpt gedenkcedel, huurceêl, ceêlmaker enz. vormen; ceder komt voor in cederachtig, cederboom, cederhout, cijns in cijnsbaar, cijnsplichtig; alleen de c verraadt de vreemde herkomst. Volgens de Analogie behooren die woorden derhalve tot de eerste klasse en zou de c door de s moeten worden vervangen. Hier staat echter tegenover, dat zij steeds zonder uitzondering met c geschreven en daarom ook alleen onder dien vorm bekend zijn; dat zelfs het zoo gewone ceêl altijd zijne c behouden heeft; dat de cederboomen en het cederhout te weinig populair zijn om onder de veranderde vormen seder, sederen, sederhout terstond herkend te worden; en dat cijns weinig meer wordt gebruikt, maar een historisch woord is geworden, dat dus een vasten vorm heeft aangenomen. Wanneer wij dat alles bedenken, achten wij het niet raadzaam in strijd met het heerschende gebruik eene spelling te veranderen, waaromtrent nooit verschil van gevoelen heeft bestaan, om eene andere aan te nemen, die door velen niet terstond begrepen zou worden. Wij beschouwen daarom de genoemde woorden als bastaardwoorden, die door hunne spelling van hun vreemden oorsprong getuigenis geven, en blijven schrijven: cedel (ceêl), ceder, cijns.

223. De spelling van de woorden der tweede klasse levert in het geheel geene bedenkingen op. Het ligt in den aard der zaak, dat vreemde woorden, die in de uitspraak geenerlei wijziging hebben ondergaan, hunne oorspronkelijke spelling, de zichtbare voorstelling hunner uitspraak, onveranderd behooren te behouden.

224. Veel grooter zijn de bezwaren, verbonden aan het bepalen van de spelling der woorden, die de derde klasse uitmaken. Daaromtrent toch zijn de gevoelens zoo verdeeld, dat men bezwaarlijk volkomene overeenstemming tusschen twee schrijvers ontdekken zal. Wanneer men echter niet in bijzonderheden treedt, dan kan men in het zoozeer verschillend gebruik twee hoofdrichtingen onderscheiden, die, van twee tegenovergestelde uitersten uitgaande, nagenoeg lijnrecht tegen elkander inloopen. Men kan ze gevoeglijk de oudere en de nieuwere richting noemen.

225. De oudere dagteekent van 1804, en heeft zich tot beginsel gesteld, dat de bastaardwoorden over het algemeen hunne oorspronkelijke spelling behooren te behouden. Zij wil alleen de uitgangen overeenkomstig het Nederlandsche spraakgebruik gewijzigd hebben, en maakt geene uitzonderingen dan alleen ten opzichte van die woorden, welke, onder alle standen der maatschappij in gebruik, door allen op Nederlandsche wijze geschreven worden. Deze richting laat derhalve verschillende vreemde schrijfwijzen te midden van de inheemsche bestaan, onderstelt in den lezer de kennis der vreemde spelling en uitspraak, en duldt vele uitzonderingen; doch deze zijn geene noodwendige uitvloeisels van het aangenomen beginsel, maar worden alle door buitenliggende omstandigheden veroorzaakt.

226. De nieuwere richting, nagenoeg veertig jaren jonger, heeft zich ten doel gesteld de spelling der vreemde woonden zoodanig in te richten, dat de Nederlander de kennis der vreemde taal voor de juiste uitspraak ontberen kan. Zij gaat kennelijk uit van de onderstelling, dat men alleen dan recht heeft een vreemd woord te bezigen, wanneer het geschikt is om zóó geschreven te worden, dat de lezende Nederlander, toegerust met de kennis van de spelling en uitspraak zijner eigene taal, aan de doode letter de levende uitspraak kan teruggeven en zich de beteekenis herinneren.

Ook deze richting heeft hare uitzonderingen, vermits wij een aantal vreemde woorden bezigen, wier klank niet kan worden afgebeeld, indien men onze letters uitsluitend op Nederlandsche wijze wil uitspreken, terwijl een aantal andere in Nederlandsch gewaad gestoken volstrekt onherkenbaar zouden zijn. Deze uitzonderingen vloeien uit het aangenomen beginsel zelf voort, hetwelk dus niet vol te houden is; daarentegen worden de uitzonderingen op de oudere richting regelmatige toepassingen van het hier aangenomen beginsel.

227. Beide richtingen hebben hare voor- en nadeelen, die de Redactie, genoodzaakt eene keus te doen, onderling heeft te vergelijken en aan de algemeene spellingbeginselen, in de Eerste Afdeeling ontvouwd, te toetsen.

228. De oudere richting beveelt zich door de volgende voordeelen aan:

1) De spelling der vreemde woorden en bastaardwoorden behoeft niet gezocht en eerst door nieuwe, afzonderlijke regels bepaald te worden. Zij is gegeven: wat het hoofddeel der woorden aangaat, door de vreemde spelling; wat de uitgangen betreft, door de gewone Nederlandsche spelregels.

2) De spelling stelt uit haren aard de ware uitspraak getrouw voor. Men kent deze òf onmiddellijk door het beoefenen der vreemde taal, waaruit het woord ontleend is, òf bij overlevering van anderen die haar kennen. De vreemde taal en de vreemde spelling zijn en blijven dus altijd de kenbronnen der uitspraak. De vreemde spelling stelt natuurlijk steeds de juiste uitspraak voor, hetgeen de Nederlandsche in vele gevallen slechts zeer gebrekkig kan doen; de ware uitspraak van sherry, chocolade, machine, genie, ingenieur, sergeant, patrouilleeren, compagnon, wordt slechts onjuist en eenigszins plomp door sjerrie, sjokolade, masjine, zjenie, inzjenieur, serzjant, patroeljeeren, kompanjon of kompanion afgebeeld. Zelfs onze oe schijnt te lang en te zwaar voor de Fransche ou, in gouverneur en souverein.

3) De oorspronkelijke spelling blijft wijzen op de etymologie der woorden. Zij verscheurt den band niet, die het woord verbindt met zijne verwanten in de oorspronkelijke taal, waarin het is ontstaan en zijne beteekenis heeft gekregen, en waarin het eigenlijk leeft. Zij behoudt dus al de voordeelen, die eene verwijzing op de etymologie kan opleveren voor allen, die de vreemde taal verstaan; en dezen maken de meerderheid uit dergenen, die zich het meest van vreemde woorden en bastaardwoorden bedienen.

4) Die richting brengt uit zich zelve geene uitzonderingen mede; de bestaande zijn gevolgen van het Gebruik, van oorzaken buiten het stelsel zelf gelegen. Zij kan dus met het volste recht gezegd worden van een beginsel uit te gaan, dat, op zich zelf genomen, consequent zou kunnen toegepast worden.

229. De voordeelen aan de nieuwere richting, aan het spellen op meer Nederlandsche wijze, verbonden, zijn de volgende:

1) Daardoor wordt het uitspreken en spellen van een aantal woorden voor den minkundige, die de vreemde taal niet kent, gemakkelijk gemaakt. Althans de meeste woorden uit de doode talen, uit het Grieksch en Latijn, ontleend, kunnen door de Nederlandsche spelling zóó worden voorgesteld, als de Nederlander gewoon is ze uit te spreken.

2) Daardoor wordt in vele gevallen het contrast opgeheven tusschen de Nederlandsche en de vreemde spelling, die niet zelden in hetzelfde woord vereenigd aangetroffen worden: een contrast, dat op zich zelf geen nut heeft, en dus tegen den goeden smaak schijnt aan te druischen, dewijl het de eenheid en regelmatigheid verbreekt.

3) Wanneer vreemde woorden op Nederlandsche wijze worden geschreven, bekomen zij een meer Nederlandsch voorkomen en worden eenigermate in de taal ingelijfd.

4) De uitzonderingen op de toepassing van het beginsel der oudere richting vallen dan in den regel, houden op uitzonderingen te zijn. Daardoor is de nieuwere richting ontslagen van de moeilijke taak om naar de redenen te zoeken welke die uitzonderingen wettigen, en den regel te bepalen waarvan zij afhangen.

230. Wanneer de Redactie de voordeelen der beide richtingen vergelijkt en aan de beginselen eener gezonde orthographie toetst, dan kan zij niet aarzelen aan de oudere de voorkeur te geven; vooral wanneer zij bedenkt, dat alles, wat voor deze richting pleit, een bezwaar tegen de andere uitmaakt. De oudere toch is in overeenstemming met de beide groote spellingbeginselen, die in onze taal meer dan in eenige andere worden gehuldigd en op prijs gesteld: juiste voorstelling der uitspraak en verwijzing op de etymologie en de verwante woorden. De nieuwere verloochent het laatste als het ware uit principe, en is niet in staat aan het eerste te voldoen. Daar een aantal klanken in de vreemde woorden, uit levende talen genomen, niet dan plomp en onvolkomen op Nederlandsche wijze kunnen voorgesteld worden, is het nieuwere stelsel van nature en reeds a priori gebrekkig, brengt het een aantal gebreken met zich, die het in vele gevallen buiten staat stellen het beoogde doel te bereiken. Daar de spelling op Nederlandsche wijze uit haren aard de verwijzing op de etymologie verwaarloost, versmaadt zij roekeloos een krachtig hulpmiddel ter bevordering der duidelijkheid; terwijl zij omgekeerd den minkundige bij het eene of andere bastaardwoord niet zelden geheel ten onrechte aan eene verwantschap met Nederlandsche woorden doet denken, waardoor het rechte verstand van het woord voor hem belemmerd wordt. Het woord compascuum b.v. is zeker voor den onkundige onverstaanbaar; de latinist echter begrijpt het terstond; doch deze zal zich wel eenige oogenblikken moeten bezinnen, wanneer hij kompaskuüm geschreven vindt. De onkundige begrijpt het woord onder deze spelling evenmin, maar maakt zich nu een geheel verkeerd, duister begrip, dewijl hij natuurlijk aan iets denkt, dat op een kompas betrekking heeft. Zal dit vooroordeel hem niet in den weg staan, als hij uit het verband van den zin de beteekenis van het hem onbekende vreemde woord tracht op te maken? Zal het hem bij diftong, vokaal, instinkt, dialekt, longroem (eng. longroom) enz. beter gaan?

De nieuwere richting berooft zich zelve ook van het voordeel, om gelijkluidende of schijnbaar gelijkluidende woorden door de spelling te onderscheiden, b.v. korporaal en corporaal (altaardoek), dokter en doctor, kanòn en cánon, enz.

231. De oudere richting vindt hare spelling zoogoed als gegeven: de nieuwere moet de hare nog vaststellen en kan daarbij dikwijls niet anders dan willekeurig te werk gaan. De schrijvers, die der laatste toegedaan zijn, handelen dan ook geenszins eenparig; men vindt geschreven: kompanjon, kompagnon en kompanion; konzekwent, konsekwent en konsequent; kurzief en kursief, enz. Hoe moet het zijn? Wie en wat zal hier beslissen? Van de oplossing van deze en dergelijke vragen is de oudere richting ontslagen; zij weet, dat het Fransch en Latijn de schrijfwijzen: compagnon, consequent, consonant, cursief enz. vorderen.

232. De voordeelen der nieuwere richting zijn meer denkbeeldig dan wezenlijk. Het eerstgenoemde punt blijkt, bij eene nadere beschouwing, veeleer op last dan op gemak uit te loopen. Zij, ten wier behoeve de meer Nederlandsche spelling zou moeten strekken, worden er niet door gebaat; voor de anderen, die er geene behoefte aan hebben, is zij een groot bezwaar. Kon en wilde men alle vreemde woorden volgens de gewone regels der Nederlandsche spelling behandelen, dan zou zulks zeker in zooverre verkieslijk zijn, dat de kennis der vreemde talen kon ontbeerd worden. Wij hebben echter boven gezien, dat er een aantal gevallen bestaan, waarin de uitspraak niet door Nederlandsche letters kan voorgesteld worden. Doch, wat meer zegt, zelfs de sterkste voorstanders der nieuwere richting zijn niet gezind de Nederlandsche spelregels geheel en al toe te passen, zelfs niet in vele gevallen, waarin dit zeer goed mogelijk zou zijn. En te recht, want vele woorden zouden dan een al te vreemd en zonderling voorkomen krijgen. Niemand heeft nog willen schrijven: tema, tee, teorie, ekzamineeren, eksekuutsie, suksessie, okkazie, publiseeren, publikaatsie, konsiënsie, inkwizietsie, sistema, higrometer, sienisch (voor cynisch), scheptisch (voor sceptisch), tietel, artiekel, viziete, sieter (voor citer), kado, buro, odekolonje, soepjee (voor souspied) enz., ofschoon die schrijfwijzen door onze spelregels zouden gevorderd worden en de vreemde uitspraak vrij goed vertegenwoordigen. De geheele vervorming, die men verlangt, komt hoofdzakelijk hierop neder, dat men de ph door f; de c, als zij den keelklank heeft, door k; en de s, wanneer zij zacht luidt, door z wil vervangen hebben; b.v. in filozoof, fyzika, konzonant enz. Over de vervanging van qu en de Fransche ou door kw en oe blijken de gevoelens verdeeld te zijn; en slechts zeer enkelen schrijven -nion en -nie in de plaats van -gnon en -gnie. Daarentegen wil men over het algemeen de th en y in Grieksche woorden; de x; de enkele i, ook ter voorstelling van den i-klank in lettergrepen met den vollen klemtoon; en de c ter aanduiding van den sisklank behouden hebben, op grond, dat genoemde letters evengoed als de t, i, ks en s tot het Nederlandsche alphabet behooren. Die gewenschte vervorming blijft dus in elk geval zeer beperkt, laat in een aantal woorden den vreemden vorm bestaan, en handelt bovendien inconsequent. De th is immers evenzeer vreemd als de ph. Men zegge toch niet: »de th is eene Nederlandsche letter, gelijk blijkt uit thans en althans, terwijl de ph in geen enkel Nederlandsch woord voorkomt”. Men bedriegt zich dan ten opzichte der eerstgenoemde. In de geheel exceptioneele woorden thans en althans, uit te hande en al te hande, heeft men de gewone t van te en de stom geworden h van hand, terwijl de th in theorie en de ph in physica beide vertegenwoordigers zijn van de enkelvoudige Grieksche letters θ en φ. Beide staan dus op ééne lijn; de th is niet meer Nederlandsch dan de ph.—Indien de c werkelijk evenzeer Nederlandsch is als de k en s, dan bestaat er ook geene reden om haar te weren uit woorden als consonant en logica, waar zij als k luidt. Stelt men het omgekeerde, beschouwt men haar als vreemd, dan moet zij ook als sisklank verworpen worden uit koncert en citroen; en wil men haar slechts éénen klank, dien van s, toestaan, dan zou men ook akcent, akces, akcident, sukces moeten schrijven, wat te recht niemand verlangt.

Bij die gedeeltelijke vervorming blijft steeds eenige kennis van vreemde talen noodzakelijk. De minkundige zal altijd moeten weten, dat artikel, titel, visite en machine uit den vreemde zijn overgenomen; dat in het Grieksch thermometer met θ, hypotenusa met τ, synode met υ en citer met ι geschreven wordt, wil hij geen gevaar loopen artiekel, tietel, viziete, masjiene, termometer, hipothenuza, sinode, sieter te spellen.

233. Uit het aangevoerde blijkt duidelijk genoeg, dat het der nieuwere richting aan een consequent toepasbaar beginsel ontbreekt, en dat de onkundige er volstrekt niet door geholpen wordt. Doch, wat erger is, zij noodzaakt de Nederlandsche grammatica een aantal ingewikkelde spelregels te ontwerpen, die het verschillend gebruik van de Nederlandsche letters c en s, i, ie en y, th en t, qu en kw bepalen. Deze zou rekenschap moeten geven, waarom zij nu eens c, dan s; nu i, dan ie of y; nu th of qu, dan t of kw wilde geschreven hebben. Die regels zouden dan ten laatste toch wijzen op het verschil in den oorsprong der woorden, op het onderscheid tusschen in- en uitheemsch, en alle zouden eenige kennis der vreemde talen onderstellen. De spelling kategorie, ethika, filozofie en fyzika vereischt evenzeer bekendheid met het Grieksche taaleigen, of het zoeken in een woordenboek, als die van categorie, ethica, philosophie en physica.

Het schijnbare gemak blijkt dus inderdaad een last te zijn. De minkundigen, die zich bijna niet bedienen van vreemde woorden, welker spelling niet geheel inheemsch is geworden, zijn er niet mede gebaat; terwijl zij, die het meest van vreemde woorden gebruik maken en veelal de oorspronkelijke spelling kennen, nu noodeloos bezwaard worden met het aanleeren van regels ter bepaling, hoe en in welke gevallen de vreemde spelling moet gewijzigd worden.

234. Het tweede der bovengenoemde voordeelen verplaatst ons op het gebied der Aesthetica. Aan hare eischen zou inderdaad meer voldaan worden, indien het contrast tusschen de inheemsche en de verschillende vreemde spellingen kon worden opgeheven, omdat die tegenstellingen volstrekt geen nut hebben, niet dienen om de verschillende schrijfwijzen wederzijds op te helderen of fraaier te doen uitkomen. Daar echter de vreemde spelling niet kan worden geweerd uit al die woorden, waarin vreemde klanken voorkomen, welke niet door het Nederlandsche letterschrift kunnen vertegenwoordigd worden, is het middel niet toereikend om de kwaal te genezen; wèl beschouwd, verergert het haar veeleer. Immers nu ontstaat tusschen de in- en uitheemsche spelling eene derde, eene bastaardspelling, b.v. in koncert, koncentrisch, konzequent. Doch, wat meer zegt, er wordt zoodoende een nieuw contrast geschapen tusschen de natuur en den vorm van het woord, dat zeker niet schoon is, en juist aan diegenen den grootsten aanstoot geeft, die zich het meest van vreemde woorden bedienen. Over den smaak valt wel is waar weinig te twisten, maar de Aesthetica leert toch grondstellingen, die door allen gereedelijk aangenomen worden. Het is boven allen twijfel verheven, dat waarheid, d.i. hier overeenstemming tusschen uiterlijk en innerlijk, eene noodwendige voorwaarde voor het schoone is. Eene kerk in den vorm van een woonhuis, en een woonhuis in den vorm eener kerk, kùnnen niet schoon zijn. Alleen wansmaak kon behagen scheppen in melkkannen, die apen, of in palmboomen, die zwanen of pauwen voorstelden; en een reukfleschje in den vorm van een beeldje, al is dit ook nog zoo fraai gevormd, is leelijk in het oog van ieder, die slechts een weinig over het wezen der schoonheid heeft nagedacht. Evenzeer strijdig met den goeden smaak is het spellen op Nederlandsche wijze van woorden, die door hun klank en vorm beide protesteeren tegen het kleed, dat men hun heeft aangetrokken en dat hun niet past, omdat het niet voor hen gemaakt is. Er ligt, wèl beschouwd, iets plomps in de spelling koncert of konsert, filozoof, fyzikus, konsequent of konzekwent, ekwipaadje, kwantiteit, enz., hetwelk den beschaafde en geletterde ergert, zoolang zijn oog niet aan het zien van zulke smakelooze schrijfwijzen gewend is. Dit is dan ook wel eene der voornaamste redenen, waarom dit stelsel nooit meer dan enkele voorstanders gevonden heeft.

235. Ook het derde der gewaande voordeelen komt bij eenig nadenken op zeer weinig uit. Welk nut kan er gelegen zijn in het geven van een meer Nederlandsch voorkomen aan een vreemd woord, hetwelk zijne afkomst blijft verraden? Wanneer klank en samenstelling uitheemsch zijn, kan de spelling daaraan niets veranderen. De Latijnsche praefixen prae- en con- of com- worden geene Nederlandsche voorvoegsels, wanneer men prepozitie, preseptor, konditie, kompozitie met e en k schrijft. Apoteoze, analieze, fizionomie, mizantroop, zofema, ekwipaadje, epolet, cadó, plató enz., zijn bedorven en nauwlijks verstaanbaar Grieksch en Fransch, maar geen grein meer Nederlandsch dan apotheose, analyse, physionomie, misanthroop, sophema, equipage, epaulet, cadeau, plateau enz.

De eenige beteekenis, die men aan die inheemsche inkleeding hechten kan, bestaat hierin, dat zij een blijk is, dat het woord veel door Nederlanders wordt gebruikt. Doch welk nut is in dat vertoon gelegen? Zal de schrijver er door willen te kennen geven, dat hij zich gerechtigd acht het woord te bezigen? Wil hij daarmede den lezer het paspoort laten zien, opdat deze den bastaard ongehinderd late voorbijgaan? Aangenomen, dat dit eenig practisch nut had, wie zal dan nog bepalen, of een woord lang en algemeen genoeg in gebruik is geweest om dat gedeeltelijke burgerrecht deelachtig te worden? Wat zal bij de beoordeeling de maatstaf zijn? Uiterlijke kenteekenen ontbreken hier. Geheel vreemde woorden, die volstrekt geene verandering ondergaan hebben en die niemand zou willen verdietschen, vereenigen zich in samenstelling met echt Nederlandsche, als in successierechten, epauletknoop, verjaarcadeau enz., en nemen zelfs Nederlandsche voor- en achtervoegsels aan, b.v. onsystematisch, cadeautje, geanalyseerd, enz. Compositie en derivatie met Nederlandsche woorden en affixen rechtigen derhalve niet tot eene geheel Nederlandsche spelling.

236. Het geven van een Nederlandsch voorkomen aan vreemde woorden is eene mystificatie, die, niet slechts uit een theoretisch maar ook uit een practisch oogpunt bezien, te veroordeelen is en blijft. Het spreekt wel vanzelf, dat de grammatica, die de natuur zoowel als het gebruik der woorden wil kennen, theoretisch eene spelling moet afkeuren, die de afkomst en niet zelden ook de beteekenis der woorden verduistert. Maar ook van het practisch standpunt beschouwd, verdient de vreemde spelling de voorkeur. Deze waarschuwt den minkundige, dat hij geene pogingen behoeft aan te wenden om het vreemd gespelde woord uit zijne moedertaal te verklaren, en snijdt tevens zooveel mogelijk alle zinspeling op minder kiesche zaken af, die soms door eene veranderde schrijfwijze wordt uitgelokt, en waartoe onze mindere stand wel eenigszins geneigd is.

237. Eindelijk het voordeel, daarin gelegen, dat de uitzonderingen op de oudere richting in de nieuwere regelmatigheden zijn, wordt theoretisch en practisch meer dan opgewogen door de uitzonderingen op de laatstgenoemde. Immers de eerste hebben haar bestaan alleen te danken aan het Gebruik, maar vloeien niet uit het aangenomen beginsel zelf voort. De nieuwere richting daarentegen is met talrijke uitzonderingen geboren; en deze noodwendige worden nog grootelijks vermeerderd door het aantal gevallen, waarin men het beginsel zou kunnen toepassen, maar niet toepassen wil, om de al te zonderlinge en onverstaanbare vormen, die eene volstrekte consequentie zou opleveren.

238. Wanneer men dit alles wèl overweegt, kan men bij de keuze tusschen de twee richtingen niet verlegen staan. Ongetwijfeld moet men die spelling verkiezen, die als het ware gegeven is en in gereedheid ligt, en die getrouw blijft aan de twee groote spellingbeginselen, welke het Nederlandsch bij het schrijven zijner eigene woorden huldigt, boven de andere, welke die beginselen, deels uit noodzaak, deels uit principe, verzaakt, de uitspraak niet zelden onjuist afbeeldt, de etymologie verloochent, en strijdig is met den goeden smaak: eene spelling, die niet is gegeven, maar volgens willekeurig aan te nemen beginselen nog moet worden bepaald en vastgesteld, en die daarbij uit zich zelve genoodzaakt is een aantal uitzonderingen toe te laten.

239. De Redactie ziet echter geenszins de groote bezwaren voorbij, die ook op den weg der oudere richting gelegen zijn. Deze is wel niet uit zich zelve genoodzaakt uitzonderingen te maken, maar wordt door het Gebruik gedwongen er een aantal te erkennen. Immers, het zou eene vruchtelooze poging zijn, indien men in woorden als kwartier, kapitaal, kazerne, kompas en dergelijke de oorspronkelijke spelling trachtte te herstellen. Intusschen is het nog niemand gelukt de grenslijn te trekken, waar de vreemde spelling ophoudt en de Nederlandsche begint. Bij eenig nadenken wordt het dan ook duidelijk, dat die grens uit den aard der zaak niet te trekken is; of, om duidelijker te spreken, er zijn een aantal vreemde woorden in gebruik, waarvan het ondoenlijk is, op redelijke gronden en in consequente overeenstemming met andere dergelijke, te bepalen aan welke zijde der linie zij zich bevinden. Men wordt van de waarheid hiervan overtuigd, wanneer men bedenkt, dat er woorden zijn, die, niet slechts door verschillende personen, maar zelfs door een en denzelfden persoon, naar gelang der omstandigheden, verschillend worden uitgesproken. Hoe zou er in de spelling vastheid en gelijkmatigheid kunnen bestaan, waar de uitspraak wankel en veranderlijk is? Een paar voorbeelden zullen toereikend zijn, om den lezer verscheidene andere te herinneren. Een beschaafd man zal in gezelschap spreken van keurig geslepene karaffen; maar als hij een glas water verlangt, zegt hij zonder bezwaar tot den knecht: geef mij de kraf eens aan! Hij zal u op de sociëteit vragen: hebt gij dat bericht in de courant gelezen? en als gij ontkennend antwoordt, roept hij terstond om de krant. In een wetenschappelijk congres spreekt men over de beste wijze om cichorei te telen, maar in een winkel bestelt men suikerij.

Doch vooral bestaat zulk een verschil in de uitspraak derzelfde woorden bij lieden van verschillende beschaving. Een vischwijf, met haars gelijke in krakeel, zal deze een kanalje, een karonje, en hare woning een kavalje schelden; de trotsche aristocraat ziet met minachting neder op het canaille en rapaille. De brouwersknecht kent gijl, de verver konzenielje; de wetenschappelijke man spreekt van chijl en cochenille; en zoo wisselt de uitspraak der vreemde woorden telkens af, al naarmate de beschaving van den spreker of de eisch der omstandigheden medebrengt.

240. Wanneer de uitspraak van dezelfde woorden van allerlei omstandigheden en inzonderheid van den smaak, niet van de woorden zelve afhangt, moet de spelling uit haren aard nog veel onzekerder zijn, en zal de een aan de oorspronkelijke, de ander aan eene meer Nederlandsche de voorkeur geven, zonder altijd redenen voor zijne schrijfwijze te kunnen aanvoeren. De Redactie, van wie wel niet het onmogelijke kan gevergd worden, erkent dan ook gaarne, dat zij buiten machte is vaste regels te stellen, die in ieder geval kunnen voldoen. Zij acht hare taak vervuld, wanneer zij het grondbeginsel, waarvan zij uitgaat, zoo nauwkeurig mogelijk omschrijft, en in het algemeen de richting bepaalt, die zij bij de uitzonderingen meent te moeten volgen.

Na rijpe overweging, acht zij het grondbeginsel aldus te moeten formuleeren:

241. Bastaardwoorden, ontleend uit talen, die het Latijnsche [d.i. hier hetzelfde als het Nederlandsche 10] letterschrift bezigen, worden op de oorspronkelijke wijze geschreven, voor zooverre hunne uitspraak onveranderd is gebleven. Waar deze echter gewijzigd is, en de oorspronkelijke spelling tot eene ongewone uitspraak aanleiding geven zou, wordt de spelling in zooverre op Nederlandsche wijze veranderd.

De wijziging der uitspraak heeft plaats 1) aan het einde der woorden, 2) in het lichaam van het woord.

242. 1) De wijziging aan het einde der woorden heeft meestal haren oorsprong te danken aan de noodzakelijkheid om de woorden op Nederlandsche wijze te verbuigen. Zij bestaat doorgaans in het afkappen der laatste lettergreep, ten gevolge waarvan dikwijls eene wijziging in de spelling der voorlaatste noodzakelijk wordt. Zoo is b.v. praefix het Lat. praefixum, evangelist het Lat. evangelista, publicist het Fransche publiciste, trompet het Fransche trompette. Daar de klinker in de voorlaatste lettergreep der genoemde vreemde woorden geene verandering in de uitspraak ondergaat, blijven praefix, evangelist, publicist en trompet voor het overige onveranderd. Anders is het, wanneer advocatus, particula, problema en publique de laatste syllabe verliezen; de a en e moeten alsdan in advocaat en probleem noodwendig verdubbeld worden; de u van particula gaat in de toonlooze e over, en dit maakt weder de verandering van c in k noodzakelijk, waardoor de vorm partikel ontstaat; de uitgang -ique moet, na afwerping zijner e, bij ons -iek worden: publiek.

In sommige woorden schijnt de verbastering van den uitgang niet op deze wijze verklaard te kunnen worden. Zoo laat de vorm sociëteit zich schijnbaar evenmin van lat. societas als van fr. société afleiden. In zulke gevallen moet men niet uit het oog verliezen, dat Latijnsche woorden niet altijd in den nominatiefvorm zijn overgenomen, maar dat dikwijls een verbogen naamval ten grondslag ligt. Dit heeft plaats bij sociëteit, majesteit, sextant enz., lat. societassocietatis, majestasmajestatis, sextanssextantis, enz.; vanhier de t in deze en dergelijke woorden. Ook de meervouden tangenten, secanten, van tangens en secans, zijn op die wijze te verklaren.

Niet altijd echter is de laatste lettergreep van het vreemde woord afgeknot; dikwijls is alleen de uitspraak veranderd. Zoo zijn b.v. palais, laquai, souverain, livrée, général, profit, in paleis, lakei, souverein, livrei, generaal, profijt enz. overgegaan.

Door deze en dergelijke veranderingen zijn de bekende bastaarduitgangen -aal, -aan, -aat, -ant, -eel, -eeren, -eet, -ent, -et, -ief, -iek, -iel, -iet, -ijn, -ijt, -oen, -oor, -uut en andere ontstaan, die geheel op Nederlandsche wijze behandeld worden. Alleen de uitgangen -air en -oir der Fransche adjectieven behouden hunne vreemde ai en oi, b.v. in militair, stationnair, transitoir, executoir enz.

Ter voorkoming van misverstand zij aangemerkt, dat hier gesproken wordt van uitgangen in het algemeen, d.i. van klanken waarop woorden uitgaan, en niet van achtervoegsels (suffixen), d.i. bepaalde uitgangen, die achter bestaande woorden gevoegd worden om nieuwe woorden te vormen. Niet al de genoemde uitgangen zijn achtervoegsels, of zijn het altijd. Zoo zijn -aat en -iet suffixen in optimaat en Israëliet, maar niet in praecipitaat en chrysoliet. Een achtervoegsel -eet bestaat niet, evenmin als -noom, -anthroop of -troop achtervoegsels zijn; vergelijk de aanmerking op § 77.

243. Het bastaardachtervoegsel -aadje vereischt eene afzonderlijke overweging. Het is uit het Fransch ontleend ten tijde dat -age (Ital. -aggio, Lat. -aticum: zie Diez, Gramm. der Roman. Sprachen, 2de uitg., D. II, bl. 288 vlg.) in die taal nog, op Italiaansche wijze, als aadzje luidde. Die uitspraak heerschte toen ook bij ons, maar kon slechts gebrekkig in Nederlandsch schrift worden uitgedrukt; vandaar de verschillende schrijfwijzen: pelgrimaedse, pelgrimagie, pelgrimaedje. Thans, nu wij in dat en alle dergelijke woorden, evenmin als de Franschen, eene d laten hooren, is de spelling pelgrimaadje, stellaadje enz. buiten alle verhouding met de uitspraak geraakt, terwijl zij soms aanleiding geeft, dat zoodanige woorden geheel letterlijk overeenkomstig hun vorm worden uitgesproken. Daar de uitspraak g als zj toch plaats vindt in de Nederlandsche woorden genie, logement, gage, gelei, horloge enz., en dus bij ons niet onbekend is, en iedereen ook gewoon is college, manege, engagement, menage, courage, courtage te schrijven, bestaat er inderdaad geene overwegende reden, om de zonderlinge spelling -aadje te behouden. Wij aarzelen daarom niet eene schrijfwijze te laten varen, die eene geheel verouderde uitspraak tot grondslag heeft, maar met de hedendaagsche in strijd is, sinds lang velen tot aanstoot en ergernis heeft gestrekt, en nooit consequent is toegepast. Wij meenen derhalve te moeten schrijven: bagage, lekkage, pelgrimage, slijtage, stellage, stoffage, tuigage enz.; en evenzoo: page. Zóó vervalt ook vanzelf de ongelijkheid in de spelling van passaadje en passagier enz.

244. 2) Veranderingen in het lichaam der woorden, ter voorkoming eener ongewone uitspraak, hebben bijna uitsluitend in Fransche woorden plaats. Zij bestaan voornamelijk in het weglaten der accenten, b.v. in genie, ingenieur, fr. génie, ingénieur, waarin de Fransche é voor de toonlooze e heeft plaats gemaakt. Zoo is ook de uitspraak der Fransche g in garnison, guitare, guide voor de gewone Nederlandsche geweken. Daarom laat men de u in gitaar enz. weg.

Om gelijke reden schrijft men pleizier of plezier voor plaisíer, en seizoen voor saisoen, dewijl de ai, op Fransche wijze uitgesproken, in deze woorden niet meer in gebruik is.

245. Eene bijzondere aanmerking moet gemaakt worden betreffende de woorden, die uit het Grieksch ontleend zijn. Deze namelijk worden wel in de oorspronkelijke taal met een ander letterschrift geschreven, doch dit is voor ons geheel onverschillig, omdat de meeste dier woorden door het kanaal van het Latijn tot onze kennis zijn gekomen en, dienovereenkomstig, op Latijnsche wijze uitgesproken en gespeld worden. Wij zeggen niet: hupoteinoeza, sustema, fuzikè, euangelion, oikonomia, Makedonia, Kimoon, Platoon, Thrazuboelos, Aiguptos, hetairen enz.; maar wij spreken die woorden uit, overeenkomstig den vorm, dien zij in het Latijn bekomen: hypotenusa, systema, physica, evangelium (of evangelie), oeconomia (of oeconomie), Macedonië, Cimon, Plato, Thrasybulus, Egypte (of Aegypte), hetaeren enz.

Eene consequente spelling op Grieksche wijze is derhalve zoogoed als onmogelijk; en deze wordt trouwens ook door niemand verlangd. Doch hoewel de Latijnsche schrijfwijze als maatstaf en regel voor de Grieksche beschouwd wordt, maken sommigen eene uitzondering ten opzichte van de κ en φ, die zij niet door de Latijnsche c en ph, maar door k en f teruggegeven willen hebben; zij schrijven daarom theokratie, fyzika of fysika, filosofie of filozofie. Deze spelling, uit welk oogpunt ook beschouwd, is inconsequent en maakt noodeloos inbreuk op den—anders algemeenen—regel. Geschiedt zulks om de spelling meer met het Grieksche spraakgebruik overeen te brengen, dan wordt de f verkeerd aangewend, dewijl φ zoo ooit, zeker niet te allen tijde de waarde van f gehad heeft. Is het om aan de woorden een meer Nederlandsch voorkomen te geven, waarom dan de th en de y ter uitdrukking van de θ en υ behouden, terwijl de enkele t en i de gewone uitspraak dier letters even goed zouden voorstellen? Die spelling is dus inderdaad slechts eene nuttelooze en willekeurige afwijking van de regelmaat, waarop men weder uitzonderingen zou moeten maken. Immers het bezigen van k, waar het Grieksch eene κ heeft, is niet vol te houden. Vele woorden, welker uitspraak bij ons vaststaat, eischen volstrekt de c, als: Bucephalus, Centaur, Cepheus, Cerberus, Cilicië, Cyprus, Cyrus, Macedonië enz. In Cekrops, cykloop en andere zouden c en k om dezelfde letter te vertegenwoordigen naast elkander staan; en wie zou Bakchus of Bakkhus willen schrijven? En toch, elke andere spelling: Bacchus of Bachus, ware dan eene nieuwe onregelmatigheid, eene willekeurige uitzondering op eene uitzondering.—Evenmin laat de f zich consequent bezigen. Men zal toch aan Sappho wel niet den Hoogduitschachtigen vorm Sapfo willen geven. Men verlangt de f voornamelijk om den wille der uitspraak. Nu is het wel niet te ontkennen, dat ph, waar men eene f moet laten hooren, tot verkeerdheden aanleiding kan geven; doch het is evenzeer waar, dat het Nederlandsch als grondbeginsel aangenomen heeft, geen erkenden spelregel, waartoe ook die der Analogie behoort, te verzaken, alleen om eene verkeerde uitspraak te voorkomen11. Men kan béken als bekèn, béving als bevìng, voorkómen als vóórkomen, wéderroepen als wederróépen, óverkomen als overkómen uitspreken; dit is echter nooit als eene afdoende reden beschouwd, om die woorden te spellen op eene wijze, die met geldige regels in strijd is; b.v. niet beeken, beeving, voorkoomen enz. Men zou dus niet gerechtvaardigd zijn, indien men op den algemeen uitvoerbaren regel: Grieksche woorden volgen de Latijnsche spelling, alleen om den wille eener mogelijke verkeerde uitspraak uitzonderingen ging maken. Indien men zich zulks veroorloofde ten opzichte der ph, men zou het ook in andere gevallen als beginsel moeten erkennen; en waar zou dat heen? Wie zich ergert aan de uitspraak catalógus, ódĕon, spèctător, eene wanspraak veel algemeener dan potografie en pizika, zou met hetzelfde recht cataalogus, odeeon, spectaator enz. kunnen eischen: spellingen, die wel niemand verlangt, en die ook niet fraai zouden zijn, maar zeker den lof van consequentie zouden verdienen. De Redactie kan dan ook geene enkele geldige reden bedenken, om ten aanzien der twee genoemde letters anders te handelen, dan zij in de overige gevallen genoodzaakt is te doen. Zij meent derhalve den regel: Grieksche woorden worden op Latijnsche wijze gespeld, consequent te moeten volgen, en schrijft dus ook: academie, theocratie, physica, orthographie, philosophie enz.

246. De uit het Grieksch ontleende bastaardwoorden zijn, wat de uitgangen betreft, aan denzelfden regel als de overige onderworpen; zie § 242. Zoo schrijve men: biograaf, photograaf, telegraaf, telescoop, philanthroop, philosoof, basilisk, apocrief, acustiek, cliniek, diptiek, synoniem, proseliet, apostel, diaken, scaphander enz.

Het zou inconsequent, onregelmatig en zelfs onnatuurlijk zijn, indien men de eindlettergrepen, die ten gevolge van het afvallen der Grieksche of Grieksch-Latijnsche uitgangen eene wijziging in de spelling moeten ondergaan, en daarmede aan de Nederlandsche spellingwetten worden onderworpen, nog gedeeltelijk op Grieksche wijze schreef. Wanneer men van basiliscus -us of -ος afsnijdt, moet de c in het meervoud basilisken natuurlijk in k veranderen; het enkelvoud wil dan, volgens den erkenden regel, ook de k in basilisk. Trouwens niemand schrijft basilisc, evenmin als grotesq, naar fr. grotesque, of grottesc, naar ital. grottesco. Is die onderwerping aan de Nederlandsche spelregels in sommige gevallen onvermijdelijk, dan eischt de Analogie haar ook in die gevallen, waar twijfel schijnt te bestaan. Hiertoe behooren de woorden op -aaf, -ief- en -oof, als geograaf, telegraaf, apocrief, philosoof enz. De Grieksch-Latijnsche woorden geographus, apocryphus en philosophus, na afwerping van -us: geograph, apocryph en philosoph, eischen de verdubbeling der a en o, en de verandering van de niet verdubbelbare y in ie; dus geograaf, apocrief en philosoof, of geograaph, apocrieph, philosooph. Die dubbele a en o en de ie zijn vreemd aan het Grieksche en Latijnsche taaleigen, maar zijn geheel Nederlandsch; de tweede a en o valt zelfs in het meervoud, op Nederlandsche wijze, weder uit. Een en ander bewijst, dat die uitgangen als Nederlandsch beschouwd moeten worden. De vreemde ph nu maakt, vooral in verbogen vormen, als geographen, apocriephe, eene vreemde vertooning, omdat zij in strijd is met de letters, waartusschen zij staat. Hare vervanging door f is derhalve even natuurlijk als consequent, en is tevens in overeenstemming met het Gebruik, dat kennelijk aan geografen, apocriefe enz. boven geographen en apocriephe de voorkeur geeft. Ook is zij in volmaakte overeenstemming met de vervanging van th door t in aëroliet, chrysoliet enz., lat.-gr. aërolithus, chrysolithus, waarin het Gebruik, klaarblijkelijk om dezelfde redenen, geene th achter de ie wil.—Triumf of triomf, lat. triumphus, en nimf, lat. nympha, hebben, als dichterlijke woorden, reeds om eene andere reden eene f; zie § 251.

In biographie, ethnographie, philosophie enz. echter zijn de lettergrepen graph en soph onaangetast gebleven, en bevindt de ph zich niet tusschen bepaaldelijk Nederlandsche letters; hier bestaat dus geene reden voor het bezigen der f. Geographie enz. is niet gevormd van ndl. geograaf, evenmin als diaconie en apostolisch van ndl. diaken en apostel; maar het is eene verbastering van het lat.-gr. geographia, gelijk diaconie en apostolisch van diaconia en apostolicus. Geografie enz. te schrijven omdat geograaf eene f heeft, zou even onnatuurlijk zijn, als wanneer men lietograaf (uit lithographns) met ie wilde schrijven, omdat lat.-gr. lithus in aëroliet en chrysoliet in -liet verandert.

247. Eene afzonderlijke beschouwing eischt de spelling van het woord telegrafist, dat zich in een geheel ander geval bevindt dan geographie en dergelijke. Het is niet gevormd van een Grieksch woord telegraphistes, gelijk evangelist van euangelistes; de naam zou moeten zijn telegraaf, gelijk bibliograaf, biograaf, ethnograaf, geograaf, historiograaf, stenograaf, tachygraaf enz. Daar telegraaf echter reeds als de benaming van het werktuig of de inrichting gebezigd werd, en men derhalve voor de personen, aan zulk eene inrichting verbonden, een anderen vorm noodig had, heeft men, strijdig met het Grieksche taaleigen, het woord telegrafist gevormd, dat in zooverre als Nederlandsch kan worden beschouwd, omdat wij met het achtervoegsel -ist ook van Nederlandsche woorden persoonsnamen maken, b.v. bloemist, fluitist, orgelist, klokkenist. De vorm telegrafist is trouwens ook de gebruikelijke.

248. De spelling geographie enz. beslist insgelijks de keuze tusschen geographisch en geografisch enz. Bij geographische of biographische woordenboeken, bij ethnographische verhandelingen en topographische kaarten denkt men aan de kennis, uit die woordenboeken, verhandelingen of kaarten te putten; bij een stenographisch bericht en een photographisch portret aan datgene, dat stenographie en photographie heet: de schrijver of kunstenaar, de geograaf of photograaf, komt daarbij wel niet in aanmerking, staat ten minste ver op den achtergrond. De hier bedoelde woorden zijn derhalve gevormd van de woorden biographie, geographie enz., gelijk historisch van historie komt; zij moeten dus ongetwijfeld eene ph hebben. Wat telegraphisch betreft, ofschoon dit, blijkens de beteekenis, niet van telegraphie, maar van telegraaf is afgeleid, is het toch gevormd in overeenstemming met de boven genoemde woorden. Het is dus niet raadzaam, het in de spelling daarvan te scheiden. De analogie eischt ook hier de ph.

249. Bezaten wij een ww. geographeeren, het zou gevormd zijn van het Grieksch γεωγραφέω. Van dezelfde vorming zouden photographeeren, lithographeeren enz. wezen, indien de daaraan beantwoordende vormen in het Grieksch bestonden. Die woorden kunnen dus geacht worden onmiddellijk uit die taal overgenomen te zijn, gelijk photographie, lithographie enz. om de analogie van geographie, gr. γεωγραφία. De lettergreep graph blijft daarin insgelijks onveranderd. Hier bestaan dus dezelfde redenen voor het behoud der ph, als bij geographie en andere op -phie, weshalve photographeeren, lithographeeren enz. de regelmatige vormen zijn.

250. Na de opgave der grondbeginselen, die de Redactie bij het schrijven der bastaardwoorden voornemens is te volgen, blijft haar nog overig de gevallen te omschrijven, waarin zij meent, dat het algemeen Gebruik het spellen op Nederlandsche wijze volstrekt vordert, en die derhalve als onvermijdelijke uitzonderingen op de gegeven regels moeten beschouwd worden.

Wanneer men de woorden der beide eerste klassen vergelijkt, dan ziet men, dat die, welke begrippen uitdrukken, die onder alle rangen en standen der maatschappij gangbaar zijn, een geheel Nederlandsch gewaad hebben aangenomen; terwijl die, welke hun vreemden vorm onveranderd hebben behouden, slechts in hoogere standen, in bijzondere kringen, of door lieden van wetenschappelijke vorming gebruikt worden. Deze waarneming geeft het richtsnoer aan de hand, dat bij het spellen der bastaardwoorden tot leiddraad strekken kan. Uitdrukkingen, bepaaldelijk meer door hoogere standen gebezigd of betrekking hebbende op personen en verhoudingen, tot die standen behoorende; benamingen van voorwerpen van weelde; termen, uitsluitend gebruikelijk in wetenschappen, of in kunsten en beroepen die eene wetenschappelijke voorbereiding vereischen, worden geschreven overeenkomstig de boven opgegeven regels. Benamingen daarentegen van alledaagsche voorwerpen; uitdrukkingen van denkbeelden, onder alle standen gangbaar; namen van zaken, voorkomende in ambachten en beroepen, door minkundigen uitgeoefend, worden, zooveel de uitspraak het toelaat, op Nederlandsche wijze geschreven.

Wanneer men het Gebruik gadeslaat, ziet men, dat het werkelijk doorgaans zóó handelt. Immers men schrijft meestal overeenkomstig de vreemde spelling: dejeuneeren, soupeeren, incommodeeren, receptie, felicitatie, discretie, canapé, candelaber (of candelabre), lorgnet, specerij, vermicelli, macaroni, morilles, philosophie, physica, logica, categorie, maçonnerie, loge, concreet, abstract, scrupel, lancet, pincet, bistouri, crayon, aquarel, pose, silhouet, photographie, tachygraaf enz.; daarentegen dukaat, biljart, biljet, kapel, kapelaan, knaster, kamfer, kapitaal, karakter, karwats, kwartier, kazerne, kasteel, kastelein, likeur, ons (gewicht), kamperfoelie, peterselie, postiljon, stukadoor, kastrol, karkas, loods (houten gebouw), penseel, vermiljoen, traktaatje, traktement enz.

Met het oog op die onderscheiding schrijven wij advocaat evenzeer met eene c als procureur, gelijk bij dit laatste woord gewoonlijk geschiedt. Die woorden toch duiden personen aan uit den aanzienlijken stand; en reeds de goede smaak eischt die spelling in de combinatie: N.N., Advocaat en Procureur.

251. Eene bijzondere opmerking moet hier gemaakt worden omtrent enkele woorden, die wel tot eene hoogere klasse van denkbeelden behooren, maar eene eigenaardige populariteit hebben verkregen door het veelvuldig gebruik in de poëzie, die uit haren aard afkeerig is van het gebruik van eigenlijk vreemde woorden, als niet passende in den hoogeren stijl. Die woorden derhalve, die in de poëtische taal voorgoed zijn aangenomen, zijn daardoor vanzelf als Nederlandsche gestempeld. Zoodanige zijn: poëzie of poëzij zelf, nimf, porfier, saffier, zéfir of zefiér enz. De analogie zou de vreemde spelling poësie, nymf, porphier, sapphier, zephyr of zephier vereischen; doch zij hebben van onze dichters het burgerrecht verkregen, dat hun op de inheemsche spelling aanspraak geeft.

252. Tot de woorden, aan het slot van § 250 genoemd, behooren ook die, welke in onze taal hunne beteekenis gewijzigd hebben, en daardoor inderdaad eigenlijk Nederlandsch geworden zijn. Zoo wordt te recht veelal geschreven: dokter (voor geneesheer), kommies (voor beambte bij de belastingen, fr. douanier), komedie (voor schouwburg), lokaal (voor vertrek, zaal), spektakel enz.; ofschoon men daarnevens, bij eene andere opvatting der woorden, de echte spelling behoudt in doctor (als wetenschappelijken titel ook in andere faculteiten), commies (voor ambtenaar aan een der ministeriën of bij de posterijen, fr. commis), comedie (soort van drama), locaal (adjectief), de Spectator, enz. Zoo schijnt het evenzeer raadzaam, kritiek (hachelijk) te onderscheiden van critiek (oordeelkunde) en critisch (oordeelkundig). De onderscheiding moge bij den eersten aanblik eene spitsvondigheid schijnen—en in het gebruik wordt zij zeker tot dusverre niet in acht genomen—, toch steunt zij op een wezenlijk beginsel en kan niet onverschillig zijn voor een schrijver, die met oordeel te werk gaat, en een gewijzigden woordvorm te recht aanmerkt als een geschikt middel om den lezer de wijziging van een begrip te doen opmerken.

253. Ten gevolge van den invloed, dien het zoo uiteenloopend gebruik op de woorden oefent, is er soms een verschil ontstaan tusschen de spelling der stamwoorden en hunne afleidsels; b.v. bij cánon (regel), canoniek en kanunnik; klasse, classis en classicaal; krediet en credit; koerier en courant; konserf en conservatief; lier en lyrisch; klerk en clericaal; sekuur en securiteit; orgel (ὄργανον) en organist (minder gewoon orgelist), enz. Vergelijkt men deze en dergelijke verschillen in de spelling, dan zal men daarin eene nieuwe bevestiging zien van den boven in § 250 gestelden regel.

254. Eindelijk nog eene opmerking, die bij het schrijven van enkele woorden in het oog moet gehouden worden. Wij bezigen eenige Latijnsche bastaardwoorden, die in dubbelen vorm in de taal bestaan, maar op twee verschillende wijzen worden geschreven, doordien de eene vorm onmiddellijk aan het Latijn ontleend is, terwijl de andere middellijk uit het Fransch tot ons is gekomen. In die gevallen is de Latijnsche vorm de wetenschappelijke, de Fransche de gewone en dagelijksche. Hierop grondt zich het verschil in spelling van praesens en present, van praeses en president, van praeparaten en preparatieven, van oeconomie en economie, phoenix en feniks, dioecese en diocese, procurator en procureur, secunde en seconde, nummer en nommer, fundament en fondement, familie en famielje, subject en sujet (als in: een slecht of gemeen sujet), enz.

255. Dat wij bij wetenschappelijke benamingen aan de Latijnsche en Latijnsch-Grieksche vormen de voorkeur geven, blijkt o.a. ook daaruit, dat wij, overeenkomstig het oorspronkelijke Grieksche woord χημεία, in chemie eene e uitspreken en schrijven, en niet eene i, gelijk fr. chimie zou medebrengen. Daarom schrijft de Redactie acustiek met eene u en hypotenusa met eene t, dewijl de regelmatige Latijnsche vormen dier woorden (acustica en hypotenusa) die letters hebben. De gewone spelling acoustiek steunt op de Fransche schrijfwijze acoustique, en hypothenusa op het voorheen gebruikelijke hypothénuse, welke laatste spelling echter bepaald verkeerd was en dan ook later te recht door hypoténuse is vervangen.—De niet geheel ongewone spelling autheur, authoriteit en cathegorie, voor auteur, autoriteit of auctoriteit en categorie, heeft volstrekt niets ter verontschuldiging, evenmin als die van de eigennamen Anthonius en Margaretha, voor Antonius en Margareta.

256. Ziedaar hetgeen de Redactie, na rijpe overweging, gemeend heeft te moeten vaststellen voor de door haar te volgen spelling, voor zooverre het ingewikkeld en veelbetwist vraagstuk der bastaardwoorden betreft. Zij vleit zich, dat hare beschouwing den lezer de overtuiging zal hebben gegeven, dat men aan den eenen kant ook hier een leidend beginsel kan volgen, in overeenstemming met de algemeene gronden van taal en spelling; maar aan de andere zijde, dat voorschriften, die alles tot in de minste bijzonderheden regelen, hier even onbestaanbaar zijn als overal elders, waar de beslissing van allerlei omstandigheden afhangt en derhalve, in elk bijzonder geval, alleen door oordeel en smaak kan worden bepaald.