Men kan zich voorstellen, dat bij een onveranderlijken toestand van zaken iets volmaakt geschikt is voor eenig zamengesteld doel, doch onmogelijk kan iets bij een veranderlijken toestand van zaken tegelijk volmaakt geschikt voor twee of meer in verschillende omstandigheden voorkomende doelen. Zoo kan bijv. geen geweer met bajonet tegelijk zeer geschikt zijn om dan te schieten en dan te steken. In het eerste geval zal het bij de lans en in het tweede bij het geweer zonder bajonet ten achteren staan. Bij verandering van omstandigheden maakt de werking der traagheid dat dergelijke zaken niet genoegzaam snel en sterk gewijzigd worden, om hen dan voor het eene en dan voor het andere doel zeer geschikt te maken. Bestond er toch geene traagheid, zoo zouden in een oogwenk de grootste metamorphosen mogelijk worden. Wegens haar bestaan kan bijv. de Natuur geen dierlijk ligchaam zeer geschikt maken, om dan op de vaste aarde te leven en dan te vliegen, en daar nu op den vasten bodem er meer zamengestelde wijzen van leven kunnen bestaan dan in de lucht, zoo zijn het niet de vogels welke de hoogst ontwikkelde wezens dezer aarde zijn. Hiermede stemt overeen, dat in het algemeen communicatie middelen over land, welke de reizenden steeds in contact met de woonplaatsen der menschen doen blijven, en aldus bij hoogere standen van beschaving, waarbij de behoefte aan gedurig contact van veel menschen grooter wordt, meer gezocht zullen zijn dan die over water, alsware hooger dan deze staan. Het vervoer op een kunstweg met wagens staat bijv. hooger dan dat met schuiten op eene rivier.
Zoo de levensomstandigheden van eenig dier gedurende deszelfs leven veranderen, zal er bij deszelfs organisatie en zeker vermogen ontstaan om ook wat te veranderen en wel door inwendigen drang, te vergelijken met den op blz. 28 gemelden locomotief, zoo de uitwendige drang, door de levensomstandigheden teweeggebragt, met het aldaar gemelde paard vergeleken wordt. Zoo bezitten wij bijv. een inwendigen drang om achtervolgens gedurende eenige uren te slapen en dan gedurende eenige uren te waken. Die drang is gewis ontstaan ten gevolge der impulsie der verandering der uitwendige omstandigheden gedurende het etmaal. Men kan bijv. geen mensch van zijne geboorte af wennen om achtervolgens eene maand lang te slapen en dan eene maand lang te waken, en evenmin om het een en ander om de minuut te doen, en veranderden die omstandigheden gedurende elk etmaal niet, zoo zouden welligt onze hersenen en ledematen, evenmin als thans ons hart, een alternatieven toestand van inspanning en rust noodig hebben. Kan echter dit vermogen tot periodieke verandering onzer organisatie deze, zooals wij op blz. 23 en 196 beweerd hebben, even goed dan voor werkzaamheid en dan voor rust geschikt maken, als de oorzaak van geschiktwording van blz. 7 zulks voor onveranderlijke omstandigheden kan doen? Naar ons inzien neen, omdat het niet uit gebrek aan tijd bij alle deelen van het ligchaam de werking der traagheid hiervoor genoegzaam kan overwinnen. Bij de werking van hart en maag geschiedt die periodieke verandering bijv. slechts in zwakke mate, en de rust gedurende den slaap moet hierdoor minder volkomen worden. Trouwens, wanneer dit vermogen meer tijd heeft, om de neiging der ligchaamsdeelen, om in beweging te zijn, te overwinnen, doet het zulks ook, zooals bijv. bij den winterslaap van sommige dieren. De op blz. 7 gemelde oorzaak van geschiktmaking neemt in die gevallen een middenweg. Zoo zij dit vermogen tot verandering der organisatie van het ligchaam te groot maakte, zoo zij dit laatste ongeschikt voor het leven maken, en deed zij dit vermogen te klein blijven, zoo zou zij het ligchaam te onvatbaar maken om anders te zijn, wanneer de uitwendige omstandigheden tot werkzaamheid, dan wanneer zij tot rust nopen. Een inwendigen drang om binnen elk jaar eenmaal dikker en eenmaal dunner haar te verkrijgen bezit de organisatie der zoogdieren niet. Worden deze bijv. verplaatst naar klimaten, alwaar het des winters warm is, zoo verkrijgen zij aldaar geen winterhaar; terwijl, naar de poolstreken verplaatst, zij wel gedurende den aldaar maanden langen dag in slaap vallen. Met betrekking tot die voorziening der dieren tegen de koude, maakt de werking der traagheid dat de oorzaak van geschiktwording hierbij in gebreke blijft.1 Muizen en vogels lijden bijv. van de winterkoude, terwijl het ijskoude water, waarin zij zich steeds bewegen, de walvisschen waarschijnlijk niet hindert. Hunne organisatie is hiervoor welligt nog beter ingerigt dan de levenswijze en woningen der Javanen voor de warmte, waarvoor wij, omdat deze hier te lande slechts kort aanhoudt, ons slechts vrij gebrekkig inrigten.
Bij de organisatie van dieren bestaat er ook een inwendigen drang om te veranderen met den ouderdom dezer dieren. Veranderingen bij de uitwendige omstandigheden dier dieren gedurende hun leven hebben welligt tot impulsie gediend voor het ontstaan van dien inwendigen drang. Hiertoe behoort het groeijen, het sterker worden der dieren, omdat dit gebeurt, al blijft de moeder het jong even zoo beschermen en koesteren als vlak na de geboorte. Dit groeijen doet in zeker opzigt de dieren geschikter worden voor de omstandigheden waarin zij achtervolgens komen, doch brengt met zekere snelheid veranderingen teweeg in derzelver organisatie, waarnaar deze, wegens de werking der traagheid, zich niet in andere opzigten even snel kan voegen, en kan hierdoor zelfs somtijds het ligchaam ongeschikter voor het leven maken. De uit hunne krachten groeijende jongelieden strekken tot voorbeeld hiervan.
Onder de groote veranderingen der organisatie van dieren gedurende hun leven, ten gevolge van innerlijken drang, behooren de gedaante-verwisselingen van vele der lagere dieren. Veranderingen der levensomstandigheden dier dieren gedurende de achtervolgende tijdperken van hun leven zullen wel primitief de op blz. 7 gemelde oorzaak van geschiktmaking geleid hebben om de organisatie dier dieren met dit vermogen tot gedaante-verwisseling te begiftigen. Wèl kan, wanneer eenige accidentele oorzaak de organisatie van eenig dier veranderd heeft, dit zijne levenswijze hiernaar wat voegen, doch men heeft bij die gedaante-verwisseling met een te algemeen verschijnsel te doen, om aan te nemen, dat het de vrucht is van een toeval. Kinderen kruipen en klauteren meer dan volwassen menschen, en denkt men zich nu het menschelijke ligchaam op ongeveer het vijftiende jaar door innerlijken drang eene verandering te ondergaan, waardoor het voor kruipen en klauteren minder geschikt wordt, zoo heeft men iets dat te vergelijken is met de gedaante-verwisseling der insecten, die, wegens de werking der traagheid, bij latere generatien in verzwakkende mate kan blijven bestaan, wanneer de veranderingen der levensomstandigheden bij die generatien er niet meer de impulsie toegeven. Waarom moeten nu de levensomstandigheden van vele der lagere dieren gedurende derzelver jeugd anders zijn dan op lateren leeftijd? Wegens eene overeenkomstige reden waarom de levensomstandigheden van kinderen, niet slechts om zoo te zeggen quantitatief, maar tevens ook qualitatief anders dan die der volwassenen gehouden worden, en dit niet enkel uit een hygienisch oogpunt, maar tevens, omdat het doelmatig is, om zie blz. 67 eerst lagere en later hoogere soorten van geestontwikkeling te vergrooten.2 Meestal veranderen de levensomstandigheden der aan gedaante-verwisseling onderworpen dieren in verheffenden en slechts bij uitzondering in verlagenden zin. In dit laatste geval kunnen zulke dieren, even als op blz. 42 gezegd is, naar lagere levensomstandigheden teruggedrongen zijn en de op blz. 7 gemelde oorzaak hebben getracht hen hiervoor geschikt te maken. Het is echter de vraag of die teruggang gedurende het leven van elk individu niet meer schijnbaar dan wezenlijk is.
Ten gevolge van den op blz. 231 gemelden innerlijken drang, groeijen de hersens, onder omzetting in derzelver zelfstandigheid van het door het ligchaam opgenomen voedsel. Was nu het denken eene functie der hersens, zoo zou eten en groeijen hierbij de geestelijke ontwikkeling even goed moeten doen toenemen, als de vorming en afleiding van zekere stoffen bij andere ligchaamsdeelen zie blz. 197. De op blz. 7 gemelde oorzaak van geschiktmaking der organisatie der levende wezens voor de levensomstandigheden dezer laatste, heeft de pasgeboren kinderen veel hulpeloozer dan de jongen der dieren gelaten, omdat de ouderlijke hulp natuurlijke hulpmiddelen, voor die jongen noodzakelijk, voor de kinderen overbodig, en dus in andere opzigten hinderlijk voor deze heeft doen worden. Onze levensomstandigheden vorderen dat ons ligchaam geschikt is voor zekere beweging, zoodat te groote inertie er ongeschikt voor is. Van den anderen kant is eene inspanning, waardoor het ligchaam veranderd wordt en bijv. de spierkracht toeneemt, dit insgelijks, omdat, wegens de werking der traagheid, de bate der voeding betrekkelijk die grooter wordende werkzaamheid ten achteren blijft. Hoe langzaam men nu ook de vermeerdering der werkzaamheid van kinderen maakt, steeds zullen deze aan zekere uitputting lijden, omdat het vermogen voor die werkzaamheid dan ook wel toeneemt, maar steeds wat te klein hiervoor blijft. Kon dit nu geweerd worden, door tegelijk met de werkzaamheid de voeding te vergrooten, zoo zou de verandering van het ligchaam, wegens de werking der traagheid, desniettemin op de eene of andere wijze ongeschiktheid er bij baren. Wordt de voeding versterkt, zoo zal, wegens de werking der traagheid, het profijt er van voor het ligchaam er bij ten achteren blijven en dit door die voeding lijden, en natuurlijk meer, zoo geene vergrooting der werkzaamheid het profijt van het genomen voedsel betrekkelijk grooter doet worden.
Uitputting moet van teruggang van spiersterkte onderscheiden worden, het gelijkt hier evenmin op, als breken op wegsmelten, en als het ligchaam van een grijsaard op dat van een nog zwak kind.
Uniformiteit van omstandigheden leidt tot geschiktheid bij de in die omstandigheden verkeerende wezens, omdat de op blz. 64 gemelde ongeschiktheid barende werking der traagheid, dan weer weggenomen wordt. Verscheidenheid van omstandigheden leidt daarentegen bij zulke wezens tot ongeschiktheid, maar tevens tot vooruitgang. Het is toch klaar dat wezens, dan in deze en dan in andere omstandigheden verkeerende, al zijn deze van even verheven aard, door zich gedurig voor een nieuwen toestand van zaken geschikt te willen maken en hierin te willen dringen, tot grootere geestinspanning en aldus tot eene grootere toeneming in geestontwikeling geleid zullen worden, dan wezens, wie een veel meer beperkt veld van leering ten dienste staat, door dat zij steeds in dezelfde omstandigheden verkeeren. Iemand die reist, al zij het zelfs bij minder beschaafde natien, dan die waartoe hij behoort, zal bijv. meer leeren dan een ander die te huis blijft, mits beide zich met even gewigtige zaken bezighouden. Volken, op denzelfden trap van beschaving staande, maar in aard, zeden en behoeften verschillende, zullen zich sneller ontwikkelen zoo zij met elkander verkeeren, dan zoo zij dit niet doen. Bewoners van een hemelbol, waarbij de onderscheidene deelen in lucht- en grondgesteldheid verschillen, en elk dier deelen slechts geschikt is om eenige der voor die bewoners noodzakelijke producten voort te brengen, zullen sneller in ontwikkeling toenemen dan de bewoners van een hemelbol, waarbij elk plekje alles oplevert waaraan deszelfs bewoners behoefte hebben, zoodat er geene aanleiding tot handel en vervoer bestaat. Wie zullen echter de gelukkigste zijn, zoo althans de drang tot vooruitgang een eentoonig leven niet vervelend maakte? Gewis zij die in elk dier gevallen het minste kunnen leeren. Geschiktheid verzwakt den drang tot vooruitgang, want men zal toch moeijelijker zekeren toestand verlaten, om in een hoogeren te komen, naargelang men zich in eerstgemelden toestand beter bevindt. Vandaar dat de toevallige afwijkingen der jongen van hunne ouders, zooals op blz. 15 gezegd is, gene in organisatie gemiddeld ongeschikter dan die ouders makende de verhooging der organisatien bij de achtervolgende generatien zullen bevorderen.
De toestand onzer aarde is zeer verscheiden en wel voornamelijk wegens hare nabijheid van de zon, zie blz. 26. Hierdoor ontstaan er toch bij de afwisseling van licht en duisternis, van koude en warmte, sterke verandering van luchtstroomen en welligt ook eene sterke werking van de gesmolten kern op de schors. Hieruit volgt dat de toestand onzer aarde zeer geschikt is voor den vooruitgang der er oplevende wezens, maar niet voor derzelver geschiktheid voor de omstandigheden waarin zij verkeeren, en dat die wezens er op snel in geestontwikkeling zullen toenemen, maar kort zullen leven en aan allerlei oorzaken van vernietiging zullen blootstaan. Dit nu moet in het algemeen het geval zijn bij hemelbollen in de nabijheid van anderen zijnde, en alzoo zich snel verplaatsende en een sterken en wederkeerigen invloed op elkander uitoefenende. Wegens eene constante oorzaak zullen bij het op blz. 160 gemelde wereldsterrenstelsel er steeds een zeker aantal bollen in zulk een geval verkeeren, doch dat onze aarde er thans in verkeert en eene weinig elliptische baan om de zon beschrijft, moet zie blz. 69 als een toevallig gevolg der uiterst zamengestelde werking der natuurwetten bij het wereldsterrenstelsel beschouwd worden. Het is aldus verkeerd te zeggen, dat de zon onze planeet bewoonbaar maakt. Maakt de zon eene komeet meer bewoonbaar, wanneer deze, er digt bij gekomen, aanzienlijk vervormd en uitgezet wordt? Men zal dit ontkennen, en waarom zou de zon op de aarde, met betrekking tot de hier op bestaande organische natuur, eene tegenovergestelde uitwerking uitoefenen als op eene komeet?
De sporen van het ontstaan der organische natuur op onze aarde zijn nog niet uitgewischt, een bewijs dat dit ontstaan betrekkelijk kort geleden heeft plaats gehad, en dat de tijd, dat eene zelfde organische natuur zich op deze aarde heeft kunnen staande houden, omdat de toestand dezer, met betrekking tot andere hemelligchamen zie blz. 168, niet snel sterk veranderd is, betrekkelijk kort is.
De op blz. 200 gemelde zeer etherachtige hemelbollen binnen- en buitenwaarts van de bolvormige schil den Melkweg gelegen, deze zijn het, naar ons inzien, die aan derzelver bewoners bijna onveranderlijke levensomstandigheden kunnen aanbieden, en daardoor die bewoners veroorloven om zeer geschikt voor die omstandigheden te worden, en om een zeer geringen drang tot vooruitgang te bezitten.
Het niet beseffen, dat de veranderlijkheid, voor den vooruitgang noodig, de geschiktheid vermindert, heeft tot de meest bekrompene en scheve opvattingen van het werelddoel bij sommigen, en tot ontkenning van eenig werelddoel bij anderen aanleiding gegeven. De eerste hebben overal geschiktheid gezocht, zonder deze steeds te kunnen vinden, en de tweede hebben geschiktheid ontkend, waar zij in zekere mate bestaat. Dat bijv. het zeewater zout is, kan als een gevolg van het toeval beschouwd worden, doch de op blz. 7 gemelde oorzaak heeft de organisatie der zeevisschen voor het leven in dit zoute water geschikt gemaakt, omdat die schepselen, niet ten gevolge hunner eigen denking, de zee zijn gaan bewonen. Wij menschen verkeeren daarentegen in een ander geval. Ten gevolge onzer eigen denking hebben wij schepen gebouwd en ons op den Oceaan begeven; onze eigen denking moet aldus de hulpmiddelen voortbrengen om het zout zijn van het zeewater voor de zeevaarders niet hinderlijk te maken, hetgeen tot geestinspanning en aldus tot vooruitgang aanleiding geeft. Dit is eveneens het geval met andere zaken. De kunstwarmte is bijv. voor de menschen noodig geworden, ten gevolge van hun kunstmatigen toestand, een gevolg hunner eigen denking. Deze moet aldus ook de hulpmiddelen weten te vinden om die kunstwarmte daar te stellen, en dat de menschen daarvoor nog gedurende eenige eeuwen van de fossile brandstoffen gebruik zullen kunnen maken, moet slechts als een gelukkig toeval beschouwd worden, even als bijv. het bezit van natuurlijke havens. Zulke toevallen maken de toeneming in beschaving gemakkelijker, doch is deze, ondanks hen, op de hoogte gekomen, dat men hetzelfde als met hun hulp wil bekomen, zoo maakt hun gemis, dat men zich dan sterker inspant om dit gemis te vergoeden, en die grootere inspanning leidt dan tot sterkere toeneming der geestontwikkeling zie Noot blz. 89.
Het toeval is het product van eene reeks van oorzaken en gevolgen die wij niet kunnen naoogen, en bestaat aldus bij zeer samengestelde verschijnsels noodzakelijk voor de verscheidenheid, op hare beurt weder noodzakelijk voor den vooruitgang der wezens. Waarom spreken wij van het blinde toeval? Omdat het gemiddeld niet leidt tot geschiktheid voor ons menschen, en omdat het grillige der toevallige accidentele verschijnselen het ons menschen moeijelijk maakt, om ze onschadelijk of voordeelig voor ons te maken, wegens de werking der traagheid zie blz. 64, doch, zooals op blz. 236 gezegd is, strekt juist dit veranderlijke, mits op blz. 68 gemelde wijze beschouwd, ter bevordering van den vooruitgang der levende wezens.
Eene accidentele oorzaak is een beloop van zaken, deel uitmakende van een zeer zamengesteld verschijnsel, en die tot een waargenomen wordenden toestand van zaken aanleiding geeft, die, zoo hij gedurende voor ons menschen lange tijdvakken onveranderd blijft, eene constante oorzaak van secundaire verschijnselen is.
De helling der aardas is bijv. het gevolg van zulk eene accidentele oorzaak, en is tevens de constante oorzaak der regelmatige afwisseling der saizoenen. Deze is aldus evenzeer het gevolg van het toeval als het blindelings trekken van een hoogen prijs uit eene loterij, doch daar die regelmatige afwisseling der jaargetijden gedurende voor de menschheid zeer langen tijd onveranderd aanhoudt, zoo heeft deze in zekere mate er zich naar geschikt, terwijl de trekker van het goede nummer geen tijd gehad heeft om zich te schikken naar het bezit van zijne zoo plotseling ontvangen geldsom. Behoudt hij echter deze, zoo zal hij zijne behoeften zoo vergrooten, dat, al was dit primitief hoegenaamd niet het geval, het bezit dier som zie blz. 50 van lieverlede noodzakelijker voor hem zal worden.
Het is niet denkbaar dat, bij het bestaan van slechts eenvoudige verschijnsels, witte en zwarte ballen binnen eene bus onregelmatig gegroepeerd kunnen raken, en hierdoor wordt aangetoond dat toevallige groepering dier ballen onafscheidelijk is van een zeer zamengesteld verschijnsel.
Men moet voorts wel onderscheid maken tusschen langer of korter durende en een meer uitgestrekt, of meer beperkt veld van werking bezittende standvastige oorzaken, zelve verschijnsels zijnde en andere verschijnsels tot gevolg bezittende, en de wetten der Natuur, eigenlijk wel absoluut constante oorzaken, die alle verschijnsels regelen, maar zelf geen objectief bestaan bezittende. Deze zijn in zeker opzigt te vergelijken met de Staatswetten, zoo deze noch te verwaarlozen, noch te overtreden, noch te ontduiken, noch te veranderen waren, en al de verschijnsels op maatschappelijk gebied bepaalden. De doodstraf bijv. is geen verschijnsel, maar zij bepaalt het verschijnsel der executien en dit is eene verschijnsel-oorzaak tot gevolg afschrikking voor het moorden hebbende. Er bestaan absoluut constante verschijnsels, zooals bijv. de gemiddelde vergrooting der hemelbollen, die weder andere verschijnsels tot gevolg hebben, en aldus, ofschoon volgens het gewone spraakgebruik, absoluut constante oorzaken, desniettemin geene natuurregels zijn, maar, even als derzelver gevolgen, door die natuurwetten bepaald worden. Het komt ons nu verkieselijk voor om onder oorzaken steeds te verstaan verschijnseloorzaken, bepaalt door de vereenigde en in elkander grijpende werking der natuurregels, en waarbij de werking van sommige dier regels meer kunnen predomineren en die van anderen nietiger zijn. Geheel ontbreken zullen die laatste werkingen nimmer doen, want toch wordt zie blz. 144 alle denking bepaald door beweging, zoodat bijv. op onze denkingsverschijnselen de deze hoegenaamd niet bepalende bewegingen middelijk van invloed zijn, daar toch deze influenceren op de onze denking bepalende niet zintuigelijk waarneembare atomistische bewegingen. Van elk der natuurwetten heeft de werking steeds dezelfde strekking, maar vertoont zich gedurig onder andere gedaanten, en, met betrekking tot die gedaanten, verkeeren zij in hetzelfde geval als de accidentele en betrekkelijk constante oorzaken, zij zijn namelijk even als deze de vruchten van accidentele omstandigheden, en min of meer beperkt van duur. Zulk een natuurregel is bijv. de geschiktwording van levende wezens voor de omstandigheden waarin zij verkeeren. Waar de werking van dien regel zich nu vertoont als geschiktwording der organisatie der zeevisschen voor het zoute water van een Meer, is deze bijzondere gedaante dier werking een gevolg van het toevallig zout zijn van zulk een Meer, en zal zij ophouden, wanneer, door het verkrijgen van afvoer langs den bodem, dit meerwater deszelfs zoutheid verliest. Iemand wandelt op straat, eene wolk bedekt toevallig de zon, en die wandelaar knoopt zijne jas digt, ten einde zich te hoeden tegen koude. Die gedaante der werking der wet van geschiktwording duurt in dit geval al zeer kortstondig, en is het gevolg van een zeer vlugtig en toevallig verschijnsel. De reeksen van achtervolgende verschijnsels, hoe zamengesteld ook, ontstaan door de vereenigde in elkander grijpende werking van al de Natuurregels, doch onnaspeurlijk is het voor ons hoe dit geschiedt, welk aandeel elk dier regels in die vereenigde werking heeft, en hoe deze de achtervolgende verschijnsels uit elkander doen voortvloeijen. Tot voorbeeld hiervan strekken de uiterst zamengestelde banen door verschillende bollen, onder de vereenigde werking der zwaartekracht en der traagheid beschreven. Die banen zullen ons meest als toevallig voorkomen, doch wanneer zij hoofdzakelijk ontstaan door de aantrekking van slechts een bol op een anderen, men kunnen nagaan hoe of de vereenigde werking dier beide natuurwetten plaats heeft. Evenzoo op het gebied der geschiedenis. De vereenigde werking der natuurwetten brengt op dit gebied zulke zamengestelde verschijnsels te weeg, dat van deelen er van het ondoenlijk is om na te gaan, hoe die vereenigde werking heeft plaats gehad bij de achtervolgende uit elkander voortspruitende accidentele oorzaken, waarvan de laatste tot dit feit aanleiding gegeven heeft. Dit bijv. is niet te doen voor het feit dat de Zwitsers eene zelfstandige natie vormen.3 Wel weten wij dat hierbij in het spel is de werking der wet van geschiktwording, die gescheiden tracht te houden wat niet bij andere zaken past, doch die wetenschap staat gelijk met die, dat de zwaartekracht in het spel is bij de meest onregelmatige bewegingen der hemelbollen. Even als echter, zooals bijv. bij ons zonnenstelsel, die zeer zamengestelde bewegingen weinig, ofschoon op zeer zamengestelde wijze gestoorde meer eenvoudige bewegingen worden, waarbij wel nagegaan kan worden hoe deze door de werking der zwaartekracht en der traagheid ontstaan, zoo ontmoet men in de geschiedenis dikwerf eene toedragt van gebeurtenissen, wel is waar, op eene zeer zamengestelde wijze gestoord wordende, maar niettemin in hoofdzaak genoegzaam eenvoudig, om er bij de werking der natuurwetten op maatschappelijk gebied na te gaan. Men moet voorts niet denken wanneer, wegens de zeer samengestelde wijze waarop zij ontstaan zijn, zaken ons toevallig voorkomen, zij daarom steeds minder geschikt zijn. Bij eene eenvoudige toedragt van zaken kan dit ook het geval zijn. Onder de standvastige oorzaken behoort bijv. de werking der inertie, waardoor bijv. menschen, wanneer zij vrees of afkeer voor iets gevoelen, dit wegens de werking der traagheid blijven doen, nadat de aanleidende oorzaak er voor verdwenen is, zooals bijv. volken doen, wanneer deze, uit een anarchistischen toestand gerakende, onder een despotisch juk vallen, om later, nadat zij hunne despoten verjaagd hebben, weder tot anarchie te vervallen. Ons geheel toevallig voorkomende storingen kunnen nu zulke eenvoudige schommelingen van den politieken toestand van een volk vernietigen, even als een toevallige stoot de verflaauwende schommelingen van een slinger, en zulk een volk hierdoor in een meer geschikten toestand geraken. Nu zal men zeggen, wanneer de toedragt van zaken op geschiedkundig gebied eenvoudiger is, kan men beter nagaan wat er gebeuren zal, en, door de oorzaak der geschiktwording te doen werken, tot een meer bevredigenden toestand geraken. Dit is zoo, doch daartegenover staat, dat die zeer zamengestelde toedragt van zaken, waarbij ons zoo dikwerf het toeval overvalt, zoo als op blz. 240 gezegd is, den vooruitgang der individuen bevordert, en met betrekking tot den geestelijken vooruitgang dier op- en aftredende individuen moet de geschiedenis beschouwd worden. Om na te gaan, hetgeen eene school bewerkt heeft, moet men niet vragen, wat is er van die school geworden, maar wat heeft zij van de haar bezocht hebbende leerlingen gemaakt.
Er bestaat een groot onderscheid tusschen de zeer zamengestelde werking van een klein getal natuurwetten, en die van uiterst zamengestelde natuurwetten. Bijv. op eene hoe gecompliceerde wijze hemelbollen ook betrekkelijk elkander bewegen, zoo slechts de zwaartekracht en de traagheid hierbij in het spel zijn, zal een sterrekundige direct zeggen, dat een dier bollen, versnellende in zekere rigting bewegende, niet plotseling eene andere rigting, een niet afgeronden regten hoek met eerstgemelde vormende, kan gaan volgen. Drie of meer van die bollen digt bij elkander zijnde, zoo kan een astronoom vrij wel aangeven, hoe zij althans, voor eerst zullen bewegen, hetgeen onmogelijk voor hem zou zijn, zoo de verplaatsing dier bollen geschiedde door de vereenigde werking van een onnoemelijk aantal natuurwetten. Ware dit het geval, zoo zou naar ons inzien de meest volkomene controlerende aanschouwing, zie bl. 178, den zamenhang en de oorzaken van al de verschijnselen aan geen wezen, welk ook, kunnen aangeven.
Evenzoo in andere zaken. Tusschen twee plaatsen bestaat er bijv. een groot verschil in luchtdrukking, zonder dat men weet door welke aaneenschakeling van oorzaken dit ontstaan is. Het ontstaan van harden wind in zekere rigting is echter alsdan te voorspellen, omdat in zulk een geval de beweging der luchtdeelen niet van de vereenigde werking van een uiterst groot aantal oorzaken, maar slechts van drie afhankelijk is, namelijk het verschil in drukking, de traagheid der luchtdeelen, waardoor zij, op hoogere breedten komende, den aardbodem van west naar oost vooruitloopen en ten derde de wrijving. Een sterke wind blaast tegen een beschot, zonder dat men de aaneenschakeling van oorzaken kent, waardoor die wind ontstaan is en dit beschot aldaar staat. Zoo een onnoemelijk aantal vereenigt werkende en in elkander grijpende oorzaken in zulk een geval van invloed waren op de drukking van den wind met betrekking tot het beschot, zou men niet kunnen weten, dat men dit aan de benedenwindzijde moet stutten, om het voor vallen te behoeden. Weet men echter, dat men hierbij slechts te doen heeft met de werking der wet der botsing eener bewegende veerkrachtige vloeistof, en dat deze het beschot wil medeslepen zoo, dit al de hierop uitgeoefende drukking niet op den bodem kan overbrengen, zoo verkrijgt men de wetenschap van hetgeen er te doen valt, om het beschot staande te houden. Onwetende menschen weten dit uit ervaring, doch, zoo een uiterst groot aantal oorzaken bij zulk een geval in het spel waren, zou die ervaring niet dezelfde zijn, en zou zij zelfs in het geheel niet bestaan, voor zulke onwetende menschen zou hetgeen dan gebeurt een warboel zijn. Iemand voelt zich kleinmoedig en bevreesd, zonder dat hij weet hoe dit ontstaan is. Wat hiertegen te doen? De oorzaak van geschiktmaking laten werken, door zich voor den geest te brengen de geestelijke en stoffelijke hulpmiddelen, waarover men beschikt, door hiermede den aard der bezwaren te vergelijken, door in zijn geest het denkbeeld van krachtige en doelmatige handeling en van vertrouwen overheerschende te maken. Verkiest men nu zulks te doen in den vorm van een gebed, het is wel, doch men zal dit doen, door de oorzaak van geschiktmaking niet onder dezelfde gedaante als in het vorige geval te doen werken, omdat men weet dat nu niet in het spel is de wet van botsing van bewegende vloeistoffen. Door de beenen wijd van een op den bodem te plaatsen zal men aldus geen gevoel van kleinmoedigheid weren, evenmin als men, door zich aan te moedigen zonder meer, zich zal behoeden tegen omverwaaijing. Zeer eenvoudige opmerkingen en waarvan desniettemin de supra-naturalisten geen helder begrip hebben.
Dat de totale hoeveelheid der zelfstandigheid onveranderlijk is, moet naar ons inzien, ontstaan doordat haar bestaan traagheid bezit. Anders toch zou eene oorzaak, kleiner dan eenige te geven grootheid, gedurende een eindigen tijd het bestaan van een eindig deel dier zelfstandigheid kunnen vernietigen, terwijl, zoo de traagheid niet het ontstaan van zelfstandigheid tegenging, eene dergelijke oorzaak als zoo even de absolute quantiteit dier zelfstandigheid zou kunnen vergrooten. Terwijl de traagheid een oneindig sterken wederstand schijnt te bieden aan eindige oorzaken de hoeveelheid dier zelfstandigheid trachtende te veranderen, biedt zij slechts een eindigen wederstand aan de oorzaken, leidende tot veranderingen der veropenbaring dier zelfstandigheid door beweging, (namelijk de bewegingen der ligchamen, alsmede derzelver eigenschappen, welke zie bl. 165, ook door bewegingen worden bepaald) en der veropenbaring dier zelfstandigheid door denking (namelijk de denkbeelden en de door den aard der denkbeelden bepaalde karaktertrekken der geesten.) De traagheid biedt niet slechts wederstand aan de veranderingen in sterkte, maar ook aan die in aard dier veropenbaringen, aldus niet alleen aan het werkdadig maken van latente denkbeelden, zie blz. 167, maar tevens aan de verwisseling en vervanging dezer laatste door andere denkbeelden, niet alleen aan het ontstaan van beweegkracht, van welken aard ook, bij de ligchamen, maar tevens aan de verandering van den aard der zeer zwakke met de structuur der ligchamen verbonden atomistische bewegingen, waardoor den aard der eigenschappen dier ligchamen bepaald worden.
Bij die eigenschappen bestaat er onderscheid tusschen derzelver intensiteit en derzelver uitbreiding, (dat is of zij tot een grooter of kleiner ligchaam behooren) en bij de veropenbaring der zelfstandigheid door denking bestaat er eveneens onderscheid tusschen de intensiteit van latente denkbeelden en derzelver uitbreiding. Deze laatste is bijv. grooter, wanneer zij bij veel dan wanneer zij bij weinig personen bestaan, en zelfs bij een enkel wezen kunnen, bij gelijke intensiteit der denkbeelden, deze in uitbreiding verschillen. Om aldus bij de denkbeelden van wezens groote veranderingen te weeg te brengen, dient er, wegens de werking der traagheid, eene oorzaak te bestaan, die, zoo deze slechts gedurende korten tijd werkt, met betrekking tot de intensiteit en uitbreiding dier denkbeelden groot is. Vandaar dat bijv. op het gebied der geschiedenis groote verschijnselen slechts kleine oorzaken kunnen bezitten, wanneer deze gedurende zeer langen tijd werkzaam zijn. Integendeel, kan bijv. wanneer in eenig land de individuen sterk voor den vrede geneigd zijn, een oorlogzuchtig pamflet hen evenmin eene noemenswaardige zucht tot oorlogvoeren geven, alsdat de aantrekking eener komeet van geringe massa de snelheden en banen der planeten noemenswaardig kan wijzigen4. De uitwerking van zulk een pamflet zal van lieverlede verdwijnen, dat is de traagheid dier uitwerking zal met den tijd geheel overwonnen worden, zoo de inhoud van het pamflet de drijfveeren, tot oorzaak dier vredelievende neiging strekkende, onveranderd laat. Eveneens zal eene accidentele snelheid gegeven aan waterdeelen, wier snelheid door het verhang en de wrijving bepaald worden, van lieverlede verdwijnen, zoo de kortstondige oorzaak dier accidentele snelheid noch op het verhang, noch op de wrijving van het water van invloed is.
Bij de (zie blz. 174) onveranderlijke ofschoon zeer zamengestelde veropenbaring der zelfstandigheid door beweging en denking, doet de traagheid, door telkens den bestaande alsdan steeds volmaakt geschikten toestand in stand te willen houden, het effect van eene alleenheerschende oorzaak van geschikthouding. Bij de veranderlijke veropenbaring der zelfstandigheid door beweging en door denking is dit integendeel anders, en wel te meer hoe grooter die veranderlijkheid is. De traagheid tracht alsdan slechts gebrekkig geschikte toestanden, en zoowel het kwade als het goede hierin bevat, in stand te houden, met betrekking tot het geschikte en ongeschikte is zij neutraal.
Bij de veranderlijke veropenbaring der zelfstandigheid bestaan er naar ons inzien eigenlijk slechts drie natuurwetten, namelijk 1o. de traagheid, 2o. de drang tot geschiktwording en 3o. die tot veranderlijkheid.
De door de wetenschap gestelde natuurregels zijn slechts de bijzondere ofschoon onveranderlijke regels, waardoor bepaald worden de verschillende gedaanten, welke de werkingen dier drie algemeene natuurwetten aannemen. De wet der traagheid der met gewone snelheden begiftigde ligchamen, de wetten volgens welke afstooting en aantrekking, zie blz. 171, onveranderlijke doch zeer zamengestelde atomistische trillingen regelen, en de daarmede vergelijkbare natuurwetten, waardoor de aard onzer denkbeelden onveranderd tracht te blijven, bepalen toch de gedaanten waaronder zich vertoont de werking der algemeene wet der traagheid, in het eerste geval op astronomisch gebied, in het tweede op bijv. scheikundig gebied, omdat die trillingen de chemische eigenschappen der ligchamen kunnen bepalen en in het derde op zielkundig gebied.
Bij elke verandering van verschijnsels, bij alle opvolging van verschijnsels door er mede in verband zijnde andere verschijnsels, ontmoet men steeds de zich onder de eene of andere gedaante vertoonende werkingen van die drie algemeene natuurwetten.
Die der geschiktmaking zal trachten den bijzonderen aard der dingen meer algemeen te maken, omdat hier door dien aard nadert tot die van het onveranderlijke en aldus volmaakte deel van het Heelal, zie blz. 174. Door de werking dier algemeene natuurwet zal aldus het bijzondere bij de veropenbaring der zelfstandigheid door denking verzwakken, die denking naderen tot de algemeenste denkbeelden van den oergeest, en het bijzondere bij de veropenbaring der zelfstandigheid door beweging verzwakken, en die bewegingen naderen tot de algemeenste en onveranderlijke van den ether. In beide gevallen zal echter de werking dier natuurwet slechts eene qualitatieve en niet, zie blz. 169, eene quantitatieve verandering te weeg brengen.
Bestond de wet der veranderlijkheid niet, zoo zou het bijzondere en verscheidene bij de veropenbaring der zelfstandigheid ook niet bestaan, terwijl, zoo de wet van geschiktmaking niet bestond, de ontwikkeling van de bijzondere en veranderlijke hemelbollen en wezens niet zou strekken om deze, wanneer derzelver ontwikkeling de palen der eindigheid bereikt, de natuur van het onveranderlijke en aldus volmaakte te geven, maar eerder om de afwijking hier van steeds grooter te doen worden. Gedurende het gemiddeld gaan dier hemelbollen en der er op verblijvende wezens van het op blz. 161 gemelde middelpunt naar het midden der dikte van den Melkweg, moet er bij naar ons inzien de werking der natuurwet van de veranderlijkheid en tegelijk die der wet van geschiktmaking grooter worden, zoo bij dit midden der dikte van den Melkweg de aard der hemelbollen het meeste van die van den ether verschilt, en dit ook het geval is met de op die bollen bestaande ligchamen, waarmede de geene zintuigelijke indrukken voortbrengende atomistische beweging, de denking der wezens bepalende, in contact komen. Gedurende derzelver gemiddelde verwijdering van die plaats naar buiten, bij die bollen de werking van beide die wetten geringer wordende, zoo zal alsdan de aard dier bollen en der daarop wonende wezens van lieverlede minder bijzonder en verscheiden worden. Gedurende deze laatste periode zal de werking der natuurwet der geschiktmaking die der wet der onveranderlijkheid overtreffen, en gedurende de eerste periode het tegenovergestelde plaats hebben. Door die eerste werking zullen zie blz. 155 de gewone snelheden of overgaan in warmtetrillingen of, wanneer gedurende derzelver verzwakking de aantrekking overwonnen wordt, veranderen in de op blz. 165, gemelde aantrekkingstrillingen, de warmte zal er door verspreid worden, de elektrische trillingen in warmtetrillingen overgaan, de chemische zamenstellingen meer gaan gelijken op die der absoluut enkelvoudige stof den ether enz. De werking der wet der veranderlijkheid moet daarentegen, bij het grooter maken der afwijkingen van den toestand der zaken van den toestand van der ether, voor zooverre deze niet aan den invloed der hemelbollen blootgesteld is, juist het tegenovergestelde doen, zoodat de werkingen der bijzondere natuurwetten der zwaartekracht, der warmte, der electriciteit, van het chemismus enz. begrepen zullen zijn deels in de werking der algemeene natuurwet der geschiktmaking en deels in die der natuurwet der verscheidenheid, zoodat zij in dezelfde verhouding tot deze algemeene wetten staan als de op blz. 269 gemelde bijzondere natuurwetten tot de algemeene wet der traagheid.
Uit het bovenstaande volgt dat de op blz. 243, gemelde, hetgeen wij toeval noemen, barende verschijnsels de vruchten zijn der werking der wet van de verscheidenheid. De snelheden, waarmede de hemelbollen volgens allerhande rigtingen den ether doorklieven, zijn bijv. het werk er van, de ongelijke verspreiding der warmte en de hierdoor ontstaande ongelijke drukkingen eveneens, het alsdan veranderen van warmtetrillingen in gewone snelheden bij vloeistoffen evenzoo. De werking der wet der geschiktmaking tracht, zie blz. 169, de werkdadigheid van den geest, waarbij er geoordeeld, afgeleid en onder vooruitloopen der ervaring gedwaald wordt, te vernietigen, of liever om te zetten in de algemeene werkdadigheid van den Oergeest, hetgeen met de omzetting van gewone snelheden der ligchamen in de algemeenste atomistische bewegingen van den ether vergelijkbaar is. Van den anderen kant zal die werking bij de wezens eene werkdadigheid trachtten op te wekken als bij het voor den geest houden van denkbeelden door directe aanschouwing verkregen, namelijk eene zuivere contemplatieve ervaringsdenking, hetgeen zie blz. 159 met de opneming van warmte door de hemelbollen te vergelijken is. De werking der wet van de verscheidenheid tracht daarentegen het tegenovergestelde te doen, namelijk ons niet te doen denken aan hetgeen wij door aanschouwing zeker weten dan voor zooverre dit strekt om te oordeelen, te kiezen, af te leiden enz.
Dat het bestaan van verscheidenheid, annex aan dat van het bijzondere, de ontwikkeling bevordert, blijkt niet slechts uit het effect er van op onzen geest, maar tevens ook hieruit, dat de organisatie der planten en dieren, aan de meeste verscheidenheid van omstandigheden blootgesteld, gedurende derzelver leven in ontwikkeling het sterkste toeneemt. Stelt men water te loopen langs eene ojiefvormige, flaauwe en wrijvende helling, zoo zal, ongeveer waar het verval op het grootste is, de snelheid van het water zulks ook zijn, en dit het meeste slibstoffen opgeheven houden. Het verval hierbij is te vergelijken met de werking der wet der veranderlijkheid, de wrijving met de werking der wet van geschiktmaking, de snelheid met de intensiteit van het bijzondere en der verscheidenheid en het bezwangerd zijn van het water met slibstoffen met den vooruitgang. Even als de beide op blz. 250, gemelde werkingen waar de meeste verscheidenheid bestaat, zijn bij het zoo even gemelde geval, waar de snelheid op het grootste is, de werkingen van verval en wrijving op het grootste en even groot.
Bij de aanschouwing van het verscheidene en aldus bijzondere trachten wij, zooals bij de classificatie en het zoeken van het verband tusschen oorzaken en gevolgen, eene kennis te verkrijgen met meer algemeene begrippen en aldus van meer algemeenen aard dan die aanschouwing. De kennis, direct door aanschouwing van het bijzondere verkregen, voldoet ons aldus niet, doch juist daarom strekt die aanschouwing van het bijzondere om zie bl. 237 ons zoodanig in te spannen dat onze geestontwikkeling toeneemt. Dit aldus niet kunnende geschieden, zonder dat het oordeelen en besluiten de kennis, door controlerende aanschouwing verkregen, anders gezegd de ervaringskennis, vooruitloopen, waardoor deze laatste alsware omhooggetrokken en uitgebreid wordt, zoo moet noodwendig de wijze van verkrijging van kennis, waardoor de geestontwikkeling kan vergrooten, aanleiding geven tot dwaalbegrippen. Loopen nu in geestelijken aanleg en intellectuele ontwikkeling uitstekende menschen die ervaringskennis meer dan het gros der menschen vooruit, zoo zullen zij niet minder dan dit in dwalingen vervallen. Een pasgeboren kind kan niet denken “ik schort mijn oordeel op over alles wat de ervaring mij niet als zekerheid aangeeft.” Zulk een kind zou van niets de juistheid te verifieren hebben en niets leeren. Denkt het dat een verwijderd voorwerp te grijpen is, zoo loopt het evenzoo de ervaring, door het gezigt verkregen, vooruit, als een wijsgeer, die zich op het gebied van het buitenzinnelijke begeeft, de ervaring door al de zintuigen aan de menschen verschaft.
Door de werking der wet van geschiktmaking zullen de gewone snelheden van ligchamen, al zijn deze zelfs door geene wrijvende vloeistof omgeven, in warmte beweegkracht overgaan. Geen ligchaam is toch volmaakt vast, en bij geen ligchaam zullen alle punten precies dezelfde evenwijdige snelheden bezitten, bij alle zal dus hetgeen, op bl. 154 en in Noot bl. 156, gezegd is, met de snelheden te gebeuren, plaats hebben. Dit is insgelijks het geval, wanneer zulke ligchamen om eene as wentelen, daar alsdan, zie Noot blz. 165 moleculen, digter bij den equator gelegen, zullen komen naast andere, er wat verder van gelegen, en die aldus eene kleinere absolute wentelingssnelheid dan gene bezitten. De op blz. 154 gemelde egaliserende en de verscheidenheid bij de aardkorst wegnemende werking van het water is eene werking der wet van geschiktmaking, ofschoon zij de aarde voor ons menschen, maar niet voor de lage en een uniform leven leidende zeedieren onbewoonbaar tracht te maken. De op diezelfde bl. gemelde werking der lava van den aardkern is daarentegen eene werking der wet der veranderlijkheid.
De wet van geschiktmaking oefent, bij de overwinning der traagheid van het bijzondere eene werking uit, die wij in ons het: Over de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz. blz. 660 slijtende werking genaamd hebben. Zoo in zooeven gemeld werk als in het vervolg er op, hebben wij vele voorbeelden dier slijtende werking aangehaald en aangetoont hoe hierdoor de periodieke schommelingen (zie later), van lieverlede verzwakken en de toeneming in intensiteit van verschijnsels, waarbij er elkander wederkeerig versterkende oorzaken in het spel zijn (zie later) tegengewerkt wordt. Deze wet tracht dan geschiktheid uit een en dan uit een ander oogpunt beschouwd voort te brengen, zoodat zij in het eene geval somtijds, in zeker opzigt, in strijd werkt als in andere gevallen. Zoo tracht een harer werkingen menschen, die met elkander op den voet van gelijkheid en in dezelfde omstandigheden verkeeren, even deugdzaam en kundig te maken als het gros van hen, en aldus een kundig en braaf mensch, door zijn omgang (zie blz. 48) op den voet van gelijkheid met menschen, die zulks minder zijn, in geestontwikkeling te doen afnemen. Is daarentegen, de geestontwikkeling van menschen te laag voor de eischen der omstandigheden waarin zij verkeeren, zoo zal eene andere werking dierzelfde wet beide tot elkander doen naderen en aldus die menschen deugdzamer en kundiger maken, althans zoo zij daarin niet tegengewerkt wordt door een andere van hare werkingen, waardoor de geesten van menschen geschikt worden voor de ligchamen waaraan zij annex zijn en aldus meer naar het dierlijke neigen. In dit geval zullen de werkingen dier wet drie zaken, namelijk de ligchamen, de geesten en de eischen van den maatschappelijken toestand op dezelfde hoogte trachten te stellen.
Eenvormigheid bij menschen, op denzelfden voet met elkander verkeerende, is gewis op zich zelf beschouwd, eene geschiktheid, en dit is ook het geval bij andere zaken, zoodat de wet van geschiktmaking er toe zal leiden om alle afwijkingen van gemiddelde toestanden weg te nemen. Zij maakt door eene secundaire werking dat individuen van dezelfde soort elkander opzoeken, edoch bestaat er voor het bestaan dier verschillende soorten geene andere oorzaak dan de traagheid, zoo zal zij, (zie blz. 7) al die soorten tot eene gemiddelde soort ineen doen smelten, en daar, zooals op blz. 90 gezegd is, de aarde hierop eene terugtrekkende werking uitoefent, die zich vormende middelsoort omlaag trekken.
Een ander voorbeeld van met elkander in strijd zijnde werkingen der wet van geschiktmaking, wanneer deze bij iets geschiktheid voor verschillende belangen tracht voort te brengen, is de strijd tusschen de pogingen tot zamensmelting van verschillende volkstammen van een zelfden staat, en die waardoor die stammen hunne nationale eigenaardigheden trachten te behouden. De zamensmelting is voor de sterkte van den staat wenschelijk, de pogingen er toe kunnen aldus als werkingen der wet van geschiktmaking beschouwd worden. Blijft nu de regering de sterkste, zoo zullen de volkstammen wel, met betrekking tot hunne nationale eigenaardigheden, in een ongeschikten toestand komen, maar de werking der wet van geschiktmaking hen daaraan ontwennen, zooals zij zulks bijv. bij de Elzassers gedaan heeft. Zijn daarentegen de nationaliteiten de sterkste, en is het mogelijk dat zij, door niet door elkander vermengd te wonen, afzonderlijke staten vormen, zoo zullen zij zich hierop inrigten.
Tracht een waanzinnige zijne neiging tot vernieling bot te vieren, zoo tracht hij, tengevolge der werking der wet van geschiktmaking, hetgeen, hem voor het oogenblik genoegen geeft, te doen. Hierdoor schaadt hij zoowel zijne eigen toekomstige belangen als andere menschen, doch deze sluiten hem, tengevolge der werking van diezelfde wet, op in een lokaal waar hij anderen niet hinderlijk is, niets vernielen kan en zich niet kan bezeren. Die waanzinnige plooit, zich naar het leven in zulk een vertrek en zijne vroegere betrekking wordt door anderen waargenomen. Dit een en ander toont aan, dat zoo bij elken gegeven toestand er geene andere oorzaken van verandering werken dan die van geschiktmaking, er ten laatste een onveranderlijken toestand zal ontstaan, waarbij alles voor elkander geschikt is, en geschiktheid in het eene oogpunt geene ongeschiktheid in eenig ander oogpunt meer zal baren. Zoo lang echter die onveranderlijkheid niet volmaakt is, zal de geschiktheid zulks evenmin zijn. Van een staat, voortdurend burgers bevattende die onder dezelfde wetten, instellingen, en regering wenschen te leven, zullen die burgers in één opzigt in een onveranderlijken, maar dan ook slechts in een opzigt in een voor hen geschikten toestand verkeeren. Om in eenig ander opzigt in een geschikten toestand te zijn (bijv. niet meer of minder te bezitten dan zij noodig hebben) zouden zij ook in een ander opzigt in een onveranderlijken toestand moeten komen en zoo voort. Volmaakte geschiktheid in alle opzigten vordert aldus onveranderlijkheid, of gemis van alle verscheidenheid in tijd, doch, daar de ervaring leert dat verscheidenheid in ruimte steeds gepaard gaat met verscheidenheid in tijd, zoo zal het gemis hiervan met dat der verscheidenheid in de ruimte moeten gepaard gaan, en aldus de volmaakte geschiktheid slechts bij den onveranderlijken Ether en de onveranderlijke denkbeelden van den Oergeest te vinden zijn5.
De wet der veranderlijkheid werkt echter het ontstaan van zulk een toestand onophoudelijk tegen en wel sterker bij de hemelbollen qualitatief meer van den onveranderlijken Ether, en bij de geesten evenzoo meer van den onveranderlijken Oergeest verschillende. Deze wet werkt op verschillende wijzen. Zij doet bijv. uit verschijnsels andere verschijnsels voortspruiten waardoor de eerste tegengewerkt of bevordert worden. In het eerste geval is echter dit tweede verschijnsel traag, zoodat het nog bestaat, wanneer het eerste zulks niet meer doet, en dan een verschijnsel tegengesteld aan het eerste te voorschijn brengt. Dit alsware negatieve eerste verschijnsel vernietigt wel het tweede, doch zelf traag zijnde, zoo bestaat het nog, wanneer dit tweede verschijnsel zulks niet meer doet, en brengt dan een verschijnsel tegengesteld aan dit tweede voort. Deze vernietiging van verschijnsels hebben wij op blz. 660 van ons werk get: Over de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz. de uitputtende werking genaamd. Zoo in dat werk, als in het vervolg er op, hebben wij eene menigte voorbeelden aangegeven van schommelingen door die werking der wet der veranderlijkheid bij verschijnsels van zeer verschillenden aard te weeg gebragt. Een voorbeeld er van is het volgende. Iemand gedraagt zich slecht, men begint hem te straffen, en, op het oogenblik dat hij zich het slechtste gedraagt, neemt het bestraffen het sterkste toe, om een maximum te worden, wanneer die persoon zich even goed als gemiddeld de menschen gedraagt. Daarna begint hij zich beter dan deze te gedragen, en, op het oogenblik dat hij zich het beste gedraagt, neemt het bestraffen het sterkste af en gaat het over in beloonen. Hierdoor wordt die persoon bedorven, hij begint zich minder goed te gedragen, en, op het oogenblik dat hij zich weder even goed als gemiddeld de menschen gedraagt, is het beloonen op een maximum geklommen enz.
Zulke schommelingen zouden nu slechts kunnen ontstaan door de gecombineerde werkingen der natuurwetten der traagheid en der veranderlijkheid. Bij dit voorbeeld toch trachten, zoowel zij die straffen en loonen, als hij die gestraft en beloond wordt, zoo zeer geene afwijkingen, te vernietigen, dan, tengevolge van bestaande afwijkingen van handelingen te veranderen. Wanneer bij deze de afwijking op het grootste is, veranderen gene op het meeste hunne manier van handelen, omdat alsdan de wet der veranderlijkheid hen daartoe dringt; terwijl, wanneer de afwijkingen bij de handelingen van gene op het grootste zijn, de gestraft of beloond wordende, eveneens wegens dezelfde oorzaak, zijne wijze van doen op het meeste wijzigt. Zulke schommelingen zullen echter zoo sterk niet plaats kunnen hebben, omdat de wet der geschiktmaking vereenigt met de beide bovengemelde natuurwetten werkt. Werkte zij alleen met de wet der traagheid, zoo zou de intensiteit der straffen steeds evenredig blijven met die van het wangedrag, die straffen aldus ophouden, wanneer hij, die deze straffen ondergaan heeft, zich weder gedraagt als gemiddeld de menschen, en er geene schommelingen ontstaan.
Evenzoo zal dit met het loonen plaats hebben, zoo de werking der wet van geschiktmaking alleen het vernietigen van afwijkingen tot doel heeft, en aldus het loonen een bedervenden invloed uitoefent. Heeft daarentegen de werking dier wet tot doel om de menschen, accidenteel beter geworden, aldus te houden, zoo zal zij hen hoogere eischen dan vroeger stellen, en hen in eene hoogere omgeving dan vroeger plaatsen. Deze laatste werking der wet van geschiktmaking niet in aanmerking nemende, zoo zal, bij de vereenigde werking der drie natuurwetten, in het begin het straffen sneller toenemen dan bij het geval op blz. 258 behandeld, het reeds trager dan vroeger toenemen, wanneer het wangedrag op een maximum is, en het reeds weder verminderd zijn, wanneer de gestraft wordende persoon zich weder als gemiddeld de andere menschen gedraagt. Op dit oogenblik geschiedt het straffen aldus minder streng dan in het vorige geval, en zal aldus die persoon, tengevolge der werking der wet der veranderlijkheid, minder in gedrag boven de andere menschen gaan uitsteken. De werking der wet der geschiktwording zal hem leiden om ook, zonder dat hij gestraft of beloond wordt, in zedelijkheid met gemiddeld de andere menschen gelijk te worden, eene reden waardoor de schommelingen bij de afwijkingen van zijn gedrag zwakker zullen worden, hetgeen wederom de schommelingen bij de wijzen, waarop hij behandeld wordt, verzwakt. Het gaat hierbij als bij een slinger, hoe minder deze van den verticaal afwijkt, met hoe minder snelheid hij den verticaal zal voorbijgaan, en met hoe minder snelheid hij dit laatste doet, hoe kleiner die afwijkingen zullen worden.
Bij de veranderlijke veropenbaring der zelfstandigheid door denking en door beweging baren zie blz. 240 bijzondere verschijnsels;, andere verschijnsels, deze weder andere verschijnsels, terwijl tevens verschijnsels, noch oorzaak noch gevolg van elkander zijnde, op elkander kunnen werken. In dit laatste geval kan het zijn, dat het eene dier verschijnsels het andere tracht te verzwakken en dit het eerste te versterken, of dat zij beide in aard aan elkander gelijk trachten te worden. In dit geval zal de wet der geschiktmaking trachten hen in het eerste geval quantitatief en in het tweede qualitatief aan elkander gelijk te doen worden, maar de wet der veranderlijkheid hen alsdan gevolgen geven, op dezelfde wijze op hen werkende als de snelheden van een slinger op de afwijkingen van den verticalen stand van dezen, zoodat zij met betrekking tot elkander schommelingen zullen ondergaan. Het verkeer van een arm met een rijk mensch zal bijv. genen meer behoeften geven, en dit behendigheid en vlijt, maar tevens oneerlijkheid bij hem kunnen opwekken, terwijl door dit verkeer de rijke zekere verzadiging zal ondervinden, waardoor hij zorgeloos en lui, maar tevens grootmoedig zal worden. Wanneer nu, tengevolge dier bij hen door dit verkeer opgewekte eigenschappen, beide dier personen even rijk geworden zijn, zullen, zoo van de wet van geschiktmaking de op blz. 259 gemelde werking niet bestond, die eigenschappen op een maximum zijn en de vroeger arme rijker worden, dan den vroeger rijken6.
Verschijnsels kunnen tot gevolg hebben andere verschijnsels wier grootte zij tengevolge der werking der veranderlijkheid trachten te doen toenemen, terwijl die gevolgen van geen noemenswaardigen invloed zijn op derzelver oorzaak. Door de nabijheid der aarde van de zon zou bijv. gene steeds warmer worden, zoo de op blz. 249 gemelde werking der wet van geschiktmaking, zich in dit geval als warmteuitstraling veropenbarende, er aan geen grens stelde. Die verwarming der aarde zal echter derzelver afstand van de zon niet veranderen; doch op blz. 156 gemelde werking hierbij die der wet van geschiktmaking zijn, in zooverre zij maakt dat snelheden, zie blz. 165 in aantrekkingstrillingen overgaan. In zoo verre die werking warmtetrillingen bij de hemelbollen in gewone snelheden doet overgaan, is zij daarentegen eene werking der wet der veranderlijkheid. Trouwens, zoo zij, door de hemelbollen zeer ver van elkander te brengen, tegengaat dat deze met groote snelheden betrekkelijk elkander bewegen en invloeden op elkander uitoefenen, zooals bijv. de zon op de aarde, belet zij dat die hemelbollen zich blijvend vereenigen tot een eenigen bol, die, door het opnemen der wrijvingswarmte door overgang voor uiterst vele en groote gewone snelheden in warmtetrillingen, voortgebragt, uiterst ijl en uitgezet zou worden, en aldus een zeer algemeen karakter zou verkrijgen.
Ook kan het zijn dat twee verschijnsels, noch oorzaak noch gevolg van elkander zijnde, op elkander gaan werken, en dat het eene hierdoor niet noemenswaardig verandert, terwijl het andere versterkt of verzwakt wordt. Het onderwijs, door een schoolmeester gegeven, komt bijv. in aanraking met den geest van een leerling, en tracht diens kennis te vergrooten. Door de werking der wet der veranderlijkheid zou die schoolmeester dien leerling gansche bibliotheken van buiten kunnen doen leeren maar, onder de gedaante van vergeten, beperkt de werking der wet van geschiktmaking de toename der geleerdheid van den leerling. Neemt men den geest opheffende werking der inspanning, welke zich de schoolmeester geeft, niet in aanmerking, zoo zal deze door den directen invloed op hem van dit door hem gegeven onderwijs, niet meer of minder geleerd worden, en de op blz. 255 gemelde werking der wet van geschiktmaking hem niet even kundig als zijn leerling trachten te maken, omdat hij zich niet op eene lijn met dezen stelt, en niet vermeent aan dezelfde voorwaarden als dezen te moeten voldoen.
Ook kan het zijn dat een verschijnsel een ander tot gevolg heeft en de intensiteit hiervan tracht te vergrooten, terwijl dit gevolg iets dergelijks bij deszelfs oorzaak tracht te weeg te brengen, of dat twee verschijnsels zulke invloeden op elkander uitoefenen, dat zij elkander wederkeerig versterken of verzwakken. Op blz. 309 van het Vervolg van ons werk get.: Over de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz. hebben wij daarvan verscheidene voorbeelden gegeven. De werking der wet van geschiktmaking werkt dan echter de vergrooting van elk dier verschijnsels tegen, zoodat zij eindelijk, na zekeren trap van grootte bereikt te hebben, niet meer noemenswaardig veranderen. Zoo zal wel het vliegen der vogels de vergrooting van derzelver vleugels bevorderen, en het bezit van grootere vleugels die vogels sterker doen vliegen, edoch, zoowel eene bovenmatige grootte hunner vleugels, als het uiterst snel doorklieven der lucht, voor de vogels iets ongeschikt moeten worden.
Zoo versterken moedeloosheid en geledene verliezen elkander wel, doch de werking der wet van geschiktmaking zal den ontmoedigden tot bezinning doen komen, en hem tevens zijn werkkring doen beperken, waardoor deze zie blz. 42 meer in harmonie met de overgeschotene hulpmiddelen komt, en het lijden van nog meer verliezen moeijelijker wordt, ofschoon de moedeloosheid dan nog als gevoel van zwakte kan blijven bestaan.
Op blz. 152 hebben wij gesproken van eene wederkeerige versterking van den aanleg voor iets en den graad waarin men het er in brengt. De werking der wet van geschiktmaking schijnt echter de vergrooting van zulk een aanleg, naarmate deze graad grooter is, sterker te bemoeijelijken, terwijl de werking dier wet, waardoor de verschillende soorten van geestontwikkeling zich bij den mensch op dezelfde hoogte trachten te stellen, voor zooverre de levensomstandigheden dit niet tegengaan, benevens de terugtrekkende werking van het ligchaam en der beperktheid der controlerende zintuigelijke aanschouwing, de vergrooting van eene soort van geestontwikkeling bij den mensch tegengaan. Wanneer echter die wederkeerige versterking van aanleg en graad van geestontwikkeling in iets zwakker is, zal de werking der wet van geschiktmaking eerst later beide beletten verder noemenswaardig in grootte toe te nemen. Die geestontwikkeling zal dan toch meer tijd gehad hebben om zich geschikt voor andere zaken te maken, om de bovengemelde haar alsware achteruittrekkende zaken te ontvlieden, en bijv. met een hooger georganiseerd ligchaam en eene ruimere controlerende aanschouwing in aanraking te komen.
Bij die wederkeerige versterking komt het ons voor dat de aanleg zwakker toenemen moet, naarmate hij van meer algemeenen aard en meer met de op blz. 185 gemelde grondslagen van de ligchaamsorganisatie vergelijkbaar is. Vooral voor de vergrooting van deze soort van aanleg (evenals de meer bijzondere soorten er van in eigenschappen van denkbeelden bestaande) zal langere duur der toeneming der geestontwikkeling gunstiger werken dan de sterkte dier toeneming, hetgeen ook doorgaat voor de verandering der algemeene karaktertrekken bij wederkeerige versterking dier verandering en van zekere rigting van denkbeelden. Wederkeerige versterking tusschen een eindigen aanleg en eene geestontwikkeling gelijk nul kan binnen geen eindigen tijd bestaan, ten eerste omdat, zonder geestontwikkeling, dat is zonder denkbeelden, er geen aanleg kan bestaan zie blz. 247, ten andere omdat nul, met alle eindige grootheden vermenigvuldigd, steeds nul tot product geeft. Buitendien zal er eene opheffende werking noodig zijn om de geestontwikkeling te vergrooten. Aanleg is hiervoor niet voldoende, deze maakt slechts de taak dier opheffende werking gemakkelijker. Deze is zelfs ook noodig om de vogels te leiden om te vliegen, want men kan het bezit van vleugels door de vogels eenigzins vergelijken met die van zintuigsorganen door de menschen. De vergelijking van het edelere gebruik dat wij, met het lagere gebruik dat de dieren van die organen maken, toont aan dat voor het waarnemen en opmerken het bezit van zulke organen niet voldoende is.
Deze beide voorbeelden zijn dan ook niet die van eenvoudige wederkeerige versterking van twee verschijnsels, maar van zoo iets gepaard met de versterking van het eene dier verschijnsels door een ander dat er niet door aangedaan wordt (zie later). De werking der wet van geschiktmaking zou de versterking van dit eerste verschijnsel namelijk die van de geestontwikkeling zeer beperken, zoo die werking steeds gevormd werd door de terugtrekkende werking van de ligchamen en de beperktheid der aardsche zintuigelijke indrukken. Verplaatst zich echter het peil, waarnaar de terugtrekking geschiedt, naar hooger, zoo vervalt de beperking der toeneming der geestontwikkeling door de werking der wet van geschiktmaking. De bijzondere verschijnsels met betrekking tot de gemiddelde toestanden, brengen voort bijzondere verschijnsels met betrekking tot iets van een anderen algemeenen aard, of afwijkingen van eene andere soort van gemiddelde, (zooals bijv. de afwijkingen van een gemiddeld gedrag, afwijkingen van eene gemiddelde behandeling). Deze doen op hunne beurt hetzelfde, en zoo ontstaan er eene menigte van bijzondere verschijnsels of afwijkingen van gemiddelden van verschillenden aard, die elkander versterken of verzwakken. Doordat bij dit laatste er echter, zooals blz. 258 gezegd is, eene versterking in tegenovergestelden zin plaats heeft, wanneer het gevolgverschijnsel verzwakt, terwijl wederkeerige verzwakking niet kan plaats hebben, wanneer een der verschijnsels opgewekt wordt, zoo zal het ontstaan van bijzondere verschijnsels en afwijkingen, door andere bijzondere verschijnsels en afwijkingen van iets anders voortgebragt, als ware het totale bedrag der bijzondere verschijnsels en afwijkingen van verschillenden aard vergrooten. Wel zal nu de werking der wet van geschiktmaking de bijzondere verschijnsels en afwijkingen trachten te vernietigen en dit in zekere mate doen, doch daar andere bestaande bijzondere verschijnsels en afwijkingen als gevolgen baren nieuwe bijzondere verschijnsels en afwijkingen van de soort der vroeger, door de werking der wet van geschiktmaking grootendeels vernietigd, de werking dier wet tegengewerkt worden door die der wet der veranderlijkheid en in den ganschen veranderlijken wereld dan de eene en dan de andere werking de overhand bekomen. Ofschoon die der wet der veranderlijkheid verschijnselen in aard hier mede verschillende gevolgen doet voortbrengen, zoo hebben oorzaken steeds er mede gelijkslachtige hetzij hen verzwakkende, hetzij hen versterkende gevolgen. Iets dergelijks ontwaart men ook bij de werking der wet van geschiktmaking. Bij de verschijnsels geschiedt deze op er mede gelijkslachtige wijze, zooals vernietiging van snelheden door omzetting dezer in trillingen, die van het hinderlijke der slavernij door verdierlijking der slaven enz. Dit ontstaat doordat, zooals op blz. 249 gezegd is, vaste, maar alsware meer bijzondere wetten bepalen in welke verhouding de aard der werkingen der beide algemeene wetten staat tot de verschijnsels waarbij zij plaats hebben. Vandaar dat al de wetenschappen, die de oorzaken en het verband der verschijnselen nagaan, zooals de Natuurkunde, de Staathuishoudkunde, de Ethica, de Wijsgeerige geschiedenis, de Volkenkunde enz., ten doel hebben om te vinden, welke bijzondere natuurwetten uitsluitend op ieders gebied heerschen zouden, zoo er geen verband tusschen de verschijnsels, tot het gebied dier verschillende wetenschappen behoorende, bestond7.