Al ben ik duister,
De naam geeft luister.
Zie v. Alkemade, Displegtigh. II. 528. Uitvoerige melding van Viglius en zijne geschriften vindt men in de aangehaalde Oratie van den Hoogleeraar de Wal, bl. 31, 103, 430 volgg. Verg. de Wind, Bibliotheek, II. 188.
Bl. 182.—Ao 1577.
Waar op de Graaf van Rennenberg. Georg van Lalaing, Heer van Ville en Graaf van Rennenberg, gesproten uit een der aanzienlijkste en oudste stamhuizen van Henegouwen, reeds in de XII eeuw bekend, was een man van grooten aanleg en kunde. Tot Stadhouder van Friesland, Groningen en Overijssel benoemd, bekleedde hij in den aanvang het Staatsambt met wijsheid en matigheid, doch later schandvlekte hij zich zelven in ’s Lands geschiedenis als eenen verrader. De verdienstelijke Rijks-Archivarius de Jonge93 vermeent, dat hij welligt door onze Voorvaderen, om deze daad, zonder inachtneming der omstandigheden, te streng veroordeeld; doch wanneer wij bij den uitmuntenden Geschiedschrijver A. Kluit, in diens Historie der Hollandsche Staatsregering (I. 176, noot), lezen, dat, hoezeer de ware staatkundige redenen van den afval van Rennenberg, niet zoo zeer bekend zijn, men het echter, naar aanleiding zijner eigenhandige brieven, aan zijne vrienden geschreven, daarvoor moet houden, dat die redenen gelegen waren in jalouzij op Nassau en bevordering van eigen grootheid; hoe zal men dan nog voor zulk een boos en misdadig opzet, in een Bestuurder des Lands, middelen ter verdediging kunnen vinden? Zijn karakter vinden wij juist beschreven door een zijner tijdgenooten, die de meeste gebeurtenissen zelf heeft bijgewoond, en wel tot de Staatsgezinde partij behoorde, dan met onpartijdigheid een uitgebreid verhaal van de jaren 1576 tot 1582 heeft gegeven. Dit is de Franeker Burgemeester Renico of Rienk Fresinga, hier voren gemeld, wiens boeksken vooral over dit tijdvak belangrijk is94. De onsterfelijke Hooft geeft navolgende uitnemende karakterschets van den Graaf:
»Hij was geweest een Heer, eedelaardigh, milddaadigh, heusch en minlyk van zeeden; verfoeyer van wreetheit, geweldenaary, en dronckenschap; betrachter der krystught, en lief den landzaaten, zonder nochtans de gunst der soldaaten te verliezen, mits de zorghe die hy voor hunne betaaling droegh; hier beneevens versiert met meer dan gemeene geleertheit; welgeoeffent in de Grieksche, Latynsche, en andere taalen; zeer zoet op de wiskonstighe weetenschapen, inzonderheit de maatzang. Al dat ’er in te berispen scheen, was een’ blaakzuchtighe ruimborstigheit in ’t houden van hof en disch, booven zijn’ inkomst; een toegeeven aan zyn’ geneigtheit tot vrouweeren; opstyghing van moedt, als ’t geluk hem meede; stryking, als ’t hem teeghen liep; en ’t ontzuivren van zyn’ eer en gewisse met verandering van parthy. Eevenwel om de kosten zynes staatvoerens te vergelden, schrobd’ hy nooit de gemeente, en stak maar eighe middelen af. Zyn’ boelaadjen beleidd’ hy zoo heimelyk, dat ze ten minste geen’ arghernis baarden. Onbestendigheit in voor- en teeghenspoedt is de zeldzaamste der menschelijke zwakheeden niet. Zyn’ trouwbreuk strekte eenen naaghel aan zyn’ doodkist, en werd geboet met een berouw dat zyn’ ziel doorsneed: ’t en zy hem ’t quaalyk beslaaghen meer dan ’t misdryf gezeurt heeft. Oover Groninge, zeeker, in zyn’ ziekte, riep hy dikwyls, wenschende ’t nooit gezien te hebben. Ook verbood hy in de laatste daaghen, zyn’ zuster Kornelia, als het dwaallicht dat hem verleidt had, onder zyn’ ooghen te koomen. De gemelde deughden, en fraayigheden naa deughd zweemende, deeden hem beklaaghen, zelfs van zyn’ meeste vyanden, dien ’t jammerde dat hy tot dien val geraakt was.”
Verg. Schot. Fr. Hist. bl. 810 volgg., bij welken Schrijver men op bl. 884 deze karakterschets wedervindt, er (uit Fresinga) bijvoegende, dat zijne zuster Kornelia hem ook had bekoord en gevleid, met het uitzigt op een huwelijk met Maria van Brimeu, Gravinne van Megen, weduwe van Lancelot Barlaimont, hetwelk echter mislukte. Zie Wins. Chron. XVIII Boek; Histor. p. 544; J. Bosscha, Neêrl. Heldend. te Land, bl. 257, 265, 266; welke laatste zijnen afval toeschrijft, aan gemoedelijk bezwaar en ontzag voor de Katholijke kerk.
Bl. 191.—Ao 1580.
Merode, Heer van Rummen. De geschiedenis getuigt van hem als van een edel, eerlijk en standvastig voorstander der vrijheid, getrouw voor de goede zaak, dapper in den krijg, en wiens verkregen roem, door zijn verstandig stadhouderlijk bestuur in Friesland is staande gehouden. Er is nog in geschrifte van dien tijd, aanwezig een Journaal van voorgevallene saacken in Friesland, enz., geholden bij Bernard van Meroode, Stadholder,—van den 7 Julij 1580 tot den 12 Junij 1583: aan de achterzijde op den pergamenten omslag staat: Prothocol de la Secretairie du Gowerneur de Frise. Dit belangrijk Handschrift onderzoekende, bevond ik dat hetzelve bevatte vele Commissiën, Instructiën, Resolutiën, Ordonnantiën, bijzonder voor de Hoofden der Krijgsmagt en voor de burgerlijke Besturen; voorts Paspoorten, Sauvegardes, Brieven aan Vorsten en Edelen, Requesten, Plakkaten en andere Staatsstukken, van welke slechts zeer weinigen in het Charterboek van Schwartzenb. voorhanden zijn, en wel alleen die, welke te vinden waren in de Leeuwarder Plakkaatb.
In 1583 verzocht Merode, uit hoofde van zijnen hoogen ouderdom, om de gedurige onrust der tijden, de twist en tweedragt om het Meesterschap tusschen de Staten en het Hof, en omdat de Edelen geen ontzag voor hem hadden, zijn ontslag, en verkreeg zulks op eene zeer vereerende wijze. Zijne Commissie van den Prins van Oranje, om in zijnen naam Friesland te besturen, is van den 17 Junij 1580, Chartb. IV. 172; Wins. fol. 670. Verg. Leven van Willem I, door L. F. de Beaufort, XI Boek. Bernard van Merode en zijn broeder Willem behoorden tot de eersten, die onder den Prins dienst namen, en in het veld door dapperheid en wijs beleid uitmuntten. Dit geslacht heeft aanzienlijke bezittingen in de Provincie Noord-Braband, doch behoorde van overouden tijd tot den Belgischen Adel. Verg. J. Bosscha, Neêrl. Heldend. te Land, bl. 243.
Bl. 196.—Ao 1584.
Wij laten hier volgen een kort overzigt van de Stadhouders van Friesland, uit het Huis van Nassau:
Willem Lodewijk.
Eerste Stadhouder.
Willem Lodewijk, Graaf van Nassau, was de zoon van Johan den Ouden, Graaf van Nassau-Dillenburg, Broeder van Willem I. Hij werd geboren op den 13 Maart 1560; huwde in den jare 1587 Prinses Anna, Dochter van zijnen Oom Willem I, verwekt bij diens tweede Gemalinne Anna van Saksen95. Slechts ruim zeven maanden duurde deze echt, daar de Prinses in den jare 1588 ten huize van Julius van Botnia, een der voornaamste Friesche Edelen, ijveraar voor vrijheid en godsdienst, in den ouderdom van 26 jaren te Franeker is overleden. WILLEM zelf is den 31 Mei 1620, ten gevolge eener beroerte binnen Leeuwarden gestorven; zoo men verhaalt, terwijl hij bezig was zijnen Neef Maurits bij geschrifte te raadplegen, wat hem te doen zou staan, indien eens Maurits, zonder behoorlijke schikkingen te hebben gemaakt, door een’ plotselingen dood werd overvallen.
In 1583, in de plaats van Merode gesteld zijnde, werd hij op den 16 October 1584 door de Staten van Friesland, op den Landsdag te Franeker, tot absoluut Stadhouder en Gouverneur over dat Gewest, verkoren, nadat men plegtig den Koning van Spanje afgezworen had.
Hij was een voortreffelijk Vorst, een dapper en bekwaam krijgsman, een voorstander van de godsdienst, en, hoewel deelende in de kerkelijke scheuring, meer gematigd dan Prins Maurits. Loffelijk getuigen Ubbo Emmius, van Reijd en Willem van Haren van zijne krijgskundige verdiensten en grondige kennis, zoowel der theorie als praktijk. Als beminnaar en hoogachter van letteren en geleerdheid, erkent men in hem den Stichter der Friesche Hoogeschool, welke, zoowel als de geheele Provincie, die door hem weder in rust gebragt werd, zijne bijzondere bescherming heeft genoten. Ook aan hem mag de eer worden toegekend van de oprigting der Groninger Akademie.
Hij regeerde van 1584 tot 1620.
Ernst Casimir.
Tweede Stadhouder.
Ernst Casimir, Graaf van Nassau, Broeder van Willem Lodewijk, werd diens Opvolger in het Stadhouderschap over Friesland. Hij was geboren den 22 of 24 December 1573, trouwde in den jare 1607 met Anna Sophia, dochter van den den Hertog Julius van Brunswijk, welke Prinses in 1642 is overleden. Uit dit huwelijk zijn twee zonen en twee dochters geboren, welke laatsten jong en ongehuwd overleden zijn; de beide zoons, Hendrik Casimir en Willem Frederik, zijn hem in de regering opgevolgd. Na een aantal gewigtige zendingen ten dienste van den Staat, werd hij eerst Stadhouder van Friesland, en daarna door Groningen en Drenthe in die waardigheid erkend. In vele krijgsverrigtingen muntte zijn beleid en dapperheid bijzonder uit; doch in het beleg van Roermonde, op den 2 Junij 1632, trof een vijandelijke musketkogel, terwijl hij de loopgraven bezigtigde, zoodanig zijn hoofd, dat hij na verloop van drie uren daarna den geest gaf. Als staatsman vond ik hem niet bijzonder vermeld: in het kerkelijke bezat hij minder gematigdheid dan zijn broeder.
Hij regeerde van 1620 tot 1632.
Hendrik Casimir I.
Derde Stadhouder.
Hendrik Casimir I, Graaf van Nassau, oudste Zoon van Ernst Casimir en Anna Sophia, werd in den jare 1611 geboren en is niet gehuwd geweest. Men roemt hem als een dapper held, wiens leven in velerlei krijgstogten werd gesleten, terwijl een schoon getuigenis wordt gegeven van zijn godsdienstig, standvastig en braaf karakter. Zelfs zijner wederpartij dwong hij zoodanige hoogachting af, dat een vijandlijk Officier bij ’s Vorsten doodberigt had uitgeroepen: »Nu is de braafste Kapitein in Nederland gestorven!” Onder de beroerten in Friesland in 1635 bewees hij ook dat Gewest groote diensten. Bij de belegering van Hulst en Brugge trof hem een pistoolschot in den rug, welke wonde hem op den 12 of 13 van Hooimaand 1640 den dood veroorzaakte.
Hij regeerde van 1632 tot 1640.
Willem Frederik.
Vierde Stadhouder.
Willem Frederik, Graaf of Prins van Nassau, jongste Zoon van Ernst Casimir, werd te Arnhem op den 7 Augustus 1613 geboren, en trad den 2 Mei 1652 in den echt met Albertina Agnes, Dochter van Frederik Hendrik, Prins van Oranje. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren: Prinses Amelia, met den Hertog van Saksen-Eysenach getrouwd; Sophia Hedwich, omtrent derdehalf jaren oud gestorven, en Hendrik Casimir. Willem Frederik verlangde zijnen Broeder Hendrik op te volgen als Stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe, doch Frederik Hendrik, begeerde over al de gewesten te heerschen. Hierover ontstond geschil, en beide namen hunne maatregelen om tot hun doel te geraken. Willem Frederik werd door de Staten van Friesland tot Stadhouder, en Frederik Hendrik, door die van Groningen en Drenthe verkozen. Gelijk alle twisten tusschen hooge personen nadeelig werken voor Land en Volk, had ook dit geschil buitendien voor den Vorst zeer onaangename gevolgen: want de magtiger Frederik dwong zijnen mededinger tot menige vernedering. Op eene noodlottige wijze verloor hij het leven: want bij het beproeven van een zadelpistool, zullende dienen op zijne voorgenomene reis naar Westfalen, ging het schot af, en trof hem dermate in het aangezigt, dat hij drie dagen daarna overleed. Dit was op den 21 October 1664, terwijl de Stadhouder te Leeuwarden resideerde.
Hij was een bekwaam krijgsman, bedreven in staatszaken en van karakter uitstekend: daarenboven een beoefenaar en hoogschatter der Letteren, waarvan de Hoogleeraar Ulrik Huber getuigt, dat de werken van Tacitus en Seneca, zoowel des nachts als des daags door den Prins werden gelezen, en in het geheugen geprent. De Franeker Hoogeschool verloor in hem eenen sterken voorstander en verdediger.
Hij regeerde van 1640 tot 1664.
Albertina Agnes.
Voogdesse.
Albertina Agnes, Prinses van Oranje, in ’s Gravenhage op den 29 April 1634 geboren, had gedurende den tijd der voogdijschap over haren zoon Hendrik Casimir, die nog geen acht jaren oud was bij den dood zijns Vaders, het bestuur over dit Gewest, en verwierf zich veel gezag bij de Friezen. Zij was eene verstandige, beminnelijke en zeer godsdienstige vrouw; eene voortreffelijke echtgenoot, en eene waardige en zorgvuldige moeder voor hare kinderen, welke zij allen, voor zich ten grave zag dalen. Den 24 Mei 1696 overleed zij op hare lustplaats, het Oranjewoud, alwaar zij een geruimen tijd van haren weduwlijken staat had doorgebragt.
Zij regeerde van 1664 tot 1679.
Hendrik Casimir II.
Vijfde Stadhouder.
Hendrik Casimir II, Prins van Nassau, eenige Zoon van Willem Frederik en Albertina Agnes, werd geboren op den 18 Januarij 1657. Op zijn vijftiende jaar legde hij als Stadhouder den eed af, welke waardigheid drie jaren later door de Staten van Friesland, Groningen en Drenthe, voor zijne mannelijke nakomelingen, erfelijk verklaard werd. Op zijn 22 jaar echter kreeg hij eerst het Stadhouderlijk bewind alleen in handen. Den 16 November 1683 trad bij in den echt met Amelia, Prinses van Anhalt-Dessau, Dochter van Johan Georg II, waarmede hij dertien jaren vereenigd was, en uit welk huwelijk zijn gesproten zeven dochters en twee zoons: Willem Georg Friso, die een jaar na zijne geboorte is gestorven, en Johan Willem Friso, zijns Vaders opvolger.
Zijne benoeming tot Kapitein-Generaal en andere voorvallen gaven aanleiding tot twisten tusschen hem en Prins Willem III, welke echter door diens uitzigt op de kroon van Engeland bedaarden, en in 1685, onder bemiddeling van den vermaarden Hoogleeraar Joh. van der Waeijen, daarna des Stadhouders Raadsman, geheel werden bijgelegd. Op zijn zeventiende jaar stortte hij bij een gevegt, te stoutmoedig met den degen in de vuist op den vijand indringende, met zijn paard in eene laagte, ten gevolge van welken val, hij steeds onderhevig aan bloedspuwingen is geweest; en door deze kwaal in zijne gezondheid ondermijnd, overleed hij te Leeuwarden op den 25 Maart 1696.
Hij studeerde in den jare 1671 te Franeker, en gaf vele blijken van verstand, oordeel en ervarenheid; dan vooral in het krijgswezen muntte hij uit in moed, beleid en onverschrokkenheid. De dappere Generaal Hans Willem, Baron van Aylva, die den Lande in een zeer netelig tijdperk voortreffelijke diensten bewees, was hem een Leermeester zonder wederga, en had hem den weg tot een onsterfelijken roem helpen banen. Zijn dood was voor Friesland een zware slag, want in hem werd een schrander, deugdzaam en edelmoedig Vorst, een magtig Beschermheer verloren.
Hij regeerde van 1679 tot 1696.
Amelia.
Voogdesse.
Amelia, Prinses van Anhalt-Dessau, geboren in 1666, werd als Voogdesse erkend over haren zoon Johan Willem Friso, oud ruim acht jaren bij het overlijden zijns Vaders, en had tot zijne meerderjarigheid het bestuur in handen. Zij kocht voor haren zoon de Heerlijkheid Ameland, voor 170,000 Karels guldens. Men vindt weinige bijzondere berigten over haar vermeld: zij moet eene schoone, vernuftige en schrandere vrouw geweest zijn, wier zucht echter tot pracht en weelde der spaarzaamheid zeer in den weg stond. In den jare 1726 is zij in Duitschland gestorven.
Zij regeerde van 1696 tot 1707.
Johan Willem Friso.
Zesde Stadhouder.
Johan Willem Friso, Prins van Oranje-Nassau, geboren den 14 Augustus 1687 te Dessau, aanvaardde in 1707 het Stadhouderschap over Friesland, en het jaar daarna over Groningen en Ommelanden. Na den dood zijns Vaders nam Prins Willem III de zorg zijner opvoeding op zich, en deze, zonder kinderen overlijdende, maakte zijn geliefden kweekeling tot zijnen eenigen erfgenaam. Op den 1 Mei 1709 trad hij in den echt met Maria Louisa, Prinses van Hessen-Cassel, uit welk huwelijk zijn geboren twee kinderen: eene dochter Anna Charlotta Amelia, getrouwd met den Prins van Baden-Durlach, en een zoon, Willem Karel Hendrik Friso. Op den 14 Julij 1711 is de Stadhouder, in zijnen jeugdigen leeftijd, op eene droevige wijze omgekomen, daar hij bij de overvaart van het Strijensche Sas aan den Moerdijk, toen door een rukwind de pont werd omgeslagen, zijn dood in de golven vond. Zijn krijgsroem was reeds gevestigd; zijne deugden waren velen, en had hem een langer leven mogen te beurt vallen, hij zou ongetwijfeld in ’s Lands geschiedenis eene luisterrijke plaats hebben bekleed. Gedurende anderhalf jaar, in 1700 en 1701, heeft de Prins te Franeker gestudeerd, en bijzonder het onderwijs van den beroemden Fullenius genoten, waarna hij, op begeerte van zijnen Voogd, Prins Willem III, zich ook naar de Hoogeschool te Utrecht begaf.
Hij regeerde van 1707 tot 1711.
Maria Louisa.
Voogdesse.
Maria Louisa, Prinses van Hessen-Cassel, een der veertien kinderen van den Landgraaf Karel en Maria Amelia, Prinses van Courland, is geboren op den 17 Februarij 1688. Onder de leiding harer uitmuntende moeder, wier evenbeeld zij werd, ontwikkelde zich in haren jeugdigen leeftijd reeds den voortreffelijken aanleg tot deugd en bekwaamheid, welke het sieraad eener vrouwe zijn, en de Vorstin bovendien tot een verheven en magtig voorbeeld voor hare onderdanen stelt. Gedurende de minderjarigheid van haren Zoon, bestuurde zij ’s Lands zaken met beleid en verstand, zoodat zelfs de Staten van dit gewest, haar met een geschenk van 5000 gulden vereerden, en eene levenslange jaarwedde van eene gelijke som. Na den dood van Prins Willem IV en deszelfs Weduwe werd haar weder de waarneming van het Stadhouderlijk bewind over Friesland opgedragen, hetwelk zij met welgezindheid aanvaardde en met ijver behartigde. Op den 9 April 1765, dus ruim 77 jaren oud, is deze Vorstin te Leeuwarden overleden, en hare nagedachtenis is door alle tijden bij de Friezen in zegening gebleven: want zij was godsdienstig, nederig, milddadig en beminnelijk van karakter, zoodat men dan ook haar steeds met den vereerenden lievelingsnaam van Maryke-Mui bestempelde. Als Stadhouderes regeerde zij met wijsheid en gematigdheid. Zoowel voor de stille rust als voor het woelige hofleven geschikt, bragt zij in godsdienstige afzondering en vrolijke uitspanning vele dagen door in haren lusttuin Marienburg, bij Leeuwarden, of op het geliefkoosd Oranjewoud96.
Zij regeerde van 1711 tot 1731, wanneer haar zoon meerderjarig werd. Van diens dood tot in 1759, in welk jaar hare schoondochter Prinses Anna, is overleden, had zij eenig deel aan ’t Stadhouderlijk bewind, en na dien tijd regeerde zij weder geheel tot 1765.
Willem Karel Hendrik Friso.
Zevende Stadhouder.
Willem Karel Hendrik Friso, of Willem IV, Prins van Oranje-Nassau, werd te Leeuwarden geboren den eersten van Herfstmaand 1711, zes weken na zijns Vaders overlijden. In den eersten leeftijd onder het oog zijner verstandige moeder opgevoed, daarna door de beroemdste geleerden, zoo als Wesseling, Hemsterhuis, Heineccius en anderen, aan de Friesche en Utrechtsche Hoogescholen, onderwezen, moest zijn krachtvolle geest zich spoedig ontwikkelen, en eene grondige kennis van zaken bekomen, welke den echten Landsvader kenmerken, en zijn bestuur ten beste der onderdanen doen gedijen. In den jare 1731 aanvaardde hij de waardigheid van Stadhouder over Friesland, na reeds daarin over Groningen, Drenthe en Gelderland te zijn bevestigd. In het merkwaardig jaar 1747 werd een perk gesteld aan de verdeeldheden eener vijfenveertigjarige Stadhouderlooze regering in de overige Provincien, en Willem IV tot Algemeen Stadhouder over al de gewesten verkoren, met erfelijk-verklaring dier hooge waardigheden, zoowel in de vrouwelijke als mannelijke linie. Hij trad in den echt met Anna, Kroonprinses van Groot-Brittanje op den 25 Maart 1734. De spruiten uit dezen echt waren, behalve drie dochters, welke allen kort na de geboorte zijn overleden, Prinses Carolina en Prins Willem V. Hij regeerde gelijk het den Vorst betaamt, wien zijn Land en Volk, als zijn eigen welzijn, zeer ter harte gaan. Twee groote Nederlandsche Historieschrijvers, Stuart en Scheltema, getuigen beide van hem: »dat hij de grootheid van zijn Huis alleen zocht in de ware grootheid van den Staat; zijn hoogste eerzucht in de liefde zijns Volks stellende.” Geen offer achtte hij te dier voor de belangen der natie, en standvastig van geest volgde hij steeds het hem aangewezen moeijelijk pad. Vele goede en beminnelijke hoedanigheden waren van de Moeder op den Zoon overgegaan; godsvrucht en christenliefde paarde zich aan opregtheid en eerlijkheid97. Als vriend der geleerden en voorstander der wetenschappen, vond ook de Friesche Hoogeschool in hem eenen ijverigen Beschermheer. In den ouderdom van ruim veertig jaren bezweek zijn van tijd tot tijd verzwakt ligchaam, onder de rusteloosheid van eenen veelvuldigen zwaren arbeid. Hij stierf den 22 October 1751, en werd te Delft in den Vorstelijken grafkelder van Willem I begraven.
Hij regeerde van 1731 tot 1751.
Anna, Kroonprinses van Groot-Brittanje, Prinses van Brunswijk-Lunenburg, Gemalinne van Willem IV, was de oudste Dochter van Koning George II, en werd geboren den 2 November 1709. Zij was eene schoone vrouw, helder en krachtvol van geest, kloek van verstand, edel van ziel en grootmoedig van karakter; de geschiedenis getuigt van haar, dat zij niet alleen vele voortreffelijke deugden, maar ook uitstekende talenten bezat, zoodat zij in verschillende talen oordeelkundige werken over godsdienst, geschiedenis en zedekunde geschreven heeft, en dit wel, hetgeen bijzondere opmerking verdient, niet om te schitteren, maar tot eigen oefening en anderer nut. Dat zij alzoo voor haren Gemaal een onschatbaar kleinood was, zal wel geen betoog behoeven: want, ook in staatszaken ervaren, ondersteunde zij in die oproerige tijden den vredelievenden Vorst met wijzen raad. Na den dood van dezen had zij bij het voeren des bewinds en ’t bestier der voogdij, eene standvastigheid en kloekheid betoond, die den Grooten Frederik, op het ontvangen van haar doodberigt, aan der Staten Gezant schrijven deed: »Ik heb eene Vriendin verloren, die door hare grootmoedigheid, wijsheid en eene hare kunne te boven gaande kracht van geest al mijne achting verdiende.” Op den 12 van Louwmaand 1759 ontsliep zij in den ouderdom van ruim 49 jaren te ’s Gravenhage, en werd bij haren Gemaal te Delft begraven.
Zij regeerde als Gouvernante van 1751 tot 1759; terwijl echter het beheer in Friesland aan de Staten en Prinses Maria Louisa was opgedragen.
Carolina.
Regentesse.
Aan Carolina, Prinses van Oranje, eenige overgeblevene dochter van Willem IV, geboren te Leeuwarden den 28 Februarij 1743, werden, na den dood harer Grootmoeder Maria Louisa, in den jare 1765, ten gevolge der Landsverordeningen op de Voogdij, de Magistraatsbeschikkingen in de Friesche steden opgedragen, tot aan de meerderjarigheid van haren Broeder. Zij huwde in 1759, dus zestien jaren oud, na vele staatkundige tegenstribbelingen, aan Carel Christiaan, Prins van Nassau-Weilburg, gesproten uit de linie van Walram.
Zij regeerde tot in 1766.
Willem V.
Algemeen Stadhouder.
Willem V, Prins van Oranje-Nassau, geboren den 8 Maart 1748, aanvaardde het Stadhouderschap over al de Gewesten den 8 Maart 1766. Hij trad in den echt den 4 October 1767 met Frederica Sophia Wilhelmina, Prinses van Pruissen, Nicht van Koning Frederik II, den 7 Aug. 1751 geboren. Deze zijn de doorluchtige Ouders van onzen geëerbiedigden Koning. Prins Willem overleed te Brunswijk in Grasmaand 1806, en zijne verhevene Gemalinne op het Loo 9 Junij 1820.
Bl. 201.—Ao 1591.
En 6 yzere gotelingen. In dezen tijd was voornamelijk ook eene soort van geschut in gebruik, genaamd Gotelingen, van 18, 8, 6, 4, 3 en 2½ pond, benevens metalen Kartouwen, Colverijns, Veldslangen, Sakers, Dranken, Mignions en anderen; die vooral op de schepen gebezigd werden. De Jonge, Gesch. van het Zeewezen, I. 402. Verg. Kiliaan op ’t woord.
Bl. 208.—Ao 1594.
En op Ostagiers handelende. Ostagier, Stagier beteekent een gijzelaar; vandaar: op Ostagiers geven, handelen, nemen, d. i. gijzelaars ten onderpand geven of ontvangen. Zie Kiliaan. Over dit merkwaardig beleg vergelijke men den Tegenw. Staat van Stad en Lande, I. 518; Wins. fol. 817, enz.
Bl. 216.—Ao 1620.
Die heerlyke begraafplaats. De Groote of Jacobijner kerk is volgens Gabbema, Verhaal van Leeuwaarden, gebouwd in den jare 1487, doch, volgens J. van den Bosch, in zijn meergem. werk, was zij reeds door de Heeren van Cammingha en eenige rijke burgers in 1228 gesticht; en daarna afgebrand zijnde, werd zij herbouwd in 1487. In derzelver Koor aanschouwde men de prachtige marmeren graftombe van Graaf Willem van Nassau en zijne Gemalinne Anna, onder welke tombe de Vorstelijke Grafkelder zich bevond, waarin zijn bijgezet geworden:
Nog stonden in dezen grafkelder twee kleine kisten, waarin waarschijnlijk de dochters van Graaf Ernst Casimir zijn bijgezet; zoo bevonden er zich drie kleine houten kistjes, in welke tinnen doozen, waren geplaatst, die ingewanden van gebalsemde Vorstelijke lijken zullen hebben bevat.
Toen deze begraafplaats te klein geworden was is door Prinses Amelia eene tweede aangelegd, in welke zijn bijgezet:
Van deze Vorstelijke begraafplaats en het marmeren grafgesticht is niets meer overgebleven, dan het aandenken aan derzelver vorig bestaan. Niet door den vernielenden tand des tijds, die al wat onvergankelijk schijnt aan stukken knaagt, maar door den geesel der verwoesting en het teugelloos geweld, uit overdreven vrijheidszucht, haat en partijschap geboren, wier blinde drift zelfs de graven der afgestorvenen niet eerbiedigt, zijn deze gedenkteekenen vernietigd. Dan wij willen de treurige herinnering aan die tijden niet verlevendigen, en dergelijke gebeurtenissen liever der vergetelheid overgeven.
Van de zeven Stadhouders, de Prinsessen Amelia, Maria Louisa en Anna, benevens de Graven Johan Maurits, Adolf, Jan en Albert van Nassau, zijn op het Hof te Leeuwarden nog uitmuntend geschilderde beeldtenissen bewaard gebleven.
Bl. 221.—Ao 1636.
Een oud boekje getiteld: Teghen-gifte teghen de Peste, door Lucas Trelcatius beschreven, uitgegeven te Leeuwarden 1637, meldt in een Aenhanghsel, dat de verschrikkelijke Pest, welke in dit jaar in Holland heerschte ook tot Friesland was overgeslagen, en in de dorpen nog heviger woedde dan in de steden, vooral in Anjum, Grouw, Oldkerk, enz. terwijl binnen Leeuwarden ettelijke weken lang, bij en over de 200 dooden werden begraven, waarna men de verwoesting in de dorpen aangerigt kan afmeten.
Bl. 227.—Ao 1665.
De Veldmaarschalk Graaf Johan Maurits van Nassau was de kleinzoon van Johan den Ouden, den Vader des eersten Frieschen Stadhouders. Bij gelegenheid van dit ongeluk maakte hij te Franeker zijn uiterste wille, en gaf die over ter bewaring aan de Akademie. In 1679 overleed deze zachtaardige en brave man te Bergendaal bij Kleef, alwaar zijne nederige grafstede nog jaarlijks door vele reizenden bezigtigd wordt.
Bl. 229.—Ao 1672.
Den eersten van Juny, of na de oude Styl den 22ste van May. Voor dat men den tijd naar behooren geregeld en verdeeld had, of willekeurig verdeelde, om te voorkomen dat de Saizoenen zich niet verplaatsten, was het opzigt hierover aan de Priesters des volks aanbevolen. Eene halve eeuw voor onze jaartelling maakte Julius Caesar een einde aan de verwarde tijdsberekeningen en derzelver gevolgen in zijnen Staat. Hij bepaalde het zonnejaar op 365 dagen en 6 uren. Het burgerlijk jaar werd dus verordend: er zouden telkens drie achtereenvolgende jaren ieder van 365 dagen loopen, en het vierde of schrikkeljaar moest een dag meer dragen, welke dag in de maand Februarij werd ingelascht. Het jaar bestond uit 12 eenigzins ongelijke maanden, zoo als het nu nog bestaat. Dit was de Juliaansche Jaarrekening of Stijl, Oude Stijl genaamd.
De bepaling des zonnejaars van 365 dagen en 6 uren was echter ruim elf minuten te groot genomen, hetwelk eene afwijking of verloop moest veroorzaken, die dan ook na vier eeuwen tijds bij de viering van het Paaschfeest, waarvan de berekening op de maan gegrond was, duidelijk werd opgemerkt. Men nam maatregelen welke echter onvoldoende waren, en gedurende vele eeuwen bleef dit gebrek bestaan, zoodat in de XVI eeuw de lente-nachtevening van den 21 Maart op den 10 was gekomen. Eindelijk nam Paus Gregorius XIII zich de zaak ernstig ter harte, liet door geleerden en deskundigen het ontwerp van Aloisius Lilius, een geneesheer van Verona, onderzoeken, en na rijp beraad werd er in den jare 1581, bij Apostolische Bulle, eene nieuwe verbetering aangekondigd en bevolen. De sedert het Concilie van Nicea vervroegde tien dagen, moesten in het jaar 1582 in de maand October worden uitgelaten, zoodat men van den 4 dadelijk op den 15 telde. Het verschil van de elf minuten, die men vroeger op het zonnejaar te veel gerekend had; werd gevonden, door in vier eeuwen, telkens op het einde van ieder eeuw één schrikkeljaar over te slaan; dus zoude het jaar 1600 een schrikkeljaar blijven, maar 1700, 1800 en 1900 gemeene jaren van 365 dagen, en 2000 weder een schrikkeljaar zijn. Het zonnejaar werd alzoo vastgesteld op 365 en het schrikkeljaar op 366 dagen. Deze inrigting noemde men de Gregoriaansche Jaarrekening of Stijl, en in tegenoverstelling van den Juliaanschen den Nieuwen Stijl.
Door deze verstandige en doeltreffende instelling was er geene afwijking of verloop van tijdsberekening in eeuwen meer te duchten; en was men overal verstandig genoeg geweest, men zou niet geaarseld hebben daarin te berusten, dan vooroordeel, dwaze driften, koppigheid en ongodsdienstige ijver, keerden aanvankelijk in die woelige tijden van hervorming onder zoo vele goede zaken ook deze. In de Catholijke Landen werd de verbeterde Calender spoedig aangenomen, dan eerst in en omstreeks den aanvang der XVIII eeuw, ging men daartoe in andere Landen, en ook in de Nederlanden over: Braband, Vlaanderen, Zeeland en Holland waren de eerste gewesten, daarna volgden Friesland, Groningen, Gelderland, Utrecht en Overijssel. Dat deze instelling op ongelijke tijden aangenomen, en dus de een zich van den Ouden, de ander van den Nieuwen Stijl bedienende, veel verwarring te weeg bragt, is meermalen gebleken. Zoo schreef b. v. Graaf Johan Maurits van Nassau, hiervoren gemeld, uit ’s Gravenhage eene Missive aan den Rector en Senaat van de Akademie te Franeker, op den 3 September 1670, en het antwoord op dezelve, drie dagen na dien datum afgezonden, droeg de dagteekening van den 27 Augustus. In Engeland heeft men eerst in 1752, en in Zweden een jaar daarna, den Nieuwen Stijl ingevoerd: in Rusland volgt men nog den Juliaanschen.
Ingevolge Resolutiën der Staten van Friesland van den 10 en 11 October 1700 werd vastgesteld en bij Publicatie van den 12 dier maand afgekondigd, dat op den 1 Januarij 1701, in plaats van den Ouden Stijl de Nieuwe zou worden ingevoerd, en men op dien dag niet den eersten maar den twaalfden Januarij zoude schrijven, en aldus de telling vervolgen. Alzoo eindigde in Friesland het jaar 1700 op Dingsdag den 31 December, en den volgenden dag, Woensdag, heeft men 12 Januarij 1701 geschreven98. In de Provincie Groningen is ten zelfde dage en op gelijke wijze de Nieuwe Stijl ingevoerd.
Het verschil alzoo tusschen den Ouden en Nieuwen Stijl, door vele schrijvers niet in acht genomen, waardoor misstellingen in de dagteekeningen zijn ontstaan, of bij sommigen verkeerd aangeduid, bestaat alleen hierin, dat men altoos tien dagen tellen moet bij de dagteekening, welke de Oude of Juliaansche Jaarrekening aangeeft.
Men vergelijke de Historische Verhandeling over den zoogenaamden Nieuwen Stijl door den Oud-Hoogleeraar Mr. J. W. de Crane, geplaatst in het II. Stuk van het Archief der Heeren Visser en Amersfoordt.
Bl. 259.
In den jaare 1677. Hetgeen hier volgt tot bladzijde 271 is een bijvoegsel van den tweeden druk, en heeft niet uitsluitend betrekking op Friesland, maar is meer eene kronijksgewijze opgave van algemeene gebeurtenissen. Wij hebben ons moeten onthouden van eene meerdere uitbreiding onzer Aanteekeningen over het belangrijk tijdvak der geschiedenis in de laatste eeuwen, daar dezelve reeds tot een aantal bladen zijn aangegroeid, en ons bestek geen grootere uitvoerigheid gedoogde. Ook mogen wij het daarvoor houden, dat dit gedeelte der Historie, en bepaaldelijk die der Stadhouderlijke Regering, den Lezer meer bekend zij, als zijnde daarover ook genoegzame bronnen voorhanden. Wij hebben achterwege gelaten de onbelangrijke beschrijving van den intogt des Prinsen J. W. Friso in Groningen, op bl. 327 en 328 van den tweeden druk der kronijk voorkomende, als mede de berijmde Nareeden, of zoo als achter den eersten druk staat, Aanspraak op Naaspraak, hoewel tot onderschrift voerende: ’t Kan niet beeter; want wie zal thans nog smaak vinden in verzen als deze?
Wiens breinkas gestoffeerd met puik van waarde stoffen,
Zal ooit op eenge stoff, wiens loff maar stoff is stoffen.
of
Een keurger keure, keur de keur, met keur in ’t leezen;
In ’t geen hy keurig keurt, met keur ’t zyn uit te leesen.
Ook het Treurig gesprek tusschen een Vreemdeling en een Fries, over het verongelukken van Johan Willem Friso, in zeer middelmatig rijm van de door haren tijdgenoot Lucas Pater en daarna door den heer J. de Vries hoog verheven, door Witsen Geysbeek daarentegen diep vernederde Friesche Dichteres Jetske Reinou van der Malen, hebben wij gedacht veilig te kunnen weglaten.
Bl. 273.
De Landstreek van deze Provincie. Over deze verdeeling en het bestuur der Graafschappen, vergelijke men onze Aantt. bl. 344; § 4 van het Overzigt in het Friesch Jierboeckjen 1833, en de 2de § van dat van 1834. Over de benamingen van Estrachia of Austrachia en Westrachia, moet ik nog wel aanmerken, dat Alting in zijne Descriptio agri Batavi et Frisii, of Notit. Germ. Inf. zeer verkeerd op alle zijne kaarten de eilanden Ameland en Terschelling dus noemt, in navolging van zekeren Fredegarius, een Schrijver van de VII eeuw, (die echter voor Austrachia Anistrachia schrijft,) als zullende beteekenen Ooster- en Wester-oog, van achia, age, oog, welke benaming dikwijls aan eilanden gegeven wordt, zoo als Schiermonnikoog, Spikeroog, Langeroog enz. Te vergeefs zal men bij eenig Friesch Schrijver die eilanden, dus genoemd, zoeken, maar wel vindt men, dat eertijds Westrachia Westergo, en Austrachia Oostergo beteekende. Winsemius bevestigt zulks op den jare 728, toen Karel Martel Oostergo en Westergo plonderde en verwoestte. In de afbeelding van Oud-Friesland door Schotanus, de eenige oude kaart, welke het best met de geschiedenis overeenkomt en ’t meest vertrouwen verdient, gevoegd in zijne Beschr. van Frieslandt en achter de Groote Atlas, worden de streken beoosten en bewesten de Burdo of Middelzee, welke ook het best door hem is afgeteekend, te regte Austrachia en Westrachia genoemd. Verg. Oudh. en Gest. II. 287, alwaar v. Rhyn in ’t breede hierover uitweidt, aan Fredegarius geen gezag boven Friesche Schrijvers toekennende. Alting, II. in voc. Austrachia Burdine, Westrachia; Brouwer en Eekhoff, Nasporingen betrekkelijk de Middelzee, bl. 31 noot, 116 en 117, waarin ook de gebrekkigheid van de oude kaarten wordt aangetoond.
Bl. 273.
Die men een Grietman noemt. In het laatst der XIII en in het begin der XIV eeuwen, wordt het eerst van Grietmannen gewaagd. Van ouds moet de verkiezing door de gemeente, de ingezetenen of de bezitters der stemhebbende Staten hebben plaats gehad. Zij hadden Assessoren of Bijzitters en andere Regters van minderen rang onder zich, terwijl er tevens Schouten hebben bestaan, welk ambt later weder is vernietigd of in die des Grietmans is overgegaan. Aanvankelijk waren zij Regters, maar in den drang en druk der oproerige tijden, in welke geene regten geëerbiedigd werden, moesten zij zich tot Beschermheeren verheffen, en wisten van hunne magt en invloed een krachtig, soms al te krachtig gebruik te maken. Elke Grietenij had één Grietman, voor één jaar benoemd tot Hoofd; doch eene enkele uitzondering was er op dezen regel: bij latere inrigting werd bepaald, dat ieder, die de vereischten bezat, op zijn beurt den post van Grietman en Regter zoude waarnemen. Onder de Hertogen van Saksen en daarna onder het Stadhouderlijk Bewind was de begeving van dit ambt ook aan dezen en aan het Hof verbleven.
Maar nu den oorsprong van den naam Grietman te bepalen, dit is eene moeijelijke zaak, waarover reeds vele geleerden zijn geraadpleegd en veler gevoelen ter toetse is gebragt, doch het is als nog onbeslist, welke beteekenis voor de eigenlijke en oorspronkelijke moet worden gehouden. Onze Kronijk is er, mijns bedunkens, niet achter en geen wonder, want de Heer Beyma, in zijn Tractatus de Grietmannis geeft een aantal verschillende gevoelens op, en na dezen Schrijver zijn er nog meerdere te berde gebragt99. Het meest aannemelijk gevoelen is, dat men den naam moet afleiden van het Oud-Friesche Greta, klagen en dus Greet- of Grietman degeen was, die aan de klagers regt verschafte. Zeer belangrijk zijn de Aanteekeningen over de Grietmannen van de Heeren H. en W. v. S. voorkomende in het Mengelwerk der Leeuwarder Couranten van den 15 en 29 Mei 1832, tot welke wij den Lezer verwijzen, als mede tot opgenoemd Tractatus de Grietmannis van C. L. van Beyma, Franeq. 1780.
Wat het kerkelijk Bestuur van Friesland in de vroegste tijden aangaat, dit is ons niet klaar genoeg gebleken: later was dit gewest den Bisschop van Utrecht onderworpen, die tot het Aartsbisdom van Keulen behoorde. Friesland was verdeeld in Dekenschappen, waarvan de Dekens door den Bisschop werden gekozen en met groot gezag en magt bekleed. De Hoofdpriesters of Priesters in eene parochiekerk werden Personae genoemd, en de mindere Priesters Kapellanen. De Abten waren Oversten of Bestuurders der Kloosters en derzelver aanhoorigheden: zij stonden op zich zelven, hadden vele voorregten, samen de eerste plaats op de Landsdagen, en waren alleen den Paus onderworpen: de Priors waren oorspronkelijk hoofden van minderen rang, gelijk ook de Proosten, hoezeer dikwijls deze verschillende benamingen door elkander gebruikt werden. Zie hierover onder anderen Friesch Jierb. 1833. Oersicht § 4.